Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7119

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
C-10-456818 - KG ZA 14-752
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Heeft er een levering krachtens geldige titel plaatsgevonden. Is aan de vereisten van artikel 3:84 BW voldaan. Het gaat hier om een levering constitutum possessorium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/439

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/456818 / KG ZA 14-752

Vonnis in kort geding van 22 augustus 2014

in de zaak van

[curator],

in hoedanigheid van curator van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

kantoorhoudende te Rotterdam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.R.M. van den Heuvel,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2] ,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

XTRA MATERIEEL B.V.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.T.J. Eling.

Eiser zal hierna de curator genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden. [gedaagden] zullen afzonderlijk worden aangeduid met

[gedaagde], [gedaagde2] en Xtra Materieel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 6 augustus 2014;

  • -

    de eis in reconventie;

  • -

    de producties van de curator;

  • -

    de producties van [gedaagden];

  • -

    de pleitnota van mr. R.R.M. van den Heuvel;

  • -

    de pleitnota van mr. M.T.J. Eling.

1.2.

Partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 14 augustus 2014. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij brief van 10 februari 2014 met als onderwerp ‘Overname verklaring kentekens / bedrijfswagens’ heeft Xtra Materieel een afspraak tussen [eiser] (hierna: [eiser]) enerzijds en [gedaagde2] en Xtra Materieel anderzijds op schrift gesteld (hierna: de brief). In die brief staat onder meer het volgende:

“Hierbij komen wij overeen dat wij het steigerwerk (Xtra Materieel b.v.) en werkzaamheden ([gedaagde2]

) aan de Parklaan gaan uitvoeren onder onderstaande voorwaarden.

In verband de te verwachten tijdelijke liquiditeitsproblemen bij [eiser]

krijgen bovengenoemde bedrijven de mogelijkheid om per 1 juni a.s. aan aantal

Bedrijfswagens over te nemen ter gedeeltelijke compensatie van nog te ontvangen gelden.”

De brief is namens [eiser], [gedaagde2] en Xtra Materieel (naar de voor-zieningenrechter begrijpt door een voor elk van de bedrijven bevoegd persoon) ondertekend, waarbij is vermeld: “Aldus overeengekomen, 10 februari 2014, Voor Akkoord”

2.2.

Bij, althans kort na ondertekening zijn de kentekenbewijzen van de bedrijfsvoertuigen met de nummers:

[bedrijfsvoertuigen]

(hierna: de bedrijfsvoertuigen) door [eiser] aan

[gedaagde2] en Xtra Materieel overhandigd

2.3.

Na 10 februari 2014 hebben [gedaagde2] en Xtra Materieel verschillende werkzaamheden verricht voor en diensten geleverd aan [eiser]. De daarvoor aan

[eiser] gestuurde facturen zijn onbetaald gebleven.

2.4.

Bij credit factuur d.d. 1 juli 2014 schrijft [gedaagde2] aan [eiser],

voor zover hier relevant, het volgende:

“……

Hierbij zenden wij u deze CREDIT factuur voor de openstaande facturen met de nummers 1260-1255-1227-1224-1217-1210-1209-1203-1201-1191-1187-1185-1181-1114 vanwege de overname van de borgstelling volgens onze afspraak van 10 februari 2014 betreft de volgende auto’s.

Mercedes Vito [kenteken1]

Mercedes Vito [kenteken2]

Mercedes Vito [kenteken3]

Mercedes Citan [kenteken4]

Renault Kangoo [kenteken5]

Renault Traffic [kenteken6]

Renault Traffic [kenteken7]

Renault Traffic [kenteken8]

Renault Kangoo [kenteken9]

Renault Kangoo [kenteken10]

Totaal bedrag credit btw verlegd 1 € 29.125,00

Wij gaan ervan uit dat deze auto’s binnen 14 dagen worden geleverd en worden gebracht naar

[autobedrijf] aan de Delftweg 106c- 3043 NA te Rotterdam-Overschie

……”

2.5.

Op 8 juli 2014 is [eiser] in staat van faillissement verklaard. Mr. R.J.R.M. de Boek is aangesteld als curator in het faillissement van [eiser].

2.6.

Per datum faillissement had [gedaagde2] een openstaande vordering op

[eiser] van (ongeveer) € 27.645,00 en had Xtra Materieel een openstaande en inmiddels ingediende vordering op [eiser] van (ongeveer) € 58.151,04.

2.7.

In de periode tussen 10 februari 2014 en datum faillissement zijn aan (verschillende) andere schuldeisers van [eiser] betalingen gedaan.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De curator vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagden], hoofdelijk, althans [gedaagde], althans [gedaagde2], althans

Xtra Materieel, te veroordelen om binnen twee (2) dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot afgifte aan de curator van alle en meest actuele kentekenbewijzen, inclusief de overschrijvingsbewijzen, van de bedrijfsvoertuigen die tot 8 juli 2014 op naam van [eiser] stonden gesteld, alsmede om [gedaagden] hoofdelijk, althans [gedaagde], althans [gedaagde2], althans Xtra Materieel, te veroordelen om de in het kader van de overschrijving van de bedrijfsvoertuigen benodigde medewerking te verlenen aan de curator, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom voor iedere gedaagde afzonderlijk van € 500,00 per bedrijfsvoertuig per dag of gedeelte van een dag, dat [gedaagden], althans [gedaagde], althans [gedaagde2], althans Xtra Materieel, in gebreke blijven (blijft) om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 35.000,00 per gedaagde, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren,

met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding, de kosten van de (proces)advocaat van de curator en de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagden] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar , de curator veroordeelt:

  • -

    tot het binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis afgeven ten behoeve van [gedaagden] aan [autobedrijf], gevestigd aan de Delftweg 106c te (3043 NA) Rotterdam, van de auto’s, inclusief sleutels, met kentekens [kenteken1], [kenteken2], [kenteken3], [kenteken4], [kenteken5], [kenteken6], [kenteken7], [kenteken8], [kenteken11], [kenteken10], [kenteken12], [kenteken13], [kenteken14], [kenteken15], [kenteken16] en [kenteken17] op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding en € 500,00 voor iedere dag de overtreding voortduurt;

  • -

    tot het aan [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting betalen van de kosten van deze procedure met de bepaling dat indien en voor zover deze kosten niet uiterlijk binnen 7 dagen na het betekenen van het vonnis zijn voldaan, de curator de wettelijke rente daarover aan [gedaagden] verschuldigd is;

  • -

    tot het aan [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de kosten vallende na het vonnis, zulks te begrepen op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening van dit vonnis.

4.2.

De curator voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Met de stelling van de curator dat hij spoedig wil overgaan tot afwikkeling van

het faillissement en dat hij inmiddels een koper voor de bedrijfsvoertuigen heeft gevonden is het spoedeisend belang bij de onderhavige vordering in conventie voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. [gedaagden] heeft zijn spoedeisend belang bij de vordering in reconventie niet onderbouwd, maar dat spoedeisend belang is ook niet door de curator betwist. Bovendien is de vordering gegrond op een eigendomsrecht en een inbreuk daarop, in welk geval al snel een spoedeisend belang word aangenomen, zo ook hier.

5.2.

In het onderhavige geschil dient beoordeeld te worden of (aannemelijk is dat) [gedaagden] voor datum faillissement rechtmatig eigenaar zijn geworden van de bedrijfswagens of dat moet worden geoordeeld dat aan de door [eiser] en

[gedaagden] beoogde overdracht (onoverkomelijke) gebreken kleven, althans lijken

te kleven.

5.3.

Voor overdracht van een goed is vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken (artikel 3:84 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tot aan het faillissement bevoegd was om over de bedrijfswagens te beschikken. De vraag die derhalve in dit kort geding voorligt is of er tussen [eiser] en [gedaagden] een levering krachtens geldige titel heeft plaatsgevonden. Daarbij is, voor het geval geoordeeld mocht worden dat sprake is van een geldige titel, blijkbaar niet in geschil dat in dat geval sprake is van een overeenkomst “om baat”.

5.4.

De curator stelt dat er geen levering krachtens geldige titel heeft plaatsgevonden, welke stelling hij doet rusten op de volgende vier pijlers. Ten eerste kan de brief van 10 februari 2014 - al dan niet in samenhang bezien met de creditnota van 1 juli 2014 - niet als geldige titel ex artikel 3:84 lid 1 BW voor de overdracht van de bedrijfsvoertuigen gelden, omdat de overeenkomst spreekt over ‘de mogelijkheid krijgen’ om per 1 juni een aantal bedrijfswagens over te nemen indien er nog facturen zouden openstaan. Verdere afspraken ontbreken en de curator betwist dat de failliet de creditnota heeft ontvangen. Ten tweede is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW. Ten derde heeft er, gelet op het feit dat de bedrijfswagens nog altijd in het bezit van [eiser] zijn, geen rechtsgeldige levering van de bedrijfsvoertuigen plaatsgevonden in de zin van de bezits-verschaffing ex artikel 3:90 BW. Van een levering constitutum possessorium is evenmin sprake, nu de benodigde tweezijdige verklaring ex artikel 3:115 BW ontbreekt. Ten vierde betreft het hier een overdracht ten titel van verhaal, die ertoe strekt om [gedaagde2] en Xtra Materieel in hun schuldeisersbelangen te beschermen, hetgeen op grond van artikel 3:84 lid 3 BW geen geldige titel voor overdracht kan vormen.

Ter zitting heeft de curator ook nog gesteld dat er een pandrecht op de voertuigen rust.

5.5.

[gedaagden] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst van 10 februari 2014, onder de opschortende voorwaarde dat op 1 juni 2014 de openstaande facturen van [gedaagde2] en Xtra Materieel niet door [eiser] zouden zijn voldaan de rechtsgeldige titel is die aan de levering van de bedrijfsauto’s ten grondslag ligt. De wil van partijen was dat de auto’s, bij wijze van betaling van de openstaande facturen, in eigendom zouden overgaan. Nu op 1 juni 2014 de facturen niet waren voldaan is de opschortende voorwaarde in vervulling gegaan en is de overdracht onvoorwaardelijk geworden. Ook aan de bepaalbaarheidseis van artikel 3:84 lid 2 BW is voldaan, aldus [gedaagden]

Uit de bij de overeenkomst toegevoegde lijst (zie productie 3 bij dagvaarding) blijkt welke bedrijfsauto’s overgedragen zouden worden en [eiser] is al in februari, met uitzondering van de kentekenbewijzen van de voertuigen met de kentekens [kenteken18] en [kenteken4], overgegaan tot het overdragen van de desbetreffende kentekenbewijzen aan [gedaagden]

Het gaat hier om een levering constitutum possessorium, waarvoor - op grond van artikel 3:115 BW - voor de overdracht van het bezit een tweezijdige verklaring, die niet schriftelijk hoeft te zijn, zonder feitelijke handeling voldoende is. Verklaringen kunnen op grond van artikel 3:37 BW in gedragingen besloten liggen. Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst, in samenhang bezien met de afgifte door [eiser] van de kenteken-bewijzen en de omstandigheid dat [gedaagden] niet en andere schuldeisers wel zijn betaald, blijkt dat alle partijen de wil hebben gehad dat de bedrijfsauto’s in het vermogen van [gedaagden] zouden gaan vallen. De bedrijfsauto’s gaan daadwerkelijk gebruikt worden bij de dagelijkse bedrijfsvoering van beide bedrijven. Van een overdracht in strijd met het fiduciaverbod ex artikel 3:84 lid 3 BW is dan ook geen sprake, aldus [gedaagden]

5.6.

Ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3:84 BW

overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.6.1.

Uit de inhoud van de brief leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde2] en Xtra Materieel enerzijds en [eiser] anderzijds hebben bedoeld een overeenkomst te sluiten. De volgende te beantwoorden vraag is of die overeenkomst als geldige titel voor de overdracht kan worden aangemerkt.

Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter voorshands bevestigend. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de brief is opgesteld namens Xtra Materieel, terwijl uit de inhoud is af te leiden dat dit is gedaan door een niet juridisch geschoolde persoon. In samenhang met de creditfactuur, althans in ieder geval de niet betwiste gelijktijdige afgifte van de kentekenbewijzen is aannemelijk dat partijen bij de overeenkomst hebben bedoeld een overeenkomst onder een opschortende voorwaarde te sluiten. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter - later oordelende - zal beslissen dat de overeenkomst alle elementen voor de titel van een eigendomsoverdracht van de bedrijfsvoertuigen bevat, indien [eiser] zou nalaten om de facturen voor 1 juni 2014 te betalen. In dat verband is ook van belang dat in de brief zonder enig voorbehoud [gedaagde2] en Xtra Materieel de mogelijkheid wordt geboden om per 1 juni 2014 een aantal bedrijfswagens van [eiser] over te nemen ter gedeeltelijke compensatie van nog te ontvangen gelden, met andere woorden, bij wijze van betaling van hun niet betaalde facturen.

Het verweer van de curator dat de overeenkomst onvoldoende bepaald is slaagt niet. De kentekenbewijzen zijn min of meer gelijktijdig door [eiser] aan [gedaagde2] en Xtra Materieel overgelegd waaruit is op te maken om welke bedrijfswagens het gaat. Ook op de creditfactuur zijn kentekens vermeld, zodat ook hieruit is op te maken welke bedrijfswagens het betreft. Ook zonder creditfactuur, de ontvangst daarvan wordt immers door de curator betwist - welke betwisting overigens niet echt gemotiveerd is nu geen verband wordt gelegd met en niet ingegaan wordt op de hoogte van de (resterende) vorderingen van [gedaagden] - is de overeenkomst voldoende bepaalbaar. Duidelijk genoeg is welke kentekenbewijzen in handen van [gedaagden] zijn gesteld, nu daarmee overschrijving van de bedrijfsvoertuigen op naam van een ander heeft plaatsgevonden.

5.6.2.

De curator heeft verder aangevoerd dat een rechtsgeldige levering ontbreekt, nu [eiser] tot de datum faillissement de bedrijfsvoertuigen onder zich hield. Volgens de curator kan van een geldige levering constitutum possessorium geen sprake zijn omdat artikel 3:115 BW daarvoor een tweezijdige verklaring vereist, welke volgens de curator ontbreekt. Van een uitdrukkelijke verklaring is niet gebleken. Dit verweer faalt. Voor-opgesteld zij dat [eiser] niet alleen bezitter maar ook houder kan zijn geweest.

Voorts zij overwogen dat artikel 3:115 sub a BW geen schriftelijkheidsvereiste kent met betrekking tot de tweezijdige verklaring en de verklaring kan ook worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval. In artikel 3:37 lid 1 BW is immers bepaald dat verklaringen ook in een of meer gedraging(en) besloten kunnen liggen. Uit de gedragingen van [gedaagde2] en Xtra Materieel enerzijds en [eiser] anderzijds volgt dat zij beide de levering wilden bewerkstelligen. Meer in het bijzonder gaat het dan in ieder geval om de afgifte van de kentekenbewijzen aan [gedaagden] en om de, niet betwiste omstandigheid dat andere schuldeisers in de periode tot het faillissement wel betaald zijn en [gedaagden] niet “omdat zij de auto’s al hadden”.

Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure de rechter zal oordelen dat er een juridische levering in de zin van artikel 3:90 lid 1 BW juncto artikel 3:115 sub a BW heeft plaatsgevonden.

5.6.3.

Vervolgens dient nog onderzocht te worden of de tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde2] en Xtra Materieel anderzijds gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst die strekt tot “werkelijke eigendomsoverdracht” dan wel - zoals door de curator is betoogd - slechts tot bescherming van de schuldeisersbelangen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW leidt fiduciaire overdracht namelijk niet tot een geldige eigendomsoverdracht.

Blijkens de wetsgeschiedenis keert het derde lid van artikel 3:84 zich tegen rechts-handelingen waarbij de betrokkenen niet werkelijk de overgang van het goed in het vermogen van de ander beogen, maar in de vorm van overdracht de ander slechts beperkte bevoegdheden ten aanzien van het goed willen geven (Parl.Gesch. Boek 3, blz. 318, 319).

[gedaagden] vorderen in reconventie afgifte van de bedrijfswagen aan hen. Zij hebben ter zitting opgemerkt dat zij deze daadwerkelijk in gebruik willen nemen. Dit leidt tot de conclusie dat aan de overdracht van de bedrijfsvoertuigen door [eiser] aan [gedaagde2] en Xtra Materieel niet een naar huidig recht ongeldige titel in de zin van artikel 3:84 lid 3 BW ten grondslag ligt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat feitelijk een betaling van de facturen van [gedaagden] met auto’s c.q. voertuigen heeft plaatsgevonden. [gedaagden] heeft tegenover die “betaling in goederen” facturen gecrediteerd, op welke creditering zij niet zijn teruggekomen.

Weliswaar betwist de curator de ontvangst van de creditfactuur, maar dat is onvoldoende, nu hij niet stelt dat van een feitelijke vermindering van de vordering van [gedaagden] op [eiser] geen sprake is (geweest).

5.7.

De curator heeft zich voor het eerst ter zitting erop beroepen dat op de bedrijfswagen een pandrecht rust. Nu hij deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, niet stelt dat dit pandrecht van ouder datum is (ex artikel 3:90 lid 2 BW) en ook niet stelt dat hij in dit geding mede namens de pandhouder (die overigens niet met naam en toenaam is genoemd) optreedt, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij.

5.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben [gedaagde2] en Xtra Materieel naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te gelden, nu alle vereiste handelingen voor datum faillissement zijn voltooid, als eigenaar van de bedrijfsauto’s en zijn zij op grond van artikel 5:2 BW bevoegd deze op te eisen van de curator. Dit brengt met zich mee dat de vordering in conventie zal worden toegewezen en de vordering in reconventie zal worden afgewezen voor zover die is ingesteld door [gedaagde2] en Xtra Materieel. De gevorderde dwangsom zal als na te melden worden toegewezen en worden gemaximeerd.

5.9.

[gedaagde] zal in de reconventionele vordering niet ontvankelijk worden verklaard, omdat hij geen partij is bij de overeenkomst en in die zin is te beschouwen als een derde. Een derde kan geen nakoming vorderen van een tussen anderen gesloten overeenkomst.

5.10.

De curator zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten [gedaagden] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] in conventie worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.224,00

De meegevorderde rente en nakosten zullen als na te melden worden toegewezen.

5.11.

De curator zal als de in reconventie jegens [gedaagde2] en Xtra Materieel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde2] en Xtra Materieel in reconventie worden begroot op € 408,00.

De meegevorderde rente en nakosten zullen als na te melden worden toegewezen.

5.12.

[gedaagde] wordt in de proceskosten van de curator in reconventie veroordeeld, die op nihil zullen worden gesteld, nu de verweren dienen te worden beschouwd als grotendeels gericht op [gedaagde2] en Xtra Materieel.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.224,00, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf

14 dagen na heden, en te vermeerderen met nakosten ad € 131,00 (respectievelijk € 199,00 ingeval van betekening van dit vonnis);

6.3.

verklaart dit vonnis in conventie voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

6.4.

verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn vordering in reconventie;

6.5.

veroordeelt de curator om drie dagen na betekening van dit vonnis ten behoeve van [gedaagde2] en Xtra Materieel aan [autobedrijf], gevestigd aan de Delftweg 106c te (3043 NA) Rotterdam af te geven de bedrijfsauto’s, inclusief sleutels met kentekens [bedrijfsvoertuigen], op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de curator niet aan deze veroordeling heeft voldaan met een maximum van

€ 50.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;

6.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van

de curator voor wat betreft zijn vordering begroot op nihil;

6.7.

veroordeelt de curator in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [gedaagde2] en Xtra Materieel tot op heden begroot op € 408,00, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 14 dagen na heden, en te vermeerderen met nakosten ad

€ 131,00 (respectievelijk € 199,00 ingeval van betekening van dit vonnis);

6.8.

verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014. 1862/2009