Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7370

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
10/960282-13 (UTL-I-2013052681)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering van opgeëiste persoon aan de Russische Federatie toelaatbaar ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek naar het plegen van fraude op het gebied van cybercrime.

Ook de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika - ten bevoeve van het strafrechterlijk onderzoek naar (onder andere) het eveneens plegen van fraude op het gebied van cybercrime - wordt toelaatbaar geacht (zie ECLI:NL:RBROT:2014:7371).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960282-13 (UTL-I-2013052681)

Datum uitspraak: 16 april 2014

Uitspraak

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten van de Russische Federatie tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

met de Russische nationaliteit,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Amsterdam, locatie Het Schouw,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

Procedure

De Russische autoriteiten hebben bij brief d.d. 15 oktober 2013 van het Landelijk Parket van de Russische Federatie aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek gedaan tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon. Bij het uitleveringsverzoek zijn stukken overgelegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie (verder: de Minister) heeft bij brief d.d. 22 oktober 2013 het uitleveringsverzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket gezonden met het verzoek dit uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft op 25 oktober 2013 schriftelijk gevorderd, welke vordering ter griffie is ontvangen, dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen onder verwijzing naar het tevens nog te behandelen uitleveringsverzoek van de Amerikaanse autoriteiten (UTL-I-20122031777; 10/960132-12) betreffende de opgeëiste persoon.

Op 2 april 2014 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:

- de officier van justitie, mr. D. Laheij;

- de opgeëiste persoon, bijgestaan door de tolk mevrouw M. Snoek, alsmede zijn raadsman, mr. B. Stapert, advocaat te Amsterdam.

Op dezelfde datum heeft de rechtbank – separaat – genoemd uitleveringsverzoek van de Amerikaanse autoriteiten betreffende de opgeëiste persoon behandeld.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht ten behoeve van een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten zoals uitgebreid omschreven in het de opgeëiste persoon betreffende ‘Besluit om als verdachte aan te merken’, d.d. 10 september 2013, opgesteld door senior rechercheur P.A. Gavrikov van het Hoofddepartement van de Federale Recherche van het Ministerie van Binnenlandse zaken van Rusland te Moskou.

Op 12 september 2013 is een als aanhoudingsbevel te beschouwen ‘Beschikking betreffende de maatregel van bewaring’ uitgevaardigd door A.V. Krivoruchko, rechter van de arrondissementsrechtbank Tverskoy in de stad Moskou, waarin wordt verwezen naar eerdergenoemd ‘Besluit om als verdachte aan te merken’.

Het gaat hierbij om de volgende verdenkingen ten aanzien van vijf met name genoemde benadeelden ([benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5]), telkens misdrijven als bedoeld in deel 4, artikel 159.6 van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie:

Het plegen van fraude op het gebied van cybercrime, te weten diefstal van goederen toebehorende aan anderen middels het binnendringen in het geautomatiseerde werk, het ontoegankelijk maken, middels het veranderen van de computergegevens door zich toegang te verschaffen tot het geautomatiseerd werk en inmenging in de werking van de opslagfaciliteiten, middels het verwerken en overdragen van de computer- en telecommunicatienetwerkdata, hetgeen in georganiseerd groepsverband werd gepleegd.

Van het genoemde ‘Besluit om als verdachte aan te merken’ is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

Toepasselijk verdrag

Het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb.1965, 9; hierna: EUV).

Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Russische nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich - behalve het reeds genoemde bevel tot aanhouding en het overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht in de vorm van het ‘Besluit om als verdachte aan te merken’ - een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon. De stukken voldoen daarom aan de eisen van genoegzaamheid gesteld in artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet (hierna: Uw).

Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Russisch recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste één jaar of van langere duur.

Naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht bij een overeenkomstige inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar, te weten als: computervredebreuk (artikel 138a en 138b Wetboek van Strafrecht, verder: Sr), het opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk (artikel 139c Sr), deelnemen aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr), gekwalificeerde diefstal (artikel 311 Sr), oplichting (artikel 326 Sr), het opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, veranderen/wissen/onbruikbaar of ontoegankelijk maken/daaraan andere gegevens toevoegen (artikel 350a Sr) en (gewoonte)witwassen (artikelen 420bis en 420ter Sr). Voor de feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste één jaar worden opgelegd.

Onschuld van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting niet gesteld onverwijld te kunnen aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd.

Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

Toepasselijke artikelen

De beslissing is gegrond op:

de artikelen 138ab, 139c, 140, 311, 326, 350a, 420bis en 420ter Sr;

de artikelen 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uw;

de artikelen 1, 2 en 12 van het EUV.

BESLISSING

De rechtbank:

VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan de Russische Federatie van

[opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek naar de vijf feiten als omschreven in het hiervoor genoemde aanhoudingsbevel en het onderliggende ‘Besluit om als verdachte aan te merken’.

Deze beslissing is genomen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

mrs. T.B. Trotman en E.M.M. Engbers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2014.