Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
443454 / HA RK 14-63 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Geen grond voor wraking in afwijzing van hernieuwd verzoek van de verdediging tot horen van tolken, verbalisanten en teamleider t.a.v. de wijze van vertalen en selecteren van audio-bestanden. Geen grond voor wraking in afwijzing van verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van twee getuigen. Geen grond voor wraking in klacht over bejegening van verzoekers ter zitting. Geen sprake van misbruik van middel van wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 5 februari 2014

Zaak- / rekestnummers:

443454 HA RK 14-63, 443456 / HA RK 14-64 en 443458 / HA RK 14-65

Parketnummers: 960213-10, 960007-10 en 960061-10

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.],

raadsman mr. G.N. Weski

en

[naam verzoeker 2],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.],

raadsvrouw mr I.N. Weski

en

[naam verzoeker 3],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsvrouw mr. LN. Weski,

hierna gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers,

strekkende tot wraking van mr. J. van der Groen, mr. D.C.J. Peeck en mr. S.M. den Hollander, rechters in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht,

hierna aan te duiden als: de rechters.

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 27 januari 2014 is door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, welke kamer bestond uit de rechters, voortgegaan met de inhoudelijke behandeling van de strafzaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsvrouw van verzoekers [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3], mede namens de raadsman van verzoeker [naam verzoeker 1], de rechters gewraakt.

De rechters hebben een schriftelijke reactie op de wrakingsverzoeken, voorzien van bijlagen aan de wrakingskamer doen toekomen.

De wrakingskamer heeft de mondelinge behandeling van de wrakingsverzoeken aangevangen ter zitting van 27 januari 2014, waarna die behandeling vervolgens is geschorst. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De behandeling van de wrakingsverzoeken is voortgezet ter zitting van 30 januari 2014.

Verzoekers, hun advocaat, de rechters en de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop de behandeling van de wrakingsverzoeken zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

Ter zitting van 30 januari 2014 zijn verschenen:

  • -

    verzoeker [naam verzoeker 1],

  • -

    verzoeker [naam verzoeker 2],

  • -

    mr. I.N. Weski in haar hoedanigheid van raadsvrouw van verzoekers [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3] en tevens als waarneemster voor mr. G.N. Weski, advocaat van verzoeker [naam verzoeker 1];

  • -

    de rechters en

  • -

    officier van justitie mr. J. Patist.

Zij hebben alle gelegenheid gekregen hun standpunten nader toe te lichten, waarbij de officier van justitie het woord heeft gevoerd aan de hand van een schriftelijke reactie.

Behalve van de hiervoor reeds gememoreerde stukken heeft de wrakingskamer kennis genomen van de door de rechters op 29 januari 2014 in afschrift aan de wrakingskamer ter beschikking gestelde stukken, te weten:

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 6 december 2013;

  • -

    de pleitnotities van mr. B.C. Swier inzake verdachte [naam mede-verdachte 1], met daarop de door de griffier genoteerde datum 6 december 2013;

  • -

    de pleitnotities van mr. O.J. Much inzake verdachte [naam mede-verdachte 2], met daarop de door de griffier genoteerde datum 6 december 2013;

  • -

    een tweetal lijsten met aanduidingen van afgeluisterde gesprekken, met daarop aangegeven welke gesprekken volgens de verdediging verkeerd zijn vertaald (VV), verkeerd geïnterpreteerd (VI) of context (C) biedt aan andere taps en/of het dossier in een ander daglicht plaatst, met op deze lijsten de door de griffier genoteerde datum 6 december 2013;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 11 december 2013;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 16 december 2013;

  • -

    een lijst met aanduidingen van 51 afgeluisterde gesprekken (taps) die kennelijk bij voormelde zitting hoort;

  • -

    een brief d.d. 14 december 2014 (bedoeld zal zijn: 14 december 2013) van [naam] aan mr. Heinrici;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Weski in de zaak van verzoeker [naam verzoeker 2] ter zitting van 16 december 2013;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Weski in de zaak van verzoeker [naam verzoeker 3] ter zitting van 16 december 2013;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 18 december 2013;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 20 december 2013;

  • -

    een schriftelijke verklaring van verzoeker [naam verzoeker 2], overgelegd ter zitting van 20 december 2013;

  • -

    het faxbericht van mr. Weski aan de officier van justitie, gedateerd 3 januari 2014, met bijlagen;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 8 januari 2014;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 9 januari 2014;

  • -

    de op schrift gestelde onderzoekswensen van de verdediging in de strafzaken tegen verzoekers, overgelegd ter zitting van 20 januari 2014;

  • -

    een stuk met de aanhef ‘koopovereenkomst’, waarop in handschrift is aangetekend “PO [naam verzoeker 2]” en “Overgelegd ttz 20-1-‘14”;

  • -

    een aantal aaneengehechte stukken, met als eerste een ‘Attest van immatriculatie’, waarop in handschrift is aangetekend “PO [naam mede-verdachte 3]” en “Overgelegd ttz 20-1-‘14”;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 20 januari 2014;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 22 januari 2014;

  • -

    het als ‘concept nog niet door de voorzitter nagezien en geaccordeerd’ gewaarmerkte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in de zaken tegen (onder meer) verzoekers als verdachte op 27 januari 2014.

Voorts heeft de wrakingskamer nog kennis kunnen nemen van de dossiers van de strafzaken tegen verzoekers als verdachte, waarin zich onder meer bevinden de (vastgestelde en ondertekende) processen-verbaal van de eerder dan op voormelde zittingsdata in de zaken tegen verzoekers als verdachte gehouden terechtzittingen van de meervoudige strafkamer, inclusief de daarvan deel uitmakende dan wel de daartoe behorende pleitnota’s en andere schriftelijke stukken.

Tenslotte heeft de wrakingskamer kennis genomen van:

  • -

    het faxbericht van de officier van justitie aan de voorzitter van de wrakingskamer, gedateerd 28 januari 2014 en

  • -

    het faxbericht van mr. Weski aan de voorzitter van de wrakingskamer, gedateerd 28 januari 2014.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

De wrakingskamer beschikt ten aanzien van de terechtzittingen in de strafzaken tegen verzoekers, die zijn gehouden in december 2013 en januari 2014 alleen over concept-processenverbaal van die zittingen, welke concepten niet zijn ondertekend en zelfs nog niet zijn gelezen door de gewraakte voorzitter. Die concepten zijn op onderdelen niet conform hetgeen op die zittingen is voorgevallen, zijn niet volledig en niet waarheidsgetrouw en kunnen geen basis vormen voor de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de wrakingsverzoeken. Tevens dient de wrakingskamer – alvorens te kunnen beslissen – kennis te nemen van alle pleitnota’s met verzoeken om nader onderzoek, de nota’s, de bijlagen, de ordner met her-vertalingen van de zijde van de verdediging, de her-vertalingen van de zijde van het OM, de weergaven door tolken, de rapportages, de analyses door de verdediging ten aanzien van de vertalingen en de volledige gang van de discussie die heeft geleid tot de beslissing van de rechters van 27 januari 2014.

2.1.2

De beslissingen van de rechters, uitgesproken op de zitting van 27 januari 2014 ten aanzien van de verzoeken van de verdediging tot nader onderzoek, zijn beslissingen in cumulatieve zin ten aanzien van hun eerdere beslissingen op onderzoekswensen. Bij de verdediging is de vrees ontstaan dat de rechters met deze beslissingen een oordeel hebben onderbouwd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het OM. Tevens is de vrees ontstaan dat de rechters reeds een oordeel hebben gegeven over de betrouwbaarheid van het audio-materiaal, ondanks herhaalde argumenten ten aanzien van de deskundigheid en betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de selectie van het materiaal. Er is al eerder gesproken over opzettelijkheid en de eventuele aard van de fouten, die zijn gemaakt bij het vertalen van audio-bestanden, wetende dat de verdediging slechts een klein deel van het materiaal verwerkt heeft. Dit alles terwijl verzoekers – in tegenstelling tot het OM – niet de mogelijkheid hebben van volledige toegang tot het dossier. De verdediging heeft getracht te onderzoeken in hoeverre het materiaal is bejegend, in de zin van tolken, verbalisanten, selectie van materiaal voor het dossier en in die zin dus de ontvankelijkheid, de rechtmatigheid en de bewijswaarde rakend, maar ook de betrouwbaarheid. Zelfs in het licht van twee vertalingen van de zijde van het OM die verschilden, in licht van twee tolken ter terechtzitting en twee tolken van de zijde van de verdediging, die steeds weer anders vertaalden, hebben de rechters structureel geoordeeld dat er geen wezenlijke fouten in de vertalingen zitten en dat terwijl de rechters het restmateriaal niet kennen. De rechters hebben feiten aangenomen die zich tot op heden niet in het dossier bevinden. Nu bestaan aanvullende vertalingen en stukken uit nog meer onjuiste, onvolledige weergaven en vertalingen. Het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek is dus een gerechtvaardigd verzoek in het kader van de ontvankelijkheid, de rechtmatigheid en het bewijs.

De rechters hebben de rechtvaardiging van hun beslissingen niet met feiten onderbouwd als we het hebben over de betrouwbaarheid en de zorgvuldigheid van het audio-materiaal.

De rechters hebben in hun beslissingen een normering aangenomen, en hun afwijzing geconcentreerd rond de methodiek. De rechters hebben daarmee een scheidslijn aangebracht met betrekking tot het handelen van en de selectie door de verbalisanten. Er zijn verbalisanten die meenden iemand te beluisteren, terwijl het een andere persoon betrof. De scheiding die de rechters aanbrengen als weergave van het verzoek van de verdediging, is niet juist. Dit verzoek ziet op de deskundigheid maar ook op de betrouwbaarheid en de wijze van totstandkoming. Er bestaat de geobjectiveerde vrees dat de rechters buiten het dossier om al een oordeel hebben gevormd omtrent de waarde van het audio-materiaal.

2.1.3

De rechters hebben het verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] afgewezen en daartoe overwogen wat zij verwachten dat deze getuigen nog zullen doen en dat zij geen concrete aanwijzingen hebben die maken dat te verwachten is dat zij nog antwoorden zullen gaan geven. Dat is een gebied - daar is uitgebreide jurisprudentie over - dat kennelijk blijk geeft van het vooruitlopen op dat wat deze personen zullen doen. En dat terwijl deze getuigen niet hebben gezegd dat zij niet zullen verklaren en terwijl zij nog in het onderzoek Spaarne zullen worden gehoord.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren. Zij hebben daarbij onder meer het volgende aangevoerd:

2.2.1

De rechters zouden al een eindbeslissing hebben gegeven over het onderzoeksmateriaal. Dit wordt gelogenstraft door de beslissingen van de rechtbank van september en december 2013 tot het beluisteren van taps en het vervaardigen van her-vertalingen van door de verdediging betwiste tap- en ovc-verslagen. Tot op heden is er geen oordeel geveld over de vraag en de klacht of er structureel juist/onjuist zou zijn vertaald c.q. weergegeven. Er zijn op dat punt instructiebeslissingen genomen, onder meer tot het opmaken van een methodiekenproces-verbaal, waarmee op onderzoeksvragen van de verdediging is gerespondeerd. Dat de verdediging het misschien niet eens is met de reikwijdte van de beslissingen doet daaraan niet af maar dat wil niet zeggen dat daarmee een oordeel over de juistheid/onjuistheid van het onderzoeksmateriaal is gegeven.

2.2.2

Geklaagd wordt erover dat er feiten zouden zijn aangenomen die zich niet in het dossier bevinden. Daar is geen sprake van, in tegendeel. Concreet betwist materiaal is tot dusverre steeds onderzocht, waarmede geen oordeel is gegeven over de kwaliteit van welk materiaal dan ook. Thans zijn her-vertalingen van gesprekken aan het dossier toegevoegd, zulks op verzoek van de verdediging. Daarover is alleen gezegd dat deze naar de huidige stand van zaken de stellingen van de verdediging met betrekking tot structureel onjuist vertalen niet steunen, maar een eindbeslissing is niet gegeven over de kwaliteit van het materiaal.

2.2.3

Een hernieuwd verhoor van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] in Suriname is afgewezen, nu niet gebleken is van nova die daartoe noodzaken. Dat is niet omdat de rechtbank vooruit loopt op de inhoud van hun verklaringen – hetgeen door vaste jurisprudentie wordt verboden – maar op de afweging of een hernieuwd verhoor zinvol is. Bedoelde getuigen zijn reeds in Suriname gehoord, zodat aan het ondervragingsrecht van de verdediging is voldaan. De beslissing van de rechtbank op dit punt spreekt voor zich en is niet meer dan een instructiebeslissing. Overigens heeft de verdediging niet expliciet om een nieuw verhoor gevraagd, maar alleen van het horen van deze getuigen geen afstand gedaan.

2.2.4

De verdediging heeft tweemaal het verzoek gedaan tot het horen van tolken, verbalisanten en een tactisch leider. Dat is afgewezen in december, op de gronden die in die beslissing van 18 december 2013 staan vermeld en dat is op 27 januari 2014 wederom afgewezen op basis van artikel 322, vierde lid, Sv. en het ontbreken van relevante nova voor het horen van bedoelde getuigen. De verdediging heeft zich uitdrukkelijk beroepen op her-vertalingen van gesprekken en ten aanzien daarvan heeft de rechtbank uitsluitend beslist dat deze onvoldoende grond vormen op dit moment voor het horen van de bedoelde getuigen. Daarbij is uitdrukkelijk opengehouden de waarde van deze nova in ander verband (bewijs) en daarmede is niet vooruit gelopen op enige te nemen eindbeslissing. Indien de verdediging het gelijk aan haar zijde zou hebben zou de rechtbank op geen enkele wijze materiaal kunnen beoordelen in verband met onderzoekswensen.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de wrakingsverzoeken, alsmede tot bepaling dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen.

3 De beoordeling

3.1

De wrakingskamer is van oordeel dat zij met de haar ter beschikking staande processtukken en de ter zitting gegeven toelichtingen in staat is de wrakingsverzoeken te beoordelen en daarop te beslissen. Weliswaar zijn van een aantal inmiddels in de onderhavige strafzaken gehouden terechtzittingen van de meervoudige strafkamer nog niet voorhanden de van die zittingen op te maken processen-verbaal, doch in plaats daarvan zijn – mede op verzoek van de wrakingskamer – aan de stukken toegevoegd de concepten van die nog ontbrekende processen-verbaal. Deze concepten zijn tevens verstrekt aan de verdediging en de officier van justitie en zij hebben gelegenheid gekregen omtrent de inhoud van deze stukken op- en aanmerkingen te maken, zoals ook feitelijk is geschied. Voorts hebben zowel (de raadslieden van) verzoekers als de rechters en de officier van justitie voldoende gelegenheid gehad de wrakingskamer met het oog op de beoordeling van de wrakingsverzoeken te voorzien van de nodige informatie en te attenderen op al die processtukken, waarvan volgens hen kennis moet worden genomen. Toegegeven dient te worden dat een en ander in korte tijd – en derhalve onder enige tijdsdruk – zijn beslag heeft moeten krijgen, doch deze gang van zaken was onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs onvermijdelijk. In dat verband is overwogen dat het gaat om de behandeling van een omvangrijk geheel van strafzaken tegen in totaal elf verdachten, waarvan enkelen zich in voorlopige hechtenis bevinden. Voorts speelt een rol dat het gaat om een reeds lange tijd lopend onderzoek, terwijl voor de inhoudelijke behandeling van al deze zaken door de meervoudige strafkamer een meerdaagse planning van zittingsdagen was opgezet, welke door de wrakingsverzoeken en de behandeling daarvan verloren dreigt te gaan. Onder die omstandigheden is een behandeling van wrakingsverzoeken onder enige tijdsdruk in redelijkheid onvermijdelijk.

3.2

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek staat het volgende voorop.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en

omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

3.3

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing

inhoudelijk te toetsen, ook niet indien een beslissing op het oog onjuist zou kunnen worden

geacht. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

De vrees voor vooringenomenheid kan indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing alleen objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

3.4

Daarnaast kan zich het geval voordoen dat de motivering van de aangevochten beslissing erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing niettemin kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

3.5

De wrakingskamer is van oordeel dat van het vorenstaande in de onderhavige gevallen geen sprake is en overweegt daartoe het volgende:

3.5.1 ten aanzien van de eerste wrakingsgrond:

De wraking is gegrond op de beslissing van de rechters, waarbij de verzoeken van de verdediging tot het horen van tolken, de teamleider en de verbalisanten die met de tolken hebben gewerkt, zijn afgewezen. Volgens verzoekers baseerden de rechters zich daarbij op feiten buiten het dossier en hebben zij reeds thans structureel geoordeeld dat er geen fouten zitten in het audio-materiaal en dat er geen fouten zijn gemaakt in de vertalingen. De verdediging is van mening dat dergelijke fouten wel zijn gemaakt, dat zij dat ook in meerdere gevallen en voor zoveel dit haar mogelijk was heeft aangetoond en dat derhalve nader onderzoek moet worden gedaan naar de vraag hoe dat mogelijk is, hoe dat is gegaan en of en zo ja, welke instructies daarbij door verbalisanten aan tolken zijn gegeven. Dat onderzoek is cruciaal want de hele strafzaak is door het OM gebouwd op de audio-bestanden.

De rechters hebben deze verzoeken tot nader onderzoek afgewezen, omdat die verzoeken reeds eerder waren gedaan en toen zijn afgewezen en er sinds die eerdere beslissing geen sprake is van nova die tot een andere beslissing nopen. De rechters zijn van mening dat een en ander nu verder aan de orde moet komen in het kader van de bewijswaardering.

De wrakingskamer stelt vast dat de rechters op 18 december 2013 de hiervoor omschreven verzoeken van de verdediging hebben afgewezen. Die afwijzing vormde voor de verdediging destijds geen aanleiding de rechters te wraken. Onder die omstandigheden dient er sprake te zijn van belangrijke nieuwe feiten of omstandigheden om aan het feit dat de rechters op 27 januari 2014 niet zijn teruggekomen op de beslissing van 18 december 2013 een grond te ontlenen voor wraking van de rechters. Na die laatste datum zijn er door verzoekers ten aanzien van (het horen van) de tolken en verbalisanten evenwel geen nova gesteld. Wel is er nadien voortgegaan met het ter zitting beluisteren van audio-bestanden, die volgens de verdediging – kort samengevat – weinig begrijpelijk lijken te zijn. Vervolgens wordt er door de verdediging op 20 januari 2014 opnieuw en uitvoerig verzocht om nader onderzoek, waarop op 27 januari 2014 door de rechters afwijzend wordt beslist, mede onder verwijzing naar de beslissing van 18 december 2013.

De wrakingskamer is van oordeel dat de rechters met deze (cumulatieve) beslissingen niet reeds een eindoordeel hebben gegeven over de betrouwbaarheid van de audio-bestanden, over de werkwijze van of de instructies aan de tolken, dan wel de door de diverse tolken verrichte vertalingswerkzaamheden. Gezien het inmiddels verrichte onderzoek en de resultaten daarvan, alsmede gelet op de door de rechters gegeven motivering, is niet onbegrijpelijk het oordeel van de rechters dat niet aannemelijk is geworden dat structureel ten nadele van verzoekers is vertaald. De rechters hebben slechts beslist dat er niet nog meer onderzoek moet worden verricht dan reeds is gedaan, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de rechters nu eerst het totaal van de resultaten van het onderzoek naar de audio-bestanden – en de daarbij gehanteerde onderzoeksmethoden – willen gaan beoordelen.

De beslissing van de rechters is daarmee niet onbegrijpelijk en vormt geen grond voor wraking, terwijl evenmin blijkt dat de rechters zich nu reeds een oordeel hebben gevormd over feiten of rechtsvragen dat eerst bij de eindbeslissing zou dienen te worden gevormd

3.5.2 ten aanzien van de tweede wrakingsgrond:

Volgens de verdediging liepen de rechters met hun beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het opnieuw horen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1], alsmede met hun daaraan gegeven motivering vooruit op wat die getuigen (kunnen) gaan verklaren en zijn de rechters ervan uitgegaan dat die getuigen niet zullen verklaren.

De rechters wezen deze verzoeken af omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat die getuigen nu wel of anders zullen gaan verklaren dan zij reeds hebben gedaan.

De wrakingskamer stelt vast dat de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] reeds eerder zijn gehoord. Bij gelegenheid van hun verhoor door de rechter-commissaris in Suriname op 13 januari 2014 – in aanwezigheid van de verdediging – heeft de getuige [naam getuige 1] de hem gestelde vragen slechts in heel beperkte mate beantwoord en hebben beide getuigen zich overigens beroepen op hun verschoningsrecht. Verzoekers stellen niet welke nova of concrete aanwijzingen er sindsdien naar voren zijn gekomen die de verwachting zouden kunnen wekken dat deze getuigen nu wel of anders zullen gaan verklaren dan op 13 januari 2014. Indien het verzoek wordt gedaan tot het opnieuw horen van een getuige, dient sprake te zijn van enig aanwijsbaar houvast voor de verwachting dat die getuige nu wel of (wezenlijk) anders zal gaan verklaren over in het kader van het strafrechtelijk onderzoek relevante zaken. De getuigen zelf geven in dat opzicht wel enige opening – namelijk dat zij opnieuw willen overwegen of zij gaan verklaren na kennisname van het dossier van de zaak Tidore – maar niet is gesteld of gebleken dat dit dossier inmiddels aan de getuigen is verstrekt. Op grond van het voorgaande is de afwijzende beslissing van de rechters op het verzoek tot het opnieuw doen horen als getuige van [naam getuige 2] en [naam getuige 1], alsmede de daaraan gegeven motivering, niet onbegrijpelijk. De beslissing loopt evenmin vooruit op een door de rechters te nemen eindbeslissing, want hun beslissing van 27 januari 2014 laat open de mogelijkheid dat de getuigen alsnog worden gehoord indien zich nieuwe omstandigheden voordoen.

Deze beslissing leidt derhalve evenmin tot wraking.

3.5.3 ten aanzien van de derde wrakingsgrond:

Voorts is de wraking – naar de wrakingskamer begrijpt - gegrond op de wijze van bejegening door de rechters van verzoekers [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] ter zitting van 9 januari 2014, te weten volgens deze verzoekers – kort samengevat – :

* het op die zitting verzoeker [naam verzoeker 2] op luide toon toeroepen dat hij dus gewoon naar de hoeren ging of woorden van gelijke strekking; een uitspraak, die zeker ook gelet op de aanwezigheid van pers en publiek als onnodig grievend moet worden gezien;

* nadat verzoeker [naam verzoeker 1] op de vraag van de rechters waarom hij gebruik maakte van half papiergeld en het gebruik daarvan toch normaliter met underground banking van doen, had geantwoord dat dit in de relationele sfeer moest worden gezien, door de rechters aan verzoeker [naam verzoeker 1] is voorgehouden dat hij dat dan maar moest bewijzen, zulks in strijd met de onschuldpresumptie ex art 6 EVRM.

In hun schriftelijke reactie verwijzen de rechters naar hetgeen omtrent deze klachten is opgenomen in de door de griffier op de zitting van 9 januari 2014 gehouden aantekeningen, waarin – voor zover in dit verband van belang – is opgenomen:

“……

[naam verzoeker 2] op vragen voorzitter:

Ben in juli 2011 in Colombia geweest. Ik was samen met [naam verzoeker 3], verder niemand. We gingen daar een paar vrouwen bezoeken.

…….

Toen hij met mij was, we geven altijd wat geld aan die dames. Zo gaat het in Latijns Amerika. Een trip met [naam verzoeker 3] naar de hoeren in Colombia, zo kunt u dat stellen.

…….

[naam verzoeker 1] op vragen voorzitter:

……. 2 halve 5 euro biljetten, 6 halve 19 euro biljetten…

Het is mijn traditie, als ik geld vind, verdeel ik het met de persoon met wie ik ben. Ik heb gelezen dat men dat ook voor andere dingen gebruikt.

…….

[naam verzoeker 2] op vragen Patist:

Met [naam verzoeker 3] naar Colombia, de reden was daar een paar vrouwen te ontmoeten. ……. Hadden daar met een paar Colombiaanse vrouwen afgesproken. U benoemt ze als prostituees, maar in onze optiek, in Latijns-Amerika, prostitueren de meeste vrouwen. Ik kende hen niet.

…….”

De rechtbank stelt vast dat deze voorvallen ter zitting van 9 januari 2014 geen aanleiding hebben gevormd voor verzoekers de rechters te wraken. Eerst ter zitting van 20 januari 2014 is namens verzoekers gevraagd deze uitlatingen in het proces-verbaal van de zitting van 9 januari 2014 op te nemen. Voorts blijkt uit de aantekeningen, welke door de griffier ter zitting van 27 januari 2014 zijn gehouden, niet dat deze klachten alstoen door verzoekers aan de wrakingsverzoeken ten grondslag zijn gelegd. Hieruit volgt dat de wraking, voor zover deze al is gestoeld op vorenomschreven bejegening, niet is gedaan zodra de feiten en omstandigheden waarop de wraking is gegrond aan verzoekers bekend zijn geworden. Om deze reden moet de wraking ook in dit opzicht worden afgewezen.

3.6

Tenslotte is de wrakingskamer van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat verzoekers door het indienen van de onderhavige wrakingsverzoeken misbruik hebben gemaakt van het middel van wraking. De enkele omstandigheid dat verzoekers [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3] in de thans nog lopende strafzaken eerder de wraking van de behandelend rechters hebben verzocht – welke verzoeken bij beslissingen van de wrakingskamer van 15 januari 2013 werden afgewezen – maakt het indienen van een tweede wrakingsverzoek niet tot misbruik van recht, temeer niet omdat aan de eerste wrakingsverzoeken andere feiten en omstandigheden ten grondslag werden gelegd.

4 De beslissing

wijst af de verzoeken tot wraking van mr. J. van der Groen, mr. D.C.J. Peeck en mr. S.M. den Hollander.

Deze beslissing is gegeven op 5 februari 2014 door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. P.H. Veling en mr. A.P. Hameete, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker [naam verzoeker 1]

- verzoeker [naam verzoeker 2]

- mr. J. van der Groen

- mr. D.C.J. Peeck

- mr. S.M. den Hollander

- mr. I.N. Weski

- mr. G.N. Weski

- mr. J. Patist