Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7171

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
C/10/356374 / HA ZA 10-1846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsbeoordeling. Hypothecaire zekerheidsstelling schijnconstructie om criminele herkomst van het geld te verhullen? Tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat het geld voor de onroerende zaak afkomstig is van drugshandel. Tegenbewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/356374 / HA ZA 10-1846

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. J.C.G. Vestjens,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats2],

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats3],

gedaagde,

advocaat mr. P.A.R. Dijkers,

in welke zaak is tussen gekomen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

interveniënt,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek.

Partijen zullen hierna de Ontvanger, de Staat en [gedaagde3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 april 2013 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor;

  • -

    de akte overlegging producties van de Ontvanger;

  • -

    de akte overlegging producties van de Staat;

  • -

    de akte van [gedaagde3];

  • -

    de conclusie na enquête van [gedaagde3];

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van de Ontvanger;

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van de Staat.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om de vraag of [gedaagde3] als hypotheekhouder moet dulden dat de Ontvanger en de Staat de op een woning van gedaagden onder 1 en 2 (hierna: [gedaagde] en [gedaagde2]) gelegde beslagen uitwinnen zonder dat hij ([gedaagde3]) uit de opbrengst daarvan wordt voldaan. De Ontvanger en de Staat beantwoorden deze vraag bevestigend. Zij stellen zich op het standpunt dat de tussen gedaagden gesloten overeenkomst van geldlening (van € 600.000,--) met daaraan verbonden een hypothecaire zekerheidsstelling een schijnconstructie is, waarmee geprobeerd is verdiensten van [gedaagde] uit de drugshandel de schijn van een legale herkomst te geven.

2.2.

Bij tussenvonnis van 16 mei 2012 heeft de rechtbank dit standpunt van de Ontvanger en de Staat voorshands als juist beoordeeld. [gedaagde3] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat het geld voor de onroerende zaak (al dan niet via tussenschakels) afkomstig is van de drugshandel van [gedaagde] en [gedaagde2].

2.3.

Vervolgens heeft de procedure enige tijd in het teken gestaan van de vraag of de rechtbank een rogatoire commissie naar Turkije moest doen uitgaan teneinde daar enkele getuigen te horen en of een van de door [gedaagde3] voorgebrachte getuigen (een officier van justitie) zich kon beroepen op een verschoningsrecht. Bij tussenvonnis van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank beslist dat het verzoek ter zake een rogatoire commissie zal worden afgewezen. Bij tussenvonnis van 24 april 2013 heeft de rechtbank het beroep van de officier van justitie op een verschoningsrecht afgewezen.

2.4.

[gedaagde3] heeft, naast zichzelf, als getuige doen horen [persoon1] (de officier van justitie) en [persoon2] (zwager van [gedaagde3]). Voorts hebben zowel [gedaagde3] als de Ontvanger en de Staat nadere stukken in het geding gebracht.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde3] niet in zijn tegenbewijsopdracht is geslaagd. Ter toelichting overweegt de rechtbank als volgt.

2.6.

Het hierboven genoemde voorlopige oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een aantal omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd: (1) het vaststaande feit dat [gedaagde] zoveel geld met zijn drugshandel heeft verdiend dat hij geen lening nodig had voor de aankoop van zijn woning, terwijl ook niet is gebleken van een andere reden om een dergelijke lening af te sluiten; (2) de uitdrukkelijke verklaring van [gedaagde2] tegenover de politie dat de woning “natuurlijk” is betaald met drugsgeld van [gedaagde], mede bezien in het licht van haar gedetailleerde verklaring over de wijze waarop de drugshandel werd uitgevoerd en (3) de omstandigheid dat niet is gebleken van voldoende inkomsten van [gedaagde3], hetzij uit zijn eigen onderneming, hetzij via zijn Turkse schoonfamilie, om een lening van € 600.000,-- te verstrekken. De (tegen)bewijs-verrichtingen van [gedaagde3] hebben uitsluitend betrekking op de als derde genoemde omstandigheid, meer concreet op de vermogenspositie van zijn schoonfamilie. De rechtbank stelt daarom voorop dat de andere twee omstandigheden onverminderd actueel zijn en (dus) nog steeds steun bieden aan het door de Ontvanger en de Staat ingenomen standpunt.

2.7.

Nu klaarblijkelijk ook volgens [gedaagde3] de inkomsten uit zijn eigen onderneming onvoldoende waren om een lening als hier aan de orde te verstrekken (de bewijsverrichtingen hebben op dat punt geen betrekking), komt het aan op de vraag of voldoende aannemelijk is dat hij via zijn Turkse schoonfamilie over de hier relevante bedragen kon beschikken. In dit verband heeft [gedaagde3] aangevoerd dat hij van zijn schoonvader [persoon3] een bedrag van USD 1,25 miljoen en van zijn zwager [persoon2] een bedrag van € 640.000,-- heeft geleend. In dat verband geldt het volgende.

2.8.

De Ontvanger en de Staat hebben aangevoerd, en [gedaagde3] heeft die stelling niet betwist, dat uit informatie van de Turkse fiscus is gebleken dat [persoon2] en [persoon3] niet over vermogens beschikken die nodig zijn om de hiervoor genoemde bedragen aan [gedaagde3] ter beschikking te stellen. Hieromtrent heeft [gedaagde3] als getuige het volgende verklaard:

“[persoon3] is mijn schoonvader. U vraagt mij hoe het kan dat hij zoveel geld beschikbaar had om mij USD 1,25 miljoen te lenen. Dat geld had hij gewoon. Hij had dit uit eigen middelen, onder andere uit een erfenis, maar ook omdat hij 50 jaar als ondernemer heeft gewerkt, in onroerend goed belegd en dat winstgevend heeft verkocht. U vraagt mij waarom al dat vermogen niet bij de Turkse fiscus bekend is. Dat is eigenlijk zijn ‘pakkie an’, daarmee bedoel ik dat het zijn verantwoordelijkheid is. In Turkije komt het eigenlijk heel veel voor dat dit soort vermogen niet wordt opgegeven.

[…]

U vraagt mij naar de lening van [persoon2] van € 640.000,--. [persoon2] is mijn zwager. Hij kwam aan zoveel geld via zijn vader, grotendeels althans. Dit was kennelijk een deel van het geld dat hij van zijn vader kreeg en hij was vrij daarmee te doen wat hij wilde, het was zijn eigen keuze om in mij te investeren. Ook voor deze lening geldt dat het in Turkije vaak voorkomt dat zoiets buiten de fiscus omgaat.”

De getuige [persoon2] heeft in dit verband het volgende verklaard:

“Al die keren had ik het geld dus contant beschikbaar. Voor mij is dat helemaal niet vreemd. Ik zit in de handel, afhankelijk van hoe de business gaat is het helemaal niet raar dat je dit soort bedragen hebt. Wij storten niet alles op de bank, een deel zetten wij ook om in goud of valuta en een deel bewaren we ook in een kluis op kantoor. Al deze bedragen waren gewoon afkomstig uit mijn normale business.

U houdt mij voor dat uit informatie van de Turkse fiscus blijkt dat volgens de fiscus ik niet over zulke grote bedragen zou kunnen beschikken. Dat kan kloppen. Het is in Turkije volstrekt normaal dat je een lagere dan de werkelijke waarde opgeeft, bijvoorbeeld van een verkochte woning of van een opdracht in onder aanneming. Dat doet iedereen zo. Als je de daadwerkelijke waarde zou opgeven, dan zou ik helemaal niets overhouden, want dan moet ik heel veel belasting betalen. Ik denk dat dat in Nederland op precies dezelfde manier gaat.”

Bij conclusie na enquête heeft [gedaagde3] voorts een rapport overgelegd van een Turkse overheidsinstelling, dat betrekking heeft op de “bestrijding van de zwarte economie”. Uit dit rapport blijkt, aldus [gedaagde3], dat in de bouwsector, waarin ook de [familie] werkzaam is, 62,2% tot de zogenaamde zwarte economie behoort.

2.9.

Bij tussenvonnis van 16 mei 2012 heeft de rechtbank overwogen dat het weliswaar zo kan zijn dat een deel van het vermogen van [persoon3] en [persoon2] niet bekend is bij de Turkse fiscus, maar dat niettemin van [gedaagde3] verwacht mag worden in enige mate te onderbouwen hoe het kan dat zijn schoonfamilie zeer forse bedragen als hier aan de orde beschikbaar heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde3] die minimale onderbouwing niet gegeven. Het enkele feit dat het in Turkije min of meer normaal is (volgens [gedaagde3] en zijn zwager) om substantiële delen van het vermogen niet bij de fiscus op te geven, wil immers nog niet zeggen dat men beschikt over de sommen geld waarover het hier gaat. [gedaagde3] heeft geen enkel concreet feit gesteld dat aannemelijk maakt dat [persoon3] en [persoon2] daadwerkelijk over contante bedragen van een dergelijke omvang konden beschikken. Te denken valt aan concrete gegevens over de ondernemingen van [persoon3] en [persoon2] en/of over hun bezittingen, zoals onroerende zaken. [gedaagde3] heeft daarover niets gesteld. Wat hij ter onderbouwing wel heeft overgelegd, heeft niet specifiek op de [familie] betrekking: een algemeen overheidsrapport over de zwarte economie in (onder andere) de bouwsector en een website van het (bouw)bedrijf van zijn broer [persoon4]. Dat [persoon2] voor dat bedrijf werkzaam is, zoals [gedaagde3] heeft gesteld, kan niet de conclusie dragen dat hij ([persoon2]) grote geldsommen beschikbaar heeft. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat niet alleen de Turkse fiscus onbekend is met aanzienlijke vermogens van de [familie], maar dat dit ook geldt voor de Turkse strafrechter. Bij vonnis van 7 mei 2012 heeft deze onder ander het volgende overwogen:

“dat is vastgesteld dat zijn zwager [persoon2] die zich enkel bezig houdt met de handel in sanitaire installaties, zowel geen werkvolume en vermogen heeft met een waarde van € 600.000,-- en ook niet in staat is om een bedrag als deze ter leen te geven;”

Uit de stellingen van [gedaagde3] moet worden afgeleid dat dit vonnis nog niet definitief is, omdat appel is ingesteld, maar dat laat onverlet dat in deze Turkse procedure geen steun kan worden gevonden voor de stelling dat de [familie] over de hier benodigde geldsommen beschikte.

2.10.

Hierbij komt dat de verklaringen van de getuigen, de stellingen die [gedaagde3] eerder in deze procedure heeft ingenomen en de nadien overgelegde stukken tal van vragen oproepen, hetgeen de aannemelijkheid van het standpunt van [gedaagde3] niet ten goede komt. De rechtbank wijst op het volgende.

2.11.

In de eerste plaats heeft [gedaagde3] in deze procedure gesteld dat het van zijn schoonvader [persoon3] ontvangen bedrag van USD 1,25 miljoen weliswaar is vorm gegeven als een lening, maar dat het in wezen ging om een “voorschot” op de in de toekomst ontvangen erfenis. Als getuige heeft hij hierover het volgende verklaard:

“U vraagt mij wat ik bedoel met mijn eerdere stelling in de procedure dat deze lening als het ware een voorschot op de erfenis was. Dat moet u zo zien: in 2003 was ik nog maar kort getrouwd, ongeveer 3.5 jaar, dus in het begin wilde mijn schoonvader het nog aankijken, afwachten of ik te vertrouwen was en niet alleen voor het geld was getrouwd. Daarom staat in het contract ook van alles over rente en terugbetalen. Later, toen ik te vertrouwen bleek, heeft hij gezegd dat het geld eigenlijk van ons was, wat ik er op mijn zeventigste nog mee zou moeten, en toen is het allemaal wat soepeler geworden. Uiteindelijk hoefden we dus geen rente te betalen. Ik heb nooit rente betaald, in het begin was het steeds uitstel, uitstel, later is dat afstel geworden. In het begin lukte het me niet om rente te betalen, omdat het toen met de onderneming nog niet zo goed ging. In feite is het officiële contract nooit uitgevoerd, mijn schoonvader heeft het meer als slag om de arm gehouden.”

Volgens het door de Ontvanger en de Staat overgelegde vonnis van de Turkse strafrechter van 7 mei 2012 heeft [persoon3] over het aan [gedaagde3] gegeven bedrag het volgende verklaard:

“Ik heb aan mijn schoonzoon [gedaagde3] een bedrag van USD 1.250.000 geleend, in verband met deze lening hadden wij een overeenkomst van geldlening opgemaakt. Een deel van dit geld hebben wij ontvangen, het gehele bedrag heb ik nog niet ontvangen, het resterende deel gaat hij mij nog betalen.”

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze twee verklaringen niet met elkaar te rijmen. Het had op de weg van [gedaagde3] gelegen om uiterlijk bij conclusie na enquête op de verklaring van [persoon3], zoals deze in het Turkse vonnis is opgenomen, te reageren en deze ongerijmdheid op te lossen.

2.12.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde3] concreet gesteld hoe de, volgens hem, van [persoon3] en [persoon2] verkregen gelden naar Nederland zijn gebracht. Hij heeft gesteld dat hij deze bedragen tijdens “regelmatige bezoeken” aan Turkije in contanten naar Nederland vervoerde, om op die manier transferprovisies van banken te besparen en ook vanwege een “gezond wantrouwen jegens bancaire instellingen”. Als getuige heeft [persoon2] in dit verband het volgende verklaard:

“Ik heb geld uitgeleend aan [gedaagde3]. Het ging om 640.000 euro. Ik heb dat in drie delen betaald. De eerste keer heb ik 140.000 euro persoonlijk in Turkije aan [gedaagde3] overhandigd. De tweede keer, in 2005 of 2006, heb ik 250.000 euro aan mijn vader gegeven en die heeft het via de bank aan [gedaagde3] overgemaakt.”

Ook deze stellingen en verklaringen zijn niet met elkaar te rijmen, en ook op dit punt geldt dat [gedaagde3] geen verklaring heeft gegeven voor deze ongerijmdheid.

2.13.

Ook de stellingen van [gedaagde3] over de terugbetaling van het door hem van [persoon2] geleende bedrag roepen vragen op. In dat verband is allereerst van belang dat [gedaagde3] zelf, als getuige, niets heeft verklaard over enigerlei terugbetaling. [persoon2] heeft als getuige verklaard dat [gedaagde3] alles in delen heeft terug betaald. Hij heeft niet verklaard op welke wijze die terugbetaling heeft plaats gevonden. Bij conclusie na enquête heeft [gedaagde3] vervolgens een verklaring van [persoon2] overgelegd die inhoudt dat het volledige uitgeleende bedrag is terugbetaald, ter onderbouwing waarvan bonnen van de Türkiye Bankasi zijn overgelegd. Die bonnen zijn ondertekend door een zekere [persoon5] en een zekere [persoon4] en bevatten de volgende opmerking:

“Dit heeft betrekking op de terugbetaling van het geleende bedrag door [persoon4] aan [persoon5].”

Dit is een dermate onduidelijke omschrijving, althans voor zover deze is bedoeld als onderbouwing van de gestelde terugbetaling door [gedaagde3] aan [persoon2], dat van [gedaagde3] verwacht had mogen worden concrete feiten te stellen om welke reden hieruit kan worden afgeleid dat de gestelde terugbetaling daadwerkelijk heeft plaats gevonden. Dat geldt te meer gelet op het zeer late moment in de procedure waarop hij met deze stelling is gekomen en op het tot dan toe geheel ontbreken van enig concreet aanknopingspunt voor de stelling dat de terugbetaling op deze indirecte wijze heeft plaats gevonden. De enkele toelichting die [gedaagde3] in zijn conclusie na enquête (in een voetnoot) heeft gegeven – namelijk dat “de bedragen” door zijn broer ([persoon4]) aan zijn vader ([persoon5]) “ter hand gesteld” zijn en vervolgens betaald aan [persoon2] – is in de hier geschetste omstandigheden onvoldoende. De gestelde feiten op dit punt kunnen daarom niet als vaststaand worden aangenomen.

2.14.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde3] geen twijfel heeft kunnen zaaien ten aanzien van het voorshands gegeven oordeel dat niet is gebleken van voldoende inkomsten om een lening van € 600.000,-- te verstrekken. De overige argumenten die in dit kader door de Ontvanger en de Staat zijn aangevoerd kunnen daarom buiten beschouwing blijven.

2.15.

Aldus is de stand van zaken dat, op basis van de verklaring van [gedaagde2] en de inkomsten uit drugshandel van [gedaagde], aangenomen moet worden dat de woning in wezen met drugsgeld is betaald, terwijl niet is komen vast te staan dat [gedaagde3] over financiële middelen beschikte om een lening van € 600.000,-- te verstrekken.

2.16.

Anders dan [gedaagde3] heeft aangevoerd, is deze conclusie niet gebaseerd op een “schakeltheorie” waarin reeds de eerste schakel niet zou opgaan. In de visie van [gedaagde3] luidt de theorie van de Ontvanger en de Staat aldus dat (1) [gedaagde] drugsgeld heeft weggesluisd naar Turkije, (2) dat [persoon2] en [persoon3] dit geld in Turkije hebben witgewassen en (3) dat zij dit geld vervolgens aan [gedaagde3] ter beschikking hebben gesteld. De onder 2.15 weergegeven conclusie is echter primair gebaseerd op de eigen stellige verklaring van [gedaagde2] en op de vaststelling dat [gedaagde] zoveel geld met zijn drugshandel heeft verdiend dat het op voorhand onaannemelijk is dat hij een hypothecaire geldlening nodig zou hebben voor de aankoop van een woning. Vervolgens is de vraag gerezen of aannemelijk is dat [gedaagde3] niettemin over een zodanig vermogen kon beschikken dat hij financieel in staat zou zijn geweest om een lening van € 600.000,-- te verstrekken. Het antwoord op die vraag luidt, na bewijsverrichtingen, ontkennend. Mogelijk heeft [gedaagde3] enige bedragen van zijn Turkse schoonfamilie ontvangen, maar niet aannemelijk is geworden dat dit zodanige bedragen zijn geweest dat [gedaagde3] de hier bedoelde lening kon verstrekken.

2.17.

Zoals al in het tussenvonnis van 16 mei 2012 overwogen, betekent het hiervoor weergegeven oordeel dat de hypothecaire lening heeft te gelden als een schijnconstructie. Dit betekent dat in werkelijkheid geen rechtshandeling (tot het aangaan van een geldlening met daaraan gekoppeld een hypotheekrecht) is verricht, zodat de Ontvanger en de Staat zich erop kunnen beroepen dat de rechtsverhouding tussen de partijen bij die schijnhandeling in werkelijkheid niet is gewijzigd. [gedaagde3] zal daarom hebben te dulden dat de Ontvanger en de Staat de woning te gelde maken zonder dat hij uit de executieopbrengst zal worden voldaan.

2.18.

Ten aanzien van de vordering van de Ontvanger geldt verder nog het volgende. De Ontvanger vordert zowel een veroordeling van [gedaagde3] tot het doen doorhalen van de desbetreffende hypothecaire inschrijving, op straffe van een dwangsom, als machtiging om die inschrijving zelf te doen doorhalen. Het komt de rechtbank voor dat het in het belang van [gedaagde3] kan zijn om zelf voor de doorhaling zorg te dragen. Daarmee kan hij immers kosten voorkomen, die ingevolge artikel 3:299 lid 3 BW voor zijn rekening komen. Anderzijds heeft de Ontvanger belang bij een stok achter de deur in de vorm van de gevraagde machtiging. Beide vorderingen zullen daarom worden toegewezen. Gegeven die machtiging is een dwangsom echter niet nodig. Aan de verplichting tot het doen doorhalen van de inschrijving zal een termijn van veertien dagen worden verbonden, na afloop waarvan de Ontvanger gebruik kan maken van de machtiging.

2.19.

Ten aanzien van de vordering van de Staat geldt het volgende. De primaire vordering onder I valt uiteen in drie alternatieven, waaronder de veroordeling van gedaagden tot het dulden van de uitwinning van de woning. Die vordering zal worden toegewezen, zodat de twee alternatieven geen bespreking behoeven. Voorts vordert de Staat veroordeling van gedaagden tot het geven van een verklaring van waardeloosheid van de hypothecaire inschrijving en, voor zover zij aan die veroordeling niet tijdig gevolg geven, die inschrijving waardeloos te verklaren met machtiging van de bewaarder van het register tot doorhaling van de inschrijving. Deze vorderingen zijn toewijsbaar. De vordering tot waardeloosverklaring komt in feite neer op een verklaring voor recht en zal om die reden niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Aan de verplichting om de desbetreffende verklaring te geven zal, zoals gevorderd, een termijn van veertien dagen worden verbonden.

2.20.

Gedaagden zullen in de proceskosten worden veroordeeld. Voor de begroting van het advocaatsalaris wordt, gelet op het werkelijke belang van de zaak, tarief VII toegepast

(€ 2.580,-- per punt). Voor de Ontvanger komen de volgende proceshandelingen bij de begroting in aanmerking:

  • -

    dagvaarding (1)

  • -

    conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst (0)

  • -

    conclusie van repliek (1)

  • -

    enquêtes (1)

  • -

    akte uitlaten beroep verschoningsrecht (0)

  • -

    akte overlegging producties (0,5)

  • -

    antwoordconclusie na enquête (0,5).

Voor de Staat komen de volgende proceshandelingen bij de begroting in aanmerking:

  • -

    incidentele conclusie tot tussenkomst (1)

  • -

    conclusie van repliek (1)

  • -

    akte uitlating producties (0,5)

  • -

    enquêtes (1)

  • -

    akte uitlaten beroep verschoningsrecht (0,5)

  • -

    akte overlegging producties (0,5)

  • -

    antwoordconclusie na enquête (0,5).

3 De beslissing

De rechtbank

jegens de Ontvanger

3.1.

veroordeelt [gedaagde3] te dulden dat de Ontvanger de op 20 november 2008 en 2 november 2009 gelegde executoriale beslagen op de onroerende zaak aan de [adres] vervolgt en deze zaak uitwint voor de belastingschulden van [gedaagde], zonder dat [gedaagde3] daarbij uit de executieopbrengst wordt voldaan;

3.2.

veroordeelt [gedaagde3] de hypothecaire inschrijving op de onroerende zaak d.d. 30 oktober 2006 met registratiekenmerk “[kenmerk]” binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te doen doorhalen;

3.3.

voor zover [gedaagde3] niet tijdig gevolg geeft aan de onder 3.2 genoemde veroordeling, machtigt de Ontvanger de hypothecaire inschrijving op de onroerende zaak d.d. 30 oktober 2006 met registratiekenmerk “[kenmerk]” te doen doorhalen;

3.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, tot op heden begroot op

€ 263,-- aan griffierecht, € 51,-- aan explootkosten en € 10.320,-- aan advocaatsalaris;

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde;

jegens de Staat

3.7.

veroordeelt [gedaagde3] te dulden dat de Staat, zodra de door hem op 30 oktober 2007 en/of 3 juni 2010 op de onroerende zaak aan de [adres] gelegde conservatoire beslagen executoriaal zijn geworden, die onroerende zaak uitwint voor een aan [gedaagde] opgelegde ontnemingsmaatregel, zonder dat [gedaagde3] daarbij uit de executieopbrengst wordt voldaan;

3.8.

veroordeelt gedaagden om aan de Staat binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een verklaring van waardeloosheid te geven welke ex artikel 3:28 en 3:29 BW in de openbare registers zal kunnen worden ingeschreven;

3.9.

voor zover gedaagden niet (tijdig) meewerken aan de onder 3.8 genoemde afgifte van een verklaring van waardeloosheid, verklaart de inschrijving van de akte van hypotheekvestiging, verleden ten overstaan van kandidaat-notaris [notaris] als waarnemer van notaris [notaris2] te Den Haag en ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers te Apeldoorn op 30 oktober 2006 in register Onroerende Zaken [kenmerk2], waardeloos met machtiging aan de bewaarder van het register tot doorhaling daarvan;

3.10.

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, tot op heden begroot op € 263,-- aan griffierecht en op € 12.900,-- aan advocaatsalaris;

3.11.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van het bepaalde onder 3.9;

3.12.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.

1980/1729