Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7537

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
C-10-435121 - HA ZA 13-1059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen in conventie van Stedin tot vergoeding van schade (advocaatkosten) en wettelijke rente wegens het niet tijdig betalen van overeengekomen bedragen worden afgewezen, omdat niet is vast komen te staan dat er sprake is van onrechtmatig handelen door Du Pont respectievelijk dat Du Pont in verzuim is geraakt.

Vordering in reconventie van Du Pont om te verklaren voor recht dat de Overeenkomst inzake aansluiting en transport en elektriciteit, de Verhuurovereenkomst en/of de Vaststellingsovereenkomst strijdig zijn met de artikelen 10 lid 9, 16 lid 1 onder a, b, c, e, f en j, 27 lid 2 onder e, 28 leden 1 en 2 en artikel 29 van de Elektricteitswet 1998 en de artikelen 2.2.1, 2.3.1, 2.4.1 en 3.2.1 van de TarievenCode Elektriciteit in onderlinge samenhang, wordt afgewezen. Ten aanzien van de Verhuurovereenkomst geldt dat de transformatoren waarover het geschil gaat in ieder geval geen deel uitmaken van het openbare net van Stedin. Ten aanzien van de Aansluitovereenkomst is overwogen dat Du Pont deze overeenkomst heeft ondertekend en er geen aansluit- en transportovereenkomst tussen Stedin en Desco bestaat. De partij die met de netbeheerder contracteert en met het net van Stedin is verbonden heeft te gelden als afnemer op het net van Stedin. Ten aanzien van de Vaststellingsovereenkomst is bepaald dat er geen sprake is van strijd met de door Du Pont genoemde wetsbepalingen. Voor zover er al strijd zou bestaan met enige dwingende wetsbepaling geldt dat in een vaststellingsovereenkomst daarvan kan worden afgeweken. Er is immers geen sprake van strijd met de goede zeden of de openbare orde; er zijn uitsluitend vermogensrechtelijke posities vastgesteld. Daar komt nog bij dat de Vaststellingsovereenkomst inmiddels volledig tussen partijen is uitgevoerd, mede op vordering van Du Pont, met uitzondering van de in artikel 1.1. van die Vaststellingsovereenkomst genoemde vestiging van het opstalrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/435121 / HA ZA 13-1059

Vonnis van 10 september 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Hartman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DU PONT DE NEMOURS (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.R. het Lam.

Partijen zullen hierna Stedin en Du Pont genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 maart 2014.

1.2.

Op de voet van artikel 15 lid 2 Rv is deze zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.4.

Deze zaak is op de rol gevoegd met de zaak die bij de rechtbank aanhangig is onder zaak- en rolnummer 439831 HA ZA 13-1242, die wordt gevoerd tussen Stedin en de Du Pont. Ook in die zaak wordt vandaag uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

Tussen Stedin (destijds genaamd Eneco NetBeheer BV) en Dordrecht Energy Supply Company (Desco) C.V. (hierna: Desco) is op 6 september 2001 een aansluit- en transportovereenkomst (hierna: ATO 2001) gesloten.

2.2.

Beherend vennoot van Desco is Dordrecht Energy Supply Company (Desco) BV. Baanhoek Energie Project I BV en Du Pont Holding Netherlands BV (beiden behorend tot het Du Pont-concern) zijn tezamen zowel de aandeelhouders van Dordrecht Energy Supply Company (Desco) BV als de commanditaire vennoten van Desco.

2.3.

Door partijen en Desco is een vaststellingsovereenkomst (hierna: de Vaststellingsovereenkomst) gesloten. In de Vaststellingsovereenkomst (ondertekend door Du Pont op 6 februari 2013, door Stedin op 15 april 2013 en door Desco op 14 februari 2013) komt – voor zover thans van belang – het volgende voor:

Nemen in overweging:

Als onderdeel van de aansluiting van Du Pont op haar terrein aan de Baanhoekweg 22 te Dordrecht op het elektriciteitsnet van Stedin zijn aldaar door de rechtsvoorganger van Stedin begin jaren zeventig twee 50/13 kV transformatoren met toebehoren geplaatst, waarvoor Du Pont een bijdrage in de aansluitkosten heeft betaald.

Eind jaren negentig is Desco opgericht voor de energievoorziening van met name Du Pont en sindsdien handelt Desco, feitelijk ten behoeve van Du Pont, in relatie met Stedin.

Op 6 september 2001 is tussen Desco en Stedin een aansluit- en transportovereenkomst gesloten, waarin onder meer werd overeengekomen dat met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2000 voor de transformatoren een separate huurovereenkomst zou worden gesloten.

Door omstandigheden is die overeenkomst niet gesloten en is tussen Partijen vanaf 2007 discussie ontstaan over de verplichting om de huurovereenkomst te sluiten en zo ja tegen welke voorwaarden en welke huurprijs.

De discussie heeft erin geresulteerd dat Stedin een procedure tegen Desco en Du Pont aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Dordrecht onder rolnummer HA ZA 10-2422.

In die procedure vordert Stedin de transformatoren als haar eigendom terug alsmede schadevergoeding.

In reconventie hebben Du Pont en Desco de hoogte van de sinds juli 2006 door Stedin in rekening gebrachte periodieke vergoeding voor de aansluiting ten behoeve van Du Pont op het elektriciteitsnet van Stedin aan de orde gesteld en het naar de mening van du Pont en Desco teveel betaalde teruggevorderd.

Partijen zijn met elkaar te rade gegaan over een minnelijke oplossing van de tussen hen bestaande geschillen.

Daarbij is overeengekomen dat de contracten met terugwerkende kracht op naam van Du Pont worden gesloten.

Zijn op 21 december 2010 het volgende overeengekomen:

Artikel 1

1.1

Du Pont en Desco betwisten niet langer het eigendomsrecht van Stedin op de transformatoren en toebehoren en zullen op het eerste verzoek meewerken aan het ter bevestiging van het eigendomsrecht vestigen van een zakelijk recht.

1.2

Tussen Du Pont en Stedin is alsnog met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001 de als bijlage 1 aangehechte Verhuurovereenkomst gesloten. (…)

(…)

Artikel 2

2.1

Terzake van de aansluiting is Stedin alleen gehouden tot onderhoud en niet tot vervanging. De periodieke aansluitvergoeding voor (de componenten: de knip, de verbinding en de beveiliging van) de aansluiting betreft daarom alleen onderhoud (het onderhoudsdeel) en niet ook vervanging (het kapitaalsdeel).

2.3

De aansluit- en transportovereenkomst wordt door Desco per 1 januari 2011 met terugwerkende kracht overgedragen aan Du Pont, met welke overdracht Stedin instemt.

2.8

De inhoud van dit artikel 2 zal worden opgenomen in de dienovereenkomstig te wijzigen en op naam van Du Pont te stellen aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 3

3.2

De in artikel 1, lid 3, 4 en 6, en de laatste zin van artikel 2, lid 2 genoemde bedragen zullen binnen 30 dagen na dagtekening van deze overeenkomst worden gefactureerd en zullen binnen 30 dagen na factuurdatum worden betaald en/of gecrediteerd.

2.4. (

De advocaat van) Du Pont heeft op 3 april 2013 het volgende aan (de advocaat van) Stedin schriftelijk bericht:

“(…) Uit de hiervoor genoemde brieven en e-mails maak ik op dat Stedin pas onderhoud en de storingsdienst met betrekking tot de transformatoren, waaronder het noodzakelijke onderhoud aan het besturingspaneel zal uitvoeren, de factuur van Desco inzake bodemsaneringskosten zal betalen en tot creditering van het bedrag aan periodieke aansluitvergoedingen zal overgaan wanneer Du Pont en Desco:

  • -

    schriftelijk bevestigen dat zij het rechtsgeldige bestaan van de Overeenkomst inzake aansluiting en transport van elektriciteit (“ATO”), de Verhuurovereenkomst Transformatoren (“Verhuurovereenkomst”) en de Vaststellingsovereenkomst (hierna gezamenlijk aangeduid als de “Overeenkomsten”) erkennen en niet langer betwisten en afstand doen van hun eerdere betwistingen;

  • -

    Du Pont en Desco schriftelijk bevestigen dat het in opdracht van Du Pont uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden aan de transformatoren door Stedin en de betaling daarvan door Du Pont niet betekent dat de transformatoren, inclusief bijbehoren, zoals het besturingspaneel, eigendom zouden zijn of worden van Du Pont (of Desco) en dat Du Pont en Desco het eigendom daarvan nooit zullen vorderen; en

  • -

    dat Du Pont meewerkt aan de vestiging van een recht van opstal, zoals overeengekomen in artikel 8.3 Verhuurovereenkomst, welk recht van opstal zou moeten worden gevestigd doordat de onderhoudswerkzaamheden aan het besturingspaneel in uitvoering worden genomen.

Met het voorgaande is sprake van (toerekenbare) tekortkomingen in de nakoming door Stedin van de tussen haar en Du Pont en Desco geldende Overeenkomsten.

(…)

Ik wend mij hierbij nogmaals tot u, met een laatste en zeer dringend verzoek aan Stedin om de Overeenkomsten volledig en vrijwillig na te komen.

In dat verband het volgende.

2. Overeenkomsten

Tussen Stedin en Du Pont en Desco zijn de Overeenkomsten van kracht.

(…)

Kortom, er kan geen twijfel over bestaan dat de Overeenkomsten tussen Stedin, Du Pont en Desco van kracht zijn. Stedin, Du Pont en Desco zijn dan ook gebonden aan de Overeenkomsten en moeten deze nakomen. Daarbij werken de ATO en de Verhuurovereenkomst terug tot 1 januari 2000.

Du Pont en Desco hebben in een eerder stadium, voordat zij de Overeenkomsten hebben ondertekend, Stedin een aantal keer er op gewezen dat de Overeenkomsten naar hun mening in strijd zijn met de wet, waaronder de Elektriciteitswet 1998 (“E’98”) en artikel 5:20 Burgerlijk Wetboek (“BW”), en Stedin verzocht om de Overeenkomsten aan te passen. Stedin heeft echter aangegeven daartoe niet bereid te zijn en heeft zelfs meermaals gedreigd Du Pont en Desco te zullen afsluiten indien zij niet tot ondertekening van de Overeenkomsten zouden overgaan. De Overeenkomsten zijn bijgevolg door Du Pont en Desco ondertekend zonder dat zij eerst in overeenstemming met de wet zijn gebracht.

3. Eigendom transformatoren

(…) De eigendom van de transformatoren staat tussen Stedin, Du Pont en Desco echter niet meer ter discussie.

De transformatoren zijn zowel naar het oordeel van Stedin als naar de wens van Du Pont en Desco eigendom van Stedin.

Dat de transformatoren eigendom van Stedin zijn volgt uit artikel 5:20 lid 2 BW en is ook neergelegd in de Overeenkomsten,. (…)

De transformatoren vallen onder de definitie van ‘net’ in de zin van artikel 1 lid 1 onder 1 E’08. Bijgevolg is voor de bepaling van de eigendom niet de hoofdregel van artikel 5:20 lid 2 BW van toepassing en wordt de eigendom van de transformatoren niet verticaal nagetrokken door de grond van Du Pont waarop zij staan.

Op grond van de bijzondere eigendomsregeling voor netten in artikel 5:20 lid 2 BW berust de eigendom van de transformatoren bij Stedin als de bevoegde aanlegger van de transformatoren (…).

Daarbij is in artikel 1.1 Vaststellingsovereenkomst vastgesteld dat Du Pont en Desco niet langer het eigendomsrecht van Stedin op de transformatoren betwisten.

Met de Vaststellingsovereenkomst (en de ATO en de Verhuurovereenkomst) is de discussie tussen enerzijds Du Pont en Desco en anderzijds Stedin over de eigendom van de transformatoren waarvan in het verleden sprake was derhalve beëindigd.

(…)

Het feit dat Du Pont, Desco en Stedin het er over eens zijn dat de transformatoren eigendom van Stedin zijn en Du Pont en Desco de eigendom van de transformatoren niet betwisten sluit evenwel niet geheel uit dat de transformatoren tegen de wens van Desco, Du Pont en Stedin toch eigendom van Desco zijn, doordat zij mogelijk door bestanddeelvorming onderdeel van het net van Desco en bijgevolg eigendom van Desco zijn. Daarbij is in de huidige situatie niet uitgesloten dat derden er gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat de transformatoren eigendom van een ander dan Stedin zijn.

Gelet op de situatie waarin Du Pont, Desco en Stedin zich nu bevinden achten Du Pont en Desco het van groot belang dat de status van de transformatoren – nog verder – wordt verduidelijkt, zodat bestanddeelvorming met het net van Desco is uitgesloten en ook jegens derden duidelijk komt vast te staan dat Stedin geldt als eigenaar van de transformatoren. (…)

Uitdrukkelijk zonder de eigendom van Stedin ten aanzien van de transformatoren ter discussie te willen stellen, merk ik nog op dat anders dan in de Overeenkomsten is bepaald met de vestiging van een recht van opstal het eigendomsrecht van Stedin niet kan worden “bevestigd”. Dat de transformatoren eigendom zijn van Stedin volgt immers uit artikel 5:20 lid 2 BW. Van verticale natrekking op grond van artikel 5:20 lid 1 BW van de transformatoren met de grond van Du Pont is geen sprake. Bijgevolg is geen sprake van een situatie waarin een opstalrecht verticale natrekking kan doorbreken en zo eigendom kan bevestigen. De vestiging van een opstalrecht ter bevestiging van het eigendomsrecht van Stedin is gelet op het voorgaande dan ook niet in lijn met de wet, in het bijzonder artikel 5:20 lid 2 BW, en om die reden niet mogelijk. Gelet op het voorgaande is een vestiging van een opstalrecht ter bevestiging van het eigendomsrecht van Stedin echter ook niet nodig. Door middel van de hiervoor genoemde inschrijving van de eigendom van Stedin in de openbare registers kan de door Stedin en Du Pont en Desco gewenste bevestiging van de eigendom van Stedin worden gerealiseerd.

4. Onderhoud bedieningspaneel

(…)

5. Factuur en creditfactuur

(…)

6. Tot slot

Du Pont en Desco kunnen helaas niet anders dan concluderen dat er sprake is van (toerekenbare) tekortkomingen in de nakoming door Stedin van de tussen Stedin en Du Pont geldende Overeenkomsten. Bovendien maakt Stedin door de wijze waarop zij zich jegens Du Pont en Desco opstelt misbruik van haar (economische) machtspositie. (…)

Du Pont en Desco houden en stellen Stedin daarbij geheel aansprakelijk voor alle schade die voortvloeit uit een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van haar contractuele verplichtingen onder de Overeenkomsten en/of voortvloeiend uit onrechtmatig handelen van Stedin jegens Du Pont en/of Desco.

Ik benadruk dat Du Pont en Desco evenwel hopen dat Stedin zal overgaan tot ondertekening van de Overeenkomsten en nakoming van al haar contractuele verplichtingen onder de Overeenkomsten en tot inschrijving van haar eigendomsrecht van de transformatoren in de openbare registers (…).”

3 De vordering in conventie

3.1.

Stedin vordert, samengevat, veroordeling van Du Pont tot betaling van:

3.1.1. € 28.933,40

subsidiair een zodanig bedrag inzake onnodig gemaakte advocaatkosten als de rechtbank zal bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.2. € 790,83

subsidiair een zodanig bedrag inzake wettelijke (handels)rente als de rechtbank zal bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.3. € 19.112,23,

subsidiair een zodanig bedrag inzake wettelijke (handels)rente als de rechtbank zal bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.4.

een door de rechtbank te bepalen bedrag van door Stedin gemaakte (werkelijke) proceskosten,

3.1.5.

de nakosten.

3.2.

Stedin legt aan haar vordering 3.1.1 ten grondslag dat zij schade heeft geleden primair omdat Du Pont toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Overeenkomsten over de tekst waarvan partijen op 8 september 2011 overeenstemming hadden bereikt. Subsidiair legt Stedin aan haar vorderingen ten grondslag dat Du Pont onrechtmatig heeft gehandeld.

Stedin stelt hiertoe dat zij advocaatkosten heeft moeten maken om Du Pont te dwingen alsnog tot ondertekening en nakoming van de Overeenkomsten over te gaan. Du Pont heeft eerst, te kwader trouw, het bestaan van de Overeenkomsten ontkend en heeft geprobeerd de rechtsgeldigheid van de inhoud in twijfel te trekken.

3.2.1.

Aan haar vorderingen 3.1.2 en 3.1.3 legt Stedin ten grondslag dat Du Pont wettelijke rente tot deze bedragen verschuldigd is, wegens het niet tijdig betalen van overeengekomen bedragen. De renteclaim van Stedin is in de e-mail van 9 juli 2013 al genoemd.

3.2.2.

In het verlengde van de vorderingen tot betaling van de gemaakte advocaatkosten en de wettelijke handelsrente, ligt dat Du Pont wordt veroordeeld in de (werkelijke) proceskosten, aldus Stedin.

4 Het verweer in conventie

4.1.

Primair heeft Du Pont tegen vordering 3.1 aangevoerd dat Stedin haar heeft gedwongen om overeenkomsten te tekenen die in strijd zijn met de wet. Du Pont heeft zich te goeder trouw opgesteld en zich gericht op het aangaan van overeenkomsten die in overeenstemming zijn met de wet. Bovendien is Du Pont haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten steeds nagekomen.

Subsidiair voert Du Pont aan dat de door Stedin gevorderde advocaatkosten niet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 BW (de dubbele redelijkheidstoets).

4.1.1.

Ten aanzien van de vorderingen 3.1.2 en 3.1.3 beroept Du Pont zich op artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst. Du Pont heeft de facturen van Stedin binnen de betalingstermijn van 30 dagen voldaan. Dat Stedin niet eerder heeft gefactureerd dient voor haar rekening en risico te blijven.

4.1.2.

Du Pont voert aan dat zij geen misbruik maakt van procesrecht of onrechtmatig handelt, zodat voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten geen plaats is.

5 De vordering in reconventie

5.1.

De Pont vordert na wijziging van eis, kort en zakelijk weergegeven:

primair: een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten strijdig zijn met de wet;

subsidiair: een verklaring voor recht dat de Overeenkomst inzake aansluiting en transport en elektriciteit, de Verhuurovereenkomst en/of de Vaststellingsovereenkomst strijdig zijn met de wet,

met veroordeling van Stedin in de proceskosten.

5.2.

Du Pont legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zowel de Verhuurovereenkomst als de Aansluitovereenkomst in strijd is met de artikelen 10 lid 9, 16 lid 1 onder a, b, c, e, f en j, 27 lid 2 onder e, 28 leden 1 en 2 en artikel 29 van de Elektricteitswet 1998 (hierna: de E’98) en de artikelen 2.2.1, 2.3.1, 2.4.1 en 3.2.1 van de TarievenCode Elektriciteit (hierna: de TC) in onderlinge samenhang.

De Verhuurovereenkomst voorziet erin dat Du Pont de twee Transformatoren huurt van Stedin en dat Du Pont daarvoor een onderhoudsvergoeding aan Stedin betaalt, terwijl dit op grond van de E’98 en de TC niet is toegestaan. De kosten van de Transformatoren zijn kosten van het net van Stedin en derhalve ‘diepe aansluitkosten’. Deze kosten worden gesocialiseerd via de transporttarieven die Stedin bij afnemers op haar net in rekening mag brengen en mogen niet door Stedin (ook nog) individueel aan Du Pont in rekening worden gebracht.

In de Aansluitovereenkomst wordt ervan uitgegaan dat Du Pont over een aansluiting op het net van Stedin beschikt. Echter, Du Pont is aangesloten op het net van Desco, en Desco beschikt met haar particuliere elektriciteitsnet over een aansluiting op het net van Stedin. Daarbij is aan de primaire zijde van de Transformatoren geen sprake van een ‘aansluiting’ in de zin van artikel 1 lid 1 onder b E’98. Deze verbinding bevindt zich immers binnen hetzelfde net van Stedin. Stedin kan derhalve haar contractuele verplichting die zij op grond van de Aansluitovereenkomst heeft per definitie niet nakomen. Daarbij komt nog dat het Stedin op grond van de E’98 en de TC verboden is om vergoedingen voor de aansluiting en voor het transport van elektriciteit naar de installatie van Du Pont in rekening te brengen.

Daar de Verhuurovereenkomst en de Aansluitovereenkomst in strijd zijn met de E’98 en de TC valt daarmee ook de Vaststellingsovereenkomst weg omdat daarin is bepaald dat in geval van strijdigheid tussen de Vaststellingsovereenkomst en de Aansluitovereenkomst, de Aansluitovereenkomst prevaleert en dat in geval van strijdigheid tussen de Vaststellingsovereenkomst en de Verhuurovereenkomst, de Verhuurovereenkomst prevaleert.

6 Het verweer in reconventie

6.1.

Stedin voert hiertegen het volgende aan.

De Verhuurovereenkomst

Het net van Stedin is met de installatie van Du Pont verbonden aan de primaire zijde van de Transformatoren. De Transformatoren worden door Stedin verhuurd aan Du Pont en maken onderdeel uit van de installatie van de afnemer (ongeacht of die installatie heeft te gelden als een particulier net/GDS). Een transformator is een hulpmiddel dat afhankelijk van het overdrachtspunt onderdeel uitmaakt van een net of van een installatie. Het is niet zo dat iedere transformator op zichzelf een net is.

De Transformatoren zijn evenmin zelfstandige netten in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW.

Het net van Stedin eindigt bij de beveiliging. De beveiliging, de meter en het overdrachtspunt bevinden zich aan de primaire zijde van de Transformatoren. Achter de beveiliging begint de installatie van Du Pont inclusief de door Du Pont gehuurde Transformatoren. De Transformatoren zijn onderdeel van de installatie achter de aansluiting.

Omdat de Transformatoren geen ‘net’ zijn in de zin van de E’98 is de tariefregulering uit hoofde van die wet niet van toepassing.

Du Pont heeft sinds de jaren ’70 de beschikking over de twee Transformatoren. Het zou onrechtvaardig zijn indien de huurkosten over alle overige afnemers gesocialiseerd worden. Bovenal zou het in strijd zijn met het kostenveroorzakingsbeginsel dat dwingendrechtelijk ten grondslag ligt aan de tariefregulering, waarin alleen de kosten van efficiënt netbeheer mogen worden doorberekend. Inefficiënte kosten zal de ACM niet in aanmerking nemen bij het vaststellen van de transporttarieven van Stedin zodat deze kosten ten laste zullen komen van (het netto-resultaat van) Stedin.

De Aansluitovereenkomst

Een aansluiting ontstaat niet spontaan. Daarvoor zijn afspraken nodig in de vorm van een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder. Deze afspraken zijn gemaakt tussen Stedin en Du Pont. Du Pont heeft in navolging van de ATP 2001 gekozen voor de bepaling van het overdrachtspunt aan de primaire zijde van de Transformatoren, op Du Ponts verzoek is de Aansluitovereenkomst op haar naam gesteld, Du Pont heeft de Aansluitovereenkomst ondertekend en er bestaat geen aansluit- en transportovereenkomst tussen Stedin en Desco.

De partij die met de netbeheerder contracteert en met het net van Stedin is verbonden heeft te gelden als afnemer op het net van Stedin.

De Vaststellingsovereenkomst

Er is geen sprake van strijd met de door Du Pont genoemde wetsbepalingen. Voor zover er al strijd zou bestaan met enige dwingende wetsbepaling geldt dat in een vaststellingsovereenkomst daarvan kan worden afgeweken. Er is immers geen sprake van strijd met de goede zeden of de openbare orde; er zijn uitsluitend vermogensrechtelijke posities vastgesteld. Daar komt nog bij dat de Vaststellingsovereenkomst inmiddels volledig tussen partijen is uitgevoerd, mede op vordering van Du Pont, met uitzondering van de in artikel 1.1. van die Vaststellingsovereenkomst genoemde vestiging van het opstalrecht.

7 De beoordeling

in conventie

De vordering onder 3.1.1

toerekenbare tekortkoming van Du Pont?

7.1.

Stedin stelt dat partijen over de tekst van de Overeenkomsten op 8 september 2011 overeenstemming hebben bereikt. Stedin stelt dat Du Pont toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van de Overeenkomsten door de overeenstemming later te ontkennen en door te weigeren de contracten te ondertekenen.

7.1.1.

Stedin legt derhalve niet aan haar vordering ten grondslag dat Du Pont haar verbintenissen uit de Overeenkomsten niet is nagekomen maar dat Du Pont (in eerste instantie) heeft geweigerd de schriftelijke weergave van de overeenstemming van 8 september 2011 te ondertekenen. Dit laatste kwalificeert niet als een toerekenbare tekortkoming van een verbintenis uit overeenkomst, zodat deze grond faalt. De omstandigheid dat partijen - volgens Stedin in de door haar als productie 6 overgelegde concept-dagvaarding onder punt 93 (III) - behalve over de inhoud ook hebben afgesproken dat zij de Overeenkomsten zouden tekenen, maakt dit niet anders.

Onrechtmatig handelen van Du Pont?

7.2.

Als tweede legt Stedin aan haar vordering ten grondslag dat Du Pont jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenstemming van 8 september 2011 te ontkennen en door te weigeren de contracten te ondertekenen.

7.2.1.

Stedin legt derhalve artikel 6:162 BW aan haar vordering ten grondslag. Als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

7.2.2.

Stedin stelt zich kennelijk op het standpunt dat er sprake is van een nalaten door Du Pont in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, nu zij niet heeft gesteld dat er een schriftelijkheidsvereiste gold. Dit volgt evenmin uit de door Stedin als productie 6 overgelegde concept-dagvaarding, waarin onder punt 92 - onder meer - staat vermeld: “De reden dat Stedin ondertekening van de Overeenkomsten blijft eisen, heeft niets te maken met de vraag of tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst is aangegaan. De handtekening van Du Pont is voor die rechtsgeldigheid niet een vereiste.”

151 - onder meer - staat vermeld: “Er is ook niet bepaald dat ondertekening een voorwaarde zou zijn voor de inwerkingtreding van de Overeenkomsten.”

7.2.3.

Nu Stedin niet nader heeft onderbouwd waarom het handelen van Du Pont in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het beroep op de rechtvaardigingsgrond door Du Pont.

7.3.

De vordering onder 3.1.1 van Stedin zal worden afgewezen.

De vorderingen onder 3.1.2 en 3.1.3

7.4.

Stedin vordert wettelijke rente over de bedragen die Du Pont diende te betalen op basis van de Overeenkomsten. Het gaat daarbij om de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot betaling over € 7.822,48 (het bedrag dat Du Pont verschuldigd was in verband met het onderhoud van de transformatoren) ad € 790,83 en om de wettelijke rente vanaf 4 november 2011 tot betaling over € 165.854,82 ad € 19.112,23.

7.5.

Du Pont beroept zich terecht op artikel 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat de in artikel 1, lid 3, 4 en 6, en de laatste zin van artikel 2, lid 2 genoemde bedragen binnen 30 dagen na dagtekening van deze overeenkomst zullen worden gefactureerd en binnen 30 dagen na factuurdatum zullen worden betaald en/of gecrediteerd.

7.6.

Vast staat dat Stedin de bedoelde bedragen eerst heeft gefactureerd op 4 juni 2013 alsmede dat Du Pont de facturen heeft betaald op 5 juli 2013. Dat Stedin eerst op 4 juni 2013 heeft gefactureerd, kan niet aan Du Pont worden tegengeworpen. Te meer nu Stedin zelf meent dat de ondertekening geen voorwaarde was voor de inwerkingtreding van de Overeenkomsten. Daar komt nog bij dat Du Pont de Overeenkomsten reeds op 6 februari 2013 heeft ondertekend.

Du Pont is dan ook niet in verzuim geraakt en zij is geen wettelijke rente verschuldigd. Ook dit onderdeel van de vordering van Stedin zal worden afgewezen.

proceskosten

7.7.

Stedin zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Du Pont begroot op

griffierecht € 1.836

advocaatkosten € 1.788 (2 punten (cva + cna) x tarief IV a € 894)

€ 3.624

7.8.

De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

in reconventie

t.a.v. de Verhuurovereenkomst

7.9.

Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of de transformatoren deel uitmaken van het openbare net van Stedin of van het particuliere net c.q. installatie van Desco.

7.9.1.

Voor de beoordeling van die vraag is van belang waar het overdrachtspunt zich bevindt ten opzichte van de transformatoren.

7.9.2.

De plaats van het overdrachtspunt (dit is het fysieke punt waar een scheiding tussen de aansluiting van twee netten onderling of tussen de aansluiting van een net en de aansluiting van de aangeslotene kan worden gerealiseerd) vloeit voort uit een contractuele afspraak tussen betrokken partijen en niet uit de invoering van de EW’98. Ofwel, partijen hebben dit punt op enig moment samen aangewezen.

Blijkens de door Stedin overgelegde tekeningen (onder 79 en 81 cva in reconventie) alsmede het standpunt van (de advocaat van) Desco in een hoorzitting bij een andere procedure (bladzijde 4 van productie 12 van Stedin) bevindt het overdrachtspunt zich aan de primaire kant van de transformatoren. Dit was ook zo in de ATO 2001 (productie 6 van Du Pont) vastgelegd.

7.9.3.

Dit betekent dat de transformatoren in ieder geval niet tot het openbare net van Stedin behoren.

7.10.

Du Pont stelt voorts dat Stedin als netbeheerder, en dus als monopolist, in strijd handelt met de E’98 indien zij transformatoren verhuurt. De gemotiveerde betwisting door Stedin van Du Ponts stelling slaagt. Uit het door Stedin aangehaalde Toetsingskader Aansluittarieven (cva in reconventie onder 57) blijkt dat het plaatsen van een transformator tussen de beveiliging en de installatie van de afnemer als een vrije activiteit van de netbeheerder wordt aangemerkt.

7.11.

Voorts heeft Du Pont uiteengezet dat de twee transformatoren een ‘net’ in de zin van artikel 1 lid 1 onder i van E’98 zijn. Nu de transformatoren (juridisch) eigendom zijn van NV Eneco en een ontheffing ex artikel 15 E’98 ontbreekt vallen de transformatoren onder het (openbare) netbeheer van Stedin, aldus Du Pont. Stedin heeft betwist dat de transformatoren een net vormen en wijst daartoe op de definitie van een net (artikel 1 lid 1 onder i van E’98). Stedin heeft daarmee de stelling van Du Pont voldoende gemotiveerd betwist, daar uit de tekst van de wet volgt dat een transformator deel uitmaakt van het net tenzij dit hulpmiddel is gelegen binnen de installatie van de afnemer. Dat de transformatoren in ieder geval niet tot het openbare net van Stedin behoren is hiervoor onder 7.9 reeds geoordeeld.

7.12.

Voor zover Du Pont nog heeft gesteld dat niet zij maar Desco over een aansluiting op het net van Stedin beschikt en dat de installatie van Du Pont zich aan de andere kant van het net van Desco bevindt, wordt het volgende overwogen.

In de ATO 2001 was Desco de wederpartij van Stedin. Vanuit het Du Pont-concern, waarvan zowel Du Pont als Desco deel uitmaken, zijn de onderhandelingen gevoerd met Stedin over de Overeenkomsten. Desco was ook in eerste instantie de contractspartij van Stedin bij de Overeenkomsten (waaronder de Verhuurovereenkomst). Op 5 mei 2011 heeft Stedin de concept-Overeenkomsten retour ontvangen van Du Pont/Desco waarin in plaats van Desco, Du Pont als contractspartij van Stedin was opgenomen. Du Pont is dus degene die de Overeenkomsten met Stedin heeft gesloten en dient uit dien hoofde de verbintenissen na te komen die daaruit voortvloeien.

7.13.

Voor zover Du Pont nog heeft betoogd dat de kosten van de transformatoren kosten zijn van het net van Stedin en dat die ‘diepe aansluitkosten’ worden gesocialiseerd via de transporttarieven die Stedin bij afnemers op haar net in rekening mag brengen, gaat dit betoog niet op nu is geoordeeld dat de transformatoren in ieder geval niet tot het openbare net van Stedin behoren.

7.14.

De gevorderde verklaring voor recht dat de Verhuurovereenkomst strijdig is met de wet zal worden afgewezen.

t.a.v. de Aansluitovereenkomst

7.15.

Du Pont stelt dat uit haar stellingen met betrekking tot de Verhuurovereenkomst reeds volgt dat Stedin haar contractuele verplichting die zij op grond van de Aansluitovereenkomst heeft – in de kern bestaande uit het verzorgen van- en in stand houden van een aansluiting van de installatie van Du Pont op het net van Stedin en het transporteren van elektriciteit naar de aansluiting van Du Pont – per definitie niet kan nakomen. Gelet op het hiervoor onder 7.14 overwogene, slaagt de redenering van Du Pont niet.

7.16.

Verder stelt Du Pont dat het Stedin op grond van de E’98 en de TC verboden is om de vergoedingen voor de aansluiting en voor het transport van elektriciteit naar de installatie van Du Pont bij Du Pont in rekening te brengen. Volgens Du Pont is de Aansluitovereenkomst meer in bijzonder met de artikelen 10 lid 9, 16 lid 1 onder a, b, c, e, f en j, 27 lid 2 onder e, 28 leden 1 en 2 en artikel 29 E’98 en de artikelen 2.2.1, 2.3.1, 2.4.1 en 3.2.1 TC in onderlinge samenhang bezien. Stedin heeft dit betwist.

Bij gebreke van enige motivering van de stelling van Du Pont, ligt haar vordering reeds daarom voor afwijzing gereed.

7.17.

De gevorderde verklaring voor recht dat de Aansluitovereenkomst strijdig is met de wet zal worden afgewezen.

t.a.v. de Vaststellingsovereenkomst

7.18.

Du Pont legt aan dit onderdeel ten grondslag dat de Verhuurovereenkomst en de Aansluitovereenkomst waren weggevallen. Daarmee zou eveneens de Vaststellingsovereenkomst wegvallen, volgens Du Pont. Bovendien legt Du Pont aan dit onderdeel ten grondslag dat er in de Vaststellingsovereenkomst ten onrechte van wordt uitgegaan dat Du Pont en niet Desco over de aansluiting op het net van Stedin beschikt en Du Pont de twee transformatoren van Stedin huurt.

Daar Du Pont op deze punten hiervoor reeds in het ongelijk is gesteld, ligt haar vordering op dit punt eveneens voor afwijzing gereed.

7.19.

De gevorderde verklaring voor recht dat de Vaststellingsovereenkomst strijdig is met de wet, zal worden afgewezen.

Proceskosten

7.20.

Du Pont zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Stedin begroot op

Advocaatkosten € 904 (2 punten (cva + cna) x tarief II a € 452).

7.21.

De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

8 De beslissing

De rechtbank

In conventie

8.1.

wijst de vordering af;

8.2.

veroordeelt Stedin in de proceskosten, aan de zijde van Du Pont begroot op € 3.624, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

8.3.

veroordeelt Stedin, indien zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt (vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan Stedin tot aan de dag der voldoening);

8.4.

verklaart de veroordelingen onder 8.2 en 8.3 uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

8.5.

wijst de vordering af;

8.6.

veroordeelt Du Pont in de proceskosten, aan de zijde van Stedin begroot op € 904, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

8.7.

veroordeelt Du Pont, indien zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt (vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan Du Pont tot aan de dag der voldoening);

8.8.

verklaart de veroordelingen onder 8.6 en 8.7 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. A. Eerdhuijzen en mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken door mr. A. Eerdhuijzen op 10 september 2014.

[2294; 1729; 2457]