Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7463

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
C-10-459070 - KG ZA 14-854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Staking bij AkzoNobel deels verboden. Risico’s voor gezondheid en milieu?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/237
Prg. 2014/265
RAR 2014/155
AR 2014/735
JAR 2014/237

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/459070 / KG ZA 14-854

Vonnis in kort geding van 5 september 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HUNTSMAN HOLLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaten mr. R.S. de Vries en mr. M. van Beuge,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHIN ETSU PVC B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.E.N. Ploum,

tegen

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. R.A. Severijn,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

CNV VAKMENSEN,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. R.A. Severijn,

3. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

DE UNIE,

gevestigd te Culemborg,

gedaagden,

advocaat mr. drs. H. Aydemir.

en met als tussenkomende, dan wel voegende partij

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AKZO NOBEL INDUSTRIAL CHEMICALS B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

advocaten mrs. E.J. Hendrichs en K. van Belle.

Partijen zullen hierna eisers, gedaagden en Akzo genoemd worden.

Afzonderlijk zullen eisers Huntsman en Shin Etsu genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de vordering tot tussenkomst, subsidiair voeging, door Akzo

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van eisers

  • -

    de pleitnota van Akzo

  • -

    de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Akzo produceert in haar Membraanelectrolysebedrijf (MEB) chloor. Eisers zijn chemiebedrijven en afnemers van chloor van Akzo, dat zij als halffabrikaat gebruiken.

2.2.

Tussen Akzo en gedaagden zijn onderhandelingen over loonsverhoging voor het personeel van Akzo dat werkzaam is in het MEB stukgelopen. Gedaagden hebben Akzo vervolgens een ultimatum gesteld waarbij acties worden aangezegd vanaf (uiteindelijk, na uitstel) maandag 8 september 2014. Gedaagden zijn voornemens om vanaf deze datum de productie van het MEB gefaseerd terug te brengen, in eerste instantie tot 40% en daarna, in een tijdbestek van enkele dagen, tot (circa) 15% van de maximumcapaciteit.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat –

- primair dat de staking wordt verboden,

- subsidiair om aan de staking de voorwaarden te verbinden dat in ieder geval gewaarborgd blijft dat Akzo blijft leveren: 18 ton chloor per uur aan Huntsman en 30 ton chloor per uur aan Shin Etsu,

en met de bepaling dat de staking niet langer mag duren dan vijf dagen,

een en ander op straffe van verbeurte van dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding. Eisers stellen daartoe het volgende.

3.2.

De staking is onrechtmatig. Voor zover de staking niet geheel zal worden verboden, is het in ieder geval belangrijk dat er 18 ton chloor (aan Huntsman), respectievelijk 30 ton chloor (aan Shin Etsu) per uur zal worden blijven geleverd. Dit valt binnen een productieniveau bij Akzo van circa 40%. Als de levering daalt tot beneden de tweede genoemde niveaus dan levert dat bij zowel Huntsman als Shin Etsu een verhoogd risico op dat er iets fout gaat in het productieproces. Chloor is buitengewoon giftig. Het is daarom onaanvaardbaar dat gedaagden dit verhoogde risico teweeg wensen te brengen. Staking leidt voorts tot grote milieuproblemen alsmede tot grote commerciële schade en reputatieschade bij eisers.

3.3.

Akzo vordert, samengevat, hetzelfde als eisers. Voor Akzo is specifiek van belang dat haar productieniveau niet daalt onder de 40% van de maximumcapaciteit, omdat anders het productieproces instabiel wordt en daarmee het risico op incidenten met schade voor de volksgezondheid en het milieu in het algemeen toeneemt.

3.4.

Gedaagden voeren verweer.

3.5.

Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen daarin te mogen tussenkomen of zich te voegen (artikel 217 Rv.). Het belang van Akzo is evident. Ter zitting is het Akzo daarom toegestaan om zich te voegen. Van tussenkomst is geen sprake nu Akzo hetzelfde vordert als eisers.

4.2.

Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het ESH (Europees Sociaal Handvest), dat in Nederland van kracht is sedert mei 1980. In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH, dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

4.3.

Bij een onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallende staking moet de rechter er vanuit gaan dat voor de vakbond en haar leden de bij de uitoefening van het betreffende grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn. Behoudens bijzondere omstandigheden heeft de rechter dan ook niet te treden in de beoordeling van de vraag of de ene dan wel de andere partij meer of minder gelijk heeft in het arbeidsconflict dat ten grondslag ligt aan de staking. Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ("spelregels") zijn veronachtzaamd dan wel indien - met inachtneming van de door artikel G ESH gestelde beperkingen - moet worden geoordeeld dat de bonden en haar leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen. Tot die procedureregels behoort onder meer ook dat een staking slechts rechtmatig kan zijn als zij als "uiterst middel" is toegepast en tijdig is aangezegd en kenbaar gemaakt. Aanzegging heeft een tweeledig doel: het voorkomen van onnodige bedrijfsschade en bescherming van de belangen van degenen die op de dienstverlening van de bestaakte werkgever zijn aangewezen.

4.4.

De vraag of een staking in een concreet geval als "uiterst middel" is gehanteerd, dient evenzeer door de rechter met terughoudendheid te worden beantwoord. Dit volgt niet alleen hieruit dat het gaat om de uitoefening van een grondrecht, maar hangt ook samen met de omstandigheid dat de vraag of in een conflictsituatie nog een ander middel dan een staking kan worden gebruikt, geredelijk kan afhangen van verschillen in waardering van de omstandigheden en van taxaties omtrent de met dat middel te bereiken resultaten, terwijl die situatie veelal meebrengt dat de beslissing, of het middel van staking moet worden toegepast dan wel nog andere mogelijkheden bestaan, in korte tijd moet worden genomen.

4.5.

Met betrekking tot de in artikel G ESH gestelde beperkingen aan de rechtmatige uitoefening van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende grondrecht geldt dat moet kunnen worden vastgesteld dat de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen, die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig. Of dit het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in onderling verband, de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt.

4.6.

Naar voorlopig oordeel hebben gedaagden tot het standpunt kunnen komen dat hen geen ander middel restte dan staking. Akzo heeft aan gedaagden medegedeeld dat zij niet bereid is om aan de eis van gedaagden tegemoet te komen en deze partijen voeren al onderhandeling sinds 19 augustus 2013 (gedaagden verlangen van Akzo voor werknemers in het MEB een loonsverhoging van 10%, waarvan 3% inflatiecorrectie en de overige 7% procent om de lonen gelijk te trekken met de lonen die volgens gedaagden -wellicht- worden betaald bij andere, soortgelijke bedrijven). Derhalve is sprake van een impasse in een arbeidsconflict die een staking rechtvaardigt.

4.7.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat tussen partijen niet in geschil is dat chloor buitengewoon giftig is en dat zowel Akzo als eisers onder de werking vallen van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 en daarbij vallen onder de hoogste risicocategorie.

4.8.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk gemaakt door Akzo en eisers dat verlaging van de productiecapaciteit van Akzo tot beneden 40%, tot een verhoogd veiligheidsrisico zal leiden zowel bij Akzo als bij haar afnemers. De voorzieningenrechter betrekt in het oordeel de verklaring van deskundige Middelaar van bureau Haskoning in zijn brief van 4 september 2014 aan Akzo. Voorts wordt in het oordeel betrokken de verklaringen die diverse (technische) managers van Akzo en van eisers ter zitting hieromtrent hebben afgelegd, waaronder een verklaring van R. van der Meijden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de twijfel aan de juistheid van diens verklaring dat het onaanvaardbare risico’s oplevert als de productie daalt tot beneden 40% en dat het niet aangaat om in een discussie over geld de bereidheid te willen hebben om met een hoger risico voor de gezondheid van werknemers en de omwonenden in te stemmen.

In wezen hebben gedaagden ook niet (adequaat) weersproken dat de risico’s toenemen bij een daling tot beneden 40%. De voorzieningenrechter begrijpt uit het standpunt van gedaagden veeleer dat zij deze risico’s miniem/ aanvaardbaar achten. De voorzieningenrechter onderschrijft dit verweer niet. Ter zitting is van de zijde van gedaagden in dit verband aangevoerd dat het om theoretische risico’s gaat en dat in de praktijk de risico’s best mee zullen vallen. De voorzieningenrechter kan dit onderscheid echter niet volgen. De vaststelling van een risico is een theoretische kansberekening, de verwezenlijking van een risico is een feitelijke gebeurtenis. Kenmerk van een dergelijke kansberekening is dat niet te voorspellen valt wanneer een kans zich verwezenlijkt. Niet uitgesloten is dat de verhoogde kans op een incident bij Akzo zich gedurende de voorgenomen staking niet voordoet, maar afgewogen dient te worden of zelfs een minieme toename op de kans op een incident bij Akzo aanvaardbaar is in het licht van het belang van gedaagden bij vermindering van de productie tot circa 15%. Gedaagden hebben er op gewezen dat in het verleden de fabriek van Akzo ook wel eens twee dagen op een lager niveau dan 40% heeft gedraaid en dat daar toen toch geen schade uit is voortgevloeid. Echter, nogmaals zij er op gewezen dat de omstandigheid dat een risico zich niet heeft verwezenlijkt niet wegneemt dat het risico heeft bestaan. Mede gelet op de omstandigheid dat chloor buitengewoon giftig is zullen de gevolgen van een incident voor de (volks)gezondheid dermate ernstig zijn dat hierin aanleiding wordt gevonden om het stakingsrecht op de voet van het bepaalde in artikel G lid 1 van het ESH zodanig te beperken dat de staking er niet toe mag leiden dat de productie in het MEB daalt tot beneden 40%.

4.9.

Bij het voorgaande speelt het volgende een belangrijke rol. Akzo heeft gesteld dat de daling van haar productie tot 40% haar € 400.000 per dag kost, tegenover € 600.000 bij een productiedaling naar 15%. Dit komt aannemelijk voor en is ook niet gemotiveerd weersproken. In zoverre kan staking nog steeds worden aangemerkt als een effectief middel, ook bij een productiehandhaving op het niveau van 40%. De beperking van het grondrecht om collectieve actie te voeren is aldus als gering aan te merken.

4.10.

Gedaagden hebben ter zitting aangevoerd dat de toegenomen risico’s die verbonden zijn aan een daling van de productie naar circa 15%, eenvoudig kunnen worden vermeden door instemming van Akzo met de looneisen van gedaagden. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt niet. Het grondrecht om collectieve actie te kunnen voeren kan er niet toe strekken dat in loononderhandelingen met een werkgever een situatie wordt gecreëerd die - bijvoorbeeld - verhoogde risico’s voor de volksgezondheid (en overigens ook de gezondheid van personeel) met zich brengt met het doel of het neveneffect dat de druk op een werkgever wordt verhoogd. Dit kwalificeert naar voorlopig oordeel als dwang en is onaanvaardbaar. Een zodanige handelswijze behoort in loononderhandelingen tussen werkgever en vakbonden achterwege te blijven.

4.11.

Naar voorlopig oordeel is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bij een productieniveau van 40%, dat eerst op of rond 11 september bereikt zal worden, de nadelige gevolgen voor het milieu nog steeds dusdanig zijn dat zij tot een ander oordeel zouden moeten nopen als na te melden. Eisers en Akzo moeten in staat worden geacht binnen die termijn de nodige maatregelen te treffen om eventuele nadelige milieugevolgen afdoende in te perken.

4.12.

Eisers hebben nog gevorderd om de staking te beperken tot een duur van maximaal vijf dagen en om deze eenmalig te doen zijn. Ter zitting is door eisers desgevraagd bevestigd dat aan deze vordering bedrijfseconomische argumenten ten grondslag liggen en geen veiligheidsargumenten. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om deze vordering toe te wijzen. Toewijzing van deze vordering zou aan het recht op staking al te zeer het nuttig effect ontnemen, nu dit het voor Akzo mogelijk zou maken om een eenvoudige kosten-batenanalyse te maken en op die grond er voor te kiezen om de staking maar uit te zitten. De onzekerheid van de duur van de staking is een wezenlijk element van het recht op om te staken, dit overigens daargelaten dat een te lange duur van een staking het treffen van een voorziening in kort geding onder omstandigheden alsnog kan rechtvaardigen. Daarbij zal de opstelling van Akzo als werkgever - die tot nu toe vrij passief lijkt te zijn geweest - een belangrijke rol spelen.

4.13.

Het is niet aan gedaagden maar aan Akzo om te bepalen aan wie zij haar producten levert. Daarom zal de veroordeling niet inhouden dat 18 ton chloor per uur aan Huntsman moet blijven worden geleverd en 30 ton per uur aan Shin Etsu. Volstaan zal worden met veroordeling dat de productie van het MEB niet mag dalen beneden 40%. Partijen zijn het er overigens over eens dat een productieniveau van 40% volstaat om aan de onderhavige verlangens van eisers tegemoet te komen.

4.14.

Nu gedaagden reeds schriftelijk hebben toegezegd dat de staking niet voor maandag 8 september om 06:00 uur zal beginnen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om hierover een beslissing te nemen.

4.15.

Een dwangsom wordt niet nodig geacht, nu gedaagden ter zitting hebben toegezegd een eventuele veroordeling vrijwillig te zullen nakomen en eisers noch Akzo dit hebben bestreden.

4.16.

De tenuitvoerlegging op de minuut zal worden afgewezen. De mogelijkheid daartoe is afgeschaft per 1 januari 2002, omdat heden ten dage zonder tijdsverlies een grosse kan worden afgegeven.

4.17.

Partijen worden over en weer het ongelijk gesteld. De proceskosten tussen partijen zullen mitsdien worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter, in goede justitie, bepaalt het volgende:

5.1.

verbiedt gedaagden om hun voorgenomen stakingsacties tegen Akzo ten uitvoer te brengen voor zover dit zal leiden tot een daling van productie van het MEB bij Akzo tot beneden 40% van het maximale niveau;

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2014.

2517/427