Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6998

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
C/10/446696/JE RK 14-810
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling en indicatiebesluit bevoegdelijk ondertekend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 15 augustus 2014

Zaak-/rekestnummer: C/10/446696 / JE RK 14-810

Beschikking in de zaak van:

de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum en geboorteplaats],

kind van de met het gezag belaste ouder,

[naam moeder], wonende te [adres],

en

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum en geboorteplaats],

[minderjarige 3],

geboren op [geboortedatum en geboorteplaats],

kinderen van [naam vader] en van de met het gezag belaste ouder,

[naam moeder] voornoemd.

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 9 mei 2014 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 23 april 2015 en is de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in

een accommodatie van een zorgaanbieder verlengd tot 23 augustus 2014. De behandeling van de zaak is voor het overig verzochte aangehouden.

Van de zijde van de stichting is een faxbericht met bijlagen ingekomen, gedateerd 13 mei 2014.

Van de zijde van de stichting is een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 4 juli 2014.

Van de zijde van de vertrouwenspersoon van de minderjarige[minderjarige 1], mw. [naam vertrouwenspersoon], is een faxbericht ingekomen, gedateerd 9 juli 2014.

Van de zijde van de moeder is op 28 juli 2014 een brief met bijlagen ingekomen.

Van de zijde van mr. E.J. Kolmeijer is op 29 juli 2014 een faxbericht ingekomen waarin zij de rechtbank bericht dat zij niet langer als advocaat van de moeder zal optreden.

De zaak is verder behandeld op 30 juli 2014.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R.W. de Gruijl, die ter zitting pleitaantekeningen heeft overgelegd;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.F.P. Scheele, verschenen namens mr. M. Erkens, die ter zitting pleitaantekeningen heeft overgelegd;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door [naam], [naam] en [naam].

De beoordeling

De stichting heeft ter zitting haar verzoeken gehandhaafd en als volgt toegelicht. Bij de ouders is sprake van een onveilige situatie voor de minderjarigen. Gelet hierop is het traject voor een gezinsopname bij Yulius ingezet. Echter, nadat bleek dat door de ouders een vervalste brief aan de rechtbank was overgelegd op naam van psychiater [naam], kinder-, Jeugd- en Gezinspsychiater en als zodanig werkzaam bij Yulius, heeft Yulius thans een aantal voorwaarden opgesteld voordat het traject eventueel kan worden vervolgd. Yulius heeft de ouders voor een behandeling van hun problematiek doorverwezen naar een vervolgafdeling en heeft de intakeprocedure voor opname bij de gezinsafdeling stop gezet. Voor zover bij de stichting bekend zijn de ouders niet bezig met het invulling geven aan de voorwaarden die door Yulius zijn gesteld, zodat het traject voor een gezinsopname bij Yulius op dit moment niet van de grond komt. Gelet hierop heeft de stichting een verzoek ingediend bij de raad voor de kinderbescherming om onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel, omdat de minderjarigen duidelijkheid dienen te krijgen over hun toekomstperspectief.

Door en namens de moeder is te kennen gegeven dat zij zich niet kan verenigen met het verzoek van de stichting. De moeder heeft zelfstandig voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend op de inhoud waarvan zij zich ter zitting heeft beroepen. Aan de hand van de door de advocaat van de moeder ter zitting overgelegde pleitaantekeningen, is namens de moeder - kort samengevat - gemotiveerd bepleit het verzoek van de stichting af te wijzen opdat de minderjarigen kunnen worden teruggeplaatst bij de moeder. De aan de verzoeken ten grondslag liggende indicatiebesluiten van de stichting zijn ondeugdelijk te noemen, omdat zij niet voldoen aan de wettelijke criteria en er geen definitief plan van aanpak door de stichting is overgelegd, maar slechts een concept. De moeder acht zich volledig in staat om de minderjarigen gedurende een ambulante gezinsbehandeling thuis te verzorgen en op te voeden. Daarnaast dient het gezinsherenigingstraject zo snel mogelijk te worden hervat, temeer daar uit de resultaten van de psychologische onderzoeken die bij de ouders zijn afgenomen, naar voren komt dat de ouders normaal functioneren.

Namens en door de vader is naar voren gebracht dat de vader zich evenmin kan verenigen met het verzoek van de stichting. Aan de hand van de door de advocaat van de vader overgelegde pleitaantekeningen is primair bepleit dat de stichting niet-ontvankelijk in haar verzoeken dient te worden verklaard, nu de verzoekschriften niet zijn ondertekend door een daartoe namens de stichting bevoegd persoon. Dit geldt eveneens voor de bij de verzoeken gevoegde indicatiebesluiten. De verzoekschriften voldoen aldus niet aan de wettelijke criteria, met als gevolg dat de verzoeken dienen te worden afgewezen. Daarnaast werkt de stichting niet conform het doel van de ondertoezichtstelling, nu niet of onvoldoende planmatig en gestructureerd wordt gewerkt aan een thuisplaatsing van de minderjarigen. De zorgen vanuit de stichting zijn omstreden te noemen en worden niet gemotiveerd. De door de rechtbank gegeven machtiging tot plaatsing is niet direct gebruikt en reeds daaruit blijkt dat er geen noodzaak voor een uithuisplaatsing was. De directe aanleiding voor de stichting om uiteindelijk toch gebruik te maken van de machtiging, was onterecht. De verzoeken dienen ook om die reden te worden afgewezen.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Namens de vader is betoogd dat de verzoeken van de stichting niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu de verzoekschriften van de stichting niet zijn ondertekend door een daartoe namens de stichting bevoegd persoon.

De ingediende verzoekschriften zijn in opdracht van [naam], teammanager, namens de stichting ondertekend. Op een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is de verzoekschriftprocedure van toepassing zoals die is geregeld in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv). Dit geldt eveneens voor verzoeken tot verlenging van een machtiging tot plaatsing als bedoel in artikel 1:262, eerste lid, BW.

Artikel 278 Rv geeft voorschriften met betrekking tot de procedure die geldt voor het indienen van verzoekschriften bij de rechtbank. Het Procesreglement Civiel jeugdrecht stelt eisen aan de wijze van indienen van verzoekschriften en de daarbij te overleggen stukken.

De kinderrechter heeft ten aanzien van de onderhavige verzoekschriften vastgesteld dat deze in overeenstemming met de voorschriften van artikel 278 Rv zijn ingediend alsook met de voorschriften van Procesreglement Civielrecht Jeugd, in ieder geval voor zover het betreft de bij het verzoekschrift aan te leveren stukken, zodat op voorhand geen aanleiding bestond tot nietigverklaring van de verzoeken. Dat neemt echter niet weg dat op grond van artikel 278, tweede lid, Rv, het verzoekschrift dient te zijn ondertekend door de indiener van het verzoekschrift voordat het ter griffie wordt ingediend. Artikel 278, tweede lid, Rv, mag naar het oordeel van de kinderrechter aldus worden verstaan dat ondertekening plaatsvindt door degene die bevoegd is het verzoekschrift in te dienen. Uit de Memorie van Toelichting, Parlementaire Geschiedenis Herziening Rechtsvordering, p. 444, blijkt dat indien niet of niet voldoende aan de gestelde eisen is voldaan, dit niet leidt tot nietigheid van de verzoekschriften. De rechter kan naar bevind van zaken gelegenheid geven het gebrek te herstellen. De kinderrechter ziet aanleiding de stichting die gelegenheid te bieden, zoals zal blijken uit het navolgende.

Eenzelfde situatie geldt naar het oordeel van de kinderrechter in het geval er - zoals gesteld - een gebrek zou kleven aan de bij de verzoekschriften te overleggen indicatiebesluiten. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

Uit artikel 1:261, tweede lid, BW volgt dat een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in art. 5 lid 2 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz), is gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in art. 6 lid 1 Wjz. Bij dat besluit wordt de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg gevestigd. Dit brengt met zich dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit dient te worden overgelegd.

Voor de beoordeling van de wijze waarop de stichting zich van haar taken dient te kwijten, in het bijzonder in het geval van het nemen van een indicatiebesluit dat ziet op hulp binnen het gedwongen kader, zijn de artikelen 10, eerste lid onder b van de Wet op de Jeugdzorg juncto artikel 1:257 BW en de artikelen 7, zesde lid en 6, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg van belang.

Daarnaast is van belang dat een indicatiebesluit als hier bedoeld dient te worden opgevat als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Tegen een zodanig indicatiebesluit staat echter geen rechtsgang bij de bestuursrechter open aangezien deze besluiten zijn geplaats op de zogenoemde ‘negatieve lijst’ van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge het bepaalde in art. 5 lid 5 Wjz is de kinderrechter bevoegd het indicatiebesluit te toetsen. De kinderrechter dient deze besluiten voor wat de totstandkoming ervan betreft op dezelfde wijze te toetsen als een bestuursrechter besluiten van een bestuursorgaan toetst.

Boek 2 BW bevat - onder meer - de wettelijke bepalingen ten aanzien van stichtingen.

De verdeling van taken en bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen een stichting volgt uit de interne organisatie van de stichting en is afhankelijk van de wet, de statuten en het gekozen bestuursmodel.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat zowel de verzoekschriften als de indicatiebesluiten zijn ondertekend “per opdracht” van teammanager [naam], terwijl niet uit de stukken valt op te maken in hoeverre de teammanager beschikt over een toereikend (ondertekenings)mandaat om verzoeken namens de stichting in te dienen en te ondertekenen en indicatiebesluiten te ondertekenen. Evenmin blijkt uit de stukken of de personen die per opdracht de verzoekschriften en indicatiebesluiten namens de teammanager hebben ondertekend, beschikken over een daartoe toereikend ondertekeningsmandaat.

Voorts is in dit verband van belang dat uit een door de advocaat van de vader bij de pleitaantekeningen gevoegde brief van de stichting van 9 juli 2014 blijkt, dat de stichting een verzoek van de zijde van de vader op grond van de Wet openbaarheid van bestuur heeft afgewezen met de volgende mededeling:

“Bureau Jeugdzorg beschikt niet over een mandaatbesluit dan wel over een volmachtregeling waarin is bepaald welke personen bevoegd zijn tot het nemen van besluiten namens Bureau Jeugdzorg.”

Gelet hierop, ziet de kinderrechter zich gesteld voor de vraag hoe dit bericht geïnterpreteerd moet worden, nu de gekozen formulering van dit schrijven lijkt te impliceren dat het bestuur van de stichting in zijn algemeenheid geen regeling heeft getroffen ten aanzien van volmacht of mandatering van haar toekomende bevoegdheden aan bijvoorbeeld de directeur van de stichting, dan wel aan andere medewerkers of organen van de stichting. Dit komt de kinderrechter niet aannemelijk voor gelet op de wettelijke bepalingen ten aanzien van de organisatie van een stichting en op de omvang van de stichting Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam.

Gelet op het vorenstaande komt de kinderrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8863, tot het oordeel dat het verweer van de vader tegen het indicatiebesluit voor gegrondverklaring in aanmerking komt. Louter bestuursrechtelijk getoetst zou een besluit om die reden (gedeeltelijk) vernietigd dienen te worden, civielrechtelijk getoetst zou het besluit nietig dienen te worden verklaard. In beide gevallen zou dit met zich brengen dat de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft, maar de plaatsing de vereiste indicatiestelling ontbeert, zodat de stichting die plaatsing niet zal kunnen handhaven. De uiterste consequentie van deze uitkomst zou een terugkeer van de minderjarigen naar de thuissituatie kunnen betekenen. Dit komt de kinderrechter niet wenselijk voor om de hierna te noemen redenen.

Uit het dossier blijkt van een langdurige geschiedenis van niet succesvolle hulpverlening aan het gezin, waarbij de minderjarigen meerdere malen uit huis geplaatst zijn moeten worden. De ouders hebben onvoldoende vooruitgang geboekt in het creëren van een veilige en stabiele thuissituatie en uit persoonlijkheidsonderzoek is gebleken dat zij vooralsnog niet beschikken over voldoende (pedagogische) vaardigheden om de minderjarigen zelf te kunnen verzorgen en te kunnen opvoeden.

Ook recentelijk is dit nog duidelijk geworden uit de brief van Yulius van 19 mei 2014, die door de stichting op 4 juli 2014 is toegezonden aan de rechtbank. Uit die brief blijkt dat Yulius naar aanleiding van een brief die van de zijde van de ouders aan de kinderrechter valselijk is overgelegd als zijnde een brief afkomstig van psychiater [naam], de intakeprocedure voor een opname van de ouders en de minderjarigen op de gezinsafdeling heeft stopgezet doordat een patroon/probleem bij de ouders zichtbaar werd, dat eerst moet worden opgelost voordat voortzetting van een herenigingstraject kans van slagen heeft.

Het herenigingstraject is hiermee stil komen te liggen, zodat nog steeds onvoldoende duidelijk is of de thuissituatie en/of de vaardigheden van de ouders inmiddels zodanig zijn verbeterd dat een thuisplaatsing van de minderjarigen tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. Om die duidelijkheid te kunnen verkrijgen was nu juist het traject bij Yulius voorgenomen.

Nog afgezien van het gegeven dat de kinderrechter het bijzonder ernstig vindt dat van de zijde van de ouders een vervalste brief in het geding is gebracht, heeft de kinderrechter er nota van genomen dat Yulius, bij monde van psychiater [naam], in voornoemde brief van 19 mei 2014 meldt dat [in termen van Yulius] Yulius voortzetting van een herenigingstraject enkel mogelijk acht indien de ouders leren om succesvol een samenwerkingsrelatie aan te gaan die is gebaseerd op openheid en vertrouwen, de ouders leren reflecteren en verantwoordelijkheid nemen voor het gedrag/de akties die zij stellen en de ouders leren inzicht te hebben in de belevenis (mentaliseren) hoe hun gedrag/buitenkant overkomt op andere mensen. De psychiater schat in dat deze aandachtspunten voor de ouders belangrijke doelen zijn omdat het vermogen om je in te kunnen leven in gedachten, gevoelens en intenties bij henzelf en bij anderen, een basisvoorwaarde is om succesvol met andere mensen om te gaan, zowel als kinderen emotioneel sensitief op te kunnen voeden.

Yulius ziet pas mogelijkheden om het traject met de ouders weer op te pakken als enerzijds de toekomstige behandelaars van de ouders inschatten dat er voldoende groei is op bovenvermelde punten en anderzijds zowel de stichting als de kinderrechter een voortzetting van het traject ondersteunen.

Gelet hierop en op het feit dat uit eerder onderzoek van het Kennis en Service Centrum voor de Diagnostiek (KSCD) naar voren is gekomen dat sprake was van een zeer onveilige opvoedsituatie bij de ouders, zou een terugkeer van de minderjarigen naar die situatie zonder dat verbetering daarvan geconstateerd is kunnen worden, naar het oordeel van de kinderrechter onverantwoord zijn. Het belang van de minderjarigen is naar het oordeel van de kinderrechter dan ook gediend met continuering van de uithuisplaatsing, temeer nu er al vele jaren zorgen zijn over hun ontwikkeling en deze zorgen, ondanks de ingezette hulpverlening, nog onvoldoende zijn afgewend.

Vanwege de hiervoor genoemde zorgen die over de thuissituatie en over de ontwikkeling van de minderjarigen bestaan, terwijl de kinderrechter civielrechtelijk de mogelijkheid heeft om de stichting gelegenheid te bieden eventuele gebreken in de verzoekschriften te herstellen en bestuursrechtelijk de rechter een vergelijkbare mogelijkheid ter beschikking staat door met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Awb een besluit (gedeeltelijk) te vernietigen en de rechtsgevolgen voor een beperkte duur in stand te laten om een bestuursorgaan de gelegenheid te bieden een gebrek dat aan een besluit kleeft te herstellen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om de door de vader gewenste gevolgen te verbinden aan eventuele aan de verzoekschriften en/of de indicatiebesluiten klevende gebreken. De kinderrechter zal de stichting gedurende een beperkte termijn in de gelegenheid stellen (eventuele) gebreken in de verlening van mandaat- en (ondertekenings)mandaat te herstellen. Het vorenstaande geeft de kinderrechter aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken.

De verweren van de zijde van de moeder betreffen verweren die een inhoudelijke toetsing van de verzoekschriften en de indicatiebesluiten vergen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de ondertekening van de verzoekschriften en de indicatiebesluiten, zal op een later moment dienen te worden geoordeeld of de verzoeken kunnen worden behandeld en of de kinderrechter zal kunnen toekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke verweren van de ouders.

Voor zover de moeder bezwaren heeft geuit tegen de beschikkingen van de kinderrechter van 10 april 2014 en 9 mei 2014 zullen deze bezwaren door de kinderrechter buiten beoordeling worden gelaten nu tegen genoemde beschikkingen van de kinderrechter een rechtsmiddel kon worden aangewend. Naar de kinderrechter begrijpt, heeft de moeder van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt en ligt de toetsing van deze beschikkingen dus voor bij het Gerechtshof ’s Gravenhage.

Op grond van de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

De beslissing

Verlengt met ingang van 23 augustus 2014 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een zorgaanbieder tot 30 oktober 2014.

Verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

En alvorens verder te beslissen:

Houdt de behandeling van de zaak voor het overig verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de stichting en belanghebbenden in deze zaak zal plaatsvinden op 17 oktober 2014 te 9.00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door ondergetekende.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in bijzijn van V.E. Scholtens, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.