Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7050

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C/10/433360 / HA ZA 13-964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op een huis waarop een leveringsbeslag ligt, wordt, voordat op de vordering tot levering is beslist en voordat tot levering kan worden overgegaan, verhaalsbeslag gelegd door een derde partij. Deze derde partij verkrijgt een executoriale titel voordat de partij die het leveringsbeslag legde een executoriale titel krijgt. Bovendien krijgt hij op de voet van artikel 513 lid 2 Rv het recht de executie over te nemen. De verhouding tussen beide beslagen. Ingevolge art. 736 lid 2 Rv geldt een conservatoir leveringsbeslag zo nodig tevens als een conservatoir verhaalsbeslag voor de vordering tot vervangende schadevergoeding wegens uitblijven van afgifte of levering. Comparitie van partijen met het oog op de consequenties van dit vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/433360 / HA ZA 13-964

Vonnis van 30 juli 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.P. van Rossum,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AS&A VASTGOED B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VASTCO MAKELAARDIJ B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

advocaat mr. N. Roodenburg,

en

[eiseres],

wonende te Rotterdam,

advocaat mr. K. Both,

eiseres in de tussenkomst,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AS&A VASTGOED B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VASTCO MAKELAARDIJ B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

advocaat mr. N. Roodenburg,

verweersters in de tussenkomst.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser], AS&A c.s. en [eiseres] genoemd worden.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Bij dagvaarding in kort geding van 2 augustus 2013 heeft [eiser] gevorderd

bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden te gelasten de voorgenomen executieveiling op 21 augustus 2013 om 13.30 uur van het pand met erf te [adres], kadastraal bekend gemeente Charlois, sectie G, nummer: 4823, 76 centiare, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 5000 per dag (c.a.), met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

1.2.

Bij vonnis in kort geding van 20 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter [eiseres] toegelaten als tussenkomende partij in de hoofdprocedure.

1.3.

Voorts heeft de voorzieningenrechter (voor zover van belang) AS&A en de notaris gelast de veiling van het onroerend goed aan de [adres] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden totdat door de rechtbank op de voet van artikel 438 lid 3 Rv. is beslist en heeft hij voorts de zaak voor zover het het geschil betreft tussen [eiser], AS&A c.s. en [eiseres], voor verdere behandeling door de rechtbank verwezen naar de rolzitting.

1.4.

[eiser] heeft een conclusie van eis en vermeerdering van eis genomen en daarbij producties overgelegd. Tevens heeft hij zijn eis vermeerderd aldus:

Bij vonnis, voor zoveel en zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat AS&A c.s. geen recht hebben om het pand [adres] te executeren en/of executoriaal beslag van AS&A c.s. op het pand op te heffen, althans hen te gebieden de executie van het pand te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 100.000 bij overtreding van dat verbod met ingang van 24 uur na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis met veroordeling van AS&A c.s.in de kosten van deze procedure en de kortgedingprocedure daaronder begrepen de kosten van de advocaat van [eiser].

1.5.

AS&A c.s. hebben een conclusie van antwoord met producties genomen.

1.6.

[eiseres] heeft niet verder geconcludeerd.

1.7.

Bij vonnis van 9 april 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, deze is gehouden op 16 juni 2014. Het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.8.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 15 augustus 2005 is door [eiser] ten laste van [eiseres] conservatoir leveringsbeslag gelegd op onder meer het pand aan de [adres]. Dat beslag is op 15 augustus 2005 om 14:54 uur ingeschreven in de openbare registers. Grondslag voor dat beslag was de stelling van [eiser] dat [eiseres] de panden [adres 1 en 2] op enig moment aan hem had verkocht maar toen niet kon leveren omdat ze onder conservatoir beslag lagen.

2.2.

Bij dagvaarding van 20 december 2005 heeft [eiseres] de opheffing van de door [eiser] gelegde beslagen gevorderd. Die vordering is bij vonnis in kort geding van 16 januari 2006 afgewezen.

2.3.

Op 15 januari 2009 is door AS&A c.s. conservatoir beslag gelegd op het pand [adres]. In het kader van de daaropvolgende civiele procedure tussen AS&A c.s. en [eiseres] is bij gelegenheid van een comparitie van partijen op 7 augustus 2009 een schikking getroffen die is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van partijen. De schikking behelst onder meer betaling door [eiseres] aan AS&A c.s. van een zeker bedrag. Het proces-verbaal van 7 augustus 2009 is op 31 augustus 2010 aan [eiseres] betekend.

2.4.

Bij verzoekschrift van 26 september 2011 hebben AS&A c.s., de rechtbank verzocht te bepalen dat zij ex artikel 513 lid 2 Rv de executie kunnen overnemen van vier met name genoemde beslagleggers, onder wie [eiser]. Bij beschikking van 18 december 2012 is dat verzoek toegewezen. In de desbetreffende beschikking heeft de rechtbank overwogen:

“De voorzieningenrechter constateert ter zitting, dat de belanghebbenden voor de mondelinge behandeling van 9 november 2012 door de rechtbank niet zijn opgeroepen. Naar aanleiding hiervan is er een brief verstuurd naar de belanghebbenden met het verzoek om de eventuele bezwaren kenbaar te maken. Nu de eerdere beslagleggers en de verweerster geen bezwaar hebben gemaakt tegen het verzoek, zal de voorzieningenrechter het verzoek, nu voldoende is gebleken van een situatie als bedoeld in artikel 513 lid 2 onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, toewijzen.”

2.5.

[eiser] heeft een rechtsvordering tot levering van het pand [adres] tegen [eiseres] ingesteld. Deze vordering is aanvankelijk bij vonnis van de rechtbank Rotterdam afgewezen. In appel heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 11 juni 2013, voor zover hier relevant, als volgt beslist:

“(..) stelt vast dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de panden [adres2] en [adres] (Charlois);

veroordeelt [eiseres] ten aanzien van het pand aan de [adres] mee te werken aan het opmaken van de notariële transportakte en de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde registers;

bepaalt, voor het geval [eiseres] weigert daaraan mee te werken, dat dit arrest in de plaats treedt van een tot levering van het registergoed aan de [adres] bestemde akte;

bepaalt dat dit arrest eerst na verloop van 14 dagen na betekening van dit arrest aan [eiseres], in de openbare registers zal kunnen worden ingeschreven;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.”

2.6.

Dit arrest is op 8 juli 2013 aan [eiseres] betekend, met bevel onder meer om mee te werken aan het opmaken van de notariële transportakte en de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde registers, met aanzegging dat bij niet voldoening aan dit bevel [eiser] zal doen overgaan tot tenuitvoerlegging van de titel door onder meer inbeslagneming en openbare verkoop.

2.7.

Ter inning van hun vordering op [eiseres] (deze bedraagt volgens AS&A c.s. thans circa € 50.000, - ) hebben AS&A c.s. notaris Kooi opdracht gegeven de woning aan de Narcissenstraat 64 te Rotterdam openbaar te verkopen. De openbare veiling/verkoop van deze woning was gepland op 21 augustus 2013.

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van deze feiten heeft [eiser] gevorderd zoals hiervoor onder 1.1 en 1.4. is weergegeven. Hij heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat hem de eigendom van het pand aan de Narcissenstraat 64 toekomt. Hij stelt dat hij de huizen aan de [adres 1 en 2] in 2003 van [eiseres] heeft gekocht. Op dat moment was deze nog verwikkeld in een procedure over de eigendom van de panden. Tussen [eiser] en [eiseres] is overeengekomen dat [eiser] [eiseres] € 50.000 voor de panden betaalde en dat [eiseres] daartegenover, als zij de procedure over de eigendom van de genoemde panden zou winnen, de panden zou leveren. [eiseres] heeft de procedure over de eigendom van de panden gewonnen, doch heeft nagelaten de panden in eigendom aan [eiser] te leveren. Daarom is hij een procedure gestart tegen [eiseres], die is geëindigd met het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 juni 2003, waarbij zijn vordering is toegewezen (zie hiervoor onder 2.5).Thans ziet [eiser] zich geconfronteerd met de veiling van zijn pand [adres] omdat [eiseres] de vordering die AS&A c.s. op haar pretenderen niet zou hebben betaald. Volgens [eiser] is dit een poging van [eiseres] om hem op te lichten, dit keer in samenwerking met AS&A c.s.. [eiser] voert verder aan, dat op het pand sinds 15 augustus 2005 conservatoir beslag tot levering rustte en dat dit blijkens het proces-verbaal ten tijde van het aangaan van de schikking bekend was. Het valt AS&A c.s. aan te rekenen als zij zich in dergelijke zaken begeven zonder het kadaster te raadplegen en zonder met (in casu) [eiser] in overleg te treden. [eiser] heeft ten slotte aangevoerd, dat gedaagde AS&A Vastgoed B.V. in haar hele bestaan sinds 2006 nog geen jaarstukken heeft gedeponeerd en dat gedaagde Vastco Makelaardij B.V. daarmee jaren achterloopt en er financieel slecht voor staat voor zover dat uit de wel gedeponeerde stukken blijkt. [eiser] verzoekt geen voor hem nadelig vonnis te wijzen dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, gezien het manifeste restitutierisico.

3.2.

[eiseres] heeft in de tussenkomst -verkort weergegeven- gevorderd AS&A c.s. te verbieden om tot executoriale verkoop van de woning aan de Narcissenstraat 64 A over te gaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 180.000. Aan die vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat het proces-verbaal van 7 augustus 2009 waarin de schikking is vastgelegd niet aan haar is betekend. Tenuitvoerlegging is gelet op het bepaalde in artikel 430 lid 3 Rv. dan ook volgens haar niet aan de orde. [eiseres] heeft ook aangevoerd dat zij niet op de hoogte is gesteld van de procedure die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank van 18 december 2012, waarbij aan AS&A c.s. is toegestaan de executie ter hand te nemen. Pas op 13 augustus 2013 is [eiseres] bekend geworden met die beschikking. In strijd met artikel 513 lid 4 Rv is niet bij exploot aan [eiseres] aangezegd dat AS&A c.s. de executie zou overnemen, aldus [eiseres]. Voor de veiling ontbreekt volgens [eiseres] dan ook elke rechtsgrond. Voorts zal de verkoop volgens [eiseres] voor haar een noodtoestand doen ontstaan, aangezien zij met haar twee minderjarige dochters, met wie ze in de woning woont, op straat zou komen te staan. AS&A c.s. maakt misbruik van recht door thans, na jaren van stilzitten, haar vordering op [eiseres] te innen door middel van een op zeer korte termijn geplande veilingverkoop. Tot zover de stellingen van [eiseres].

3.3.

AS&A c.s. hebben voor zover van belang het volgende tegen de vordering van [eiser] ingebracht:

- Zij hebben een executoriale titel verkregen jegens [eiseres], de eigenaresse van het litigieuze pand. Ze hebben notaris Kooi verzocht over te gaan tot executie. Deze heeft hun te kennen gegeven dat zij een procedure-ex artikel 513 lid 2 Rv moesten volgen om zo de executie te kunnen leiden/overnemen. Dat is gebeurd. [eiser] is opgeroepen maar niet verschenen. Een jaar later is de beschikking afgegeven en is de executie gestart. Toen heeft [eiser] opeens een kort geding gestart. De procedures die [eiser] tegen [eiseres] heeft gevoerd regarderen AS&A c.s. niet. Door in de procedure ex artikel 513 lid 2 niet te reageren heeft [eiser] zijn recht verwerkt. De beschikking ex artikel 513 lid 2 Rv bezit ‘formele rechtskracht’ die niet kan worden aangetast. Het arrest van 11 juni 2013 is van latere datum dan deze beschikking en kan die beschikking niet opzij zetten, omdat [eiser] toen niet heeft gereageerd.

- Dat het hof na de beschikking ex artikel 513 lid 2 Rv over de eigendom van de onroerende zaak heeft geoordeeld maakt niet uit. Er kan niet ‘ex tunc’ worden geoordeeld, er is dan geen rechtszekerheid. Het gaat in deze procedure niet om samenlopende beslagen, zoals dat is aangenomen in het kortgedingvonnis van 20 augustus 2013. Op het moment van het behandelen van het verzoek ex artikel 513 lid 2 Rv was er sprake van botsende beslagen, nu AS&A executoriaal beslag tot verhaal had gelegd en [eiser] conservatoir beslag tot levering. Door in de procedure niet te reageren op de wijze die de wetgever voor ogen heeft gehad heeft [eiser] zijn recht verwerkt.

-[eiser] heeft overigens nagelaten om de koopovereenkomst in te schrijven in het kadaster. Het enige wat hij heeft gedaan is het laten inschrijven van het conservatoir beslag tot levering en daarna heeft hij vele jaren geprocedeerd. Vanwege die inschrijving is hij door de rechtbank opgeroepen in de procedure ex artikel 513 lid 2 Rv en is toen niet verschenen. De rechtszekerheid gebiedt dat het aan AS&A in de procedure toegekende recht tot overnemen van de executie nu prevaleert boven het later verkregen recht van [eiser]. Hem resteert nu een vordering tot vervangende schadevergoeding op [eiseres]. Mocht er na de executie door AS&A nog geld overschieten, dan kan [eiser] zijn vordering tot vergoeding van schade op [eiseres] daarmee beginnen uit te winnen. Tot zover de stellingen van AS&A c.s.

4 De beoordeling

De vordering van [eiser]

4.1.

Het conservatoir leveringsbeslag van [eiser] dateert van 2005. Ingevolge de betekening van het arrest van 11 juni 2013 bij exploot van 8 juli 2013 is dat conservatoir beslag van 2005 overgegaan in een executoriaal beslag. Dat betekent, dat het arrest van het hof van 11 juni 2013 een executoriale titel oplevert tot levering van het pand.

4.2.

Ingevolge artikel 736 lid 2 Rv geldt een conservatoir leveringsbeslag zo nodig tevens als een conservatoir verhaalsbeslag voor de vordering tot vervangende schadevergoeding wegens uitblijven van afgifte of levering.

4.3.

In beginsel zal de schuldeiser met de sterkste positie in het gelijk worden gesteld. Dat lijkt [eiser] te zijn. [eiseres] dient immers aan hem te leveren. Zij kan de onroerende zaak echter niet, althans niet onbezwaard leveren. Het beslag van AS&A c.s. zal daarop blijven rusten en zij zullen de onroerende zaak dan ook alsnog kunnen uitwinnen.

Dat betekent, dat [eiser] genoegen zal moeten nemen met een vordering tot schadevergoeding, die hij samen met AS&A c.s. kan verhalen op de opbrengst van de openbare verkoping van de onroerende zaak.

4.4.

Anders dan AS&A c.s. menen is het niet zo dat [eiser], door de enkele omstandigheid dat hij zich niet heeft gemeld voor de behandeling van het verzoek ex artikel 513 lid 2 Rv, zijn recht heeft verwerkt en dat hij zijn vordering tot schadevergoeding slechts op de opbrengst van de openbare verkoop kan verhalen als er na de executie door AS&A c.s. nog geld overschiet. Als het gaat om verhaal van geldvorderingen die de onderscheiden partijen op [eiseres] hebben komt het aan op een verdeling naar evenredigheid van ieders vordering (artikel 3:277 BW). Het is niet zo dat de andere beslagleggers hun rechten op meedelen in de opbrengst van de executoriale verkoop verliezen. Het enkele feit, dat AS&A c.s. ingevolge de beschikking ex artikel 513 lid 2 Rv de executie mogen overnemen maakt dat niet anders.

De tussenkomst door [eiseres]

4.5.

Doordat zich ter rolle voor [eiseres] geen advocaat had gesteld, is zij niet genoemd in het vonnis van 9 april 2014 waarbij de comparitie van partijen van 16 juni 2014 werd bepaald en is zij daar ook niet voor opgeroepen, ten onrechte aangezien zij wel als verschenen geldt, omdat zij bij de voorzieningenrechter is verschenen.

4.6.

De stelling van [eiseres] dat het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 augustus 2009 niet aan haar is betekend, is blijkens de stukken niet juist. Dat exploot is in kopie gevoegd bij productie D bij conclusie van antwoord van 19 maart 2014. Blijkens dat exploot is het bewuste proces-verbaal op 31 augustus 201 (niet in persoon) aan de woonplaats van [eiseres], [adres3] betekend.

Door [eiseres] is echter onder meer ook aangevoerd, dat de overneming door AS&A c.s. niet aan haar is betekend. Ingevolge artikel 431 Rv kan, in het geval de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriaal de titel op een ander overgaat, de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde, in dit geval [eiseres]. Artikel 513 lid 4 Rv bepaalt (ten overvloede) dat bij toepassing van het tweede lid de overneming bij exploot aan de geëxecuteerde wordt aangezegd. Uit de stukken blijkt niet dat die betekening metterdaad heeft plaatsgevonden.

Comparitie van partijen

4.7.

Dit een en ander overwogen hebbende ziet de rechtbank aanleiding een comparitie van partijen te bepalen om met partijen de consequenties van het voorgaande te bespreken en om te bezien of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. Van AS&A wordt in ieder geval ook verwacht dat zij zich uitlaat over de noodzakelijke betekening ex artikel 513 lid 4 Rv.

4.7.

Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. P.H. Veling in het Gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125 op 3 september 2014 om 10.30 uur,

5.2.

bepaalt dat de partijen dan moeten in persoon c.q. vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.3.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de maanden september, oktober en november 2014,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Veling en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.

53/2085