Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7417

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
ROT 13/3719
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opname van (naam kind) in de landelijke verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 2d van de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Na ommekomst van de bewaartermijn opname van (naam kind) in het historisch meldingenarchief.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het kader van het voorliggende verzoek tot verwijdering uit het historisch meldingenarchief op grond van artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar, beoordeeld of een bewaartermijn van vijf jaar gelet op de aard van de meldingen voldoet aan het beginsel van proportionaliteit. De rechtbank voorziet zelf. In het onderhavige geval zijn naar het oordeel van de rechtbank de meldingen van (naam kind) in het historisch meldingenarchief nu lang genoeg bewaard geweest in het historisch meldingenarchief. De rechtbank draagt verweerder daarom op de meldingen daaruit te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/3719

Uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2014 in de zaak tussen

[namen], te [plaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,

gemachtigden: [namen].

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om de meldingen van politie en Bureau Jeugdzorg over hun dochter uit het Stadsregionaal Instrument Sluitende Aanpak-signaleringssysteem (SISA-signaleringssysteem) te verwijderen, afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2012 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2013 (zaaknummer ROT 12/2085) heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 23 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ontvankelijk en ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2014. Van eisers is [naam] verschenen. Namens verweerder zijn de gemachtigden verschenen.

Overwegingen

1.

De gemeente Schiedam neemt deel aan het Stadsregionaal Instrument Sluitende Aanpak (SISA), de verwijsindex risico’s jeugdigen in de stadsregio Rotterdam. Het SISA-signaleringssysteem is onderdeel van de landelijke verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 2d van de Wet op de jeugdzorg (Wjz).

Bij brief van 28 oktober 2011 hebben de beheerders van het SISA-signaleringssysteem aan eisers, als ouders van [naam kind] (hierna: [naam kind]), bericht dat [naam kind] in dat systeem is gesignaleerd (lees: gemeld aan de verwijsindex) door de politie en Bureau Jeugdzorg.

Verweerder is op grond van artikel 2e, derde lid, en artikel 2o, derde lid, van de Wjz verantwoordelijk voor de toepassing van artikel 34 tot en met 40 en 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) op de in de verwijsindex opgenomen meldingen, inclusief het historisch meldingenarchief. In die hoedanigheid heeft verweerder beslist op het verzoek van eisers tot verwijdering van de meldingen over [naam kind] uit het SISA-signaleringssysteem.

Wettelijk kader verwijsindex risicojongeren

2.

Artikel 2d, eerste lid, van de Wjz bepaalt dat er een verwijsindex risicojongeren is, zijnde een landelijk elektronisch systeem, waarin persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, van de Wbp alsmede andere gegevens worden verwerkt.

Het tweede lid bepaalt dat de verwijsindex tot doel heeft vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen, opdat zij jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen.

In het derde lid is bepaald dat de verwijsindex uitsluitend wordt gebruikt voor het in het tweede lid aangegeven doel.

Op grond van artikel 2f, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wjz, voor zover van belang, maken van de verwijsindex deel uit voorzieningen waarmee bij twee of meer meldingen van dezelfde jeugdige een signaal wordt gezonden naar de meldingsbevoegden die de betrokken jeugdige hebben gemeld.

Het tweede lid bepaalt dat bij de verwijsindex een historisch meldingenarchief is gevoegd waarin uit de verwijsindex verwijderde meldingen worden opgenomen. Het historisch meldingenarchief heeft tot doel de verdere verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van een jeugdige te ondersteunen.

Op grond van artikel 2j, aanhef en onder a, van de Wjz kan een meldingsbevoegde zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd: de jeugdige staat bloot aan geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, enige andere vernederende behandeling, of verwaarlozing.

In artikel 2n van de Wjz is het volgende bepaald:

1.

Een meldingsbevoegde verwijdert een door hem gedane melding uit de verwijsindex indien naar zijn oordeel:

a. die melding niet terecht is gedaan;

b. het eerder gesignaleerde risico niet meer aanwezig is.

2.

Een melding wordt voorts in elk geval uit de verwijsindex verwijderd:

a. ten hoogste twee jaar nadat zij is gedaan;

b. met ingang van de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt;

c. zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige.

In artikel 2o van de Wjz is het volgende bepaald:

1.

Een overeenkomstig artikel 2n, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder a, uit de verwijsindex verwijderde melding wordt gedurende vijf jaren opgenomen in een historisch meldingenarchief, met dien verstande dat die opname wordt vernietigd met ingang van de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt of zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige. Meldingen die uit de verwijsindex zijn verwijderd met toepassing van artikel 2n, eerste lid, onder a, of het tweede lid, onder b of c, of de artikelen 36 of 40 van de Wbp, worden niet in het historisch meldingenarchief opgenomen.

2.

Een in het historisch meldingenarchief opgenomen melding wordt uitsluitend en eenmalig aangeboden aan een meldingsbevoegde op het moment dat hij een jeugdige aan de verwijsindex meldt.

3.

Artikelen 2e en 2f, eerste lid, aanhef, juncto onder f en g, zijn van overeenkomstige toepassing op het historisch meldingenarchief. Van het historisch meldingenarchief maakt een voorziening deel uit waarmee een jeugdige uit het historisch meldingenarchief kan worden verwijderd.

Meldingen [naam kind]

3.

Het signaal over [naam kind] uit het SISA-signaleringssysteem is het gevolg van onderstaande meldingen als bedoeld in artikel 2j, aanhef en onder a, van de Wjz.

Op 29 april 2011 hebben buren van eisers bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) hun ongerustheid geuit over heftige ruzies tussen eisers in bijzijn van [naam kind], die dan 3 jaar is. Daarbij is aangegeven dat geen sprake is van fysiek geweld. AMK heeft op 9 augustus 2011 besloten tot onderzoek. Hierom is op 9 augustus 2011 automatisch een signaal afgegeven aan het SISA-signaleringssysteem. Dit signaal is op grond van de toen geldende bewaartermijn drie maanden actief geweest in het SISA-signaleringssysteem. Het onderzoek is afgerond op 30 augustus 2011.

Op 28 september 2011 heeft de Politie Rotterdam-Rijnmond (de politie) via het zogenoemde zorgformulier een melding gedaan in het SISA-signaleringssysteem. In het formulier is vermeld dat de politie, nadat buren hadden gebeld, verschillende keren bij eisers aan de deur is geweest vanwege echtelijke ruzies waarvan een kind getuige is. Volgens de buren is geen sprake van fysiek geweld. Eisers zouden volgens het zorgformulier geen enkele bereidheid hebben getoond over het gemelde een gesprek aan te gaan. Verder heeft de politie bij haar beslissing betrokken dat het AMK een onderzoek had lopen. Het signaal van de politie is op grond van de toen geldende bewaartermijn drie maanden actief geweest in het SISA-signaleringssysteem.

Het meldpunt zorgformulier politie van Bureau Jeugdzorg, dat het zorgformulier van de politie kreeg doorgestuurd, heeft het zorgformulier op zijn beurt doorgestuurd naar het AMK, dat gelet op de aard van de melding in samenhang met de eerdere eigen melding van 9 augustus 2011, wederom heeft besloten tot onderzoek op 20 oktober 2011. Hierom is op 20 oktober 2011 automatisch een melding gedaan bij het SISA-signaleringssysteem. Deze melding is op grond van de toen geldende bewaartermijn twee maanden actief geweest in het SISA-signaleringssysteem. Het onderzoek is afgerond op 27 januari 2012.

4.

Uit de berichten van AMK en politie aan verweerder over hun beslissingen ten aanzien van de meldingen van [naam kind] volgt dat zij van opvatting zijn dat de meldingen terecht zijn gedaan maar dat er na de initiële bewaartermijn geen aanleiding was om de meldingen langer te bewaren in het SISA-signaleringssysteem. Wel is er aanleiding gezien om de meldingen te bewaren in het historisch meldingenarchief.

Procesbelang en omvang van het geschil

5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, door het overnemen van het advies van de bezwaarschriftencommissie, vastgesteld dat de meldingen van [naam kind] uit het SISA-signaleringssysteem waren verwijderd maar dat deze nog wel werden bewaard in het historisch meldingenarchief, zodat eisers daarom belang bij een beoordeling van hun bezwaar hadden. Ook thans worden de meldingen nog bewaard in het historisch meldingenarchief. Eisers hebben dan ook belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.

6.

De rechtbank volgt niet verweerders betoog dat slechts de aangevoerde grond over de onpartijdigheid van de bezwaarschriftencommissie nog bespreking verdient, nu in het (aanvullende) beroepschrift verder louter is verwezen naar eerder ingediende bezwaren en beroepsgronden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel verweerder als eisers in de bestuurlijke fase in verschillende schriftelijke stukken hun op diverse punten uiteenlopende standpunten uitvoerig hebben gemotiveerd, en dat dit er niet toe heeft geleid dat de procedure niet is voortgezet omdat beide partijen volharden in hun standpunten. Onder die omstandigheden doet een beperking van het geschil tot één punt onvoldoende recht aan de zaak en neemt de rechtbank aan dat eisers met hun beroep, waarin wordt verwezen naar de eerder ingediende stukken, waaronder de gronden in zaak ROT 12/2085, in welke zaak de rechtbank niet aan de inhoudelijke beoordeling daarvan is toegekomen, beogen deze op zichzelf voldoende kenbare geschilpunten ter beslechting aan de rechter voor te leggen. De rechtbank zal dus ook ingaan op de andere, door eisers reeds eerder aangevoerde en gehandhaafde gronden.

Bezwaarschriftencommissie

7.

De rechtbank ziet in hetgeen eisers daarover hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de bezwaarschriftencommissie vooringenomen was of dat zij hun bezwaren niet serieus heeft genomen, zodat verweerder dit advies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Eisers zijn tijdens de hoorzitting uitvoerig bevraagd en gehoord over hun bezwaren. Niet is gebleken dat de bezwaarschriftencommissie in haar advies bezwaren van eisers onbesproken heeft gelaten. Dat de bezwaarschriftencommissie eisers niet is gevolgd in hun standpunten, betekent nog niet dat deze commissie partijdig was.

Artikel 8 van het EVRM

8.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Eisers betoog dat de verwijsindex risicojongeren zoals neergelegd in de Wjz en dus ook het SISA-signaleringssysteem als zodanig wegens strijd met deze verdragsrechtelijke bepaling onrechtmatig is, slaagt niet. Een gezonde en veilige ontwikkeling van een kind naar volwassenheid is een zeer zwaarwegend belang. Onder de in de Wjz beschreven voorwaarden en ter realisering van het in artikel 2d, tweede lid, van de Wjz beschreven doel om vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen de meldingsbevoegden te bewerkstellingen, is registratie van persoonsgegevens van het kind gerechtvaardigd. Dit geldt ook in het geval dat er alleen een redelijk vermoeden is van een risico dat het kind in die gezonde en veilige ontwikkeling wordt geschaad. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de verwijsindex slechts persoonsgegevens van het kind zijn opgenomen. De reden van de melding en de feiten op grond waarvan de melding is geschied, zijn niet vermeld.

Meldingsbevoegdheid

9.

In artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wjz wordt als meldingsbevoegde genoemd een functionaris die werkzaam is voor een instantie die afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met het college van burgemeester en wethouders. Uit het door verweerder overgelegde samenwerkingsconvenant SISA blijkt dat dit het geval is voor wat betreft de politie Rotterdam-Rijnmond. Gelet hierop, en nu functionarissen van de politie meldingsbevoegd zijn op grond van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wjz in samenhang met artikel 1g, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Wjz, kan de rechtbank eisers niet volgen in hun betoog dat de politie niet meldingsbevoegd was.

Nu niet in geschil is dat het AMK meldingsbevoegd is in de zin van de Wet op de Jeugdzorg, zijn diens meldingen over [naam kind] bevoegd geregistreerd in het SISA-signaleringsysteem.

De weigering om de meldingen over [naam kind] uit de verwijsindex te verwijderen

10.

Eisers erkennen dat er bij herhaling luidruchtig door hen is gediscussieerd over onderlinge meningsverschillen, maar zij stellen dat dit nog niet betekent dat er sprake was van heftige ruzies. Zij betwisten verder dat [naam kind] daar enig nadeel van heeft ondervonden. Er was dan ook geen enkele aanleiding om hierover een gesprek aan te gaan met derden. De achterliggende reden voor de meldingen door de buren moet niet zozeer worden gezocht in ongerustheid over [naam kind] als wel in een verstoorde burenrelatie, aldus eisers.

Overigens voeren eisers nog aan dat zij wel een gesprek hebben gevoerd met het AMK. Het AMK heeft op grond van dat gesprek geconcludeerd dat er geen risico meer was, zodat naar de opvatting van eisers in ieder geval op grond van die conclusie de melding had moeten worden verwijderd.

11.1.

Voor de beoordeling is gegeven dat het geschil tussen verweerder en eisers over de verwijdering van de melding van [naam kind] uit (het historisch archief van) de verwijsindex risicojongeren wordt geregeld door de artikelen 35 en 36 van de Wbp (zie ook rov. 8 van de uitspraak van 14 februari 2013). De door verweerder in dat kader te maken beoordeling ziet erop dat de melding:

- feitelijk juist is;

- voor het doel of de doeleinden van de verwerking volledig en ter zake dienend is;

- niet in strijd is met een wettelijk voorschrift;
- noodzakelijk is voor de desbetreffende publiekrechtelijke taak.

11.2.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de politie en het AMK als meldingsbevoegden op grond van de hun bekende informatie een redelijk vermoeden mochten hebben dat er een risico was dat [naam kind] in haar ontwikkeling werd bedreigd doordat zij werd blootgesteld aan geestelijk geweld als bedoeld in artikel 2j, aanhef en onder a, van de Wjz. De Wjz kent de meldingsbevoegden vanuit hun speciale rol en deskundigheid een zekere beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of er sprake is van een van de in artikel 2j van die wet genoemde risico’s. Uit de informatie die het AMK en de politie over hun beslissingen tot melding hebben verstrekt, volgt dat er bij die instanties diverse berichten in een relatief kort tijdvak zijn geweest van buren van eisers over zeer heftige ruzies in het bijzijn van [naam kind]. Daarbij hebben de buren gezegd dat zij het kind hebben horen huilen en hebben zij hun zorgen geuit vanwege de jonge leeftijd van [naam kind]. Verder hebben de instanties meegewogen dat eisers in eerste instantie niet open stonden voor een gesprek over de mogelijke nadelige gevolgen van die ruzies voor [naam kind]. De meldingen zijn dan ook terecht gedaan.

11.3.

De door de politie en het AMK gehanteerde initiële bewaartermijn van drie (2011) en twee maanden (2012) voor meldingen in het SISA-signaleringssysteem waarvan de opname terecht is beoordeeld, acht de rechtbank, in het licht van het doel van de verwijsindex risicojongeren en na afweging van de belangen van [naam kind] en van eisers, aanvaardbaar als periode waarin door middel van de meldingen en het daarop gegeven signaal wordt bewerkstelligd dat vroegtijdige en onderlinge afstemming plaatsvindt tussen meldingsbevoegden. In zoverre ziet de rechtbank dan ook geen reden om het bewaren van de meldingen van [naam kind] gedurende die termijn onrechtmatig te achten.

11.4.

Vast staat dat de politie en het AMK na ommekomst van deze initiële bewaartermijn geen aanleiding hebben gezien om de meldingen van [naam kind] nog langer te bewaren in het SISA-signaleringssysteem. De meldingen van [naam kind] zijn uit de verwijsindex verwijderd en opgenomen in het historisch meldingenarchief. De rechtbank begrijpt uit de onderliggende berichten van politie en AMK aan verweerder dat de reden daarvoor was dat zij het eerder gesignaleerde risico niet langer aanwezig achtten als bedoeld in artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wjz.

11.5.

Uit artikel 2o van de Wjz volgt dat een terechte melding die uit de verwijsindex is verwijderd om reden dat het gesignaleerde risico niet langer aanwezig is, vijf jaar wordt bewaard in het historisch meldingenarchief, behoudens (onder andere) een verzoek tot verwijdering als bedoeld in artikel 36 van de Wbp dat voor toewijzing in aanmerking komt.

11.6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van het voorliggende verzoek tot verwijdering op grond van artikel 36 van de Wbp ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar, heeft beoordeeld of een bewaartermijn van vijf jaar gelet op de aard van de meldingen voldoet aan het beginsel van proportionaliteit. Het bestreden besluit is om die reden op dit punt onvoldoende gemotiveerd en komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

12.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Finale geschilbeslechting

13.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank acht een bewaartermijn van vijf jaar voor de meldingen van [naam kind] in het historisch meldingenarchief lang, afgezet tegen de duur van de opname van de in geding zijnde meldingen in de verwijsindex en gelet op de ernst van het onderhavige risico. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat de aanleiding van de meldingen door enerzijds politie en anderzijds AMK wordt gevormd door hetzelfde feitencomplex, te weten de in het zorgformulier van de politie omschreven echtelijke ruzies waarover melding is gedaan door buren. Verder is van belang dat de politie en het AMK, mede op basis van verricht onderzoek, hebben vastgesteld dat het aanvankelijk vermoede risico niet meer aanwezig was. [naam kind] is nadien niet opnieuw gemeld in verband met dit risico. Ter zitting is namens eisers verklaard dat hun buren door de politie zijn aangesproken op hun berichtgeving over [naam kind], hetgeen door verweerder niet is weersproken. De meldingen zijn nu ruim twee jaar bewaard geweest in het historisch meldingenarchief. De registratie van de meldingen in het historisch meldingenarchief acht de rechtbank op zichzelf een rechtens relevante inbreuk op het privé- en gezinsleven van eisers, ook al zijn de historische meldingen op zichzelf niet opvraagbaar maar worden deze alleen getoond bij een nieuwe melding. De rechtbank komt, na een belangenafweging aan de hand van het proportionaliteitsbeginsel op grond van deze aspecten, tot het oordeel dat de meldingen over [naam kind] nu lang genoeg bewaard zijn geweest in het historisch meldingenarchief.

De rechtbank draagt verweerder daarom op de meldingen daaruit te verwijderen.

Griffierecht en proceskosten

14.

Omdat het beroep gegrond is verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat de meldingen over [naam kind] uit het historisch meldingenarchief worden verwijderd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.