Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7052

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
ROT 14/1666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door verweerder naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende grond om aan te nemen dat eiseres opzet of grove schuld bij het ontstaan van de terugvordering kan worden verweten. De rechtbank acht eiseres nalatig maar niet in die mate dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Verweerder heeft ten onrechte eiseres een persoonlijke betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/1666

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te Rotterdam, eiseres,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: T.A. Woudenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres tot toekenning van een persoonlijke betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit afgewezen, maar eiseres wel uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat eiseres het terug te vorderen bedrag van € 14.872 in 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 620 voldoet. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2014. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door N. Mangnus.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Awir heeft de belanghebbende de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Op grond van artikel 31 van de Awir worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

1.2 Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awir stelt verweerder de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 40 mits hij voldoet aan door de verweerder nader te stellen voorwaarden.

Op grond van het derde lid eindigt een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 40 niet toelaat, kan verweerder, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 40 verlangen.

Op grond van het vierde lid kan verweerder op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat verweerder het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

Op grond van het zesde lid zijn de voorgaande leden niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

1.3. Verweerder voert voor de toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 het beleid neergelegd in de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad).

Op grond van artikel 79.8a van de Leidraad zijn de leden 1 tot en met 6 van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir niet van toepassing als het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet of grove schuld (artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir).

In aanvulling op dat zesde lid geldt het volgende. Voor een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner kan de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • -

    De belanghebbende verzoekt verweerder om zo’n regeling.

  • -

    De belanghebbende of diens partner maakt aannemelijk dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte geïnde voorschot, belichaamd in de toeslagschuld.

  • -

    De regeling leidt tot betaling van de volledige schuld binnen 24 maanden.

Als het mogelijk is om een regeling van korter dan 24 maanden te treffen, moet die kortere regeling worden overeengekomen, afhankelijk van de betalingscapaciteit.

Een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner en waarvoor geen betalingsregeling overeengekomen kan worden, moet geheel worden ingevorderd. Als belanghebbende of diens partner aannemelijk maakt dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte ontvangen voorschot, belichaamd in de toeslagschuld, houdt de Belastingdienst/Toeslagen, op verzoek, bij de verrekening van een voorschot met die toeslagschuld, er rekening mee dat belanghebbende een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dat overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet.

1.4. Op grond van paragraaf 2, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: het Besluit) is grove schuld een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

Op grond van het tweede lid is opzet het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan.

2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van eiseres zodat geen aanleiding bestaat om een standaardbetalingsregeling of persoonlijke betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit toe te kennen. Eiseres had namelijk in 2013 geen recht op kinderopvangtoeslag voor haar dochter[dochter] en heeft zelf ook aangegeven de kinderopvangtoeslag te willen stopzetten. Eiseres had dus redelijkerwijs kunnen weten dat zij de uitbetaalde kinderopvangtoeslag diende terug te betalen. Eiseres heeft echter de teveel betaalde kinderopvangtoeslag niet gereserveerd maar besteed aan andere doeleinden. De in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir opgenomen regels over uitstel van betaling zijn dan ook op eiseres niet van toepassing. Bij een terugvordering die te wijten is aan opzet of grove schuld van de belanghebbende kan volgens de Leidraad alleen een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden worden toegestaan, wat in dit geval inhoudt dat eiseres maandelijks een bedrag van € 620 dient te voldoen, waarbij de uiterste betaaldatum voor de eerste termijn is bepaald op 30 maart 2014.

3.

Eiseres voert aan dat geen sprake is van opzet of grove schuld aan haar zijde. Eiseres heeft verweerder meerdere keren verzocht de kinderopvangtoeslag voor haar dochter [dochter] stop te zetten, voor het eerst op 25 juli 2012. Toen heeft eiseres doorgegeven dat de kinderopvangtoeslag per 15 december 2012 moest worden stopgezet. Vervolgens heeft eiseres op 27 september 2012 een wijziging van de locatie van de kinderopvang doorgegeven maar daardoor is per abuis de toeslag voor dochter [dochter] niet per

15 december 2012 stopgezet. Toen eiseres in november 2013 dit ontdekte heeft zij op

15 november 2013 nogmaals doorgegeven dat de toeslag moest worden stopgezet. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 21 januari 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:4830) in een soortgelijke situatie geoordeeld dat mislukte pogingen om de kinderopvangtoeslag stop te zetten niet kunnen worden aangemerkt als opzet of grove schuld. Voorts voert eiseres aan dat zij het door verweerder vastgestelde maandbedrag van € 620 niet kan voldoen, omdat zij dan gezien haar inkomsten en vaste lasten maandelijks slechts een bedrag van € 170 overhoudt om te voorzien in het levensonderhoud van haarzelf en haar vier kinderen. Eiseres stelt dat er een betalingsregeling naar draagkracht dient te worden getroffen en verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 17 april 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2804).

4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat eiseres in 2013 teveel kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, omdat een van de kinderen van eiseres geen kinderopvang heeft genoten maar eiseres daar wel kinderopvangtoeslag voor heeft ontvangen en dat eiseres de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag dient terug te betalen. In geschil is of verweerder heeft mogen concluderen dat sprake is van opzet of grove schuld en op basis daarvan een persoonlijke betalingsregeling aan eiseres heeft mogen weigeren.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door verweerder naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende grond om aan te nemen dat eiseres opzet of grove schuld bij het ontstaan van de terugvordering kan worden verweten. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eiseres op 25 juli 2012 aan verweerder heeft doorgegeven dat de kinderopvangtoeslag voor dochter [dochter] per 15 december 2012 moest worden stopgezet en derhalve de intentie heeft gehad om de kinderopvangtoeslag tijdig stop te zetten. Doordat eiseres vervolgens op 27 september 2012 een nieuwe wijziging heeft doorgegeven betreffende de locatie van de kinderopvang is de vorige wijziging tot stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor [dochter] ongedaan gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres niet worden verweten dat zij op het moment van het doorgeven van de wijziging van 27 september 2012 had moeten beseffen dat dit de eerder doorgegeven stopzetting ongedaan zou maken. Wel had eiseres uit de nadien ontvangen voorschotbeschikkingen van 28 december 2012, 22 januari 2013 en 21 maart 2013 alsmede de te hoge maandelijkse voorschotbetalingen, kunnen afleiden dat zij toch nog kinderopvangtoeslag ontving voor haar dochter [dochter] en niet alleen voor haar dochter [dochter 2]. Dat eiseres na ontvangst van de voorschotbeschikkingen niet direct actie heeft ondernomen maar eerst in het informatieformulier van 31 oktober 2013 nogmaals heeft doorgegeven dat dochter[dochter] niet meer naar de kinderopvang ging en vervolgens op 15 november 2013 nogmaals de stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor [dochter] heeft doorgegeven, acht de rechtbank nalatig van eiseres maar niet in die mate dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Nu naar het oordeel van de rechtbank verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van eiseres in het ontstaan van de terugvordering, heeft verweerder ten onrechte eiseres een persoonlijke betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit geweigerd.

5.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzitter, en mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. C. Vogtschmidt, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.