Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7079

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
C/10/434781 / HA ZA 13-1039
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincidenten. Zeevervoer van Houston naar Angola, waar zich bij lossing een explosie voordoet. Vervoerder spreekt twee ladingbelanghebbenden aan tot schadevergoeding. Beide gedaagden betwisten te zijn gebonden aan het forumkeuzebeding in het cognossement. Nu beding valt binnen reikwijdte art. 23 EEX-Vo, is dit verbindend voor de afzender en een derde die de rechten en verplichtingen van afzender is opgevolgd (cfm. HvJ EG in Coreck/Handelsveem). Legitimatievragen te beantwoorden naar Amerikaans recht op grond van art. 10:162 lid 2 BW. Gelet op hetgeen over de sluiting van de vervoerovereenkomst is gebleken, was de eerste gedaagde afzender. Haar beroep op onbevoegdheid faalt. Tweede gedaagde was niet de afzender en naar Amerikaans recht evenmin via de merchant clause gebonden aan de bepalingen van de vervoerovereenkomst, en dus niet aan het forumkeuzebeding. Onvoldoende connexiteit voor toepassing art. 7 Rv (pluraliteit van gedaagden). Rechtbank onbevoegd jegens tweede gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 314
NTHR 2014, afl. 5, p. 264
S&S 2015/51

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/434781 / HA ZA 13-1039

Vonnis in incident en hoofdzaak van 6 augustus 2014

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Cyprus

UNIVERSAL AFRICA LINES LTD,

gevestigd te Limassol, Cyprus,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen,

tegen

1. de rechtspersoon naar Amerikaans recht

AIRGAS SPECIALTY GASES INC.,

gevestigd te Radnor (Pennsylvania),Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. Spanjaart,

2. de rechtspersoon naar het recht van Amerika

OVERSEAS BECHTEL INC.,

gevestigd te Frederick (Maryland), Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.J. van Steenderen.

Partijen zullen hierna UAL en Airgas en Bechtel genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 20 juni 2013,

  • -

    de akte overlegging producties, met producties, van UAL,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid van Airgas, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende beroep op onbevoegdheid van Bechtel, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord (in beide incidenten), met productie,

  • -

    de akte van Airgas, met producties,

  • -

    de akte in het incident van Bechtel.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten waarvan in het incident wordt uitgegaan

2.1.

UAL was de bevrachter van het m.s. ‘UAL Antwerp’ (hierna: het schip) toen aan boord van dit schip negen ‘shipper owned’ geïsoleerde tankcontainers met volgens opgave gekoelde vloeibare ethyleen als deklading werden vervoerd vanuit port of loading Houston (Texas, Verenigde Staten) naar port of discharge Soyo (Angola) onder een op het formulier van UAL gesteld cognossement met nummer UALCHANT752C200 dat is gedateerd 28 mei 2011 en afgegeven namens UAL als vervoerder.

Het cognossement vermeldt als ‘shipper/exporter’: ‘Overseas Bechtel Incorported, c/o Airgas Specialty Gases Inc. (...) Email: [email] Contact: [persoon1]’ en als ‘consignee’: ‘Angola LNG c/o Bechtel International Incorporated, Soyo Angola, Angola LNG Project’. Het cognossement vermeldt voorts ‘DCS Freight Houston Inc’ als ‘forwarding agent’.

2.2.

Op de ommezijde zijn cognossementscondities voorgedrukt. Artikel 1 daarvan (‘Definitions’) bevat onder (B) een Merchant Clause:

‘Merchant shall include the shipper, the receiver, the consignee, the holder of this bill of lading and the owner of the cargo.’

2.3.

Artikel 2 van de cognossementscondities behelst een rechtskeuzebeding met Clause Paramount. Hiermee is een rechtskeuze voor Nederlands recht met inbegrip van de Hague-Visby Rules is gemaakt, terwijl voor verschepingen vanuit de Verenigde Staten van Amerika ook de Carriage of Goods by Sea Act als ingevoegd moet worden beschouwd.

2.4.

Artikel 3 van de cognossementscondities luidt:

‘Any claim or dispute arising under these conditions shall be subject to the exclusive jurisdiction of the District Court of Rotterdam at first instance and no other Court shall have jurisdiction.’

2.5.

De gekoelde vloeibare ethyleen in de tankcontainers is een gevaarlijke stof, IMO klasse 2.1, UN 1038. De tankcontainers hadden afblaasventielen waarmee ingeval van teveel drukopbouw, door onvoorziene omstandigheden dan wel door geleidelijke opwarming en gasvorming, ethyleengas zou worden afgeblazen. Beoogd werd dat de ethyleen gedurende het vervoer voldoende koud en dus vloeibaar zou blijven zodat afblazen niet zou plaatsvinden.

2.6.

Tijdens losoperaties in Luanda (Angola) heeft op 25 juli 2011 een explosie en brand aan boord van het schip plaatsgevonden, met schade aan het schip en de lading tot gevolg.

2.7.

UAL is door de vervrachter van het schip en anderen aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van dit incident.

3 De vorderingen

in de hoofdzaak

3.1.

UAL vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    i) voor recht zal verklaren dat Airgas en Bechtel hoofdelijk, althans ieder voor zich, aansprakelijk zijn jegens UAL voor alle gevolgen van het incident en gehouden zijn UAL in alle opzichte te vrijwaren en schadeloos te stellen,

  • -

    ii) Airgas en Bechtel hoofdelijk, althans ieder voor zich, zal veroordelen aan UAL te betalen hetgeen UAL zal moeten betalen, al dan niet op grond van een redelijke schikking, aan derden die vorderingen hebben ingesteld of nog kunnen instellen jegens UAL (waaronder de reder of exploitant van het schip en belanghebbenden bij de lading aan boord van het schip ten tijde van het incident, en eventueel gesubrogeerde verzekeraars),

  • -

    iii) Airgas en Bechtel hoofdelijk, althans ieder voor zich, zal veroordelen aan UAL te betalen de eigen verliezen die UAL als gevolg van het incident heeft geleden, waaronder de kosten van het voeren van verweer of het afwenden van vorderingen die tegen haar zijn of zullen worden ingesteld in verband met het incident,

alles op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en/of zulke andere beslissing zal nemen als de rechtbank juist zal achten nadat de partijen hun standpunten hebben onderbouwd, en met hoofdelijke veroordeling van Airgas en Bechtel in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt UAL - samengevat - het volgende ten grondslag.

De overheersende mening van de experts die de oorzaak van de explosie en de brand bij de lossing van het schip in Luanda hebben onderzocht, is dat het incident is veroorzaakt door ethyleen dat is gelekt of afgeblazen uit één of meer van de in 2.1 bedoelde containers in combinatie met een onbekend gebleven ontstekingsbron.

Gelet op artikel 20 van de cognossementscondities, dat een vrijwaringsverplichting van de ‘Merchant’ inhoudt voor alle schade en aansprakelijkheid die voortvloeit uit het verschepen van gevaarlijke stoffen, zoals de onderhavige ethyleen, en de informatieverplichting en daaraan gekoppelde vrijwaringsverplichting van de afzender neergelegd in de artikelen 8:394, 395 en 411 BW zijn Airgas en Bechtel aansprakelijk jegens UAL. Airgas en Bechtel hadden ervoor moeten zorgen dat de containers de voorgenomen reis(duur) konden doorstaan zonder dat de containers ethyleen zouden afblazen, en UAL mocht dan ook aannemen dat bij een normale gang van zaken geen ethyleen zou worden afgeblazen.

Nu het cognossement Bechtel ‘c/o’ Airgas als afzender noemt, is niet zonder meer duidelijk wie van beiden bij het boeken van de lading en het in ontvangst nemen van het cognossement als afzender is opgetreden. De cognossementsinstructies waren afkomstig van een expediteur. Airgas en Bechtel hebben desgevraagd niet willen ophelderen wie van hen als afzender heeft te gelden of hun onderlinge overeenkomst over te leggen, terwijl duidelijk is dat één van hen (of beiden) afzender moet(en) zijn. UAL acht Airgas en Bechtel beide gebonden aan de vervoerovereenkomst nu zij beiden vallen onder de definitie van ‘Merchant’ neergelegd in artikel 1(B) van de cognossementscondities.

3.3.

UAL stelt dat deze rechtbank bevoegd is op basis van artikel 3 van het cognossement.

in het door Airgas aanhangig gemaakte incident

3.4.

Airgas concludeert, voor alle weren, dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren van de vordering van UAL kennis te nemen. Zij voert hiertoe het volgende aan.

Uit de vermelding van Bechtel ‘c/o’ - dus ‘care of’, per adres - Airgas als afzender op het cognossement volgt dat Bechtel de afzender is. De eenzijdige vermelding van een partij als afzender op het cognossement (de ‘documentaire afzender’) bindt deze partij overigens niet zonder bijkomende omstandigheden aan de bepalingen van dit cognossement. Voor een dergelijke binding is vereist dat er een wil bestond om aldus gebonden te zijn, en dat is wat Airgas betreft niet het geval. Airgas is slechts opgetreden als verkoper van de ethyleen, op basis FCA Houston. Zij heeft niet de vervoerovereenkomst gesloten en is daarbij geen partij en evenmin partij geworden. UAL kan zich jegens Airgas dus niet beroepen op een forumkeuze in het cognossement. Een andere grond voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter ontbreekt, aldus nog steeds Airgas.

3.5.

UAL concludeert tot bevoegdverklaring met afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van Airgas (en Bechtel, hoofdelijk) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het incident.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het door Bechtel aanhangig gemaakte incident

3.7.

Bechtel concludeert, voor alle weren, dat de rechtbank zich bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad onbevoegd moet verklaren om van de vordering op Bechtel kennis te nemen, met veroordeling van UAL in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over deze nakosten. Zij voert hiertoe - samengevat - het volgende aan.

UAL kan zich niet jegens Bechtel beroepen op de jurisdictieclausule uit het cognossement omdat Bechtel geen partij is bij de vervoerovereenkomst en daartoe ook niet is toegetreden. Naar Nederlandse opvattingen gelden slechts de afzender en de vervoerder, hier UAL, als partijen bij de vervoerovereenkomst. Afzender was in dit geval niet Bechtel maar Airgas. Airgas diende in haar relatie tot Bechtel tankcontainers ter beschikking te stellen, deze te vullen met ethyleen en deze naar Soyo in Angola te vervoeren (en de lege containers terug te vervoeren naar La Porte in Texas). Airgas - of het door haar ingeschakelde bedrijf Joss dat als haar logistiek dienstverlener optrad - heeft ook met UAL onderhandeld over het vervoer, de vrachtprijs en het cognossement en het contract met UAL gesloten. Met de vermelding van Bechtel op het cognossement als ‘shipper/exporter’ heeft Bechtel niets van doen gehad. Een rechtspersoon kan ook partij zijn (geworden) bij de in het cognossement vervatte vervoerovereenkomst omdat zij kwalificeert als ‘Merchant’, dus als shipper, receiver, consignee, holder of the bill of lading dan wel owner of the cargo. Dit alles is wat Bechtel betreft niet aan de orde. Nu levering van de ethyleen (DDU Soyo) niet heeft plaatsgehad als gevolg van de explosie en brand is Bechtel daarvan geen eigenaar geworden, zeker niet ten tijde van het incident. Bechtel is ook niet toegetreden tot de vervoerovereenkomst door het cognossement te presenteren of omdat zij op enig moment daarvan houder is geweest. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd door UAL waaruit zou kunnen volgen dat Bechtel zou zijn toegetreden voordat zij het cognossement heeft aangenomen.

3.8.

UAL concludeert tot bevoegdverklaring met afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van Bechtel (en Airgas, hoofdelijk) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het incident.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in beide incidenten

4.1.

Nu UAL is gevestigd te Cyprus en Airgas en Bechtel in de Verenigde Staten, is sprake van een internationaal geval, waarop de EEX-Vo in beginsel niet van toepassing is, aangezien Airgas en Bechtel als gedaagden geen woonplaats hebben in een lidstaat van de Europese Unie.

Het forumkeuzebeding waarop UAL zich beroept valt echter wel binnen de reikwijdte van artikel 23 EEX-Vo, indien en voor zover Airgas of Bechtel of beiden als afzender(s) onder de vervoerovereenkomst moet(en) worden beschouwd. In zoverre doet zich dan de in artikel 23 lid 1 EEX-Vo beschreven situatie voor dat de partijen, waarvan er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (hier: UAL, te Cyprus), een gerecht van een lidstaat (de rechtbank Rotterdam, in Nederland) hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking (de vervoerovereenkomst blijkend uit het cognossement) zijn ontstaan of zullen ontstaan. De rechtbank constateert dat voor het overige is voldaan aan de eisen die artikel 23 EEX-Vo aan een geldige forumkeuze stelt. Dit betekent dat de rechtbank op grond van de forumkeuze neergelegd in het cognossement in verbinding met artikel 23 EEX-Vo exclusief bevoegd is om van vorderingen van UAL kennis te nemen, indien en voor zover Airgas of Bechtel of beiden als afzender(s) onder de vervoerovereenkomst moet(en) worden beschouwd.

4.2.

Uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie volgt dat een forumkeuzebeding in een cognossement kan worden tegengeworpen aan een derde die geen partij was bij de vervoerovereenkomst indien het beding geldig is tussen de afzender en de vervoerder, en de derde die het cognossement heeft verkregen de afzender krachtens het toepasselijke nationale recht in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd. (HvJ EG 16 maart 1999, zaak C-159/97, NJ 2001/116 (Casteletti/Trumpy), HvJ EG 19 juni 1984, nr. 71/83, NJ 1984/735 (Tilly Russ), HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, NJ 2001/599 (Coreck/Handelsveem)). Dit betekent dat de rechtbank op grond van de forumkeuze in het cognossement in verbinding met artikel 23 EEX-Vo evenzeer exclusief bevoegd is om van vorderingen van UAL kennis te nemen, indien Airgas of Bechtel of beiden krachtens het toepasselijke nationale recht de afzender zijn opgevolgd in zijn rechten en verplichtingen onder de vervoerovereenkomst.

4.3.

De vragen of Airgas of Bechtel of beiden al dan niet (i) als afzender(s) onder de vervoerovereenkomst moet(en) worden beschouwd, dan wel (ii) de afzender zijn opgevolgd in zijn rechten en verplichtingen onder de vervoerovereenkomst in de hiervoor bedoelde zin, moeten worden beantwoord met inachtneming van artikel 10:162 BW. Deze bepaling luidt immers, voor zover relevant:

  1. Bij vervoer van zaken onder cognossement wordt de vraag (...) wie drager is van de uit het cognossement voortvloeiende rechten en verplichtingen jegens de vervoerder, beantwoord naar het recht van de staat waarin de haven gelegen is, waar uit hoofde van de overeenkomst moet worden gelost, ongeacht een door de partijen bij de vervoerovereenkomst gedane rechtskeuze.

  2. Evenwel worden de in lid 1 bedoelde vragen beantwoord naar het recht van de staat waarin de haven van inlading gelegen is, wat betreft de verplichtingen ter zake van het ter beschikking stellen van de overeengekomen zaken, de plaats, de wijze en de duur van de inlading.’

4.4.

Gelet op de aard van de door UAL gemaakte verwijten ligt in de rede om in dit geval lid 2 van artikel 10:162 BW toe te passen. Het geschil gaat immers in de kern om de vraag of, nu zaken ten vervoer zijn aangeboden die naar hun aard gevaarlijk waren, voldoende is gedaan om te voorkomen dat deze gevaren zich tijdens de reis zouden verwezenlijken en de vervoerder de nodige informatie te geven om een goed geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het accepteren of weigeren van de aangeboden lading. (Vgl. Rb. Rotterdam 20 december 2001, S&S 2003/20 (Hester)).

4.5.

Dit betekent dat de vraag wie als afzender heeft te gelden en wie in de rechten en verplichtingen van de afzender is opgevolgd moet in beginsel dus worden beantwoord met inachtneming van het recht van de Verenigde Staten.

4.6.

De rechtbank merkt voorts op dat de procedures tussen UAL en Airgas enerzijds en tussen UAL en Bechtel anderzijds verschillende procedures zijn, en dat, anders dan UAL en Bechtel lijken te veronderstellen, het oordeel van de rechtbank over haar bevoegdheid in de ene procedure niet rechtstreeks betekenis heeft voor het bevoegdheidsoordeel in de andere procedure.

Alleen indien specifieke rechtsregels daartoe aanleiding geven, kan het oordeel te geven in het ene incident gevolgen hebben voor het oordeel over het andere incident. In dit verband noemt de rechtbank artikel 7 Rv, dat hierna in r.o. 4.21 nog aan de orde komt.

voorts in het door Airgas aanhangig gemaakte incident

4.7.

Airgas gaat er in haar conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid van uit dat als afzender moet worden gekwalificeerd de contractuele wederpartij van de vervoerder, de partij die de overeenkomst van vervoer met UAL heeft gesloten. Airgas betwist dat zij de vervoerovereenkomst heeft gesloten. Airgas stelt voorts dat de vermelding op het cognossement van een met name genoemde afzender, hier in haar visie Bechtel, nog niet maakt dat deze partij is of wordt bij de vervoerovereenkomst.

4.8.

Ook UAL gaat er in haar incidentele conclusie van antwoord van uit dat de partij die met UAL de vervoerovereenkomst heeft gesloten als afzender heeft te gelden. Volgens UAL is het antwoord op deze vraag niet afhankelijk van het toepasselijke recht maar feitelijk van aard. UAL wijst erop dat Airgas niet heeft betwist dat ofwel Airgas ofwel Bechtel als afzender moet zijn opgetreden, en meent dat hiermee vast staat dat inderdaad slechts één van hen beiden afzender kan zijn geweest.

UAL stelt dat de boeking en de instructies voor de invulling van het cognossement namens Airgas door haar expediteur DCS zijn verricht. Volgens UAL heeft haar lokale agent in de laadhaven verklaard dat over de vracht is onderhandeld met DCS Freight Houston Inc. als expediteur van Airgas, dat de lading ook is geboekt en ten vervoer afgegeven door Airgas/DCS en dat deze partijen ook de cognossementsinstructies hebben gegeven. UAL zegt dit nader te kunnen bewijzen, maar acht dit eigenlijk niet nodig. Zij legt ook geen stukken over waaruit de feitelijke gang van zaken bij boeking blijkt, en doet geen bewijsaanbod.

4.9.

In reactie op het nadere standpunt van UAL handhaaft Airgas haar betwisting dat zij afzender was. Zij betwist ook dat DCS namens haar heeft gehandeld. De mededeling over een lokale agent van UAL acht Airgas te weinig concreet en specifiek en niet onderbouwd.

Airgas legt nog wel stukken over die - geheel of ten dele - eerder door Bechtel in haar incident waren overgelegd, en stelt dat daaruit weliswaar blijkt dat zij aflader was, maar niet dat zij als afzender de vervoerovereenkomst heeft gesloten.

Airgas geeft de feitelijke gang van zaken bij het sluiten van de overeenkomst als volgt weer. Airgas had Joss als makelaar ingeschakeld. Joss vroeg via expediteur DCS vrachtoffertes op. [persoon1] van Airgas onderhield aanvankelijk zelf het contact met Joss over de vrachtonderhandelingen met UAL. [persoon1] van Airgas hield op zijn beurt [persoon3] en [persoon4] van Bechtel hiervan op de hoogte. In een later stadium, vlak voordat de vervoerovereenkomst is gesloten, onderhield Bechtel zelf rechtstreeks contact met Joss en deze partijen sloten uiteindelijk samen de vervoerovereenkomst. Bechtel regelde dus het vervoer en haar expediteur SDV liet Bechtel als afzender op het cognossement vermelden. Airgas noemt in dit verband nog CSA als agent van UAL maar licht niet toe wat deze concreet zou hebben gedaan. Airgas legt ook een e-mail van 12 april 2011 waarin Joss aan Armour van Bechtel schrijft, onder vermelding van ‘Booking number: 65662’, de ‘UAL Congo V.753’ (‘ETS Houston 5/15’) te kunnen nomineren. Joss vraagt ook om ‘Full invoicing details for Bechtel/Angola LNG’. Airgas betaalde de vrachtfactuur van DCS en belastte deze door aan Bechtel.

4.10.

Hoewel UAL nog niet op de laatste stukken en stellingen van Airgas heeft kunnen reageren, stroken deze op hoofdlijnen met hetgeen UAL in haar conclusie van antwoord in het incident heeft weergegeven als visie van haar lokale agent.

Beide partijen geven immers aan dat de onderhandelingen over de vracht zijn gevoerd door enerzijds (een agent of tussenpersoon van) UAL en anderzijds de (ook op het cognossement vermelde) expediteur DCS, die daarover contact hield met makelaar Joss, die weer rapporteerde aan Airgas, door wie Joss was ingeschakeld. Dat Joss zich mogelijk later (mede) is gaan richten naar instructies van Bechtel, de koper en (direct of indirect) beoogd ontvanger van de lading, is voor de identificatie van de partijen bij vervoerovereenkomst pas relevant als aan UAL duidelijk is gemaakt dat Joss voor en namens Bechtel ging optreden. Dit laatste is gesteld noch gebleken. Het was kennelijk via Joss en DCS dat uiteindelijk de boeking bij UAL tot stand kwam, en het was Airgas die in eerste instantie via DCS de vracht heeft voldaan.

Bij deze stand van zaken merkt de rechtbank Airgas aan als de partij die feitelijk als afzender met UAL als vervoerder heeft gecontracteerd. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het Amerikaanse recht aan dit oordeel in de weg staat.

4.11.

Dat zich mogelijk gaandeweg in de contractuele relatie tussen Airgas en Bechtel wijzigingen hebben voorgedaan, met name ten aanzien van de vraag wie het vervoer moest regelen en wie ter zake het risico droeg (van FCA naar DDU dan wel FCA plus), en dat daarmee mogelijk veranderingen gepaard gingen in de aansturing van Joss of in de wijze waarop partijen met elkaar afrekenden, gaat UAL als vervoerder in beginsel niet aan. Van bijzondere bijkomende omstandigheden die dit hier anders maken is niet gebleken.

4.12.

Overigens is denkbaar dat naar het daarop toepasselijke Amerikaanse recht allerhande vragen van vertegenwoordiging, lastgeving en opdracht kunnen worden opgeworpen, maar de standpunten van partijen geven de rechtbank geen aanleiding om zich daarin te verdiepen. Zij stellen bijvoorbeeld niet dat een van de genoemde hulppersonen in eigen naam heeft gecontracteerd dan wel zich onbevoegdelijk als hun vertegenwoordiger heeft gepresenteerd. Nu partijen een en ander in het midden laten, zal de rechtbank dat ook doen.

4.13.

De conclusie ten aanzien van Airgas is dat zij als afzender aan de vervoerovereenkomst en daarmee aan de in het cognossement neergelegde forumkeuze is gebonden. De vordering in het incident zal dus worden afgewezen.

4.14.

Airgas zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 452,00 voor salaris van de advocaat (tarief II, gemaximeerd tot 1 conclusie in het incident). Voor een veroordeling van ook Bechtel bestaat geen grond.

voorts in het door Bechtel aanhangig gemaakte incident

4.15.

Nadat Bechtel in haar incidentele conclusie houdende beroep op onbevoegdheid heeft betoogd en onderbouwd dat niet zij maar Airgas als afzender moet worden beschouwd, heeft UAL in haar incidentele conclusie van antwoord aangegeven dat zij, alles afwegende, concludeerde dat ook in haar visie Airgas haar contractuele wederpartij is geweest. Daarmee heeft zij, mede gelet op haar stelling dat ofwel Airgas ofwel Bechtel afzender is geweest, het standpunt laten varen dat Bechtel partij was bij de vervoerovereenkomst. Dit standpunt behoeft daarom geen beoordeling meer.

4.16.

UAL betoogt dat Bechtel aan de vervoerovereenkomst is gebonden omdat zij Airgas de vrije hand heeft gelaten om op zodanige termen te contracteren dat ook anderen dan Airgas zelf waren gebonden, namelijk via de merchant clause. Volgens UAL valt Bechtel onder de reikwijdte van de merchant clause omdat zij koper was van de lading, klant van afzender Airgas, en ook de receiver (want de lading was voor haar bestemd) en mogelijk de bill of lading holder of de owner of the goods. UAL stelt dat een redelijke uitleg van de clausule meebrengt dat onder owner ook de beoogde of toekomstig eigenaar moet worden begrepen. Volgens UAL rust op Bechtel een verzwaarde plicht om haar betwisting te motiveren, nu het houderschap van het cognossement en de eigendomspositie zich aan de waarneming van UAL onttrekken.

4.17.

Anders dan UAL lijkt te menen, kan Bechtel niet reeds aan een clausule in de vervoerovereenkomst tussen UAL en Airgas zijn gebonden omdat UAL en Airgas een bepaalde definitie van merchant zijn overeengekomen waaronder Bechtel mogelijk kan worden gebracht. Algemeen uitgangspunt van het contractenrecht - ook in de Verenigde Staten - is immers dat het bij contractuele verbintenissen gaat om verplichtingen die een partij vrijwillig op zich heeft genomen, en dat overeenkomsten in beginsel slechts gelden tussen partijen.

Indien UAL meent dat Bechtel als niet-contractspartij gebonden is aan een vervoerovereenkomst die niet door haarzelf is gesloten, dan is het eerst en vooral aan UAL om daarvoor een grondslag aan te voeren. Dat UAL en Airgas een ruime merchant clause zijn overeengekomen, is daarvoor niet voldoende.

4.18.

Naar het recht van de Verenigde Staten kan van derdenwerking van de vervoerovereenkomst ten nadele van een niet-contractspartij (hier: Bechtel) pas sprake zijn indien sprake is van expliciete of impliciete instemming met die gebondenheid door deze derde, dan wel op gerechtvaardigd vertrouwen op zodanige instemming door de partij (hier: UAL) die zijn overeenkomst aan de derde wil tegenwerpen.

Dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen - en daarop gebaseerde derdenwerking van een vervoerovereenkomst - is ten nadele van een ladingeigenaar aangenomen in de uitspraak van het Amerikaanse Supreme Court in de zaak Kirby (Norfolk Southern Railway Co. v. James N. Kirby Pty Ltd., 125. S. Ct. 385, 2004, AMC 2705 (2004), zoals besproken door R. Zwitser in De zaak Kirby en derdenwerking van contracten, WPNR 2009, 6784 en 6785 en in De contractueel betrokken eigenaar met een House Bill of Lading, TVR 2013, p. 33 e.v.). In die zaak werd het de spoorvervoerder toegestaan om (via de Himalaya clausule) de exoneraties in het cognossement tegen te werpen aan Kirby, die zelf geen partij was bij de vervoerovereenkomst die was gesloten tussen de zeevervoerder en de expediteur van Kirby. De beslissing werd gebaseerd op het feit dat Kirby als ladingeigenaar aan haar tussenpersoon (de expediteur, die overigens een house bill of lading had afgegeven) goederen had toevertrouwd om die te doen vervoeren.

4.19.

Dat Bechtel in deze zaak ten tijde van het sluiten van de vervoerovereenkomst is opgetreden als ladingeigenaar die de containers met ethyleen aan Airgas dan wel enige logistieke hulppersoon heeft toevertrouwd, en daardoor bij UAL het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat Bechtel instemde met de merchant clause en de daaraan verbonden gevolgen of met de jurisdictiebepaling, is niet gesteld en niet gebleken. Uit de stukken komt veeleer het beeld naar voren dat Airgas als afzender en toenmalig ladingeigenaar het vervoer heeft doen regelen. De stelling dat Bechtel aan Airgas de vrije hand heeft gelaten om te contracteren, wordt om deze reden verworpen.

Van expliciete of impliciete instemming met gebondenheid aan andermans vervoerovereenkomst als bedoeld in r.o. 4.18 is ook niet gebleken. Dat Bechtel op een later moment zodanige instemming deed blijken of deed vermoeden doordat zij als houder van het cognossement dit presenteerde om aflevering van de lading te verkrijgen dan wel aanspraak op schadevergoeding maakte, is niet gesteld of gebleken.

4.20.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat Bechtel niet via de merchant clause is gebonden aan de bepalingen van de vervoerovereenkomst, en dus evenmin aan het forumkeuzebeding neergelegd in het cognossement.

4.21.

Andere gronden voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter en bevoegdheid van deze rechtbank zijn niet aangevoerd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om bevoegdheid aan te nemen op grond van artikel 7 Rv, dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toedeelt ingeval deze - samengevat - rechtsmacht heeft jegens een andere gedaagde, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Immers, de contractuele vordering tegen Airgas als afzender, die ook de partij is die de containers heeft gevuld en ten vervoer heeft aangeboden, is niet zo nauw verwant met de vordering tegen Bechtel - welke vordering naar uit het voorgaande volgt niet op overeenkomst kan worden gebaseerd - dat een gezamenlijke behandeling daarvan uit doelmatigheidsoogpunt is gerechtvaardigd.

4.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vordering jegens Bechtel kennis te nemen.

4.23.

UAL zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 452,00 voor salaris van de advocaat (tarief II, gemaximeerd tot 1 conclusie in het incident). De gevorderde nakosten en de rente daarover zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

en voorts in de hoofdzaak tegen Bechtel

4.24.

Door de onbevoegdverklaring eindigt de hoofdzaak tussen UAL en Bechtel. UAL zal in de proceskosten van Bechtel in de hoofdzaak worden veroordeeld, nu UAL nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van Bechtel in de hoofdzaak worden begroot op € 589,-- voor griffierecht.

en voorts in de hoofdzaak tegen Airgas

4.25.

De rechtbank zal een verschijning van UAL en Airgas ter terechtzitting bevelen teneinde een schikking te beproeven en inlichtingen te verkrijgen.

4.26.

De rechtbank wenst ter zitting nader te worden voorgelicht over de navolgende onderwerpen:

  • -

    i) wat er inmiddels bekend is over de toedracht en de oorzaak van de brand en explosie in Luanda, waarbij van beide partijen wordt verwacht dat zij alle relevante stukken waarover zij op dit punt beschikken in het geding brengen,

  • -

    ii) hetgeen thans bekend is over de datum en de wijze waarop de containers met ethyleen zijn gevuld, over eventuele tussentijdse opslag van die containers, over de data en wijze waarop deze onder de hoede van UAL zijn gebracht, over de verwachtingen die toentertijd bestonden omtrent de periode dat de containers zonder afblazen zouden kunnen worden vervoerd, en over de vraag of deze verwachtingen redelijk waren en waarop deze waren gebaseerd,

  • -

    iii) de material safety data sheets van deze lading en de datum en wijze waarop deze aan UAL ter beschikking zijn gesteld,

  • -

    iv) de verdere informatie die door of namens Airgas aan UAL ter beschikking is gesteld over de aard van de aangeboden lading, en wanneer en hoe deze is verstrekt,

  • -

    v) informatie en stukken ter zake van het door of namens UAL weigeren van de tiende container omdat deze reeds voor verscheping ethyleen afblies, en wat en hoe daarover destijds tussen partijen of hun hulppersonen is gecommuniceerd,

  • -

    vi) de reactie van UAL op het door Airgas gevoerde verweer.

4.27.

Alle stukken waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen dienen uiterlijk vier weken vóór de zitting aan de rechtbank – Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972518 – en aan de wederpartij te worden toegezonden.

4.28.

In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

Iedere partij mag echter, indien zij dit wenst, haar standpunt voorafgaande aan de zitting kort op papier samenvatten (hooguit vier A4 bladzijden) en dit aan de wederpartij en de rechtbank toezenden, overeenkomstig r.o. 4.27,

4.29.

Ieder verder oordeel wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het door Airgas aanhangig gemaakte incident

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Airgas in de kosten van het incident, aan de zijde van UAL tot op heden begroot op € 452,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het door Bechtel aanhangig gemaakte incident en in de hoofdzaak tussen UAL en Bechtel

5.4.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

5.5.

veroordeelt UAL in de kosten van het incident en de hoofdzaak aan de zijde van Bechtel, tot op heden begroot op € 452,00 voor salaris advocaat in het incident en op € 589,00 voor griffierecht in de hoofdzaak,

5.6.

veroordeelt UAL, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Bechtel volledig aan deze proceskostenveroordeling voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.7.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak tussen UAL en Airgas

5.8.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125,

5.9.

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.10.

bepaalt dat beide partijen binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan de rechtbank Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972518 – om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de maanden oktober 2014 tot en met januari 2015,

5.11.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.

1885/1573