Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7625

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
ROT 13/4083
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vermogensinkomensbijtelling zorg met verblijf AWBZ inbreuk op eigendomsrecht? Inbreuk niet disproportioneel.

Wetsverwijzingen
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, geldigheid: 2014-09-15
Bijdragebesluit zorg 6, geldigheid: 2014-09-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 1

Zaaknummer: ROT 13/4083

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2014 in de zaak tussen

[eiser] te Sliedrecht, eiser,gemachtigde: mr. J. Hoeijenbos,

en

het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder,

gemachtigde: mr. B. Imhof.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de eigen bijdrage van eiser voor Zorg met Verblijf per 1 januari 2013 vastgesteld op € 1.963,67 per maand.


Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 februari 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 24 juni 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen


1.Eiser verblijft in een zorginstelling in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Bij het primaire besluit heeft verweerder de met dat verblijf verband houdende eigen bijdrage met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld op € 1.963,67 per kalendermaand. Bij de berekening heeft verweerder de inkomensgegevens van eiser uit 2011 gebruikt. Tevens heeft verweerder 8% van de grondslag sparen en beleggen meegeteld, naar aanleiding van eisers vermogen in box 3 (€ 134.344,-).

2.

Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat het primaire besluit dient te worden gehandhaafd. Volgens verweerder moet op grond van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) en de Bijdrageregeling zorg AWBZ (Brz) 8% van de grondslag sparen en beleggen worden meegeteld. Verweerder mag niet van het Bbz en de Brz afwijken, omdat de bepalingen dwingendrechtelijk van aard zijn en geen ruimte bieden om de eigen bijdrage te matigen of kwijt te schelden. Het Bbz en de Brz bevatten geen hardheidsclausule of een coulanceregeling. Verweerder heeft eiser niet anders behandeld dan andere verzekerden die een inkomen/vermogen hebben en een eigen bijdrage moeten betalen. Van schending van het recht op bezit, eigendom en vermogen is geen sprake.

Omdat er naar zijn mening redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het bezwaar ongegrond is, heeft verweerder afgezien van het houden van een hoorzitting.

3.

Eiser heeft aangevoerd dat de vastgestelde eigen bijdrage, gebaseerd op de vermogensinkomensbijtelling, een inbreuk vormt op het eigendomsrecht. De grens van de vermogensinkomensbijtelling - die gelijk is aan het heffingsvrij vermogen in de inkomstenbelasting - is te laag vastgesteld en komt daarmee in strijd met de vereisten die artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (het Eerste Protocol) stelt. De cumulatie van nadelen van het hebben van spaargeld (betalen van inkomstenbelasting, geen recht op ouderenaftrek, zorgtoeslag of huurtoeslag, verplicht interen) is in strijd met artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol. De toepasselijke bepalingen in de AWBZ, het Bbz en de Brz zijn in strijd met hogere wetgeving, namelijk de artikelen 8 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol, zodat deze onverbindend moeten worden verklaard. Ook verzetten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de redelijkheid en billijkheid zich tegen de invoering van de vermogensinkomensbijtelling, nu daardoor een beperkte groep individuen wordt getroffen. Verder doorkruist de invoering van de vermogensbijtelling volgens eiser de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR). Daartoe wijst eiser op het advies van de Raad van State van 16 december 2011 (W13.11.0441/III).

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat het bepalen van de vermogensinkomens-bijtelling op basis van de belastingsituatie in 2011, onjuist is. Het schendt het beginsel van niet-terugwerking van nieuwe regelgeving. Tevens kan de vermogenssituatie twee jaar later aanmerkelijk veranderd zijn, waardoor de juistheid van de opgelegde bijdrage in het gedrang komt. Door de snelheid waarmee de maatregel is ingevoerd en het ontbreken van een overgangsregeling, heeft eiser zijn belastingsituatie niet kunnen optimaliseren, bijvoorbeeld door zijn belastbaar vermogen te verlagen middels groene en maatschappelijke beleggingen. Nu aan huiseigenaren bij de invoering van de nieuwe regels met betrekking tot de hypotheekrenteaftrek wel een overgangsperiode is gegeven, is er sprake van willekeur.

Eiser acht het niet rechtvaardig en juridisch onjuist dat degene die altijd alle verschuldigde verzekeringspremies AWBZ heeft betaald niets vergoed krijgt van de AWBZ-verzekering en meer moet betalen dan zijn inkomen groot is, terwijl on- en minvermogenden, die geen of nauwelijks premies hebben afgedragen, gratis of zonder extra kosten in het verzorgingshuis zitten met zak- en kleedgeld toe. De AWBZ is een verzekering en geen nivelleringsinstrument. Eiser heeft altijd zijn premies betaald. Nu hij zorg nodig heeft, behoort de verzekering zijn kosten te vergoeden. Volgens eiser wordt ten onrechte een hogere bijdrage in rekening gebracht dan het inkomen uit AOW en pensioen minus het bedrag aan zak- en kleedgeld. Hierdoor zal eiser in ongeveer vijf jaar tijd de helft van zijn spaargeld kwijtraken.
Eiser betwist tevens verweerders stelling dat het Bbz en de Brz geen ruimte bieden om de eigen bijdrage te matigen of kwijt te schelden. De stelling dat deze regelingen geen hardheidsclausule of een coulanceregeling bevatten, kan naar zijn mening niet juist zijn gelet op het feit dat besloten is om vermogen, voortvloeiend uit een vergoeding voor smartengeld, niet mee te tellen. Volgens eiser dient het deel van zijn spaargeld dat bestemd is voor begrafeniskosten buiten beschouwing te worden gelaten, omdat bij degenen die voor deze kosten een verzekering hebben afgesloten de aanspraak op kostenvergoeding ook niet wordt opgeteld bij hun spaargeld.

Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaarschrift is gehoord.

4.1.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de ambtshalve te beantwoorden vraag of het bezwaarschrift van eiser tijdig is ingediend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Op grond van het tweede lid is bij verzending per post het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3.

Het primaire besluit dateert van 18 januari 2013. Gesteld noch gebleken is dat het besluit op een latere datum is verzonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 19 januari 2013 en dat de laatste dag waarop bezwaar kon worden gemaakt 1 maart 2013 was. Verweerder heeft het op (woensdag) 27 februari 2013 gedateerde bezwaarschrift voor ontvangst afgestempeld op maandag 4 maart 2013. Verweerder heeft bij brief van 30 juli 2013 desgevraagd te kennen gegeven dat hij niet beschikt over de envelop (met een daarop geplaatst poststempel), waarin het bezwaarschrift is verzonden dan wel over een scan of kopie daarvan. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of het bezwaarschrift vóór het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd.

4.4.

Zoals de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in zijn uitspraak van 8 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8527) heeft overwogen, wordt een via PostNL verzonden poststuk geacht in ieder geval tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later ter post is bezorgd. In dit geval heeft verweerder het bezwaarschrift, blijkens het eerste ontvangststempel, ontvangen op 4 maart 2013, de eerste werkdag na het aflopen van de bezwaartermijn op vrijdag 1 maart 2013. Niet in geschil is dat eiser zijn bezwaarschrift via PostNL heeft verzonden. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, zodat eisers bezwaar ontvankelijk is.

5.1.

Ter beoordeling staat vervolgens of verweerder het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond heeft afgedaan en om die reden eiser niet op zijn bezwaarschrift heeft gehoord. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

5.2.

Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
5.3. Voor zover niet bij bijzondere wetgeving wordt afgeweken van de in artikel 7:2 van de Awb geregelde hoorplicht, is het afzien van horen slechts mogelijk in de in

artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingsgevallen. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht van artikel 7:3 Awb moeten restrictief worden gehanteerd. Er is pas sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

5.4.

Verweerder heeft eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat de dwingendrechtelijke aard van de bepalingen van het Bbz en de Brz naar zijn mening eraan in de weg staat in bezwaar anders te beslissen dan bij het primaire besluit is gebeurd.

De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval geen sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3 van de Awb. Gelet op de uitvoerigheid en het inhoudelijke karakter van het ingediende bezwaarschrift en de uitvoerige motivering van het naar aanleiding daarvan genomen bestreden besluit, kan niet worden volgehouden dat uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en dat over deze conclusie redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Verweerder had eiser dus dienen uit te nodigen voor een hoorzitting. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft hij in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb in samenhang met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Het beroep is daarom gegrond.

5.5.

Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal thans bezien of zij gebruik kan maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb gegeven bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen het ook door eiser ter zitting benadrukte belang bij een definitieve beslechting van het geschil en dat eiser in beroep, waaronder ter zitting, voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt alsnog naar voren te brengen.

6.

Ten aanzien van de overigens door eiser tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden overweegt de rechtbank het volgende.

7.1.

Op grond van artikel 6, vierde lid, van de AWBZ kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de aanspraak op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. De bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg die verstrekt wordt, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door middel van de vaststelling van het Bijdragebesluit zorg (Bbz).

7.2.

Op grond van artikel 1 van het Bbz - voor zover hier van belang - wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
(…)

e. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt;

h. grondslag sparen en beleggen: de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

l. vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 1a.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Bbz is het vermogen van een verzekerde het verschil tussen zijn vermogensgrondslag en de op grond van het vierde tot en met het zesde lid voor hem toegepaste verminderingen met dien verstande dat het ten minste nihil bedraagt.

Het tweede lid omschrijft het begrip vermogensgrondslag van een verzekerde als zijn grondslag sparen en beleggen, over het peiljaar.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bbz draagt de verzekerde van 18 jaren of ouder bij in de kosten van de zorg, verleend door een instelling.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Bbz, zoals dat luidde op 1 januari 2013, wordt het bijdrageplichtig inkomen als volgt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;

b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

1°. 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende

kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van
een uitkering ingevolge de Ziektewet;

2°. zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de
zorgtoeslag, een jonggehandicaptenkorting, een ouderenkorting of extra vrijlatingen, een

en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;

3°. op aanvraag van de verzekerde, de uitkering op grond van artikel 14 van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of de uitkering op grond van artikel 20

van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het peiljaar van de gehuwde verzekerden.

Bij Besluit van 4 december 2013 (Stb. 2013, 535, datum inwerkingtreding 18 december 2013) is artikel 6, eerste lid, onder c, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 als volgt gewijzigd: het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van het Bbz vindt in afwijking van artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c, op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, de te verwachten grondslag sparen en beleggen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf, met dien verstande dat de uitkomst daarvan vervolgens wordt verhoogd met twee procent.

Het tweede lid bepaalt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Het derde lid bepaalt dat, indien het eerste lid is toegepast, na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaatsvindt. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van artikel 6.

Op grond van het bepaalde in artikel 23 van het Bbz maakt verweerder voor de vaststelling van de eigen bijdrage gebruik van de gegevens, die hij van de belastingdienst heeft ontvangen.

7.3.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Het tweede lid bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Op grond van artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

In artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

8.1

Wat betreft eisers beroep op het Eerste Protocol oordeelt de rechtbank als volgt. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de verhoging van de eigen bijdrage een inbreuk betekent op het ongestoord genot van eigendom. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De AWBZ geeft eiser recht op gezondheidszorg in de vorm van verstrekkingen in natura, in dit geval verblijf in een verzorgingstehuis. Voor dit recht is eiser een eigen bijdrage verschuldigd. Hij kan deze eigen bijdrage enkel vermijden door af te zien van het gebruik van gezondheidszorg en de instelling te verlaten. Voor de eigen bijdrage dient eiser zijn inkomen en zijn vermogen aan te spreken. Onder deze omstandigheden moet de verhoging van de eigen bijdrage worden beschouwd als inbreuk op het ongestoord recht op eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol.

8.2.

Vervolgens moet worden getoetst of de inbreuk op het eigendomsrecht heeft plaatsgevonden in het algemeen belang. Daarbij is de vraag of de inbreuk een gerechtvaardigd doel dient en niet zonder redelijke grond is. Bovendien moet er een fair balance bestaan tussen het algemeen belang en het individuele belang, in die zin dat de inbreuk geen onredelijke last op het individu mag leggen.

8.3

Blijkens de memorie van toelichting (TK 2011-2012, 33 204, nr. 3) wordt met de vermogensinkomensbijtelling beoogd een percentage van het vermogen van de verzekerde in aanmerking te nemen. Het wordt redelijk geacht dat de gebruiker van de zorg bijdraagt aan de kosten van zorg. Daarbij zijn eigen bijdragen nodig om de kosten van de zorg betaalbaar te houden. Met de vermogensinkomensbijtelling wordt beoogd verzekerden die over vermogen beschikken een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. In aanmerking genomen dat de wetgever op sociaal economisch terrein een ruime beoordelingsmarge moet worden gelaten, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel een algemeen belang dient en niet zonder redelijke grond is. Gelet op de kosten van de gezondheidszorg is het in het algemeen belang dat de afnemers van de zorg bijdragen aan de kosten. Het is in dat verband niet onredelijk niet alleen rekening te houden met het inkomen maar ook met het vermogen. In het geval van eiser, die beschikte over een vermogen, mag de overheid verlangen dat een deel van dit vermogen wordt gebruikt om de kosten van de gezondheidszorg van eiser te betalen in plaats van dat de kosten ten laste van de gemeenschap worden gebracht.

8.4.

Hoewel de rechtbank begrip kan opbrengen voor eisers standpunt dat hij door de gevolgen van de wetswijziging zwaar wordt getroffen, kan dit niet leiden tot het oordeel dat de maatregel een onredelijke last op hem legt. Daarbij is allereerst van belang dat het gaat om een eigen bijdrage voor gezondheidszorg die geheel aan de verzekerde zelf ten goede komt. Dat maakt dat niet snel sprake kan zijn van een onredelijke last. Bovendien is de eigen bijdrage gebonden aan een maximum en wordt bij de vaststelling van de grondslag voor sparen en beleggen een deel van het vermogen vrijgesteld. Een deel van het vermogen blijft dus buiten beschouwing bij de vaststelling van de eigen bijdrage. De maatregel bevat dus in het algemeen elementen om te voorkomen dat een te hoge last op het individu wordt gelegd. De verhoging van de eigen bijdrage per 1 januari 2013 leidt voor eiser tot een extra last van ruim € 10.000,- op jaarbasis. Gelet op de hoogte van het vermogen van eiser (€ 134.344,-) is dit niet disproportioneel. In het geval van eiser leidt de maatregel dan ook niet tot een onredelijke last.

8.5.

Voorts is de rechtbank niet gebleken van strijd met enige andere door eiser genoemde verdragsbepaling, zodat voor het buiten toepassing laten van artikel 6, vierde lid, van de AWBZ, voor zover daarin is bepaald dat de eigen bijdrage voor zorg mede afhankelijk kan worden gesteld van het vermogen, geen plaats is. Evenmin is gebleken dat artikel 6, eerste lid, onder c, van het Bbz, in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, zoals de door eiser genoemde Awir, dan wel met een algemeen rechtsbeginsel, zodat ook deze bepaling niet onverbindend kan worden geacht.

8.6.

De rechtbank overweegt verder dat het haar op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij staat om de innerlijke waarde of billijkheid van een wet te beoordelen, zoals in dit geval de volgens eiser in de wetswijziging besloten liggende politieke keuze om met de maatregel een zekere mate van nivellering te bewerkstelligen.

9.1.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de regelgeving inzake het bepalen van de vermogensinkomensbijtelling op basis van de belastingsituatie in 2011, met terugwerkende kracht is ingevoerd. De vermogensinkomensbijtelling is per 1 januari 2013 gaan gelden voor de eigen bijdragen op grond van de AWBZ. Dat dit op grond van het peiljaar van twee jaar daarvoor geschiedt, brengt niet mee dat er sprake is van het opleggen van een eigen bijdrage met terugwerkende kracht. Voor zover eiser in dit verband een beroep doet op het verbod van willekeur houdt dit feitelijk in dat hij betoogt dat aan verzekerden gelegenheid had moeten worden geboden om de gevolgen van de vermogeninkomensbijtelling geheel of gedeeltelijk te matigen of te ontwijken. Dit is echter geen belang waarmee de wetgever in de door eiser gewenste zin rekening hoeft te houden. De omstandigheid dat de maatregel op korte termijn en zonder overgangsregeling is ingevoerd, kan dus niet leiden tot het buiten toepassing laten van de regeling.

Dat het gewijzigde Bbz voor wat betreft de vermogensinkomensbijtelling op 5 december 2012 (Stb. 2012, 628) is gepubliceerd en per 1 januari 2013 in werking trad en er aldus een kort tijdsverloop was tussen bekendmaking en inwerkingtreding van de wijziging, maakt niet dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld.

9.2.

Eisers betoog dat de vermogenssituatie twee jaar later aanmerkelijk ten nadele veranderd kan zijn, waardoor de juistheid van de opgelegde bijdrage in het gedrang komt, kan hieraan niet afdoen, nu de wetgever met artikel 10, eerste lid, van het Bbz, heeft voorzien in het op aanvraag voorlopig vaststellen van het bijdrageplichtig inkomen op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermogen en belasting, voor zover na afdracht van de bijdrage minder zou resteren dan de norm, vermeld in artikel 23 van de Wet werk en bijstand, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag.

10.1.

Eisers betoog dat hij niets vergoed krijgt van de AWBZ-verzekering, terwijl hij daar altijd premie voor heeft betaald, mist feitelijke grondslag. Zoals verweerder ter zitting onbestreden heeft gesteld, liggen de werkelijke kosten van de aan eiser verstrekte zorg aanmerkelijk hoger (omstreeks € 6000,- per maand) dan de door eiser te betalen eigen bijdrage. Artikel 6, vierde lid, van de AWBZ gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Bbz, voorziet in een aanspraak op zorg, verleend door een instelling, die tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde bijdraagt in de kosten. Overigens is het een algemeen aanvaard uitgangspunt in de sociale zekerheid dat de verplichting tot premiebetaling en het recht op een uitkering of verstrekking afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Het feit dat premie is voldaan geeft daarom geen onvoorwaardelijk recht op een uitkering of verstrekking.

10.2.

Voor zover eiser betoogt dat met de bij hem in rekening gebrachte eigen bijdrage sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in artikel 14 van het EVRM, omdat hij meer betaalt voor dezelfde zorg dan degenen die in een gelijke verzorgingssituatie niet worden geconfronteerd met de vermogensinkomensbijtelling, overweegt de rechtbank het volgende.

10.3.

Uit de parlementaire stukken (zie TK, vergaderjaar 2011-2012, 33 204, nr. 3, blz. 2) blijkt dat de doelstelling van de vermogensinkomensbijtelling is om verzekerden die - al dan niet naast hun maandelijkse inkomen, uitkering of pensioen - een vermogen hebben, een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat degenen die niet worden geconfronteerd met de vermogensinkomensbijtelling zich niettemin in een gelijke positie bevinden.

11.1.

Eisers betoog dat het Bbz en de Brz verweerder de mogelijkheid geven om de eigen bijdrage te matigen of kwijt te schelden, slaagt niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 28 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3296 en van 22 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BO9967) zijn de bepalingen van het Bbz en de Brz dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Zij bevatten geen hardheidsclausule of een coulanceregeling en bieden geen ruimte om andere kosten of kosten in een andere omvang als daarin bepaald in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen reden om tot een ander oordeel te komen.

11.2.

Voor zover eiser in dit verband betoogt dat vermogen als gevolg van smartengeld voor de berekening van de eigen bijdrage wel buiten beschouwing wordt gelaten, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is hiermee tegemoetgekomen aan de wens van de Tweede Kamer der Staten-Generaal door een uitzondering te maken ten aanzien van eenmalige uitkeringen en letselschade-uitkeringen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onderdeel b, en 9bis van de Awir, nu het gaat om personen die smartengeld of een schadevergoeding hebben gekregen als compensatie voor het leed en zij niet meer het nodige kunnen doen om hun eigen financiële positie te verbeteren, door andermans toedoen (Handelingen II 2012-2013, nr. 71, item 15, blz. 53-69). Het stond de wetgever vrij, mede gelet op het bepaalde in artikel 6, vierde lid, van de AWBZ, om tot deze uitzondering te komen. Dit brengt niet met zich dat ook in andere gevallen een gehoudenheid zou bestaan inkomen of vermogen uit te zonderen, dan wel de bevoegdheid zou bestaan om in een individueel geval een uitzondering te maken.

11.3.

De rechtbank kan eiser evenmin volgen in zijn betoog dat het deel van zijn spaargeld dat bestemd is voor begrafeniskosten, buiten beschouwing moet worden gelaten. Anders dan bij de kosten die in verband met een begrafenisverzekering worden gemaakt
- veelal in de vorm van premies -, blijkt uit het spaargeld niet met welk doel dit is gereserveerd.

Met betrekking tot eisers stelling dat het bedrag aan zak- en kleedgeld op de bijdrage in mindering moet worden gebracht, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, ten 2e, van het Bbz bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen rekening wordt gehouden met het zak- en kleedgeld.

12.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de overige aangevoerde beroepsgronden niet slagen. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en a, van de Awb.

13.

Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.

14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, mr. H. Bedee en
mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.