Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7408

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
10/680303-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Brandstichting in een horecagelegenheid in Zwijndrecht en verschillende andere feiten. Voor deze brandstichting ontving verdachte de verzekeringspenningen van de eigenaar van het pand (en tevens medeverdachte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/680303-13

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres 1],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 25 oktober 2013, 16 januari 2014, 8 april 2014 en 9 mei 2014. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 20 mei 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de paralelle dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 7 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Niet is gebleken dat verdachte enige betrokkenheid heeft bij dit feit. Hoewel er in het huis bij verdachte pakjes sigaretten zijn aangetroffen, is er geen enkel bewijsmiddel waaruit blijkt dat deze sigarettenpakjes afkomstig waren uit de Albert Heijn in Vaassen. Zelfs indien dit zo was, zou dit een aanwijzing zijn voor een verdenking ter zake van heling. Voor diefstal ontbreekt elk bewijsmiddel.

Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit feit.

BEWIJS

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen.

DE VERWEREN

Feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat het tijdtechnisch onmogelijk is dat inzittenden van de auto met het kenteken [kenteken], die op camerabeelden is waargenomen in de nacht van de brand, de brand hebben gesticht. Hij heeft aangevoerd dat om 3:43 uur een auto over de Lindtsedijk rijdt. Om 4:03 uur komt deze auto weer terug op dezelfde camera bij de Lindtse dijk. Volgens de raadsman is het 7 minuten rijden van de Lindtsedijk naar Kade100 (de locatie waar brand is gesticht). Aangezien het brandalarm om 4:01 uur afging is het volgens zijn pleidooi onmogelijk dat de auto deze afstand in 2 minuten gereden heeft. Zijn conclusie is daarom dat de inzittenden van deze auto nooit de brand gesticht kunnen hebben, gelet op het tijdsbestek.

De rechtbank is van oordeel dat het pleidooi van de raadsman niet gestoeld is op de juiste feiten. De Lindtsedijk betreft een langere straat, en de raadsman is van een andere locatie uitgegaan dan uit de stukken blijkt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2013 (pagina 694 e.v. van het dossier) volgt namelijk dat de camera – geplaatst langs de Lintsedijk ter hoogte van de Bilderdijkstraat - om 3:43 uur een auto registreert met kenteken [kenteken]. De auto rijdt in de richting van de Lindtse Dijk. Om 4:03 uur komt deze auto wederom in beeld op de camera’s op de Lindtsedijk ter hoogte van de Bilderdijkstraat. Derhalve rijdt deze auto op een andere locatie op de Lindtsedijk dan door de raadsman is aangevoerd. Om 4:03 uur blijkt dat de auto met dat kenteken de Marnixstraat inrijdt. Gelet op het feit dat deze locatie zeer dicht gelegen is bij de locatie waar brand is gesticht, is er geen enkele grond om aan te nemen – gelet op het tijdsverloop – dat de inzittenden van deze auto de brand niet gesticht hebben. De rechtbank overweegt daarbij dat een brandalarm normaliter niet direct afgaat als de brand wordt gesticht, maar dat er enige tijd zal zijn gelegen tussen het in brand steken van en object en het afgaan van het brandalarm.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er zich in het dossier geen machtiging van de rechter-commissaris bevindt, waarin toestemming gegeven wordt voor het opnemen van de gesprekken van medeverdachte [verdachte 2] in het huis van bewaring.

De rechtbank is van oordeel dat deze machtiging, blijkens een mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting, er wel is, maar zich in het dossier van het onderzoek ‘Elara’ bevindt. De omstandigheid dat de OVC-machtiging er wel is, maar zich niet in dit dossier bevindt, brengt niet mee dat de OVC-gesprekken, voor het gebruik waarvan door de Officier van Justitie toestemming is gegeven (proces-verbaal bevindingen opgenomen vertrouwelijke gesprekken nummer 14031909000.OVC), niet als bewijsmiddel gebruikt kunnen worden. Van een verzuim als bedoeld in art. 359a Sv is dan ook geen sprake, nu door de verdediging niet gesteld is dat als gevolg van het ontbreken van de OVC-machtiging in dit dossier de verdediging in een rechtens te respecteren belang is geschaad. De rechtbank voegt daar aan toe dat door de verdediging op geen enkel moment is verzocht de machtiging aan de stukken toe te voegen.

Feit 2: Beroep op noodweer

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat door verdachte een ploertendoder is getoond en dat hij dit deed vanwege zijn noodzakelijke verdediging, nu hij aangevallen werd en dat dit mitsdien tot een vrijspraak moet leiden.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig is, gelet op verschillende getuigen, die onafhankelijk van elkaar niet over zo’n situatie hebben verklaard en daarnaast wel degelijk hebben verklaard dat verdachte een pistool heeft getrokken. Ook is de verklaring van verdachte niet in overeenstemming met de camerabeelden zoals die door de verbalisanten zijn beschreven in een proces-verbaal van bevindingen. Van enige noodweersituatie is geenszins gebleken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Feit 1

De rechtbank overweegt dat niet direct uit een bewijsmiddel volgt dat verdachte en zijn medeverdachte [verdachte 2] aanwezig waren op of bij Kade100 toen de brand werd aangestoken. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet betekent dat beide verdachten ook niet aanwezig zijn geweest en de brand niet hebben gesticht. De rechtbank zet de verschillende aanwijzingen en omstandigheden tegen de verdachten op een rij.

  • -

    Ten aanzien van verdachte blijkt uit de verklaring van N. [getuige 1] dat hij de auto met het kenteken [kenteken] huurde voor verdachte. Dit betreft de auto die in de nacht van de brand op camerabeelden in de buurt van dit pand (Kade100) is waargenomen voor en na de brand. Als deze auto drie dagen na de brand wordt gecontroleerd door de politie blijkt verdachte inderdaad de bestuurder van de auto te zijn. De huurder, [getuige 1], wordt niet in de auto aangetroffen. Hieruit volgt dat verdachte de regelmatige bestuurder van deze auto was, ook in de nacht van de brandstichting.. Dat de verklaring van [getuige 1] overeenkomstig de werkelijkheid is, wordt bevestigd door de afgeluisterde gesprekken van [verdachte 2] in de PI , die daarin aangeeft dat [getuige 1] naar waarheid heeft verklaard bij de politie over de huurauto’s.

  • -

    Bij een doorzoeking van de woning van verdachte zijn bovendien rode breekijzers aangetroffen. Bij de ‘moeten’ die zijn aangetroffen bij Kade100, en veroorzaakt zijn om de deur open te breken om zo het pand binnen te komen, is ook rode verf aangetroffen. Dit komt overeen met de andere door verdachte gepleegde inbraken waar ook rode verf op/bij de ‘moeten’ is aangetroffen. Bij deze inbraken is door het NFI bevonden dat de rode verf afkomstig is van de breekijzers die aangetroffen zijn in het huis van verdachte. Bovendien is blijkens een proces-verbaal van bevindingen de modus operandi van verdachte ten aanzien van deze inbraak hetzelfde als bij de (bewezen verklaarde) inbraak aan het P.A. de Kokplein te Dordrecht (restaurant Lotus) en het Admiraalsplein te Dordrecht (Albert Heijn). Dit wijst alles op een en dezelfde dader.

  • -

    Een bij de huiszoeking bij verdachte aangetroffen jerrycan betreft precies een zelfde jerrycan als de in het pand Kade100 aangetroffen jerrycans waarmee de brand is gesticht. Bovendien heeft deze jerrycan een partijnummer dat opvolgend is met een van de jerrycans die gevonden is bij de brandstichting (slecht één cijfer verschil t.o.v. het partijnummer op de andere jerrycan).

  • -

    Uit de opgevraagde historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [verdachte 2] (06-87226681) blijkt dat de gebruiker bij het bellen op 27 februari 2013 vanaf 19:25 uur een ‘beweging’ maakt van Vaassen in de richting van Zwijndrecht (21:10 uur), waarna er enige tijd geen telecommunicatie wordt geregistreerd tot 28 februari 2013 te 11:53 uur (Zie I.AH.5.7 + bijlage 5).

  • -

    Aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte en medeverdachte [verdachte 2] komen ook naar voren uit de contacten van de verdachte en medeverdachte [verdachte 2] onderling en van hen afzonderlijk met medeverdachte [verdachte 3]. Uit deze contacten volgt dat zij samen een bedrag van € 16.000 hebben ontvangen van [verdachte 3], en dat zij, nadat zij –als zij eenmaal vast zitten- te weten zijn gekomen dat [verdachte 3] (de eigenaar van Kade100) een groter bedrag van de verzekering heeft ontvangen, beiden meer geld willen hebben van [verdachte 3], te weten nog ongeveer € 84.000. In de voordien opgenomen telefoongesprekken wordt over schoenen (als versluierend taalgebruik voor geld) gesproken, die medeverdachte [verdachte 2] tegoed heeft van [verdachte 3]. Uit de telefoongesprekken volgt dat beide verdachten geld krijgen van [verdachte 3]. [verdachte 3] geeft aan dat hij moet wachten tot hij het geld van de verzekering heeft ontvangen. Op het moment dat het geld is gestort, wordt er een afspraak gearrangeerd ter overdracht van het geld aan verdachte, waarna het observatieteam waarneemt dat verdachte naar medeverdachte [verdachte 2] reist, kennelijk – naar het oordeel van de rechtbank – om hem een deel van het geld te overhandigen (zie het proces-verbaal van bevindingen gesprekken en waarnemingen, nummer I.AH5.8). Uit de OVC-gesprekken waarin medeverdachte [verdachte 2] wordt beluisterd volgt dat hij stelt nog een bedrag van € 84.000 van [verdachte 3] te goed te hebben. Uit een door [verdachte 3] aan de politie getoonde brief van verdachte (aan [verdachte 3] overhandigd door de broer van verdachte) volgt dat ook verdachte meent nog recht te hebben op een soortgelijk bedrag ([verdachte 3] zou nog € 85.000 aan verdachte moeten betalen). Verdachte schrijft in diezelfde brief dat bij niet-betaling van dit bedrag door [verdachte 3], hij, verdachte, naar justitie zou gaan met twee tapes, waarop zou staan dat [verdachte 3] de opdrachtgever van de brand bij Kade100 is (zie I.AH5.12). In de omstandigheid dat verdachte en medeverdachte [verdachte 2] een zelfde aandeel van het geld claimen, ziet de rechtbank een aanwijzing dat zij een zelfde aandeel hebben in de brandstichting.

  • -

    Uit de met OVC-apparatuur in het huis van bewaring opgenomen gesprekken tussen verdachte [verdachte 2] en wisselende gesprekspartners laat verdachte [verdachte 2] veel los over de aan hem tenlastegelegde feiten. Onder andere komt naar voren dat de hiervoor samengevatte telefoongesprekken niet de afpersing van [verdachte 3] betreffen door verdachten, maar dat dit om de brandstichting gaat. De rechtbank citeert uit de bewijsmiddelen een gesprek tussen verdachte [verdachte 2] ([verdachte 2]) en zijn vader:

[verdachte 2]: uhm kijk eh ik heb met die ehhh ik krijg nog 86.000 euro van iemand....

Vader: oi wie

[verdachte 2]: ehh die persoon die regel ik via mijn advocaat dat jij het adres krijgt. En dan moet jij, dan moet jij een telefoontje naar hem brengen, en met hem contact houden. ..kan je dat?

Vader: Acht zes? Geeft hij die?

[verdachte 2]: Acht vier acht vier, krijg ik nog en dan mag ie een maand, een maand heeft ie de tijd. kijk.. hij heeft het al, hij heeft het al.

Vader: Waar woont hij dan? Waar woont hij dan .

[verdachte 2]: Capelle.

Vader: Nederlander? Geeft hij het dan?

[verdachte 2]: ja sowieso. Hij moet het geven aan mij, want dat is hij mij nog verschuldigd maar omdat ik nou hier zit...

Met inachtneming van het feit dat medeverdachte [verdachte 3] in Capelle aan den IJssel woont, is de rechtbank van oordeel dat hier gesproken wordt over de beloning die verdachte [verdachte 2] krijgt voor de brandstichting. Verdachte [verdachte 2] deelt in dit gesprek immers mee dat hij geld krijgt voor het feit waarvoor hij vastzit (te weten: brandstichting).

Verderop in het gesprek zegt [verdachte 2] tegen zijn vader:

[verdachte 2] Ik heb het al gezien...op een blaadje....kijk voor deze actie.. van wat hier is gebeurd, waarom ik hier zit heeft ie drie ton gekregen, 100 ging naar mij die moest ik delen met die kameraadje van mij snap je?

Vader Ja

[verdachte 2] Er is al 16 betaald, dus ik krijg nog 84....en hij weet dat want dat hebben wij al afgesproken van te voren al, al in februari.

Verdachte [verdachte 2] verklaart hier kennelijk over een voorafgaand aan de brandstichting gemaakte afspraak over de verdeling van de verzekeringspenningen. De rechtbank overweegt daarbij dat de brand is gesticht op 28 februari 2013, zijnde de laatste dag van die maand februari. Dus ‘van te voren’ moet slaan op een tijdstip voorafgaand aan die brandstichting.

Voorts heeft [verdachte 2] nog een gesprek met ene ‘[derde]’. Als het over ‘[verdachte 3]’ gaat deelt verdachte [verdachte 2] mee:

[verdachte 2]: Wat ik daarmee wil? lk wil dat hebben! Waar ik recht op heb.

Ja je maakt het jezelf echt moeilijk weet je. En nu heb je gewoon een grote kans dat je er uitspringt snap je? Nou, kijk als je nu problemen gaat maken voor jezelf. Kijk, weet je, Ton, Ton zegt tegen mij "Die man heeft misschien geen verklaring, maar hij praat wel met de politie snap je"?. Kijk als hij nu, als hun nu, maakt niet uit, nog één vinger op jou kunnen leggen dat jij vanaf hier al zaken loopt te

regelen [met af te persen...]

[verdachte 2] Moet ik nog langer.

[derde] Dan heb je echt een probleem hè. Dan hang je zeker.

[verdachte 2] Ja, ik dacht zo, kijk omdat hij eerst dat zegt en dan weer dit en dan weer zo en dan weer zo. En als hij nu weer dat zou gaan zeggen, ja, wat houdt er dan, wat blijft er dan recht staan? Als hij elke keer zo van de hak op de tak.

[derde] Nee dat ben ik met je eens maar op moment als jij...

[verdachte 2] Snap je?

[derde] ....Op moment als jij naar hem toe gaat en je gaat geld lopen eisen voor iets dan maak jij zijn zaak maak je weer sterker.

[verdachte 2] Owh oké, zo...

[derde] Kijk jouw, jouw, jouw kracht, jouw kracht, zoals ik het zie hè? Jouw kracht op dit moment is, is dat hij ontkent, omdat hij... Hij ontkent, waarom? Want hij weet als jullie bekennen dan is hij de lul!

[verdachte 2]: Ja

De rechtbank is van oordeel dat het hier over [verdachte 3] gaat, gelet op alle omstandigheden. Indien verdachte en medeverdachte [verdachte 2] bekennen, is medeverdachte [verdachte 3] ‘de lul’. Dit wordt beaamd door verdachte [verdachte 2]. Dit wijst erop dat medeverdachte [verdachte 3] inderdaad opdrachtgever is voor de brandstichting.

Al deze omstandigheden bij elkaar genomen maken dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en medeverdachte [verdachte 2] tegen betaling van een geldsom tezamen en in vereniging brand hebben gesticht (waarbij dat geldbedrag afkomstig is van de verzekeringspenningen die [verdachte 3] heeft en zou ontvangen).

Feit 4, 5 en 6

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Er is door respectievelijk [slachtoffer 1] (Albert Heijn, Dordrecht), [slachtoffer 2] (restaurant Lotus, Dordrecht) en [slachtoffer 3] (Domino’s Pizza, Dordrecht) aangifte gedaan van inbraak dan wel een poging tot inbraak. Bij alle inbraken zijn werktuigsporen en verfsporen veiliggesteld. Uit een vergelijkend werktuigsporenonderzoek uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI ) volgt dat deze sporen zijn gezet of zeer waarschijnlijk zijn gezet met (een van) de breekijzers die op een verblijfadres ([adres 2]) van verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van feit 4 geldt bovendien dat er camerabeelden zijn waarop is te zien dat de dader een persoon is met het (opvallende) postuur van verdachte. Bovendien gaat deze dader er vandoor op een scooter welke scooter sterke gelijkenis vertoont met de scooter die bij verdachte is aangetroffen en waarvan hij zegt dat die van hem is.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Zwijndrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfspand (gelegen aan de Scheepmakerij), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een deel van dat bedrijfspand, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat deel van dat bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en/of de in dat bedrijfspand aanwezige goederen en/of voor de belendende woningen en/of kantoren, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor zich in dat bedrijfspand en/of die belendende woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 19 mei 2013 te Dordrecht [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) getoond en/of voorgehouden aan en/of gericht op die [slachtoffer 4] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ga nou weg, anders ga ik je schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2013 tot en met 15 juni 2013 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5]),

- ( met gebalde vuisten) heeft geslagen en/of gestompt en/of

- knietjes heeft gegeven in het gezicht en/of tegen het oor, althans tegen het hoofd van die Rezaldy,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 05 juli 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (supermarkt Albert Heijn) gelegen aan het Admiraalsplein, weg te nemen (een)

goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 04 juli 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (restaurant Lotus) gelegen aan het P.A. de Kokplein, weg te nemen (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of

inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op of omstreeks 14 mei 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand weg te nemen (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of Domino's Pizza, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN EN LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VOOR ZWAAR LICHAMELIJK LETSELVOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS;

2.

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT;

3.

MISHANDELING;

4.

en 5. Telkens:

POGING TOT DIEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT OF HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

6.

POGING TOT DIEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT OF HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met medeverdachte [verdachte 2] tegen betaling een brand gesticht in een horecagelegenheid. Het bedrag dat verdachte en zijn medeverdachte reeds hebben ontvangen en waarop zij daarna nog menen recht te hebben, is afkomstig van de verzekeringspenningen die [verdachte 3] heeft dan wel zou ontvangen.

Daarnaast heeft verdachte een persoon bedreigd met een vuurwapen, een persoon mishandeld en heeft hij drie pogingen tot inbraak gedaan. Dit is een complex van feiten dat getuigt van een verdachte die geen enkel fatsoen lijkt te kennen en geen enkel middel onbenut lijkt te laten om in zijn behoeften te voorzien.

Bij de brandstichting bevonden zich nog personen in het pand. Bij een andere ontwikkeling van het vuur, had het deze personen hun leven kunnen kosten. Ook de belendende kantoren en woningen liepen gevaar.

Ook de bedreiging met een vuurwapen openlijk op een terras, met vele getuigen, is een feit dat veel onrust in de samenleving veroorzaakt.

De bewezenverklaarde mishandeling heeft verdachte nota bene aangedaan aan iemand uit zijn vriendengroep, uit onvrede omdat hij zelf geld had verloren in het casino.

Ten slotte heeft verdachte meerdere pogingen tot diefstal met braak (en in een enkel geval ook inklimming) gepleegd, wat veel schade veroorzaakt en waarmee hij de desbetreffende bedrijven ernstig heeft gedupeerd.

Uit al deze feiten komt naar voren dat geen feit verdachte te ver gaat, als het hem maar geld oplevert. Verdachte bevindt zich in een negatieve spiraal van strafbare feiten.

Daarom zal hem straf worden opgelegd. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2014 reeds eerder is veroordeeld voor vele en soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 30 september 2013. Volgens de reclassering is snel financieel gewin een motivatie van verdachte om dergelijke feiten te plegen. Voorts merkt de reclassering op: “Ten aanzien van de geweldsfeiten zien wij mogelijk een gebrekkige emotiehantering en vooral in combinatie met het nuttigen van alcohol een lage frustratie tolerantie.” De reclassering adviseert een gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting.

De rechtbank zal dit advies echter naast zich neerleggen gelet op het strafblad van verdachte en de ernst van de feiten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen terug te geven aan de rechthebbende, danwel te bewaren ten behoeve van de rechthebbende.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in deze vordering, nu van de zijde van verdachte geen verweer is gevoerd en dit de rechtbank juist voorkomt. Daarom zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 45, 47, 57, 63, 157, 285, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan dan wel de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1.00 PAK Sigaret MARLBORO G4329244, 1 pakje marlboro

2.00 PAK Sigaret CHESTERFIELD G4329246, 2 pakjes chesterfield

2.00 PAK Sigaret STUYVESANT G4329247, 2 pakjes stuyvesant

16.00 STK Shag LUCKY STRIKE l&M, Duin G4329251, 1 x L en M, 5 x lucky strike, 10 x Duin

9.00 STK Scheermes GILLETTE FUSION proglide G4329252

6.00 STK Randapparatuur USB STICK AH G4329253, USB Sticks Albert Heijn

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.J. Schiffers – Hanssen, voorzitter,

mr. K. Helmich en mr. A.B. Baumgarten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. den Besten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2014.

De jongste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Zwijndrecht tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht

in een bedrijfspand (gelegen aan de Scheepmakerij), immers heeft / hebben

verdachte en / of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

(open) vuur in aanraking gebracht met een deel van dat bedrijfspand, althans

met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat

deel van dat bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en/of de in dat bedrijfspand aanwezige

goederen en/of voor de belendende woningen en/of kantoren, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en / of levensgevaar voor zich in dat bedrijfspand en/of

die belendende woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor

een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 19 mei 2013 te Dordrecht M. [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)

getoond en/of voorgehouden aan en/of gericht op die [slachtoffer 4] en/of (daarbij)

deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ga nou weg, anders ga ik je schieten",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2013 tot en met 15 juni 2013 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5]), - (met gebalde vuisten) heeft geslagen en/of gestompt en/of - knietjes heeft gegeven in het gezicht en/of tegen het oor, althans tegen het hoofd van die Rezaldy,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 05 juli 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (supermarkt Albert Heijn) gelegen aan het Admiraalsplein, weg te nemen (een)

goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan

Albert Heijn en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 04 juli 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een bedrijfspand (restaurant Lotus) gelegen aan het P.A.

de Kokplein, weg te nemen (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand

te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en)

onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of

inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

6.

hij op of omstreeks 14 mei 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een bedrijfspand weg te nemen (een) goed(eren) en/of (een)

geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of

Domino's Pizza, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en

zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand te verschaffen en/of die/dat weg

te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door

middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij in of omstreeks 01 maart 2013 tot en met 02 maart 2013 te Vaassen, gemeente Epe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkelpand van

Albert Heijn gelegen aan de Houtzagersstraat, heeft weggenomen (een grote

hoeveelheid) rookwaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Albert Heijn en/of [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en / of inklimming, te weten het forceren van de twee

schuifdeuren in de voorpui en/of (vervolgens) het open breken van een rolluik.