Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7388

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
10-682370-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer gehonoreerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/682370-13

Datum uitspraak: 14 augustus 2014

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 augustus 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en ontslag van alle rechtsvervolging dienaangaande, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt;

- vrijspraak van het onder subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde;

- bewezenverklaring van het meest subsidiair tenlastegelegde en ontslag van alle rechtsvervolging dienaangaande, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Zwaar lichamelijk letsel.

Onder het primair, subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde is telkens verwoord dat door het handelen van de verdachte aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen, gelet op de medische informatie in combinatie met de door hem afgelegde verklaring, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is van oordeel dat het aan het slachtoffer toegebrachte letsel niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, nu het dossier onvoldoende informatie bevat over de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de onder primair en meest subsidiair tenlastegelegde strafverhogende omstandigheid dat door het door hem toegepaste geweld zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer is ontstaan. Voorts leidt dit ertoe dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.

HET PRIMAIR TENLASTEGELEGDE

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 april 2013 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, Korte Kalkhaven, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het

  • -

    slaan van die [slachtoffer 2] in het gezicht en

  • -

    met kracht met een tot vuist gebalde hand slaan in het gezicht van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] met zijn hoofd op de straatstenen terecht is gekomen,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] voornoemd ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Noodweer.

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer. Ook de officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte en dat de daartegen door hem gevoerde verdediging noodzakelijk en geboden was. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte door zijn handelwijze de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet heeft overschreden. Dit brengt mee dat het beroep op noodweer wordt gehonoreerd en de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het feit is derhalve niet strafbaar.

HET MEER SUBSIDIAIR TENLASTEGELEGDE

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde feit, gaat de rechtbank over tot beoordeling van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 april 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet heeft geslagen in het gezicht, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] voornoemd met zijn hoofd op de straatstenen is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Voorwaardelijk opzet.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich ten aanzien van het onder ‘meer subsidiair’ tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat de verdachte om die reden vrijgesproken dient te worden van dit feit.

De rechtbank overweegt het volgende. Algemeen bekend is dat een vuistslag in het gezicht een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Bovendien brengt een dergelijke slag buiten op straat naar algemene ervaringsregels mee dat de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer vervolgens (hard) met het hoofd op de straatstenen valt. Geoordeeld wordt dan ook dat de verdachte, door te handelen zoals hij heeft gehandeld, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat als gevolg van zijn handelen bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan, al dan niet als gevolg van een val met het hoofd op de straat. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Noodweer.

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer.

De rechtbank honoreert dit verweer waarbij de rechtbank verwijst naar eerdere overwegingen dienaangaande in dit vonnis. De verdachte wordt derhalve ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het feit is derhalve niet strafbaar.

HET MEEST SUBSIDIAIR TENLASTEGELEGDE

Nu het meer subsidiair tenlastegelegde feit niet kan leiden tot een veroordeling, gaat de rechtbank over tot beoordeling van het meest subsidiair tenlastegelegde feit.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 april 2013 te Dordrecht opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 1], met kracht met zijn tot vuist gebalde hand heeft geslagen in het gezicht, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] voornoemd met zijn hoofd op de straatstenen terecht is gekomen, tengevolge waarvan deze [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

meest subsidiair:

mishandeling.

Noodweer.

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer.

De rechtbank honoreert dit verweer en verwijst naar de overwegingen dienaangaande in dit vonnis. Dit brengt mee dat de verdachte ter zake van het meest subsidiair zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het feit is derhalve niet strafbaar.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het onder primair bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder ‘meer subsidiair’ tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het onder ‘meer subsidiair’ bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder ‘meest subsidiair’ tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het onder ‘meest subsidiair’ bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Nooijen, voorzitter,

en mrs. M.A.J.M. Jansen en G.M. Munnichs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.W.A. de Raad, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 augustus 2014.

De jongste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 14 augustus 2014.

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

primair.

hij op of omstreeks 28 april 2013

te Dordrecht, op of aan de openbare weg, Korte Kalkhaven, in elk geval op of

aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 1],

welk geweld bestond uit het

  • -

    meermalen, althans eenmaal slaan en/of stompen van die [slachtoffer 2] in het gezicht en/of

  • -

    meermalen, althans eenmaal slaan op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    met kracht duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of

  • -

    met kracht (met een tot vuist gebalde hand) slaan/stompen op de kin, althans in het gezicht van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] met zijn hoofd op de (straat)stenen terecht is gekomen,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere hersenkneuzingen en/of een bloeding in de ruimte tussen de hersenen en de schedel), althans enig lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1]

voornoemd ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair.

hij

op of omstreeks 28 april 2013

te Dordrecht

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(meerdere hersenkneuzingen en/of een bloeding in de ruimte tussen de hersenen

en de schedel), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 1] opzettelijk met kracht

te slaan/stompen op de kin, althans in het gezicht, tengevolge waarvan

[slachtoffer 1] voornoemd (met zijn hoofd) op de (straat)stenen terecht is gekomen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair.

hij

op of omstreeks 28 april 2013

te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet heeft geslagen/gestompt op de kin, althans in het gezicht,

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] voornoemd met zijn hoofd op de (straat)stenen is

gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair.

hij

op of omstreeks 28 april 2013

te Dordrecht

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]),

met kracht (met zijn tot vuist gebalde hand) heeft geslagen/gestompt op de

kin, althans in het gezicht,

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] voornoemd met zijn hoofd op de (straat)stenen

terecht is gekomen, tengevolge waarvan deze [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel

(meerdere hersenkneuzingen en/of een bloeding in de ruimte tussen de hersenen

en de schedel), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht