Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6961

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
C/10/429149 / HA ZA 13-744
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gambiaanse vennootschap. Toepasselijk recht op aandelenoverdracht. Aandelenoverdracht naar Gambiaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 264
RO 2014/80
JONDR 2015/42

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/429149 / HA ZA 13-744

Vonnis van 23 juli 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.F.E. van Essen,

tegen

de naar Gambiaans recht opgerichte rechtspersoon

AFRICAN ADVENTURE TOURS LIMITED LIABILITY COMPANY,

gevestigd te Fajara, Gambia,

gedaagde,

advocaat mr. R. Sinke.

Partijen zullen hierna [eiser] en AAT genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 september 2013 alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de brief van de advocaat van [eiser] van 22 oktober 2013 tot het in het geding brengen van de bijgesloten twee producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2013;

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte uitlating producties, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechter voor wie de comparitiezitting is gehouden is thans niet meer werkzaam binnen het team haven en handel van deze rechtbank.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad AAT veroordeelt tot:

  1. betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 651.107,--, te vermeerderen met de wettelijke rente ten bedrage van € 84.927,-- wat betreft de periode vanaf het verzuim tot 3 juli 2012 alsmede de wettelijke rente vanaf 3 juli 2012 tot de dag van de algehele voldoening;

  2. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.190,--, althans een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag, op grond van artikel 6:96 BW, althans volgens Rapport Voorwerk II;

  3. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten van € 131,-- dan wel, inden beteking van het vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 199,--;

  4. betaling van de kosten van het door [eiser] gelegde derdenbeslag ad € 524,71.

2.2.

In de kern genomen legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij voor 50% aandeelhouder is geworden van AAT en hem over de periode 2007 tot en met 2011 een dividend toekomt van in totaal € 651.107,--.

2.3.

AAT concludeert tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

2.4.

De argumenten die AAT aanvoert tot haar verweer zullen voor zover relevant hieronder worden behandeld bij de beoordeling van het onderhavige geschil.

3. De beoordeling

Rechtsmacht

3.1.

Er is sprake van een internationaal kader, nu AAT woonplaats heeft in Gambia. De rechtbank is derhalve gehouden ambtshalve te onderzoeken of zij internationaal bevoegd is.

3.2.

De onderhavige zaak is weliswaar een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo), zodat de EEX-Vo materieel van toepassing is, maar formeel, dat wil zeggen: geografisch, gezien mist de EEX-Vo toepassing. Nu andere internationale regelingen evenmin van toepassing zijn, moet derhalve aan de hand van het commune Nederlandse internationale bevoegdheidsrecht worden bezien of deze rechtbank (internationaal) bevoegd is.
Een ingevolge artikel 8 Rv rechtsgeldige forumkeuze voor deze rechtbank is gesteld noch gebleken. Een andere exclusieve-bevoegdheidsregel voor deze rechtbank, althans voor de Nederlandse rechter, is evenmin van toepassing.
[eiser] heeft zijn bovengenoemde vorderingen tegen AAT aanvankelijk, bij dagvaarding van 5 juli 2012, aanhangig gemaakt voor de toenmalige rechtbank Maastricht - thans de rechtbank Limburg. Deze rechtbank heeft zich vervolgens, na een door AAT opgeworpen bevoegdheidsincident, bij incidenteel vonnis van 19 juni 2013 (met zaak-/rolnummer C/03/175189 /HA ZA 12-391) onbevoegd verklaard en de zaak in de stand waarin zij zich bevond verwezen naar “de rechtbank Rotterdam, sector handelsrecht, locatie Rotterdam”. Hiertoe overwoog de rechtbank Maastricht in haar genoemd vonnis het volgende:

2.5.

De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval geen rechtsmacht kan worden

ontleend aan de artikelen 2 tot en met 9 Rv. Op grond van artikel 10 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in het geval bedoeld in artikel 767 Rv. Ingevolge artikel 767 kan bij gebreke van een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen de eis in de hoofdzaak worden ingesteld voor de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter het verlof tot het gelegde beslag heeft verleend. Daar een door de rechter in Gambia tussen partijen te wijzen veroordelend vonnis niet in Nederland kan worden geëxecuteerd door [eiser], staat voor hem geen andere weg open om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen. Daar uit de overgelegde stukken blijkt dat het door [eiser] gelegde vreemdelingenbeslag in ieder geval ten dele kleeft, komt de rechtbank tot het oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het tussen partijen gerezen geschil kennis te nemen.

2.6.

Uit de bewoordingen van artikel 767 Rv volgt naar het oordeel van de rechtbank

echter ook dat de hoofdzaak uitsluitend ingesteld kan worden bij de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter het verlof tot het gelegde beslag heeft verleend. Daar AAT bij conclusie in het incident een beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank Limburg heeft gedaan en dit, na daartoe bij tussenvonnis in de gelegenheid te zijn gesteld, nader heeft toegelicht, is dit beroep op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank tijdig gedaan. Hieruit volgt dat de zaak zal worden verwezen naar de rechtbank in Rotterdam.


Vervolgens heeft [eiser] bij exploot tot oproeping na verwijzing van 28 juni 2013 AAT voor deze rechtbank, de rechtbank Rotterdam, opgeroepen te verschijnen op de rol van 10 juli 2013, waarna AAT haar conclusie van antwoord heeft genomen.

3.3.

Aangezien, als gezegd, deze rechtbank, nu het om een zaak gaat met een internationaal kader, haar internationale bevoegdheid ambtshalve dient te onderzoeken, levert het bepaalde in artikel 110 lid 3 Rv dat de rechter naar wie de zaak door een andere Nederlandse rechter is verwezen aan die verwijzing gebonden is geen basis op voor haar internationale bevoegdheid. Zij dient die bevoegdheid zelfstandig te beoordelen; het kan dus niet zo zijn dat het van het oordeel van een andere rechtbank, in dit geval de rechtbank Limburg/rechtbank Maastricht, afhangt of deze rechtbank, de rechtbank Rotterdam, internationaal bevoegd is.

3.4.

Van de niet weersproken gedingstukken maakt deel uit een op 17 april 2012 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [eiser] verleend verlof tot het leggen van beslag onder de besloten vennootschap Sundio Group B.V. te Rotterdam ten laste van AAT tot zekerheid van haar onderhavige vorderingen, waarbij is bepaald dat de eis in de hoofdzaak binnen tien weken na het beslagverlof moet worden ingesteld. (Gebleken is dat dit het vreemdelingenbeslag is waar de rechtbank Maastricht haar onbevoegdheid en haar doorverwijzing van de onderhavige zaak op heeft gebaseerd.) Met de rechtbank Maastricht is deze rechtbank van oordeel dat dit beslag bevoegdheid creëert op grond van artikel 767 Rv (het zgn. forum arresti), een bepaling van commuun Nederlands internationaal bevoegdheidsrecht, nog daargelaten dat AAT voor deze rechtbank, de Rechtbank Rotterdam, niet opnieuw een bevoegdheidsverweer heeft opgeworpen en dus in zoverre tevens sprake is van een stilzwijgende forumkeuze voor deze rechtbank in de zin van artikel 9, aanhef en sub a, Rv. Deze rechtbank is derhalve bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiser].

Toepasselijk recht

3.5.

Gelet op genoemd internationaal kader van de onderhavige zaak dient vervolgens de vraag te worden beantwoord welk recht van toepassing is. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

3.6.

Overeenkomstig (de beginselen) van het voor Nederland geldende conflictenrecht dient voor wat betreft een vordering van een aandeelhouder tot dividenduitkering vooreerst een onderscheid te worden gemaakt tussen (enerzijds) geschilpunten die te maken hebben met het inwendig stelsel van de corporatie (rechtspersoon) waar het om gaat en (anderzijds) geschilpunten van (meer) contractuele of goederenrechtelijke aard.

3.7.

Een geschilpunt in de onderhavige zaak dat te maken heeft met het inwendig stelsel van AAT is (in ieder geval) de vraag of een (bepaalde) aandeelhouder van AAT recht heeft op dividend. Aangelegenheden inzake het inwendig stelsel van rechtspersonen vallen buiten het materiële toepassingsgebied van de internationale ‘ipr-instrumenten’ EEG-Overeenkomstenverdrag van 19 juni 1980 (EVO) (zie art. 1 lid 2 sub e daarvan), EU-Verordening 593/2008 (Rome I-Vo) (zie art. 1 lid 2 sub f daarvan) en EU-Verordening nr. 864/2007 (Rome II-Vo) (zie art. 1 lid 2 sub d daarvan). Bij gebreke van een toepasselijke internationale ipr-regeling dient het toepasselijke recht derhalve te volgen uit het commune Nederlandse conflictenrecht. Het commune Nederlandse conflictenrecht inzake corporaties (rechtspersonen) is thans opgenomen in Titel 8 (artt. 117-124) van Boek 10 BW en onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van Boek 10 BW, 1 januari 2012, in de Wet conflictenrecht corporaties (hierna: Wcc). Ingevolge artikel 119, aanhef en sub b, Boek 10 BW, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 3, aanhef en sub b, Wcc wordt “het inwendig bestel van de corporatie en alle daarmee verband houdende onderwerpen” beheerst door het recht dat de oprichting van de corporatie beheerst. Deze conflictregel betreft onder meer het onderhavige geschilpunt of [eiser] als aandeelhouder van AAT recht zou hebben op dividend. Hierop is dus Gambiaans recht van toepassing.

3.8.

Een geschilpunt in de onderhavige zaak dat - naar Nederlands internationaal privaatrecht - van goederenrechtelijke aard is, is de vraag wat de vereisten zijn voor de overdracht van de aandelen van AAT. Niet in geschil is immers dat [eiser] ten tijde van de oprichting van AAT nog geen aandeelhouder was en alleen maar aandeelhouder van AAT kan zijn geworden door overdracht aan hem van die aandelen.
Het toepasselijke recht op goederenrechtelijke aspecten van aandelen in rechtspersonen is niet geregeld in voor Nederland geldende internationale regelingen. Dit recht dient derhalve gevonden te worden aan de hand van de commune Nederlandse conflictregels. Gewezen zij allereerst op artikel 10:137 BW, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 12 van de voordien geldende Wet conflictenrecht goederenrecht (hierna: Wcg):

Indien een stuk een aandeelbewijs is volgens het recht dat van toepassing is op de in dat stuk vermelde uitgevende vennootschap, bepaalt het recht van de staat op welks grondgebied het aandeelbewijs zich bevindt, of het een aandeel op naam dan wel een aandeel aan toonder is.

Zie vervolgens artikel 10:138 lid 1 BW - aangehaald voor zover relevant -, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 13 lid 1 Wcg:

Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een aandeel op naam wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de vennootschap die het aandeel uitgeeft dan wel heeft uitgegeven.

en artikel 10:139 lid 1 BW - aangehaald voor zover relevant -, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 14 lid 1 Wcg:

Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een aandeel aan toonder wordt beheerst door het recht van de staat waar het toonderstuk zich bevindt.

Gesteld noch gebleken is dat aandelen in AAT in een stuk belichaamd zijn. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het bij de aandelen in AAT gaat om aandelen op naam, zodat artikel 10:138 lid 1 BW, althans artikel 13 lid 1 Wcg, van toepassing is.



Zie ten slotte artikel 10:138 lid 4 BW, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 13 lid 4 Wcg:

De betrekkingen tussen de aandeelhouder, onderscheidenlijk de gerechtigde, en de vennootschap, alsmede de voorwaarden waaronder de overdracht dan wel de vestiging van een recht aan de vennootschap kan worden tegengeworpen, worden beheerst door het recht dat van toepassing is op de vennootschap die het aandeel heeft uitgegeven.

3.9.

De rechtbank gaat thans uit van de volgende vaststaande feiten met betrekking tot AAT:

  • -

    AAT is een Company Limited by Shares naar Gambiaans recht, die is opgericht op 24 juni 2002; zie haar Certificate of Incorporation (prod. 2 van AAT);

  • -

    AAT is opgericht door haar (aanvankelijke) bestuurders [persoon2], [persoon1] en [persoon3], die voor respectievelijk 50%, 30% en 20% aandeelhouder zijn geworden in AAT; zie het Memorandum of Association of African Adventure Tours Limited en de Articles of Association of African Adventure Tours Limited (prod. 1 van AAT);

  • -

    Met betrekking tot de aandelen in AAT is in genoemde Articles of Association, haar statuten, het volgende bepaald - aangehaald voor zover relevant:
    “[…]
    3. The share capital of the Company is D400,000.00 dividend into 40000 ordinary shares of D10.00 each.
    4. All the shares of the Company’s capital shall be at the disposal of the directors, who may allot them to such persons and upon such terms as they shall think fit and who may issue them subject to such preferred, deferred or other special rights or restrictions whether in regard to voting, dividend, return or capital of otherwise as the directors shall determine.
    […]”;

  • -

    [persoon1] is afgetreden als bestuurder van AAT en heeft zijn aandelen in AAT vervolgens op 5 juli 2002 rechtsgeldig overgedragen aan [persoon2], zodat laatstgenoemde voor 80% aandeelhouder is geworden in AAT (zie prod. 3 van AAT).


3.10. Partijen hebben ter comparitiezitting van 8 november 2013 de volgende afspraken gemaakt met de rechter (p. 3 van het proces-verbaal):

  1. AAT zal de jaarrekeningen over de afgelopen tien jaar aan [eiser] toezenden en deze zal [eiser] bij conclusie van repliek van commentaar voorzien, waarop AAT bij conclusie van dupliek kan reageren;

  2. Bij conclusies van re- en dupliek zullen partijen hun standpunten dat naar Gambiaans recht [eiser] respectievelijk wel en geen aandeelhouder is onderbouwen met verwijzing naar (internet)bronnen. Partijen vragen de rechter om zelfstandig, aan de hand van het Gambiaanse recht, vast te stellen of [eiser] al dan niet eigenaar is. Partijen zien er van af dat de rechtbank inlichtingen inwint over buitenlands recht;

  3. Indien [eiser] geen aandeelhouder is, dan worden zijn vorderingen afgewezen. Indien hij wél aandeelhouder is, dan zal de rechtbank, aan de hand van de overgelegde jaarrekeningen en de stellingen van partijen daarover, een oordeel moeten geven over het aan [eiser] eventueel toekomende dividend.

3.11.

Gelet op genoemde, ter zitting gemaakte, afspraken zal nu bezien worden of, zoals [eiser] heeft gesteld en AAT gemotiveerd heeft betwist, [eiser] aandeelhouder is (geworden) van AAT.

3.12.

Aan zijn stelling dat hij (voor 50%) aandeelhouder van AAT is geworden legt [eiser] twee, door hem in het geding gebrachte producties, ten grondslag: een stuk dat hij aanmerkt als een op 12 juni 2002 gesloten “intentieovereenkomst” dan wel “samenwerkingsovereenkomst” (prod. 1 van [eiser]) en een stuk dat hij aanmerkt als een van 10 november 2003 daterende “overdrachtsakte van aandelen” (prod. 2 van [eiser]).
Vorenbedoelde overeenkomst luidt als volgt - aangehaald voor zover relevant:

“THIS AGREEMENT is made the 12th day of June, 2002 BETWEEN [persoon2] [..] of the first part and [eiser] [..] of the second part.

WHEREAS the parties hereto have agreed to form a company for the purpose of carrying on business as Ground Tour Operators.

NOW IT IS HEREBY AGREED as follows:
1. The party of the first part shall procure the incorporation under the Laws of The Gambia a Limited Liability Company (herein after called “The Company) having a share capital of D400.000 (four hundred thousand dalasis).

2. The Memorandum and Articles of Association shall be subscribed by the parties hereto or their nominees each of whom shall agree in the Memorandum to take up 50% of the shares in the Company.

3. The Company shall be called “AFRICAN ADVENTURE TOURS”.

4. The party of the second part shall advance to the company various sums payable within four years on terms to be agreed.

5. That the company shall perform and observe the provisions of this agreement which the company would be liable to perform and observe if it had been incorporated prior to the date hereof and had joint in the agreement.”

Vorenbedoelde aandelenoverdrachtsakte luidt als volgt - aangehaald voor zover relevant:

“AN AGREEMENT made the 10th day of NOVEMBER 2003 BETWEEN [persoon2] [..] (hereinafter called “the vendor”) of the first part and ROBERT [eiser] [..] (hereinafter called “the purchaser”) of the second part.

WHEREAS:

  1. African Adventure Tours (hereinafter called “the company”) was incorporated in The Gambia on the 24th day of June 2002 as a company limited by shares with a share capital of D400000 divided into 4000 shares of D10.00 each all of which have been issued and are fully paid.

  2. The vendor is the beneficial and registerd owner of 80% of the shares in the capital of the company.

  3. The vendor has agreed to sell to the purchaser 62.5% of his shares in the capital of the company amounting to 50% of the total shareholding of the Company.

NOW IT IS AGREED as follows:-

  1. In consideration of the sum of D200000.00 (two hundred thousand) now paid by the purchaser to the vendor (receipt of which sum the vendor hereby acknowledged) the vendor as beneficial owner sells to the purchaser 62.5% of his shares in the company.

  2. The purchaser hereby warrants that the said shares are transferred to the purchaser in pursuance of this agreement free from any lien or other incumbrance affecting the shares.”

3.13.

Niet in geschil is dat deze twee overeenkomsten waar [eiser] zich op beroept door beide partijen hierbij, [persoon2] en [eiser], zijn ondertekend. De vraag is nu dus of [eiser] op grond van deze overeenkomsten aandeelhouder is geworden van AAT. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.



3.14. Uit deze overeenkomsten blijkt dat het destijds de bedoeling was dat [eiser] en [persoon2] ieder voor 50% zouden participeren in het aandelenkapitaal van AAT. De overeenkomst van 10 november 2003 strekt ertoe aandelen die werden gehouden door [persoon2] over te dragen aan [eiser], opdat [eiser] 50% van de aandelen gaat houden.

3.15.

Bepalingen van Gambiaans recht met betrekking tot AAT, een in 2002 opgerichte Private Company Limited by Shares (hierna: LLC), zijn opgenomen in de Companies Act 1955. Deze wet - naar het schijnt, is deze wet inmiddels vervangen door de Companies Act of 2013 (prod. 5 van AAT) - houdt onder andere bepalingen in inzake de overgang en overdracht van aandelen in zulke Gambiaanse rechtspersoon (vennootschap), welke aandelenoverdracht/-overgang volgens [eiser] op enig moment zou hebben plaatsgevonden in de periode van omstreeks 2002-2007. De Companies Act 1955 is nagenoeg gelijkluidend aan de vroegere Companies Act 1948 van het Verenigd Koninkrijk.
Op grond van (section 110 van) de Companies Act 1955 dient een Gambiaanse vennootschap een zogeheten ‘register of members’ aan te houden. Hierin moeten de gegevens van deze members van deze vennootschap worden geregistreerd alsmede, voor zover deze vennootschap aandeelhouders heeft, zoals de onderhavige LLC (zie haar Articles of association (prod. 1 van AAT)), bijvoorbeeld a statement of the shares held by each member, distinguishing each share by its number so long as the share has a number, and of the amount paid or agreed to be considered as paid on the shares of each member. Welke personen member zijn van een vennootschap is omschreven in section 28 van de Companies Act 1955:

(1) The subscribers to the memorandum of a company [in het onderhavige geval zijn dat [persoon2], [persoon1] en [persoon3]; Rechtbank] shall be deemed to have agreed to become members of the company, and on its registration shall be entered as members in its register of members.

(2) Every other person who agrees to become a member of a company, and whose name is entered in its register of members, shall be a member of the company.


Voldoet de vennootschap niet aan deze verplichtingen om zulk register aan te houden en vorenbedoelde gegevens van haar members en aandeelhouders daarin in te schrijven, dan is zij een boete verschuldigd aan de betreffende Gambiaanse overheidsinstantie(s).

3.16.

Voor de overdracht van aandelen in de vennootschap is een zogeheten instrument of transfer vereist alsmede, in beginsel (zie rov. 3.17 hieronder), de registratie van de naam van de beoogde nieuwe aandeelhouder in het register of members van de vennootschap; zie voor dat laatste section 22 van Table A Part I van de Companies Act 1955:

The instrument of transfer of transfer of any share shall be executed by or on behalf of the transferor and transferee, and, except as provided by subparagraph (4) of paragraph 2 of the Seventh Schedule to the Act, the transferor shall be deemed to remain a holder of the share until the name of the transferee is entered in the register of members in respect thereof.

Met dit instrument of transfer is een soort overdrachtsakte bedoeld. Het gaat hier in ieder geval niet om de overeenkomst tot aandelenoverdracht; die overeenkomst gaat namelijk vooraf aan deze akte, zo volgt uit de subparagraph (3) van paragraph 2 van de in genoemde section 22 bedoelde Zevende Bijlage van de Companies Act 1955:

(3) Any interest under a contract for the transfer of any share or debenture or of any interest in any share or debenture shall, until execution of an instrument of transfer by the parties, be disregarded unless execution thereof is unreasonably delayed.

3.17.

Subparagraph (4) van paragraph 2 van genoemde Zevende Bijlage, naar welke bepaling in section 22 van de Companies Act 1955 wordt verwezen, luidt als volgt:

(4) Subject to sub-paragraph (2) of this paragraph, on execution of an instrument of transfer of a share or debenture, the transferee and not the transferor shall be treated as the holder, notwithstanding that the transfer requires registration with the company, unless registration is refused.

In deze bepaling wordt weer verwezen naar subparagraph (2) van paragraph 2 van genoemde Zevende Bijlage. Deze laatste bepaling mist in casu toepassing, aangezien zij ziet op aanspraken van banken of andere financiële instellingen.
In het onderhavige geval is het bestaan van vorenbedoelde overdrachtsakte gesteld noch gebleken. Er is hoogstens sprake van een, van zulke akte te onderscheiden, overeenkomst tot aandelenoverdracht als bedoeld in subparagraph (3) van paragraph 2 van de in genoemde section 22 bedoelde Zevende Bijlage van de Companies Act 1955. Van uitvoering (execution) van zulke akte is dus geen sprake. Derhalve mist de uitzondering van sub-paragraph (4) van paragraph 2 van genoemde Zevende Bijlage toepassing en geldt in het onderhavige geval onverkort bovengenoemd inschrijvingsvereiste als vereiste voor de aandelenoverdracht.

3.18.

Nog daargelaten dat, als gezegd, het bestaan van vorenbedoelde overdrachtsakte gesteld noch gebleken is, is evenmin gesteld dan wel gebleken dat de door [eiser] gestelde overdracht aan hem van aandelen van LLC geregistreerd is in het register of members (aandeelhoudersregister) van LLC. Derhalve is niet voldaan aan de toepasselijke Gambiaanse vereisten voor aandelenoverdracht, zodat [eiser] geen aandeelhouder is geworden van AAT. [eiser] stelt weliswaar dat het verzuim van AAT en/of [persoon2] om de aandelenoverdracht te registreren hem niet kan worden tegengeworpen, maar die stelling faalt. Dat [persoon2] in dit verband wellicht in gebreke is gebleven kan relevant zijn in de rechtsverhouding tussen [eiser] en [persoon2], maar brengt niet mee dat [eiser], die immers geen aandeelhouder is geworden van AAT, jegens AAT thans over de jaren 2007-2011 aanspraak kan maken op dividend.

3.19.

Nog afgezien van het vorenstaande is gesteld noch gebleken dat een rechtsgeldig besluit tot het aan de aandeelhouders doen uitbetalen van dividend is genomen. Ook om die reden valt niet in te zien dat [eiser] thans jegens AAT aanspraak zou kunnen maken op dividenduitkeringen, laat staan dividenduitkeringen van de door hem gestelde orde van grootte.

3.20.

De vorderingen van [eiser] zullen derhalve worden afgewezen.

3.21.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van AAT worden begroot op:

- vastrecht € 3.621,00

- salaris advocaat € 7.740,00 (3 punten x € 2.580,00)
totaal € 11.361,00.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van AAT zijn begroot op
€ 11.361,00;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.
901/1729