Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7049

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C/10/420793 / HA ZA 13-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IPR. Toepasselijk recht. Zeelieden. Verhouding wilsgebreken en recht op collectieve actie.

Vakbondsactie (ITF) in Zweden om ten behoeve van Filippijnse zeelieden aan boord van Liberiaans schip betere arbeidsvoorwaarden te bedingen. Vervolgens worden tussen werkgevers en bemanning weer nieuwe overeenkomsten gesloten. Over en weer beroep op wilsgebreken (misbruik van omstandigheden door Zweedse vakbond respectievelijk bedreiging met de zwarte lijst). Vaststelling van toepasselijk recht op overeenkomsten aan de hand van art. 8 Rome I-Vo. Catalogus gezichtspunten conform HvJ EU-uitspraken Koelsch en Voogsgeerd.

De in Zweden afgedwongen overeenkomsten zijn alleen vernietigbaar op grond van wilsgebreken indien deze actie naar Zweeds recht onrechtmatig was. Art. 9 Rome II-Vo. Art. 6 lid 4 ESH (Europees Sociaal Handvest). Inlichtingen over reikwijdte Zweeds arbeidsrecht en over in Zweden geldende ‘spelregels’ bij collectieve actie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/222 met annotatie van mr. dr. E.J.A. Franssen
AR 2014/593
NJF 2014/427
JAR 2014/222 met annotatie van mr. dr. E.J.A. Franssen

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/420793 / HA ZA 13-321

Vonnis van 23 juli 2014

in de zaak van

1 [eiser1],

wonende te [woonplaats1],

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats2],

3. [eiser3],

wonende te [woonplaats3],

4. [eiser4],

wonende te [woonplaats4],

eisers,

advocaat mr. K. Boele,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van vestiging

OCEANIC CHRISTIANE LTD,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

2. de vennootschap naar het recht van vestiging

INTERORIENT MARITIME ENT. INC.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

gedaagden,

advocaat mr. H.W. ten Katen.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] en afzonderlijk [eiser1], [eiser2], [eiser3] respectievelijk [eiser4] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk Oceanic Christiane c.s. en afzonderlijk Oceanic Christiane respectievelijk Interorient Maritime worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juni 2013 en de daaraan ten grondslag liggende stukken,

  • -

    de ten behoeve van de comparitie toegezonden producties 15 en 16 van [eisers],

  • -

    de bij brieven van 22 augustus 2013 verzonden zittingsagenda van de rechtbank,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 september 2013, en de daaraan gehechte reactie van mr. Boele van 12 september 2013,

  • -

    de akte houdende (a) wijziging van eis, (b) reactie eisers op verweer gedaagden, (c) opmerkingen toepasselijk recht, (d) aanvulling bewijsaanbod van [eisers], met producties,

  • -

    de antwoordakte van Oceanic Christiane c.s., met producties, inclusief de per fax van 13 november 2013 nagezonden productie 18.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser1], [eiser2], [eiser3] en [eiser4] zijn Filippijnse zeelieden die aan boord van het m.s. Ocean Trader (hierna: het schip) hebben gewerkt. Oceanic Christiane is de reder van het schip. Interorient Maritime is haar manning agent en onder meer actief op de Filippijnen. Zowel Oceanic Christiane als Interorient Maritime is gevestigd te Liberia. Het schip vaart onder Liberiaanse vlag.

2.2.

In 2012 zijn arbeidsovereenkomsten tussen [eisers] enerzijds en Oceanic Christiane en Interorient Maritime anderzijds gesloten conform het model van de Filippijnse overheidsinstantie POEA (Philippine Overseas Employment Administration). In deze overeenkomsten (hierna: de eerste POEA-overeenkomsten) is een rechtskeuze voor het Filippijnse recht opgenomen.

2.3.

Op vrijdag 9 november 2012, nadat het schip was gearriveerd in Luleå, Zweden, heeft de Zweedse (ITF-gerelateerde) vakbond SEKO op verzoek van anoniem gebleven bemanningsleden een collectieve actie afgeroepen waardoor het schip zou worden geblokkeerd.

2.4.

Op 11 november 2012 hebben de kapitein en de officieren van het schip (waaronder eisers [eiser1] en [eiser2]) een verklaring ‘to whom it may concern’ afgelegd, die erop neerkwam dat de kapitein onder protest een ‘Special Agreement’ en ITF-arbeidsovereenkomsten zou ondertekenen.

2.5.

Op zondagavond 11 november 2012 heeft SEKO met Oceanic Christiane een Special Agreement afgesloten, waarin Oceanic Christiane zich met ingang van 8 november 2012 verbond om de bemanning te belonen conform de ITF Standard Collective Agreement. De Special Agreement bevat een rechtskeuze voor Zweeds recht.

2.6.

Op 12 november 2012 zijn nieuwe arbeidsovereenkomsten tussen de bemanning en Oceanic Christiane ondertekend conform de ITF Standard Collective Agreement, met als ingangsdatum 8 november 2012. Hierdoor verkregen vooral de bemanningsleden met lagere rangen een hogere gage dan onder de eerste POEA-arbeidsovereenkomsten. Deze nieuwe overeenkomsten (hierna: de ITF-overeenkomsten) bevatten geen forumkeuze.

2.7.

Nadat het schip Zweden had verlaten hebben de kapitein en bemanning op 14 november 2012 een verklaring ‘to whom it may concern’ afgelegd waarin zij tegen inmenging van de vakbond protesteerden en verklaarden dat zij de ITF-overeenkomsten als nietig, per direct beëindigd en niet-bestaand beschouwden. Ook verzochten zij aan ‘our manning agents and employers’ om nieuwe overeenkomsten conform de eerdere documenten.

2.8.

Op 15 november 2012 heeft de kapitein, mede namens bemanning, aan onder andere ITF-Zweden (SEKO) een e-mail verzonden met een soortgelijk protest, en een verklaring dat de Special Agreement getekend op 11 november 2012 werd ‘terminated and set aside’ en werd beschouwd als ‘null and void and (...) never concluded’.

2.9.

Op 16 november 2012 zijn in Griekse wateren nieuwe arbeidsovereenkomsten getekend op dezelfde POEA-condities als voorheen (hierna: de nieuwe POEA-overeenkomsten).

2.10.

Op 14 februari 2013 is op verzoek van [eisers] te Rotterdam beslag op het schip gelegd.

2.11.

Op 18 februari 2013 heeft Oceanic Christiane c.s. een bedrag in escrow gestort, waarna het beslag is opgeheven. De escrowovereenkomst bevat een forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert na wijziging van eis samengevat - hoofdelijke veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Oceanic Christiane c.s. tot betaling - binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis - van:

I. USD 6.987,35 aan [eiser1], USD 18.700,05 aan [eiser2], USD 9.309,98 aan [eiser3] en USD 7.188,23 aan [eiser4], ter zake van verschuldigde gages c.a.;

II. € 305,59 voor verschotten en € 1.870,37 voor salaris advocaat ter zake van het gelegde conservatoire beslag, aan [eisers],

III. € 13.000,-- ter zake van verdere kosten gemaakt om een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen, aan [eisers],

alle bedragen te vermeerderen met de rente verschuldigd naar Grieks recht, althans het op de arbeidsovereenkomsten toepasselijke recht, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening, vermeerderd met de proceskosten en de wettelijke rente over de kosten voor zover deze niet worden voldaan binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, met begroting van het nasalaris op € 131,--, te verhogen met € 68,-- indien Oceanic Christiane c.s. niet binnen twee dagen aan het vonnis voldoet en betekening van het vonnis plaatsvindt.

3.2.

[eisers] vordert hoofdelijke veroordeling van reder Oceanic Christiane en manning agent Interorient Maritime, beide als werkgevers, om achterstallige gages en ontbindings/beëindigingsvergoedingen te betalen plus beslagkosten en (buiten)gerechtelijke kosten, alles vermeerderd met rente.

De vordering strekt primair tot nakoming van de ITF-overeenkomsten en, wat de kosten betreft, tot schadevergoeding op grond van niet-nakoming van deze overeenkomsten.

Subsidiair strekt de vordering tot nakoming van de verbintenis neergelegd in de Special Agreement om ITF-conforme arbeidsovereenkomsten aan te bieden, welke verbintenis volgens [eisers] naar het toepasselijke Zweedse recht als een rechtstreeks inroepbaar derdenbeding te zijnen gunste heeft te gelden.

3.3.

Oceanic Christiane c.s. concludeert tot afwijzing, hoofdzakelijk op de grond dat aan de ITF-overeenkomsten geen rechtsgevolg toekomt. Deze zijn niet rechtsgeldig tot stand gekomen omdat daarover geen wilsovereenstemming bestond. Als ze al zijn tot stand gekomen dan was dat onder invloed van dwang en misbruik van omstandigheden, nu SEKO onrechtmatige en onaanvaardbaar grote economische druk heeft uitgeoefend om deze contracten af te dwingen. Op grond van deze wilsgebreken zijn de overeenkomsten vernietigd. Bovendien zijn deze overeenkomsten vervallen door het vrijwillig sluiten van de nieuwe POEA-overeenkomsten. [eisers] heeft afstand gedaan van eventuele aanspraken uit hoofde van de ITF-overeenkomsten.

De Special Agreement bevat geen derdenbeding en dit is ook niet aanvaard. Deze overeenkomst is onder dwang gesloten en onder protest getekend, en vervolgens op 15 november 2012 vernietigd of ontbonden. Aldus Oceanic Christiane c.s.

3.4.

In reactie op het verweer betoogt [eisers] op verschillende gronden dat de nieuwe POEA-overeenkomsten ongeldig zijn.

[eisers] stelt dat deze overeenkomsten nietig zijn omdat zij ter ondertekening zijn aangeboden in strijd met het in artikel 35 ITF-overeenkomsten neergelegde verbod om afwijkende documenten dan wel slechtere arbeidsvoorwaarden aan te bieden.

[eisers] stelt voorts dat de overeenkomsten zijn gesloten zonder dat wilsovereenstemming bestond, en dat deze zijn afgedwongen onder invloed van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden. Ter onderbouwing voert [eisers] aan dat bij Kalamata in Griekenland de Griekse ‘zoon van de eigenaar’ aan boord kwam en dreigde met blacklisting (het op de zwarte lijst plaatsen van de bemanning) indien de overeenkomsten niet werden getekend. Aan de bemanning werd geen tijd gegund om zich te laten voorlichten en adviseren.

Ten slotte stelt [eisers] dat de nieuwe POEA-overeenkomsten in strijd zijn met de eisen van (in het bijzonder artikel 3 lid 2 sub b en c van) het Maritiem Arbeidsverdrag dat beoogt onderdrukking op zee te voorkomen, aangezien de overeenkomsten niet zo tijdig zijn aangeboden dat advies inwinnen mogelijk was, en geen kopieën of originelen ervan aan de bemanning zijn verschaft. Voor zover het Maritiem Arbeidsverdrag (nog) niet deel uitmaakte van het toepasselijk recht, dan was dit al gewoonterecht althans gelijk aan artikel 3 lid 1 ILO Conventie 22.

De klachten over de door SEKO uitgeoefende druk gaan de bemanning niet aan, Oceanic Christiane c.s. had actie moeten ondernemen jegens SEKO hetgeen zij heeft nagelaten, aldus [eisers]

3.5.

Vervolgens heeft Oceanic Christiane c.s. onder meer bestreden dat sprake is geweest van bedreiging of misbruik van omstandigheden, dat een zwarte lijst zou bestaan, en dat de nieuwe POEA-overeenkomsten niet verbindend zouden zijn.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Formele kwesties

4.1.

Het aanvankelijk gevoerde verweer van Oceanic Christiane c.s. met betrekking tot de bevoegdheid van mr. Boele om als procesvertegenwoordiger van [eisers] op te treden behoeft geen beoordeling meer, nu dit ter comparitie is ingetrokken.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de civiele rechter van deze rechtbank internationale rechtsmacht heeft en bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [eisers], op grond van de onder 2.11 bedoelde forumkeuze in de escrowovereenkomst. Aangezien is voldaan aan de voorwaarden neergelegd in artikel 108 lid 2 aanhef en onder a en b Rv komt aan deze forumkeuze werking toe, ook al betreft het geschil individuele arbeidsovereenkomsten.

4.3.

[eisers] heeft bij akte zijn eis gewijzigd. Oceanic Christiane c.s. heeft deze eiswijziging op zichzelf niet bestreden en de rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond om deze te weigeren. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de gewijzigde eis.

De verhouding tussen de verschillende overeenkomsten

4.4.

[eisers] grondt zijn vordering primair op de ITF-overeenkomsten.

Inmiddels staat vast dat alleen Oceanic Christiane als werkgever onder deze overeenkomsten heeft te gelden. Het aanvankelijke standpunt van [eisers] dat de kapitein ook namens Interorient Maritime handelde en deze bond, is niet onderbouwd en niet gehandhaafd.

Oceanic Christiane c.s. betwist niet dat de ITF-overeenkomsten zijn ondertekend maar beschouwt deze - onder meer - als vernietigbaar en vernietigd, op de grond dat de ondertekening ervan is afgedwongen door de collectieve actie in Luleå, die volgens haar onrechtmatig was. Oceanic Christiane c.s. stelt voorts dat de ITF-overeenkomsten zijn achterhaald doordat nadien de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn aangegaan.

4.5.

Dat de nieuwe POEA-overeenkomsten door partijen zijn gesloten is niet in geschil. Wel betwist [eisers] op zijn beurt de verbindendheid van deze overeenkomsten, onder meer op de grond dat deze zijn gesloten door de bemanning met ‘blacklisting’ te bedreigen althans door misbruik van omstandigheden te maken. Voorts stelt [eisers] dat deze overeenkomsten zijn gesloten in strijd met de vereisten neergelegd in het Maritiem Arbeidsverdrag dan wel ILO Conventie 22, en nietig zijn op grond van artikel 35 van het ITF Standard Collective Agreement.

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat een verbindende latere overeenkomst over enig onderwerp in beginsel in de plaats treedt van een eerdere overeenkomst over datzelfde onderwerp. Er zijn geen standpunten ingenomen die ertoe kunnen leiden dat dit beginsel in dit geval niet zou gelden.

Dit brengt mee dat de eerste POEA-overeenkomsten in beginsel zijn achterhaald door de ITF-overeenkomsten, en dat de ITF-overeenkomsten in beginsel zijn achterhaald door de nieuwe POEA-overeenkomsten.

Indien echter het beroep van [eisers] op onverbindendheid dan wel vernietiging van de nieuwe POEA-overeenkomsten slaagt, dan kan niet langer worden aangenomen dat de ITF-overeenkomsten door de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn achterhaald. In beginsel gelden dan tussen partijen nog de ITF-overeenkomsten.

Dit laatste is echter niet het geval indien ook het beroep van Oceanic Christiane c.s. op onverbindendheid dan wel vernietiging van de ITF-overeenkomsten slaagt. In dat geval gelden tussen partijen nog de eerste POEA-overeenkomsten.

De toepasselijke regels van internationaal privaatrecht

4.7.

Partijen verschillen van mening over de vraag naar welk recht de verbindendheid van de verschillende overeenkomsten moet worden beoordeeld.

Dat het antwoord op deze vraag moet worden gevonden door toepassing van de op dit geval toepasselijke Rome I Vo, is niet in geschil. Er zijn op dit geval geen regels van eenvormig privaatrecht van toepassing die boven de Rome I Vo moeten prevaleren. Reeds hier merkt de rechtbank op dat [eisers] geen rechten kan ontlenen aan het Maritiem Arbeidsverdrag, reeds omdat dit pas op 20 augustus 2013 in werking is getreden.

Uit artikel 10 Rome I Vo volgt dat de verbindendheid van overeenkomsten moet worden beoordeeld naar het recht dat van toepassing zou zijn indien deze overeenkomsten geldig zouden zijn. Ook partijen zijn het hierover eens. Zij zijn het echter niet eens over de voor de toepassing van de artikelen 3, 8 en mogelijk 9 Rome I Vo relevante feiten en over de daaruit voortvloeiende uitkomsten.

4.8.

Artikel 8 Rome I Vo geeft regels voor het recht dat van toepassing is op individuele arbeidsovereenkomsten, zoals die van [eisers] Als partijen een rechtskeuze hebben gedaan conform artikel 3 Rome I Vo, dan beheerst dit recht de overeenkomst. Dit staat in de eerste zin van lid 1 van artikel 8 Rome I Vo.

De tweede zin van deze bepaling brengt echter een beperking aan: het gekozen recht mag kort gezegd - geen afbreuk doen aan de bescherming die aan de werknemer toekomt als gevolg van niet bij overeenkomst te doorbreken regels van het recht dat zonder die rechtskeuze toepasselijk zou zijn. Welk recht dat is, volgt uit de leden 2, 3 en 4 van artikel 8 Rome I Vo.

Op de eerste plaats leent zich in dit verband voor toepassing het recht van het ‘gebruikelijke werkland’ (het land waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht als bedoeld in lid 2 van artikel 8 Rome I Vo). Indien dit recht kan worden vastgesteld, maar een ander land is blijkens alle omstandigheden van het geval kennelijk nauwer met de arbeidsovereenkomst verbonden, dan volgt uit lid 4 van artikel 8 Rome I Vo dat niet het recht van het ‘gebruikelijke werkland’ maar het recht van dit nauwst verbonden land van toepassing is.

Indien er geen recht van een ‘gebruikelijk werkland’ kan worden vastgesteld, dan wordt de arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. Dit staat in artikel 8 lid 3 Rome I Vo. Ook in dit geval geldt, dat dit recht moet wijken voor het recht van een ander land, indien uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met dit andere land. Dat staat in artikel 8 lid 4 Rome I Vo.

4.9.

Tegen deze achtergrond bezien zal de rechtbank vaststellen welk recht van toepassing is op de verschillende arbeidsovereenkomsten, in chronologische volgorde.

Het recht dat van toepassing is op de eerste POEA-overeenkomsten

4.10.

Al in de dagvaarding heeft [eisers] opgemerkt dat op de eerste POEA-overeenkomsten blijkens Section 31 van de op die overeenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden het Filippijnse recht van toepassing was. Oceanic Christiane c.s. heeft dit bij conclusie van antwoord erkend. De betreffende contractuele bepaling is overgelegd als deel van het procesdossier en voldoet aan de vereisten die artikel 3 lid 1 Rome I Vo, tweede zin, aan een geldige rechtskeuze stelt. Gelet op de regel gegeven in artikel 8 lid 1 eerste zin Rome I Vo worden de eerste POEA-overeenkomsten dus beheerst door het Filippijnse recht. Dat [eisers] later heeft aangevoerd dat op deze rechtskeuze in de algemene voorwaarden geen beroep kan worden gedaan, is onvoldoende gemotiveerd om tot een ander oordeel te leiden.

4.11.

De rechtskeuze voor het Filippijnse recht doet echter niet af aan de bescherming die aan [eisers] zou toekomen onder de dwingendrechtelijke bepalingen van het recht dat zonder die rechtskeuze zou gelden. Daarom moet met inachtneming van het geheel van relevante omstandigheden worden beoordeeld of het recht van een ‘gebruikelijk werkland’ kan worden vastgesteld, en zo ja, of er een ander land is dat kennelijk nauwer met de overeenkomst is verbonden, en zo nee, wat het recht is van samengevat - het land van indienstneming, en of er geen ander land is dat kennelijk nauwer dan laatstbedoeld land met de overeenkomst is verbonden. (Zie r.o. 4.8).

Indien het aldus vastgestelde (objectief toepasselijke) recht niet het recht van de Filippijnen is en voorts dwingendrechtelijke bepalingen ter bescherming van de werknemer bevat, dan gelden deze bepalingen ongeacht de rechtskeuze.

4.12.

Om deze regels te kunnen toepassen moeten de relevante omstandigheden van het geval worden vastgesteld. Als niet, niet langer of onvoldoende gemotiveerd betwist staat het volgende vast.

  • -

    a) [eiser1], [eiser2], [eiser3] en [eiser4] zijn oorspronkelijk voor arbeid aan boord van de ‘Ocean Trader’ geworven door Interorient Maritime, die daarbij als manning agent voor Oceanic Christiane optrad.

  • -

    b) Deze werving vond plaats vanuit de vestiging - het kantoor - van Interorient Maritime in Manilla op de Filippijnen.

  • -

    c) De eerste POEA-overeenkomsten, die zijn overgelegd als productie 4 bij dagvaarding, vermelden ook ‘Point of Hire PHILIPPINES’ en vermelden Manila als plaats van ondertekening.

  • -

    d) Deze contracten zijn opgesteld volgens door de toezichthoudende Filippijnse overheidsinstantie POEA opgestelde normen en achteraf door een POEA-vertegenwoordiger ondertekend.

  • -

    e) De ‘Ocean Trader’ is een onder Liberiaanse vlag varend zeeschip.

  • -

    f) Oceanic Christiane en Interorient Maritime zijn formeel in Liberia gevestigd.

  • -

    g) Op de eerste POEA-overeenkomsten zijn Oceanic Christiane en Interorient Maritime beide vermeld als werkgevers, waarbij achter Interorient Maritime staat vermeld ‘Liberia/ (Principal)’ en achter Oceanic Christiane ‘(Owner) Ag Konstantinou 17-19 & Agion Anargyron 152-24’ en als plaatsaanduiding is leesbaar ‘Maro’ (bij [eiser1]), ‘Marousi’ (bij [eiser2]), ‘Marousi Athen’ (bij [eiser3]) dan wel ‘Mar’(bij [eiser4]). Dit betreft een adres in Athene in Griekenland.

  • -

    h) Op dit Griekse adres houdt Oceanfleet Shipping Ltd. kantoor. Deze op de Marshall Eilanden gevestigde vennootschap trad op als ‘manager’ van het schip en gaf als zodanig instructies aan de kapitein.

  • -

    i) Uit hoofde van de eerste POEA-overeenkomsten is [eiser1] aan boord gekomen en begonnen met zijn werk op het schip in Iskenderun (Turkije), [eiser2] en [eiser4] in Fortaleza (Brazilië) en [eiser3] in Immingham (Engeland).

  • -

    j) Het schip voer niet in lijndienst maar op de wilde vaart.

  • -

    k) De bemanningsleden, die behoudens de kapitein allen de Filippijnse nationaliteit hadden, werden bij het aanvangen of staken van hun werk aan boord, en bij verlof, steeds op kosten van de werkgevers en in werktijd per schip of per vliegtuig vervoerd van het schip naar hun woonplaats in de Filippijnen of omgekeerd.

  • -

    l) Oceanfleet Shipping Ltd. stelde de ‘monthly accounts of wages’ op.

  • -

    m) De gages werden door de Filippijnse vestiging van Interorient Maritime betaald vanaf een bankrekening in Singapore, meestal naar bankrekeningen van de bemanningsleden in de Filippijnen.

4.13.

Gelet op al deze omstandigheden en op de criteria ontwikkeld in het arrest Koelzsch/Luxemburg (HvJ EU 15 maart 2011, C-29/10, vgl. ook HvJ EU 15 december 2011, C‑384/10 (Voogsgeerd/Navimer) en HvJ EU 12 september 2013, C-64/12 (Schlecker/Boedeker)), kan geen land worden vastgesteld waar of van waaruit [eiser1], [eiser2], [eiser3] en [eiser4] - ieder afzonderlijk bezien - gewoonlijk hun arbeid verrichten ter uitvoering van de overeenkomst. Zij werkten aan boord van een zeeschip op de wilde vaart, dat (dus) geen vaste routes voer en niet steeds vertrok uit en terugkeerde naar dezelfde haven of havens in een bepaald land. De rechtbank gaat er op grond van de stellingen van partijen en hetgeen haar ambtshalve bekend is over het werken aan boord van zeeschepen - van uit dat [eisers] aan boord van de kapitein instructies ontving over de te verrichten werkzaamheden, en niet rechtstreeks van de ‘manager’ van het schip, en dat [eisers] aan boord zijn arbeid organiseerde. Dat [eisers] na perioden op zee steeds terugkeerde naar de Filippijnen acht de rechtbank onvoldoende zwaarwegend om de Filippijnen als land als bedoeld in artikel 8 lid 2 Rome I Vo aan te wijzen, zoals Oceanic Christiane c.s. betoogt.

4.14.

Uit dit oordeel vloeit voort dat het objectief toepasselijke recht moet worden gevonden door toepassing van artikel 8 lid 3 Rome I Vo. Op grond van de onder r.o. 4.12 onder (a) tot en met (c) weergegeven omstandigheden constateert de rechtbank dat de vestiging die [eisers] in dienst heeft genomen als bedoeld in artikel 8 lid 3 Rome I Vo, mede gelet op de daaraan in het arrest Voogsgeerd/Navimer gegeven uitleg (HvJ EU 15 december 2011, C‑384/10), de vestiging van Interorient Maritime op de Filippijnen is geweest. Op deze gronden leidt artikel 8 lid 3 Rome I Vo tot toepasselijkheid van het recht van de Filippijnen en dus niet tot een ander dan het gekozen recht.

4.15.

Uit het geheel van de omstandigheden volgt niet dat een ander land kennelijk nauwer is verbonden met de eerste POEA-overeenkomsten, zodat lid 4 van artikel 8 Rome I Vo in dit geval niet leidt tot toepassing van (dwingendrechtelijke regels van) het recht van een ander land dan de Filippijnen.

4.16.

De conclusie ten aanzien van de eerste POEA-overeenkomsten is dat het Filippijnse recht daarop als gekozen recht van toepassing is zonder dat daarboven dwingendrechtelijke regels van een ander recht prevaleren (in de zin van de tweede zin van artikel 8 lid 1 Rome I Vo).

Dat bepalingen van bijzonder dwingend recht van een ander land dan de Filippijnen bij voorrang zouden moeten toegepast op de voet van artikel 9 Rome I Vo, is niet gesteld en evenmin gebleken.

Het recht dat van toepassing is op de ITF-overeenkomsten

4.17.

De ITF-overeenkomsten bevatten geen rechtskeuze. Het toepasselijke recht moet daarom worden gevonden aan de hand van de leden 2, 3 en 4 van artikel 8 Rome I Vo, op de wijze beschreven in r.o. 4.8.

Oceanic Christiane c.s. voert echter aan dat belang moet worden gehecht aan de in de eerste POEA-overeenkomsten gedane rechtskeuze. Dit standpunt roept de vraag op of de ITF-overeenkomsten als volledig los staande arbeidsovereenkomsten moeten worden beschouwd, of slechts een wijziging inhouden van de arbeidsvoorwaarden in een bestaande en voor het overige voortgezette rechtsverhouding, of iets daar tussenin. Dit is ook voor het toepasselijk recht van belang, met name in verband met artikel 8 leden 3 en 4 Rome I Vo.

Nu vast staat dat onder de eerste (en de nieuwe) POEA-overeenkomsten Oceanic Christiane en Interorient Maritime als werkgevers hebben te gelden, terwijl onder de ITF-overeenkomsten slechts Oceanic Christiane de werkgever is, kan niet worden gezegd dat de ITF-overeenkomsten slechts een wijziging van arbeidsvoorwaarden in een anderszins ongewijzigde arbeidsrelatie behelzen. Ook partijen lijken daarvan niet uit te gaan. Maar evenzeer onjuist is om de ITF-overeenkomsten te beoordelen alsof zij volledig los staan van hetgeen daaraan voorafging, en uit te gaan van de fictie dat [eisers] in Zweden voor het eerst in dienst is genomen en daar met zijn werk aan boord is begonnen. In de ITF-overeenkomsten (overgelegd als productie 7 bij dagvaarding) is immers vermeld dat zij zijn getekend op 12 november 2012, met effect vanaf 8 november 2012, terwijl als ‘Estimated time of taking up position’ data in mei, juni of oktober 2012 worden genoemd en als ‘Port where position is taken up’ de havens van Iskenderun, Fortaleza of Immingham worden genoemd, waar zoals overwogen in r.o. 4.12 onder (i) het werk onder de eerste POEA-overeenkomsten is aangevangen.

Deze samenhang tussen de ITF-overeenkomsten en de POEA-overeenkomsten leidt tot de volgende conclusies. De rechtskeuze in de eerste POEA-overeenkomsten is niet rechtstreeks van toepassing op de ITF-overeenkomsten, maar is wel een omstandigheid waaraan bij het bepalen van het nauwst met de overeenkomst verbonden land gewicht toekomt. Daarnaast zal de rechtbank voor wat betreft de indienstneming onder de ITF-overeenkomsten niet alleen acht slaan op het moment van ondertekenen van de ITF-overeenkomsten maar ook op de feitelijke indienstneming te Manilla die heeft geleid tot het ‘innemen van de positie’ zoals aangehaald in de ITF-overeenkomsten.

4.18.

De omstandigheden opgesomd in r.o. 4.12 gelden ook voor de ITF-overeenkomsten, behalve die onder (c), (d) en (g). Op de ITF-overeenkomsten staat alleen Oceanic Christiane vermeld, met daarbij - volledig uitgeschreven - hetzelfde adres in Athene bedoeld in r.o. 4.12 onder (g). De ITF-overeenkomsten zijn gesloten in Zweden. Ten aanzien van de betaling van gages als bedoeld in 4.12 onder (m) is niet gesteld of gebleken dat deze na het ondertekenen van de ITF-overeenkomsten op andere wijze plaatsvond dan voorheen.

4.19.

Om dezelfde redenen als genoemd in r.o. 4.13 kan geen ‘gebruikelijk werkland’ onder de ITF-overeenkomsten worden vastgesteld.

4.20.

Voor toepassing van artikel 8 lid 3 Rome I Vo is van belang in welk land zich de vestiging bevindt die [eisers] in dienst heeft genomen.

[eisers] betoogt dat dit de vestiging van Oceanic Christiane, althans Oceanfleet Shipping Ltd., in Griekenland is waarvan het adres op de ITF-overeenkomsten is vermeld.

De rechtbank gaat aan dit standpunt voorbij.

Ten eerste heeft [eisers] na het gemotiveerde verweer van Oceanic Christiane c.s. onvoldoende feitelijk uitgewerkt en aannemelijk gemaakt dat Oceanic Christiane zelf een vestiging heeft in Griekenland. Daarvoor is onvoldoende dat er in Griekse wateren een Griekse man (‘de zoon van de eigenaar’) aan boord is gekomen, dat daarna de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn gesloten, dat de ‘manager’ zich in Griekenland bevond en dat op 15 februari 2013 een Griekse superintendent is aangemonsterd. Al deze aanwijzingen kunnen immers duiden op betrokkenheid van de ‘manager’, zoals Oceanic Christiane c.s. betoogt, waarvan overigens niet is gesteld of gebleken in welke relatie deze stond ten opzichte van Oceanic Christiane c.s. en evenmin dat deze rechtstreeks instructies gaf aan of in een gezagsverhouding stond tot [eisers]

Ten tweede geven de ITF-overeenkomsten aanleiding (mede) acht te slaan op een andere tijd en plaats van (feitelijke) indienstneming (zie r.o. 4.17). Dit - zwaarwegende - gegeven maakt dat het land bedoeld in artikel 8 lid 3 Rome I Vo in dit bijzondere geval niet eenduidig kan worden bepaald.

Ten derde geldt dat zelfs indien toepassing van artikel 8 lid 3 Rome I Vo zou leiden tot het Griekse recht, waarbij de vestiging van Oceanfleet Shipping Ltd. in dit kader als vestiging van Oceanic Christiane zou moeten worden gezien, dan nog voeren de omstandigheden, zoals hierna wordt besproken, via toepassing van artikel 8 lid 4 Rome I Vo tot de conclusie dat de ITF-overeenkomsten kennelijk nauwer zijn verbonden met de Filippijnen.

4.21.

De rechtbank kent bij het bepalen van het nauwst met de ITF-overeenkomsten verbonden land, het geheel van de omstandigheden overziend, groot gewicht toe aan de omstandigheid dat [eisers] en Oceanic Christiane hun rechtsverhoudingen in ieder geval in eerste instantie vrijwillig aan het Filippijnse recht hebben onderworpen. De geldigheid van de eerste POEA-overeenkomsten en de daarin neergelegde rechtskeuze is niet in geschil. Ook overigens bestaan, in ieder geval wat betreft de woonplaats, nationaliteit en land van werving van [eisers], concrete aanknopingspunten met de Filippijnen.

Dat de ITF-overeenkomsten in Zweden zijn gesloten, toen het schip daar op één van haar reizen was, is onvoldoende aanleiding om aan te knopen bij Zweeds recht. Het schip als plaats waar de arbeid wordt verricht is niet aan een vaste route of plaats gebonden, en levert slechts een ‘papieren’ aanknoping met Liberia op. Ook Oceanic Christiane is formeel gevestigd te Liberia, maar zij hanteert kennelijk ook een adres - dat van Oceanfleet Shipping Ltd. - in Griekenland. Uit de stukken komen geen aanwijzingen naar voren dat zich in Liberia daadwerkelijk het centrum van de activiteiten van de rederij bevindt. Gelet op alle omstandigheden en het relatieve gewicht daarvan, acht de rechtbank per saldo de ITF-overeenkomsten het nauwst verbonden met de Filippijnen, en is het recht van dat land daarop van toepassing op grond van artikel 8 lid 4 Rome I Vo.

4.22.

Dat bepalingen van bijzonder dwingend recht van een ander land dan de Filippijnen bij voorrang zouden moeten toegepast op de voet van artikel 9 Rome I Vo, is niet gesteld en evenmin gebleken.

4.23.

Dit betekent dat het beroep van Oceanic Christiane c.s. op het ontbreken van wilsovereenstemming en op wilsgebreken ten aanzien van de ITF-overeenkomsten moet worden beoordeeld naar het recht van de Filippijnen.

4.24.

Vervolgens rijst de vraag hoe de inhoud van het Filippijnse recht kan worden bepaald. In zijn laatste akte heeft [eisers] aangevoerd dat het Filippijnse recht (naar de rechtbank begrijpt: op dit punt) niet wezenlijk verschilt van het Nederlandse recht. Oceanic Christiane c.s. heeft daarop in haar antwoordakte niet meer gereageerd. Mede gelet op de proceseconomie - ter besparing van de tijd en moeite die gemoeid zullen zijn met het achterhalen van de precieze inhoud van het Filippijnse recht - zal de rechtbank daarom bij de beoordeling op dit punt het Nederlandse recht toepassen en met partijen ervan uitgaan dat het Filippijnse recht tot dezelfde uitkomsten leidt. Partijen hebben in hun processtukken ook zelf geen van het Nederlandse recht afwijkende invulling gegeven aan het relevante begrippenkader.

De verbindendheid van de ITF-overeenkomsten

4.25.

Oceanic Christiane c.s. betoogt dat bij het aangaan van de ITF-overeenkomsten sprake is geweest van dwang, bedreiging en/of misbruik van omstandigheden, en dat zij de ITF-overeenkomsten op die grond heeft vernietigd. Oceanic Christiane c.s. heeft hiertoe - zonder verder onderscheid te maken tussen de gestelde dwang, bedreiging of misbruik van omstandigheden - aangevoerd dat door SEKO ontoelaatbaar grote economische druk is uitgeoefend op Oceanic Christiane en Interorient Maritime en de bemanning, door het schip te blokkeren in de haven van Luleå en te dreigen dit te blijven doen, als gevolg waarvan grote economische schade dreigde. Andere feiten of omstandigheden waarop de gestelde dwang, bedreiging en/of misbruik van omstandigheden zijn gegrond heeft Oceanic Christiane c.s. niet gesteld. De rechtbank zal een en ander gezamenlijk onder de noemer ‘wilsgebreken’ bespreken.

[eisers] heeft in de dagvaarding op voorhand betwist dat sprake is geweest van dwang, maar ter toelichting heeft zij deze betwisting niet onderbouwd maar slechts aangegeven dat eventuele dwang door een derde (hier SEKO) niet relevant is voor de rechtsverhouding tussen [eisers] en Oceanic Christiane c.s. en dat voorts een zekere mate van dwang inherent is aan een collectieve actie en dat het onderhandelingsresultaat van een collectieve actie, tenzij deze volstrekt illegaal is, niet valt te vernietigen met een beroep op wilsgebreken.

4.26.

Gelet op dit standpunt stelt de rechtbank als onvoldoende weersproken vast dat sprake is geweest van wilsgebreken, aldus dat SEKO te Luleå het schip heeft geconfronteerd met de mededeling dat het niet zou worden geladen of gelost en dat geen sleepdiensten zouden worden verricht als niet aan de eisen van SEKO werd voldaan (waaronder het sluiten van de Special Agreement, het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst aan de bemanning, en het vergoeden van de kosten voor de ‘diensten’ van SEKO).

Hierdoor ontstond immers de situatie dat het schip niet kon laden of lossen terwijl het evenmin de haven van Luleå kon verlaten, en gelet op de tijdbevrachting van het schip zou Oceanic Christiane gedurende de hiervan te verwachten vertraging niet alleen off-hire gaan en dus vracht mislopen, maar ook aansprakelijk zijn voor de vertraging die het vervoer van de lading opliep. De rechtbank deelt de mening van Oceanic Christiane c.s. dat hierdoor grote economische druk ontstond onder invloed waarvan de ITF-overeenkomsten - en de Special Agreement - zijn gesloten hoewel Oceanic Christiane niet daadwerkelijk de wil had deze aan te gaan.

4.27.

In geschil is of SEKO legitiem gebruik heeft gemaakt van deze door haarzelf geschapen omstandigheden, zoals [eisers] betoogt onder verwijzing naar het Zweedse recht, artikel 6 lid 4 ESH, artikel 8 IVESCR en de ILO Freedom of Association and Protection of the Right to Organise Convention, dan wel dat de handelwijze van SEKO als onrechtmatig en daarmee als misbruik van omstandigheden en dus als grond voor vernietiging van de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen - met inbegrip van de nieuwe arbeidsovereenkomsten - moet worden beschouwd, zoals Oceanic Christiane c.s. betoogt.

Het argument dat Oceanic Christiane c.s. zich niet jegens [eisers] kan beroepen op door SEKO uitgeoefende dwang, wordt als onjuist verworpen. De rechtbank ziet geen grond voor deze beperkte uitleg, omdat tussen partijen vast staat dat de ITF-overeenkomsten een voortvloeisel zijn van de Special Agreement, die op haar beurt uit de door SEKO uitgeoefende dwang voortvloeit.

4.28.

Evenals [eisers] gaat de rechtbank er van uit dat het onderhandelingsresultaat van een collectieve actie vernietigbaar is op grond van wilsgebreken indien deze actie onrechtmatig was.

Of het optreden van SEKO in Zweden rechtmatig was moet ingevolge artikel 9 Rome II Vo, dat ziet op collectieve actie bij arbeidsconflicten, worden beoordeeld naar Zweeds recht.

4.29. [eisers] heeft een legal opinion over het Zweedse recht overgelegd waarin wordt aangegeven:

- dat het recht op collectieve actie wordt beschermd door de (als bijlage aangekondigde maar niet overgelegde, rb.) Zweedse grondwet,

- dat artikel 41 van de Zweedse Co-determination Act als vereiste stelt dat “the industrial action must be decided in a competent order to be lawful’, en dat deze ‘unlawful’ zijn indien de statutaire regels ter zake van de betreffende vakbond worden geschonden (welke dit voor SEKO zijn wordt niet toegelicht, rb.),

- dat artikel 41 Co-determination Act verder bepaalt dat de actie onrechtmatig is als deze een bepaald oogmerk heeft (de opgesomde categorieën lijken geen van alle aan de orde),

- dat een werkgever die ‘a legitimate objection’ heeft tegen het tekenen van een collectieve overeenkomst dit voor het arbeidsgerecht naar voren kan brengen, van welke bestaande gelegenheid de eigenaar van de Ocean Trader geen gebruik heeft gemaakt,

- dat de aangezegde collectieve actie (dus) rechtmatig was naar Zweeds recht.

4.30. Het is de rechtbank nog onvoldoende duidelijk in hoeverre het interne Zweedse recht en arbeidsrecht zich lenen voor toepassing op de onderhavige zaak, waarin actie is gevoerd ten behoeve van Filippijnse zeelieden in dienst van niet-Europese werkgevers die zich toevallig in Zweedse wateren bevonden aan boord van een Liberiaans schip.

Of de Zweedse Co-determination Act zich voor rechtstreekse toepassing op dit geval leent, kan de rechtbank niet eenvoudig beoordelen. Voorstelbaar is dat deze regelgeving in dit geval niet of slechts beperkt of terughoudend moet worden toegepast (naar Zweedse maatstaven). Dit zal afhangen van de reikwijdtebepalingen van deze wet, de verhouding tussen deze wet en internationale regelgeving en de wijze waarop daarmee in Zweedse rechtspraak wordt omgegaan.

Aan partijen, eerst [eisers], wordt gevraagd zich hierover bij akte uit te laten. Hoewel Oceanic Christiane c.s. zich op de onrechtmatigheid van de collectieve actie beroept, zodat in de rede ligt dat zij als eerste haar standpunt uitwerkt, laat de rechtbank om proceseconomische redenen eerst [eisers] een akte nemen. [eisers] heeft immers nog niet gereageerd op de laatste akte van Oceanic Christiane c.s. en dient zich ook als eerste uit te laten over de in r.o. 4.32 bedoelde verdere feitelijkheden.

4.31. Wat de rechtmatigheid van de collectieve actie betreft, heeft [eisers] zich voorts beroepen op het Europees Sociaal Handvest, en daarop gebaseerde rechtspraak.

Het ESH wordt in het Zweedse juridisch advies niet uitdrukkelijk genoemd, maar nu het ESH (in de herziene versie) in Zweden in werking is gaat de rechtbank ervan uit dat dit deel uitmaakt van de Zweedse rechtsorde.

Artikel 6 ESH (‘Recht op collectief onderhandelen’) waarborgt in lid 4 ‘het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten’.

De rechtbank constateert dat - in ieder geval naar de in Nederland gehanteerde maatstaven - de door SEKO geïnitieerde actie valt binnen de reikwijdte van artikel 6 lid 4 ESH, omdat sprake was van een belangengeschil over arbeidsvoorwaarden dat door collectief onderhandelen tussen werknemers/vakbonden en één of meer werkgevers opgelost kan worden. Indien een collectieve actie wordt gedekt door artikel 6 lid 4 ESH dan is deze in beginsel rechtmatig. Dat kan anders zijn ingeval van eerder in collectieve arbeidsovereenkomsten gemaakte afspraken, maar daarover is in dit geval niets gesteld of gebleken.

Dit neemt niet weg dat de rechtbank voorshands aannemelijk acht dat - ook naar de in Zweden (verder) geldende maatstaven - een collectieve actie onrechtmatig kan zijn indien zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’) zijn veronachtzaamd, of indien de in artikel G ESH (voorheen artikel 31 ESH) bedoelde bescherming van rechten en vrijheden van anderen tot beperking noopt (de overige in genoemd artikel genoemde beperkingsgronden zijn hier niet aan de orde).

4.32. Voor een beoordeling of de door SEKO geïnitieerde actie onrechtmatig was op laatstbedoelde gronden, met name het niet in acht nemen van bovenbedoelde ‘spelregels’ of het Zweedse equivalent daarvan, heeft de rechtbank nadere voorlichting nodig omtrent hetgeen zich feitelijk voor en tijdens de collectieve actie in Zweden heeft afgespeeld. Oceanic Christiane c.s. heeft in haar laatste akte gesteld dat, zonder enig voorafgaand overleg of enig verzoek om betere arbeidsvoorwaarden van of namens bemanningsleden, plotseling is overgegaan tot het volledig lam leggen van het schip door de mededeling dat dit niet zou worden gelost, geladen of gesleept. Hierdoor werd Oceanic Christiane c.s., naar zij stelt, geconfronteerd met een grote kans op zeer aanzienlijke schade, die zij alleen kon voorkomen door de eisen van SEKO in te willigen. Hierin ligt het standpunt besloten dat het middel van collectieve actie niet is ingezet als uiterste middel, en dat SEKO daartoe onder de omstandigheden van het geval en gelet op de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen, onnodig is overgegaan terwijl de wijze van uitoefening ervan disproportioneel was. In haar laatste akte heeft Oceanic Christiane c.s. ook correspondentie overgelegd waaruit in haar visie blijkt dat SEKO niet op redelijke wijze heeft onderhandeld. In dit verband heeft Oceanic Christiane c.s. aangevoerd dat SEKO ook eiste dat de arbeidsvoorwaarden van de bemanning op drie andere schepen, toebehorend aan andere eigenaren, zou worden aangepast.

[eisers] heeft nog geen gelegenheid gehad om zich over deze stellingen, standpunten en producties van Oceanic Christiane c.s. uit te laten. Dit mag zij in haar akte doen, en Oceanic Christiane c.s. zal daarop bij antwoordakte mogen reageren. Uitsluitend voor zover in deze antwoordakte nieuwe feiten of omstandigheden worden gesteld of nieuwe producties worden overgelegd, zal [eisers] daarop bij akte uitlating mogen reageren.

4.33. Partijen dienen in hun aktes ook aandacht te besteden aan de naar Zweeds recht bij collectieve actie in acht te nemen ‘spelregels’ in bovenbedoelde zin.

4.34. Indien te zijner tijd blijkt dat de collectieve actie naar Zweeds recht als rechtmatig moet worden beschouwd, moet het beroep van Oceanic Christiane c.s. op wilsgebreken wijken voor de rechtmatige uitoefening van de door - onder meer - artikel 6 lid 4 ESH beschermde grondrechten. In dat geval kan het beroep op vernietiging van de ITF-overeenkomsten niet slagen en zal de rechtbank verder oordelen over de verbindendheid van de nieuwe POEA-overeenkomsten.

4.35. Indien de collectieve actie naar Zweeds recht echter als onrechtmatig zal moeten worden beschouwd, moet het daaruit voortvloeiende ‘onderhandelingsresultaat’ vernietigbaar worden geacht zodat in dat geval het beroep van Oceanic Christiane c.s. op vernietiging van de ITF-overeenkomsten slaagt. Voor zover de vorderingen van [eisers] zijn gegrond op de ITF-overeenkomsten moeten zij dan worden afgewezen.

Nu de vorderingen van [eisers] niet zijn gegrond op de nieuwe POEA-overeenkomsten, doet in dat scenario verder niet ter zake welk recht op deze overeenkomsten van toepassing is en of deze konden worden vernietigd.

De Special Agreement

4.36.

Vooruitlopend op de aktewisseling van partijen wordt het volgende overwogen.

4.37.

Subsidiair doet [eisers] een beroep op een in zijn visie in de Special Agreement neergelegd derdenbeding waarmee Oceanic Christiane zich zou hebben verbonden om ITF-conforme arbeidsovereenkomsten aan de bemanning - waaronder [eisers] - aan te bieden.

Oceanic Christiane c.s. beroept zich onder meer op de vernietiging van de Special Agreement op grond van dwang en misbruik van omstandigheden.

4.38.

Hoewel een inhoudelijk oordeel over de Special Agreement in beginsel eveneens afhangt van het oordeel over rechtmatigheid van de collectieve actie, waarmee de ondertekening van de Special Agreement is afgedwongen, kan deze grondslag niet tot toewijzing van het gevorderde leiden, reeds omdat geen concreet recht op betaling van gage of bijkomende vergoedingen kan worden gegrond op het gestelde derdenbeding.

4.39.

De conclusie is dat de subsidiaire grondslag de vorderingen niet kan dragen.

Tot slot

4.40.

Ieder verder oordeel, ook over de vorderingen tot vergoeding van kosten, wordt aangehouden in afwachting van de aktewisseling.

4.41.

Een uitzondering geldt echter het deel van de vordering van [eiser2] dat door Oceanic Christiane c.s. als verschuldigd is erkend. Oceanic Christiane c.s. heeft ter comparitie toegegeven dat nog een gering bedrag aan [eiser2] was verschuldigd, zonder dat zij de omvang daarvan kon aanduiden. Vervolgens heeft [eisers] in zijn akte gesteld dat gaat om een onbetaald gebleven allotment, een nog uitstaand deel van de gage, groot USD 3.385,67. Oceanic Christiane c.s. heeft dit in haar antwoordakte niet weersproken, zodat dit vast staat. De rechtbank zal deze USD 3.385,67 dadelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente naar het recht van de Filippijnen vanaf 14 februari 2013. Dat is immers de dag waarop aan [eiser2] - daags voor zijn repatriëring, toen ook een ander deel van de bij repatriëring uitstaande gage werd betaald - is voorgehouden dat ook voornoemd allotment was of spoedig zou worden uitbetaald, zoals [eisers] heeft gesteld en Oceanic Christiane c.s. niet heeft betwist. Gelet op de erkenning c.q. niet-betwisting door Oceanic Christiane c.s. zal de rechtbank deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Nu volgens hun eigen stellingen zowel Oceanic Christiane als Interorient Maritime gehouden zijn dit bedrag te betalen en zij de door [eisers] gestelde hoofdelijkheid op dit punt niet hebben bestreden, zal ook de rechtbank in het dictum ter zake van hoofdelijkheid uitgaan.

4.42.

De beoordeling van de verdere vorderingen van [eiser2] wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Oceanic Christiane c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser2] te betalen een bedrag van USD 3.385,67 (drieduizend driehonderdvijfentachtig Amerikaanse dollar en zevenenzestig dollarcent), vermeerderd met de wettelijke rente naar het recht van de Filippijnen over het toegewezen bedrag, vanaf 14 februari 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 september 2014, op welke rolzitting [eisers] een akte zal mogen nemen over de onderwerpen genoemd in r.o. 4.30, 4.32 en 4.33,

5.4.

houdt ieder verder oordeel aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. P.C. Santema en mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.

1885/32/1928