Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6974

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
C-10-43895 -20082014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Douane-expeditie. Fenex-voorwaarden van toepassing? Heeft douane-expediteur verhaal op opdrachtgever voor achteraf opgelegde anti-dumpingheffingen? Art. 7:406 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2015/47

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven & handel

Vonnis van 20 augustus 2014 in de zaak

met zaaknummer / rolnummer: C/10/438951 / HA ZA 13-1220 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOUVEAU TRANSPORT & LEASING B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E. Wilke te Schiedam,

tegen

[gedaagde]

,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W.E. Boonk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “Nouveau” en “[gedaagde]” genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Nouveau heeft [gedaagde] bij exploot van 30 oktober 2013 gedagvaard voor deze rechtbank en gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [gedaagde] zal veroordelen om aan Nouveau te betalen een hoofdsom van € 29.006,77 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten ad € 1.065,00, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten waaronder beslagkosten.

Nouveau heeft tien producties overgelegd.

1.2.

[gedaagde] heeft de vorderingen bestreden bij conclusie van antwoord en een eis in reconventie ingediend en daarbij twee producties overgelegd. [gedaagde] vordert in reconventie dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I Nouveau zal bevelen om het bedrag dat berust onder de derdengeldenrekening van haar advocaat in afwachting van de uitkomst van onderhavige procedure, binnen twee dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis terug te betalen aan [gedaagde], althans Nouveau te veroordelen aan die terugbetaling haar medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom;

II Nouveau zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van al hetgeen waartoe [gedaagde] in conventie mocht worden veroordeeld aan Nouveau te betalen, inclusief rente en kosten,

met veroordeling van Nouveau in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.

1.3.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 maart 2014 een comparitie van partijen gelast. Vervolgens heeft de rechtbank een zittingsagenda voor die comparitie aan partijen gestuurd.

Op 7 augustus 2014 heeft die comparitie van partijen plaats gevonden. Daarbij heeft Nouveau een “conclusie voor comparitie” genomen en haar producties 11 tot en met 14 in het geding gebracht.

Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie laten zich gezamenlijk beoordelen.

2.2.

Uit de stellingen van partijen en uit niet betwiste producties blijkt het volgende.

De vordering van Nouveau komt neer op een vordering tot vergoeding van schade wegens antidumping-naheffingen die de Belastingdienst/Douane bij beschikkingen van 21 juni 2013 en 27 augustus 2013 (hierna: de UTB’s) aan Nouveau heeft opgelegd wegens aangiften ten invoer van fietsonderdelen afkomstig uit China in de periode juni tot en met december 2010 ten behoeve van SpecialBicycles B.V. (hierna: SB). De UTB’s bedragen tezamen € 27.069,31.

De UTB’s zijn opgelegd omdat de door Nouveau bij de aangiften gebruikte goederencodes slechts gebruikt kunnen worden indien een invoervergunning wordt overgelegd en in naam van de vergunninghouder aangifte wordt gedaan. Nouveau beschikte niet over een invoervergunning. Het bezwaar tegen de UTB’s is afgewezen.

Nouveau verrichtte de betreffende aangiften ten invoer in opdracht van [gedaagde], die als expediteur in opdracht van SB handelde. SB is failliet verklaard.

2.3.

Nouveau stelt dat op de rechtsverhouding tussen haar en [gedaagde] de Nederlandse Expeditievoorwaarden (hierna: Fenex-voorwaarden) van toepassing zijn en dat ingevolge de overeenkomst(en) van opdracht en die voorwaarden [gedaagde] verplicht is om de antidumpingheffingen vermeerderd met rente en kosten aan haar terug te betalen.

Nouveau heeft overeenkomstig de instructies van [gedaagde] en de van [gedaagde] verkregen, op de paklijst van de Chinese leverancier van SB geschreven, goederencodes douane-aangifte gedaan.

De Fenex-voorwaarden zijn van toepassing omdat Nouveau in 2010 al jaren in opdracht van [gedaagde] expediteurswerkzaamheden uitvoerde en zij op de door haar aan [gedaagde] toegezonden aanbiedingen, “shipment orders”, “shipment confirmations”, “arrival notices” en facturen de Fenex-voorwaarden van toepassing verklaarde. [gedaagde] heeft nooit tegen de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden geprotesteerd. [gedaagde] en Nouveau zaten indertijd op hetzelfde kantoor. [gedaagde] verklaart zelf de Fenex-voorwaarden van toepassing op zijn opdrachten van derden.

2.4.

[gedaagde] bevestigt dat hij en Nouveau al jaren vóór 2010 samenwerkten en dat hij de betreffende opdracht(en) tot het doen van douane-aangifte ten invoer die ten grondslag liggen aan de UTB’s aan Niveau heeft gegeven.

[gedaagde] bestrijdt de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden en verweert zich tegen de vordering. Daartoe voert [gedaagde] – kort gezegd – het volgende aan.

Tussen partijen is de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden niet overeengekomen. De Fenex-voorwaarden zijn niet van toepassing geworden door de enkele verwijzing daarnaar op de offertes, het briefpapier en de facturen van Nouveau. De omstandigheid dat [gedaagde] in zijn relatie met opdrachtgevers de Fenex-voorwaarden van toepassing verklaarde, maakt die voorwaarden niet van toepassing in de verhouding tussen hem en Nouveau.

De op de paklijst van de Chinese leverancier van SB geschreven goederencodes zijn correct. Onder die codes is ook eerder zonder problemen aangifte ten invoer gedaan.

Echter, achteraf is gebleken dat een invoervergunning vereist was om van die goederencodes gebruik te kunnen maken en dat de betreffende invoer aan een maximum van 300 stuks per maand was gebonden. Nouveau, als redelijk bekwaam en redelijk handelend douane-expediteur – in de verhouding met [gedaagde]: de deskundige – behoorde te weten dat bij gebruikmaking van die goederencodes een invoervergunning was vereist en dat slechts de houder van die vergunning, in dit geval: SB, zelf of een direct vertegenwoordiger namens de vergunninghouder douane-aangifte zou kunnen doen. Ook de Belastingdienst/Douane beschouwt Nouveau als de deskundige, zoals blijkt uit bladzijde 7 van de beslissing op het bezwaarschrift. Nouveau had op eenvoudige wijze op de website van de Belastingdienst/Douane de goederencodes kunnen intypen en zou dan deze vereisten hebben kunnen lezen. Kennelijk heeft Nouveau de goederencodes niet geverifieerd. Nouveau had [gedaagde] behoren te waarschuwen. Nouveau heeft [gedaagde] noch SB gewaarschuwd en is domweg overgegaan tot het doen van aangifte ten invoer in eigen naam, in plaats van als direct vertegenwoordiger van [gedaagde]. Daarom dienen de antidumpingheffingen ten laste van Nouveau te blijven.

Fenex-voorwaarden van toepassing?

2.5.

Partijen zijn het er – terecht – over eens dat de rechtsverhouding tussen hen als een overeenkomst van opdracht dient te worden gekwalificeerd.

Partijen strijden over de vraag of de rechtsverhouding wordt beheerst door de Fenex-voorwaarden.

Het antwoord op de vraag naar de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden moet worden gevonden aan de hand van de beginselen van de wils-vertrouwensleer (artikel 3:33 en 3:35 BW) en van aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 e.v. BW).

Het gaat hier om een of meer overeenkomsten van opdracht tussen twee in beroep of bedrijf handelende partijen. De overeenkomst(en) van opdracht is (zijn) mondeling tot stand gekomen.

Klaarblijkelijk zijn partijen niet uitdrukkelijk de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden overeengekomen.

Beide partijen zijn actief in de branche van de expediteurs. De Fenex-voorwaarden zijn expediteursvoorwaarden. [gedaagde] verklaart de Fenex-voorwaarden van toepassing in de verhouding met zijn opdrachtgevers. Daarom heeft [gedaagde] erop bedacht moeten zijn dat waar hij opdracht gaf aan Nouveau, deze ook de Fenex-voorwaarden van toepassing zou kunnen verklaren.

Nouveau heeft in diverse geschriften die zij gedurende meerdere jaren vóór 2010 aan [gedaagde] verschafte de Fenex-voorwaarden van toepassing verklaard. Uit die toepasselijk verklaringen heeft [gedaagde] behoren te begrijpen dat Nouveau verlangde (aanbood) dat de Fenex-voorwaarden deel zouden gaan uitmaken van hun rechtsverhouding. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ooit tegen die toepasselijk verklaringen bezwaar heeft gemaakt, of die toepasselijkheid heeft afgewezen.

Onder deze omstandigheden heeft Nouveau er naar verloop van enige tijd op mogen vertrouwen dat [gedaagde] (stilzwijgend) instemde met haar toepasselijk verklaringen van de Fenex-voorwaarden. Dat tijdsverloop was in ieder geval al gepasseerd toen [gedaagde] in juni 2010 de (eerste van de) opdracht(en) tot het doen van douane-aangifte aan Nouveau verstrekte, die leidde tot de UTB’s.

Daarom concludeert de rechtbank dat de rechtsverhouding tussen partijen beheerst wordt door de Fenex-voorwaarden.

[gedaagde] verplicht tot schadevergoeding?

2.6.

Nouveau beroept zich voor haar vordering op de artikelen van de Fenex-voorwaarden waarin is bepaald dat de expediteur “voor rekening en risico van de opdrachtgever" handelt (artikel 11 lid 1) en dat de opdrachtgever aan “de expediteur [zal] vergoeden [..] de extra kosten die van de expediteur in verband met de opdracht worden gevorderd dan wel nagevorderd” (artikel 17 lid 8). Voorts beroept Nouveau zich op de wettelijke regeling inzake de overeenkomst van opdracht.

De rechtbank overweegt het volgende.

Tussen partijen staat vast dat bij de onderhavige opdracht(en) tot het doen van douane-aangifte, net zoals bij eerdere opdrachten daartoe, [gedaagde] aan Nouveau paklijsten of facturen van de in te klaren fietsonderdelen verschafte met daarop door SB bijgeschreven de goederencodes die bij de aangiften dienden te worden gebruikt. Ook staat tussen partijen vast dat die goederencodes de juiste codes waren, afgezien van het achteraf gebleken vereiste van een invoervergunning. Verder staat vast dat de UTB’s zijn opgelegd omdat voor toepassing van enkele van die goederencodes een invoervergunning op naam van de aangevende partij was vereist, welke vergunning ontbrak.

De opdracht(en) van [gedaagde] hield(en) kennelijk in dat Nouveau in haar eigen naam aangifte ten invoer zou doen, nu Nouveau wel, maar [gedaagde] niet geaccrediteerd was tot het doen van douane-aangifte en nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven om in zijn naam, dan wel in naam van SB douane-aangifte te doen. Door in eigen naam douane-aangifte te doen werd Nouveau de schuldenaar van de vast te stellen douanerechten en liep zij het gevaar dat de Belastingdienst/Douane bij controle achteraf verdere heffingen zou opleggen, zoals de antidumpingheffingen.

Daarom vormt in dit geval het opleggen van de UTB’s een bijzonder gevaar dat verbonden is aan de uitvoering van de opdracht(en) tot het doen van douane-aangifte, als bedoeld in artikel 7:406 lid 2 BW.

Gesteld noch gebleken is dat in de door Nouveau aan [gedaagde] in rekening gebrachte vergoeding voor het inklaren rekening is gehouden met eventuele antidumpingheffingen.

Derhalve dient [gedaagde] als opdrachtgever ingevolge de regeling van artikel 7:406 lid 2 BW in beginsel de antidumpingheffingen aan Nouveau te vergoeden, tenzij het opleggen van de antidumpingheffingen aan Nouveau valt toe te rekenen. Stelplicht en – bij voldoende betwisting – bewijslast van de toerekenbaarheid aan de opdrachtnemer liggen bij de opdrachtgever.

Ingevolge artikel 11 lid Fenex-voorwaarden handelde Nouveau bij het doen van douane-aangifte voor rekening en risico van [gedaagde]. Daarom valt het opleggen van de antidumpingheffingen in beginsel niet aan Nouveau toe te rekenen.

2.7.

Zoals gezegd, voert [gedaagde] redenen aan op grond waarvan de antidumpingheffingen voor rekening van Nouveau dienen te blijven. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Gesteld noch gebleken is dat Nouveau bij het doen van aangifte niet heeft gehandeld conform de instructies van [gedaagde].

Tussen partijen is niet in geschil dat de antidumpingheffingen zijn opgelegd omdat SB, noch [gedaagde] of Nouveau, beschikte over een desbetreffende invoervergunning en die vergunning dus ook niet bij de douane-aangiften is overgelegd. Zou bij het doen van de douane-aangiften wel gebruik gemaakt zijn van een invoervergunning, dan zou daarbij zijn gebleken dat slechts in naam van SB (dus door SB zelf of door Nouveau als directe vertegenwoordiger van SB) aangifte kon worden gedaan, zodat Nouveau de aangifte niet zelf zou hebben kunnen voltooien.

[gedaagde] betoogt dat van Nouveau als redelijk bekwaam en redelijk handelend douane-expediteur mocht worden verwacht dat zij die vanwege SB voorgeschreven goederencodes zou verifiëren en dat zij [gedaagde] zou waarschuwen indien bij die verificatie zou blijken dat er een vergunning voor de invoer vereist was, zoals achteraf is gebleken. Dat betoog veronderstelt dat Nouveau als professionele douane-expediteur zodanige verificatieplicht en waarschuwingsplicht had. Echter, onder de gegeven omstandigheden waarbij [gedaagde] de toe te passen goederencodes aldus voorschreef, bestaat geen zodanige verplichting voor een douane-expediteur, behoudens specifieke instructie daartoe welke gesteld noch gebleken is. [gedaagde] heeft ook niet specifiek gesteld op welke grond de door haar bedoelde verificatieplicht en waarschuwingsplicht is gestoeld. Dit geldt eens te sterker waar Nouveau ingevolge de Fenex-voorwaarden voor rekening en risico van [gedaagde] handelde.

Het verkrijgen van een invoervergunning behoort niet tot de gebruikelijke verantwoordelijkheden van een douane-expediteur, behoudens specifieke instructie daartoe welke in dit geval gesteld noch gebleken is.

Op het vorenstaande stuit af het betoog dat [gedaagde] van Nouveau mocht verwachten dat deze de voorgeschreven goederencodes zou verifiëren en dat zij [gedaagde] zou waarschuwen indien bij die verificatie zou blijken dat er een vergunning voor de invoer vereist was.

De oplegging van de antidumpingheffingen valt dan ook niet aan Nouveau toe te rekenen, te meer nu Nouveau ingevolge de Fenex-voorwaarden voor rekening en risico van [gedaagde] handelde.

2.8.

Voor zover [gedaagde] betoogt dat Nouveau in dit geval had behoren op te treden als direct vertegenwoordiger van SB en dat zij, doordat zij dat niet heeft gedaan, de schade dient te dragen, stuit dat betoog af op de omstandigheid dat – zoals gezegd – gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] opdracht had gegeven aan Nouveau om als direct vertegenwoordiger van SB te handelen.

2.9.

Andere – voldoende concrete – verwijten aan het adres van Nouveau heeft [gedaagde] niet aangevoerd.

2.10.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom, dat niet aannemelijk is geworden dat de schade waarvan Nouveau vergoeding vordert aan haar valt toe te rekenen en dat [gedaagde] daarom verplicht is om de bedragen van de antidumpingheffingen aan Nouveau te vergoeden.

2.11.

Op het vorenstaande stuiten zowel de verweren tegen de vordering tot vergoeding van de antidumpingheffingen als de tegenvorderingen van [gedaagde] af.

2.12.

Zoals gezegd, bedragen de antidumpingheffingen tezamen € 27.069,31. Dat bedrag komt voor toewijzing aan Nouveau in aanmerking.

2.13.

In de door Nouveau gevorderde hoofdsom zijn bedragen wegens door Nouveau voorafgaande aan de dagvaarding aan [gedaagde] in rekening gebrachte rente opgenomen. Over die renteposten en de verder door Nouveau gevorderde rente overweegt de rechtbank het volgende.

Het verweer van [gedaagde] tegen de vordering van Nouveau tot vergoeding van haar door haar bank opgelegde debetrente en wettelijke handelsrente treft doel.

De hoofdvordering van Nouveau betreft niet de vergoeding van door Niveau in opdracht van [gedaagde] uitgevoerde diensten, maar een vordering tot schadevergoeding. De schade wegens vertraagde voldoening van die schadevergoeding wordt in beginsel gefixeerd op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

De enkele omstandigheid dat de bank van Nouveau een hoger percentage aan debetrente in rekening brengt dan de wettelijke rente, vormt onvoldoende grond om af te wijken van de gefixeerde schadevergoeding van artikel 6:119 BW. Nouveau heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat in dit geval van die gefixeerde schadevergoeding wordt afgeweken.

Derhalve zal de rechtbank de wettelijke rente over de hoofdsom van € 27.069,31 toewijzen vanaf – zoals gevorderd en niet bestreden – de dag van dagvaarding.

2.14.

Nouveau stelt dat zij en in haar opdracht gerechtsdeurwaarder Van Es tot het bedrag van € 1.065,00 buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt en vordert vergoeding daarvan. Nouveau heeft de betreffende werkzaamheden niet gespecificeerd, evenmin de vordering met bescheiden onderbouwd.

[gedaagde] betwist dat Nouveau buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht of laten verrichten. [gedaagde] voert aan dat niet Nouveau, maar hij en SB bezwaar hebben gemaakt tegen de UTB’s.

Nu Nouveau haar betreffende vordering niet heeft gespecificeerd en onderbouwd, ook niet na het door [gedaagde] daarop gevoerde verweer, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan en komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.

2.15.

De rechtbank zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Nouveau gevallen proceskosten in conventie en reconventie veroordelen.

De rechtbank zal de proceskosten begroten als volgt:

- beslagkosten € 1.610,69;

  • -

    dagvaarding € 83,71;

  • -

    griffierecht € 1.836,00

  • -

    salaris advocaat (vier punten in Liquidatietarief II) € 1.808,00

2.16.

Als gevorderd en niet bestreden, zal de rechtbank de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank,

in conventie en in reconventie,

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Nouveau te betalen € 27.069,31 (zevenentwintigduizend negenenzestig 31/100 euro) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 oktober 2013 tot aan de dag van algehele betaling;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, voor zover aan de zijde van Nouveau gevallen tot deze uitspraak begroot op € 3.530,40 aan verschotten en op € 1.808,00 aan salaris voor de advocaat;

3.3.

verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014. 1928/32