Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7137

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
C/10/437472 / HA ZA 13-1143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair bestuurder. Geen valse/voorgewende reden. Gevolgencriterium. Ontslag kennelijk onredelijk vanwege handelen in strijd met normen van goed werkgeverschap. Schadevergoeding. Kerstgratificatie. Bonus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0737
AR 2014/612

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/437472 / HA ZA 13-1143

Vonnis van 13 augustus 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.L. Sintemaartensdijk te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ATP ELECTRONICS EUROPE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.P. van Straten te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ATP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 maart 2014;

  • -

    de brief van mr. Sintemaartensdijk van 13 mei 2014 met de producties 39 tot en met 54;

  • -

    de brief van mr. Van Straten van 14 mei 2014 met de producties 16 en 17;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2014 en de daaraan gehechte spreekaantekeningen van mr. Sintemaartensdijk en een e-mailbericht van 13 januari 2012 met bijlage;

  • -

    de brief van mr. Sintemaartensdijk van 17 juli 2014 met opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Van Straten van 25 juli 2014 met een reactie op de brief van mr. Sintemaartensdijk en een opmerking over het proces-verbaal.

1.2.

Bij faxberichten van 24 juni 2014 hebben de advocaten van partijen ieder voor zich te kennen gegeven dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een minnelijke regeling. De rechtbank heeft daarop de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

ATP fabriceert en verkoopt memoryproducten (elektronische componenten). ATP is de Europese vestiging van het ATP concern, dat haar hoofdkantoor heeft in Taiwan.

2.2.

[eiser], geboren op [geboortedatum], is van 1 september 2002 tot 1 januari 2007 als sales consultant werkzaam geweest voor ATP Electronics Inc. dat is gevestigd in de Verenigde Staten. Op 1 januari 2007 is [eiser] benoemd tot statutair bestuurder van ATP. Het maandsalaris van [eiser] bedroeg laatstelijk € 7.158 bruto inclusief 8% vakantietoeslag.

2.3.

Naast [eiser] waren bij ATP zes werknemers in dienst (vier verkopers, een engineer en één administratief medewerkster). Tot 1 oktober 2011 was de vrouw van [eiser] administratief medewerkster bij ATP.

2.4.

De heer [persoon1], president van het ATP-concern, heeft in juni 2011 een bezoek gebracht aan ATP. Het e-mailbericht van [persoon1] aan de medewerkers van ATP van 12 augustus 2011 luidt, voor zover relevant, als volgt:

“I propose we will have conference call at 5:30pm monday your time. (…)

The most important thing I want to share with all of you is the team play spirit.

I did not see any progress in the EU office after my visit on June 9-10th.

None of action items I requested in the meeting have been executed except the office rearrangement. I will not let this kind of negative attitude exist in ATP family. It has to be totally changed! The meeting will take about 30 minutes.

I expect all of you join the meeting.“

2.5.

[eiser] heeft zich op 15 augustus 2011, de dag van de ‘conference call’, ziek gemeld.

In het intake en behandelplan (productie 8 bij dagvaarding) staat onder meer het volgende vermeld:

“De klachten die de heer [eiser] rapporteert zijn stressgerelateerd. (…) De klachten zijn met name werkgerelateerd. Vanuit een hoge ambitie en prestatiegedrevenheid, perfectionisme en grote behoefte aan controle is er een langdurige en chronische disbalans ontstaan tussen stress en ontspanning.”

In het rapport ‘probleemanalyse en advies’ van de bedrijfsarts van 5 september 2011 staat onder meer vermeld:

“De heer [eiser] is arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte. Er is sprake van duidelijke klachten en van beperkingen in zijn persoonlijk functioneren en energetische beperkingen. De huidige klachten en beperkingen hebben onder andere een relatie met het werk en de werkomstandigheden. (…)”

2.6.

Op 7 november 2011 is de heer [persoon2] benoemd tot medebestuurder van ATP.

2.7.

Op 19 maart 2012 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser], mr. [persoon3] en een door ATP ingeschakelde re-integratie adviseur de heer [persoon4]. In het gespreksverslag staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“EA (de rechtbank leest [persoon4]) stated that ATP Europe BV will fully support the re-integration process of NH (de rechtbank leest [eiser]). As soon as Arboned/365 gives the permission to re-integrate, a meeting will be planned (with Arboned/365, NH en EA) to start making re-integration plan.”

2.8.

De ‘periodieke evaluatie’ van de bedrijfsarts van 29 maart 2012 luidt onder meer als volgt:

“Mr. [eiser] is able to work as of 16-04-2012 for 2 hours a day, as of 23- 04-2012 for 4 hours a day, as of 30-04-2012 for 6 hours a day and as of 07-05-2012 for 8 hours a day in his own work.”

2.9.

[eiser] is op zondag 15 april 2012 (de dag voor de beoogde werkhervatting) in het kantoorgebouw van ATP geweest. Op 16 april 2012 is [eiser] zonder voorafgaand bericht niet op kantoor verschenen. Op 23 april 2012 is [eiser] door zijn toenmalige advocaat ziek gemeld bij ATP. De ‘periodieke evaluatie’ van de bedrijfsarts van 4 mei 2012 luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Er is sprake van een arbeidsconflict. Er is geen sprake van ziekte/gebrek. Het advies is een gezamenlijk gesprek te hebben binnen 2 weken om het arbeidsconflict gezamenlijk op te lossen (zie advies). (…)

Het advies is om binnen 2 weken een gesprek met elkaar te hebben om de knelpunten m.b.t. de reintegratie in kaart te brengen en deze gezamenlijk op te lossen. Het advies is hierbij een onafhankelijke mediator in te schakelen.”

2.10.

In juni 2012 hebben twee gesprekken tussen [eiser] en ATP plaatsgevonden in het bijzijn van een mediator. Op 19 juni 2012 heeft [eiser] zijn werkzaamheden hervat. Op diezelfde dag heeft ATP aan [eiser] een uitnodiging overhandigd voor de algemene vergadering van aandeelhouders van ATP (hierna: de ava) op 19 juli 2012 met als agendapunt zijn ontslag. Bij de uitnodiging voor de ava is een bijlage gevoegd met de volgende inhoud:

“Motivation.

Serious written and oral complains about misconduct to employees of ATP.

Not following company strategy in spite of several requests from head office.

Not wanting to co-operate with managing director Mr. [persoon2].

Not meeting the expectations as estimated when it comes to turnover and profit.

Not willing to comply or contribute to Ri-plan.

Not trusting the ATP organization as a whole.

Frustrating several meetings.

Your management style does not suit anymore within the ATP organization and you have not proofed that you are willing, able or can change.

Somehow gained access to information such as documents and mails that were not addressed to you but were presented by you and to benefit you.

On several occasions you have not proven to be trustworthy. More over you have accused several people that were working directly for ATP, that were lying and dishonest.” 2.11. [eiser] is vanaf 19 juni 2012 vrijgesteld van het verrichtten van werkzaamheden. Op 19 juli 2012 is [eiser] door de ava ontslagen als statutair bestuurder van ATP. De arbeidsovereenkomst is door ATP met inachtneming van de opzegtermijn opgezegd tegen 30 september 2012.

2.12.

[eiser] heeft met ingang van 1 oktober 2012 een WW-uitkering toegekend gekregen van € 2.939,73 bruto per maand. [eiser] is per 1 oktober 2012 in dienst getreden als sales consultant bij [bedrijf1] (hierna: [bedrijf1]) voor twintig uur per week tegen een salaris van € 1.759,29 bruto per maand inclusief 8 % vakantietoeslag. [bedrijf1] is op 3 januari 2012 opgericht en is gevestigd op het huisadres van [eiser]. [bedrijf1] richt zich op handel en distributie van elektronica en computercomponenten. De vrouw van [eiser] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf1].

3 Het geschil

3.1.

De bij akte en ter comparitie gewijzigde eis luidt als volgt. [eiser] vordert veroordeling van ATP tot betaling van:

I een schadevergoeding op grond van artikel 7:681 BW van € 734.781,52 bruto,

€ 64.200 netto en € 10.000 netto;

II een bedrag van € 387 bruto aan kerstgratificatie 2011;

V het resterende bonusbedrag over 2011 en (pro rata) over 2012,

alles vermeerderd met rente en kosten,

alsmede veroordeling van ATP tot overlegging van:

III-IV bescheiden waaruit blijkt welk bedrag over 2011 en 2012 door het ATP concern aan ATP is toebedeeld terzake van bonus, alsmede bescheiden waaruit de verdeling van dat bedrag over het personeel van ATP blijkt, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen ten grondslag. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door ATP is kennelijk onredelijk omdat sprake is van een voorgewende reden (artikel 7:681 lid 2 sub a BW). Voorts beroept [eiser] zich op het gevolgencriterium (artikel 7:681 lid 2 sub b BW).

3.3.

ATP concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering, althans afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. ATP heeft voornoemde stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beantwoording van de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk is geldt als uitgangspunt dat eerst aan de hand van alle omstandigheden ten tijde van het ontslag, tezamen en in onderling verband beschouwd, moet worden vastgesteld dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, vóórdat kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag welke vergoeding eventueel aan [eiser] toegekend moet worden. Daarbij is het enkele feit dat geen of een geringe voorziening voor [eiser] is getroffen, niet voldoende om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Ook dan hangt het af van alle vast te stellen omstandigheden of voldaan is aan de in de wet neergelegde maatstaf die in de kern inhoudt dat het ontslag gegeven is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap (HR 27 november 2009 ECLI:NL:HR:2009:BJ6596 Van der Grijp/Stam).

4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van kennelijke onredelijkheid van het ontslag stelt de rechtbank voorop dat de positie van [eiser] als statutair directeur niet vergelijkbaar is met die van een ‘gewone’ werknemer. De persoonlijke kwaliteiten van een directeur vormen in belangrijke mate de basis voor de ontwikkeling en de winstgevendheid van het bedrijf. Wanneer resultaten tegenvallen of wanneer de directeur onvoldoende draagvlak bij de medewerkers heeft, kunnen de aandeelhouders het vertrouwen in de directeur verliezen, ook wanneer de directeur van een en ander geen verwijt kan worden gemaakt. Een gebrek aan vertrouwen zal veelal leiden tot het vertrek van de directeur. Met dit afbreukrisico wordt in het algemeen rekening gehouden bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden zoals een hoge beloning, een bonus, een langere opzegtermijn etc. (Gerechtshof Leeuwarden 24 januari 2012 ECLI:NL:GHLEE:2012:BV1944).

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat ATP de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd onder opgave van een valse/voorgewende reden omdat de door ATP genoemde redenen niet bestonden, althans deze werden medegedeeld in plaats van de werkelijke reden, hoogstwaarschijnlijk de arbeidsongeschiktheid van [eiser]. Dit is niet vast komen te staan. ATP heeft aangevoerd dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd vanwege de in de bijlage bij de uitnodiging voor de ava (en de toelichting daarop) genoemde redenen, te weten – kort gezegd – dat ATP geen vertrouwen meer had in [eiser] vanwege zijn gedrag voorafgaand aan en tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, almede tijdens zijn re-integratie. Dit is een bestaande reden. Niet gebleken is dat dit niet de werkelijke ontslaggrond is. Het beroep van [eiser] op

artikel 7:681 lid 2 sub a BW slaagt dus niet.

4.4.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of het ontslag ingevolge het ‘gevolgencriterium’ kennelijk onredelijk is. [eiser] heeft gesteld dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van ATP bij de opzegging. [eiser] heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende gesteld. ATP heeft [eiser] niet de kans gegeven om na een langdurige periode van werkgerelateerde arbeidsongeschiktheid te re-integreren. ATP kan een fors verwijt worden gemaakt van de werkgerelateerde klachten van [eiser] en dat heeft zijn werkhervatting vertraagd. Op de dag dat afgesproken was dat [eiser] zijn werkzaamheden zou hervatten, heeft ATP hem binnen anderhalf uur ontslag aangezegd op basis van niet onderbouwde en onterechte gronden. Op deze gronden is uiteindelijk de arbeidsovereenkomst opgezegd zonder toekenning van een vergoeding. De in de ontslaggronden genoemde kritiekpunten op het functioneren van [eiser] kunnen alleen betrekking hebben op de periode voor ziekmelding en zijn niet eerder met [eiser] besproken. Vanaf het moment van ziekmelding heeft ATP niet als goed werkgever gehandeld. Tot zover de stellingen van [eiser].

4.5.

ATP heeft aangevoerd dat door het provocerende, intimiderende en wantrouwende gedrag van [eiser] van ATP niet kon worden verwacht [eiser] nog langer als bestuurder werkzaam te laten zijn. Nu het vertrouwen was verdwenen, had ATP zeer groot belang bij opzegging. De redenen voor ontslag heeft [eiser] aan zichzelf te wijten en liggen in zijn risicosfeer. De arbeidsongeschiktheid was weliswaar deels werkgerelateerd maar dat ATP daar een verwijt van kan worden gemaakt blijkt nergens uit. ATP heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld te re-integreren. Het was juist [eiser] die de re-integratie tegenwerkte. [eiser] heeft zelf besloten twee dagen later te beginnen met re-integreren, was het niet eens met de door [persoon1] voorgestelde re-integratiewijze en stelde zich intimiderend en vijandig op jegens collega’s. Op 23 april 2012 heeft [eiser] zich ziek gemeld terwijl er geen sprake was van ziekte. Toen [eiser] na mediation zijn werk hervatte was hij uit op escalatie. [eiser] heeft gedurende vijfeneenhalve maand loon doorbetaald gekregen zonder daarvoor werkzaamheden te verrichten zodat hij zich vanuit een bestaand dienstverband volledig kon concentreren op een nieuwe baan. Tot zover de stellingen van ATP.

4.6.

Zoals blijkt uit de door ATP in de bijlage bij de uitnodiging voor de ava genoemde redenen (zie onder 2.10) heeft ATP het door haar in deze procedure aangevoerde ‘provocerende en intimiderende gedrag’ van [eiser] op 16 juni 2012 niet ten grondslag gelegd aan het ontslag. Om die reden zal de rechtbank dit gestelde gedrag buiten beschouwing laten.

Arbeidsongeschiktheid verwijtbaar aan ATP?

4.7.

De stelling dat ATP een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] is, na gemotiveerde betwisting daarvan, onvoldoende onderbouwd gehandhaafd. De rechtbank zal deze stelling dan ook passeren. [eiser] heeft gesteld dat hij erg veel overwerk heeft verricht, dat werkweken van zestig uur gebruikelijk waren, dat hij er feitelijk alleen voor stond omdat zijn medemanagementteamleden zich in Taiwan respectievelijk de Verenigde Staten bevonden en dat dit ten koste is gegaan van zijn gezondheid. Los van de vraag of ATP – gegeven het feit dat [eiser] zelf bestuurder was van ATP – invloed had op deze omstandigheden is onvoldoende gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] door deze omstandigheden is ontstaan. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd dat de klachten en beperkingen van [eiser] onder andere een relatie met het werk en de werkomstandigheden hebben. Uit het rapport komt echter ook een persoonlijke component naar voren.

Re-integratie inspanningen ATP

4.8.

ATP heeft zich voldoende ingespannen voor de re-integratie van [eiser]. [eiser] heeft gesteld dat herstel is uitgebleven omdat ATP [eiser] heeft uitgesloten van communicatie en informatie over ATP. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie (september-december 2011) blijkt echter dat ATP [eiser] wel op de hoogte hield. ATP heeft echter niet voldaan aan de verzoeken van [eiser] om hem per e-mail van alles op de hoogte te houden en rapportages (dagelijkse ‘shipping reports’, wekelijkse rapportages van [persoon2] – de vervanger van [eiser] - aan [persoon1] en wekelijkse rapportages van de verkopers) aan hem toe te sturen. ATP heeft aangevoerd dit mede op advies van de arbodienst te hebben gedaan, hetgeen wordt ondersteund door de ‘periodieke evaluatie’ van 20 december 2011 waarin de bedrijfsarts vermeldt dat [eiser] het advies heeft gekregen ‘tijdelijk het werk even helemaal los te laten’. Het ter comparitie door [eiser] overgelegde advies van de heer [persoon5] van ‘365 Zin’ van 2 december 2011, waarin overigens ook wordt onderschreven dat afstand nemen van de dagelijkse werksituatie belangrijk was voor het herstel van [eiser], doet daar niet aan af. [eiser] en ATP dienden een balans te vinden in de informatievoorziening. Niet gebleken is dat ATP zich daarvoor onvoldoende heeft ingespannen of dat daardoor het herstel van [eiser] is vertraagd.

4.9.

Voorts blijkt uit de door [eiser] in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie van april 2012 (tussen [persoon1], [eiser] en [persoon2]) dat ATP de re-integratie wilde vorm geven conform het advies van de bedrijfsarts en dat [eiser] het daar niet mee eens was. Van het zonder bericht niet verschijnen op 16 april 2012 en het zich op 23 april 2012 ziekmelden zonder dat sprake was van arbeidsongeschiktheid valt aan [eiser] een verwijt te maken.

ontslaggronden

4.10.

De in de bijlage bij de uitnodiging voor de ava genoemde ontslagredenen kunnen worden onderverdeeld in (i) redenen die (indirect) te maken hebben met [eiser]’s arbeidsongeschiktheid en re-integratie en (ii) redenen die te maken hebben met het functioneren van [eiser] als statutair bestuurder.

4.11.

Wat betreft de eerste categorie redenen heeft ATP voldoende aannemelijk gemaakt dat de opzeggingsgrond is gelegen in het feit dat zij het vertrouwen in [eiser] had verloren doordat [eiser] weigerde samen te werken met zijn plaatsvervanger [persoon2], geringe bereidheid toonde mee te werken aan het re-integratieplan en zich – gedurende zijn afwezigheid – toegang had verschaft tot bedrijfsinformatie die niet voor hem bestemd was. Mede gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen is het belang van ATP bij opzegging van de arbeidsovereenkomst dus voldoende gebleken.

4.12.

Wat betreft de tweede categorie redenen is – met uitzondering van de bedrijfsresultaten en het niet volgen van de concernstrategie (zie onder 2.4) – niet gebleken dat [eiser] voor zijn ziekmelding is aangesproken op klachten van werknemers, zijn stijl van leidinggeven of het frustreren van vergaderingen. De rechtbank is van oordeel dat ATP hiervan een verwijt kan worden gemaakt en dat ATP op dat punt heeft gehandeld in strijd met de normen van goed werkgeverschap.

4.13.

Voorts heeft ATP niet duidelijk gemaakt waarom zij [eiser] nu juist op 19 juni 2012, de eerste dag dat [eiser], na een eerder mislukte poging tot re-integratie en na de mediation, zijn werkzaamheden hervatte, binnen anderhalf uur ontslag heeft aangezegd. ATP had immers – zoals zij ter comparitie heeft beaamd – de ontslagbrief op 19 juni 2012 al in concept klaar liggen zodat geen sprake is geweest van een reële kans op re-integratie na de tussen ATP en [eiser] gevoerde mediationgesprekken. Ook op dit punt heeft ATP gehandeld in strijd met de normen van goed werkgeverschap.

4.14.

De rechtbank acht de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] kennelijk onredelijk vanwege het feit dat ATP daarbij – zoals hierboven onder 4.12 en 4.13 is overwogen – heeft gehandeld in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Aldus bestaat er grond voor toekenning van schadevergoeding aan [eiser] ten laste van ATP.

4.15.

Ingevolge het arrest Rutten/Breed (Hoge Raad 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4472 rov 3.5.4-3.5.6) dient uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW te zijn dat deze in zoverre een bijzonder karakter heeft dat deze vooral ertoe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening (of, zoals het door de wetgever ook wel is genoemd: ‘pleister op de wonde’, Kamerstukken II 1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Daarmee strookt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft op grond van alle omstandigheden de hoogte van de vergoeding te bepalen. Artikel 6:97 BW geeft als algemene regel dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is, en laat de rechter de vrijheid de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Hij moet de vergoeding dan ook relateren aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en aan de daaruit voor de werknemer voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen. Dit laat overigens onverlet dat artikel 6:97 BW de rechter vrij laat de hoogte van de vergoeding uiteindelijk naar billijkheid op een bedrag te begroten.

4.16.

De rechtbank dient derhalve de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor [eiser] te beoordelen. Het is duidelijk dat de financiële gevolgen van het ontslag voor [eiser] ernstig zijn, beoordeeld naar het tijdstip van het ontslag. Daar staat tegenover dat ATP groot belang had bij het ontslag, omdat van haar niet kon worden gevergd dat zij haar – in aantal personeelsleden relatief kleine – onderneming ook in de toekomst zou laten leiden door een directeur in wie zij geen vertrouwen meer had, met alle gevolgen van dien voor de bedrijfsvoering. En voorts staat daar tegenover dat [eiser] gedurende vijfeneenhalve maand is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

4.17.

Als gezegd dienen de financiële gevolgen van het ontslag te worden beoordeeld naar het tijdstip van ontslag. Voor wat betreft de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt kunnen na de opzegging ontstane omstandigheden echter een aanwijzing zijn voor wat op het beoordelingsmoment kon worden verwacht. De rechtbank heeft dan ook meegewogen dat [eiser] vanaf 1 oktober 2012 gedurende twintig uur per week werkzaam is bij [bedrijf1].

4.18.

Door [eiser] is een overzicht verschaft van zijn inkomensschade. Dat [eiser] niet meer aan het werk zal komen en hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd werkloos zal blijven is onvoldoende vast komen te staan. Op basis van de door [eiser] aangedragen uitgangspunten kan de schade dan ook niet bepaald worden.

4.19.

Alles afwegend en hetgeen hiervoor onder 4.12 en 4.13 is overwogen in aanmerking nemend acht de rechtbank een schadevergoeding van € 45.000 bruto in dit geval redelijk. Dat bedrag is in overeenstemming met de aard en ernst van de het tekortschieten van ATP in haar verplichting om te handelen als goed werkgever, met name nu niet is gebleken dat [eiser] voor zijn ziekmelding op 15 augustus 2012 uitdrukkelijk door ATP is aangesproken op zijn functioneren en daarbij te kennen is gegeven dat [eiser] rekening moest houden met ontslag indien dit niet zou verbeteren.

4.20.

Voormeld bedrag aan schadevergoeding biedt [eiser] tijd en gelegenheid om, al dan niet na bijscholing, werk te vinden en om zich met zijn gezin in te stellen op een andere financiële situatie zonder direct geconfronteerd te worden met een substantiële inkomensdaling. Verder wordt verdisconteerd dat de arbeidsovereenkomst, ook al is – rekening houdend met de tijd bij ATP in de Verenigde Staten – sprake van een arbeidsverleden van tien jaar, uit haar aard opzegbaar is en dus in beginsel geen zekerheid biedt dat deze tot de pensioengerechtigde leeftijd zal worden voortgezet.

4.21.

Dit betekent dat de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 45.000 bruto wordt toegewezen.

4.22.

[eiser] heeft een bedrag van € 64.200 netto gevorderd aan materiële schade omdat hij door het ontslag geen gebruik meer kan maken van een door de belastingdienst aan hem toegekend fiscaal voordeel (de zogeheten 30% regeling). Met recht heeft ATP hiertegen aangevoerd dat het gemis van dit fiscale voordeel geen gevolg is van de kennelijke onredelijkheid maar van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ‘an sich’. Het verval van dit fiscaal voordeel kan niet aan ATP worden tegengeworpen. Daarom zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

4.23.

Ook de door [eiser] gevorderde immateriële schade wordt afgewezen. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van het onder 4.12 en 4.13 genoemde handelen van ATP sprake is van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon die recht geeft op vergoeding van (immateriële) schade (Gerechtshof

’s-Hertogenbosch 18 oktober 2011 ECLI:NL:GHSHE:2011:BU2031 Rutten/Breed II). De door [eiser] overgelegde brief van een psycholoog, die overigens eerst op 29 mei 2013 door [eiser] is geraadpleegd, geeft onvoldoende houvast voor een dergelijk vergaande conclusie.

kerstgratificatie

4.24.

[eiser] stelt dat er jaarlijks een kerstgratificatie werd uitgekeerd en vordert een bedrag van € 387 bruto aan kerstgratificatie over het jaar 2011. Ter onderbouwing heeft [eiser] een e-mailbericht overgelegd van de heer [persoon1] van 23 december 2009, waaruit blijkt dat in dat jaar aan [eiser] 500 USD (€ 387) is uitgekeerd voor een kerstdiner. ATP heeft hiertegen aangevoerd dat [eiser] de kerstgratificatie zelf heeft geïntroduceerd. Iedere onderneming binnen het concern kreeg jaarlijks een bedrag voor kerstdiner en kerstgeschenken. [eiser] verdeelde dit bedrag onder de werknemers van ATP maar dit was niet de bedoeling vanuit het hoofdkantoor in Taiwan.

4.25.

Uit voormeld e-mailbericht van [persoon1] blijkt de door ATP gestelde bedoeling niet. Nu vast staat dat er jaarlijks een kerstgratificatie door ATP werd uitgekeerd doet het door ATP gevoerde verweer niet af aan de verschuldigdheid van de kerstgratificatie over 2011. Het gevorderde bedrag aan kerstgratificatie zal daarom worden toegewezen.

bonus

4.26.

[eiser] vordert bescheiden waaruit het in 2011 en 2012 aan ATP toebedeelde bonusbedrag en de verdeling daarvan over het personeel blijkt. Vast is komen te staan dat de hoogte van een eventuele bonus jaarlijks werd bepaald door de directie van het hoofdkantoor in Taiwan. Er werd een bedrag uitgekeerd aan ATP en [eiser] stelde de verdeling daarvan vast over het personeel van ATP, waarbij het hoogste bedrag aan de directeur, [eiser], werd toegekend (productie 10, 45 en 46 bij dagvaarding). In 2011 – toen [eiser] ziek was – is de verdeling vastgesteld door het hoofdkantoor in Taiwan.

4.27.

Aan [eiser] zijn de volgende brutobedragen aan bonus uitgekeerd:

2007 € 7.700

2008 € 11.000

2009 € 18.846

2010 € 19.000

2011 € 4.324

2012 € 0

4.28.

ATP heeft aangevoerd dat de bonussen binnen ATP jaarlijks afhankelijk van het resultaat van het concern worden vastgesteld door de directie in Taiwan en dat dit een discretionaire bevoegdheid is. Voorts is aangevoerd dat de directie, omdat [eiser] in 2012 niet meer in dienst was toen de bonussen werden vastgesteld, ervan heeft afgezien aan [eiser] een bonus toe te kennen. Ter comparitie is desgevraagd verklaard dat het bonusbeleid niet op papier staat.

4.29.

De rechtbank stelt voorop dat het gebruik van een eventuele discretionaire bevoegdheid van de directie in Taiwan begrensd wordt door de in artikel 7:611 BW neergelegde normen van goed werkgeverschap. Het is aan ATP om ter zake van de uitkering van bonussen aan haar personeel een eenduidig beleid te voeren en dit beleid binnen de onderneming kenbaar te maken. Door in 2011 zonder enige onderbouwing of uitleg een ten opzichte van de voorgaande jaren substantieel lager bedrag en het ten opzichte van het overige personeel van ATP laagste bedrag aan bonus toe te kennen heeft ATP gehandeld in strijd met de norm van goed werkgeverschap. De gemiddelde bonus over de vier voorafgaande jaren bedroeg ongeveer € 14.000. Gelet op het reeds betaalde bedrag van

€ 4.324,- zal de rechtbank een bedrag van € 9.676 aan bonus over het jaar 2011 toewijzen.

4.30.

De door ATP genoemde regel dat men het gehele kalenderjaar in dienst moet zijn om aan het eind van het jaar bonus uitgekeerd te krijgen is niet onredelijk. Gelet op het feit dat [eiser] in 2012 geen werkzaamheden heeft verricht voor ATP zal het gevorderde bedrag aan pro rata bonus over 2012 worden afgewezen.

4.31.

Gelet op hetgeen onder 4.29 en 4.30 is overwogen heeft [eiser] geen belang meer bij de door hem gevorderde bescheiden zodat die vordering wordt afgewezen.

4.32.

Slotsom is dat ATP zal worden veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van

€ 55.063 bruto. De – onbetwiste – wettelijke rente over het bedrag aan kerstgratificatie 2011 wordt toegewezen met ingang van 1 januari 2012. De wettelijke rente over het bedrag aan bonus over 2011 met ingang van 1 februari 2012. Het door ATP gevoerde verweer ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente over de schadevergoeding wordt verworpen. De wettelijke rente wordt verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging eindigt (Hoge Raad 14 november 2008 ECLI:NL:HR:2008:BE9995). In dit geval met ingang van 1 oktober 2012. Er is geen grond voor de door ATP verzochte matiging.

4.33.

ATP heeft verzocht de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat er door [eiser] conservatoir derdenbeslag is gelegd. Bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring ontstaat er voor ATP een restitutierisico in geval een hoger beroepsprocedure volgt. Aldus ATP.

4.34.

Degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, in dit geval [eiser], wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring te hebben. ATP heeft het door haar gestelde restitutierisico niet geconcretiseerd. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die niet ongedaan gemaakt kunnen worden, zijn door ATP gesteld noch gebleken. Afweging van de wederzijdse belangen leidt tot het oordeel dat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring toewijsbaar is.

4.35.

ATP zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 101,29

- griffierecht 1.474,00

- salaris advocaat 1.788,00(2 punten × tarief € 894)

Totaal € 3.363,29

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ATP om aan [eiser] te betalen:

- een bedrag van € 45.000 (vijfenveertigduizend euro) bruto aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 1 oktober 2012 tot de dag van volledige betaling;

- een bedrag van € 387 (driehonderdzevenentachtig euro) bruto aan kerstgratificatie 2011, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 1 januari 2012 tot de dag van volledige betaling;

-een bedrag van € 9.676 (negenduizendzeshonderdzesenzeventig euro) bruto aan bonus over 2011, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 1 februari 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt ATP in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.363,29,

5.3.

veroordeelt ATP in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ATP niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, mr. W.J.J. Wetzels en mr. A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2014.

1573/1404/1629