Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6944

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
963004-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het meermalen henneptelen, arbeid laten verrichten door illegalen en mensensmokkelen vanuit met name financiele motieven levert, na verrekening van het verlopen van de redelijke termijn, 10 maanden gevangenisstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/963004-10 [ Promis]

Datum uitspraak: 19 mei 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsvrouw mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 24, 25 en 26 maart 2014 en 12 mei 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 24 maart 2014 overeenkomstig de vordering van de officieren van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

a. Het openbaar ministerie heeft actief de publiciteit gezocht door een persbericht te verspreiden waarin de verdachte onnodig grievend en in overdreven bewoordingen als deelneemster aan een criminele organisatie wordt afgeschilderd, onder verwijzing naar een restaurant in [plaats]. De verdachte kan daardoor in haar bedrijfsvoering ernstig worden geschaad, vooral omdat termen gebruikt worden als “zeer ondermijnend en ontwrichtend voor de Nederlandse samenleving”. De raadsvrouwe heeft verwezen naar de uitspraak inzake Allenet de Ribemont vs Frankrijk (EHRM 10 februari 1995; NJ 1997,523). Deze publiciteit levert een schending op van de onschuldspresumptie, is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en moet daarom leiden tot niet-ontvankelijkheid.

b. Verder is aangevoerd dat het niet mogelijk is na te gaan hoe de verdenking jegens de verdachte tot stand is gekomen, nu in het dossier slechts verwezen wordt naar de bevindingen uit het onderzoek Tarbot, waaruit documenten en informatie zijn overgeheveld naar het dossier Warche dat in deze zaak aan de orde is. Het toevoegen van een proces-verbaal aanvraag tapbevel uit het dossier Tarbot kan niet als voldoende basis gelden, nu daarin ook weer geput wordt uit nog oudere onderzoeken. Het ontbreken van de mogelijkheid om de jegens de verdachte gerezen verdenking te kunnen toetsen, is in strijd met artikel 6 EVRM en moet daarom leiden tot niet-ontvankelijkheid.

c. Een derde argument is gebaseerd op voornoemd tapbevel. In het bijbehorende proces-verbaal aanvraag tapbevel wordt aangegeven dat het bevel erop is gericht om via de telefoongesprekken van[naam] achter de contactgegevens van medeverdachte [medeverdachte 1] te komen, omdat het vermoeden was dat hij de activiteiten van deze [naam] zou hebben overgenomen. Volgens de verdediging is er dan sprake van détournement de pouvoir en dus van een onrechtmatig tapbevel. Ook overigens is genoemde [medeverdachte 1] ten onrechte als subject genoemd in deze aanvraag, aangezien dit zou zijn gebeurd op basis van een onbetrouwbare stemherkenning van een tolk. Nu de daaruit verkregen informatie heeft bijgedragen aan de start van het onderzoek dat zich uiteindelijk ook op de verdachte heeft gericht, moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid.

d. Als vierde argument wordt genoemd de grote overschrijding van de redelijke termijn, gelet op grote en onverklaarbare leemtes in activiteiten en voortgang van de berechting. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN BD2578, waarin bepaald wordt dat in de categorie zaken “waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden de Hoge Raad handelt naar bevind van zaken.”

e. Het vijfde argument heeft betrekking op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met betrekking tot de vervolging van het vijfde feit op de tenlastelegging: een illegale vreemdeling arbeid laten verrichten, strafbaar gesteld bij artikel 197b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Door de raadsvrouwe is betoogd dat het bestendig gebruik is dat dit feit administratiefrechtelijk wordt afgedaan en dat de keuze om de verdachte in een strafprocedure te betrekken getuigt van willekeur, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft bij repliek het standpunt ingenomen dat de startinformatie van het onderzoek Warche met name is vervat in het overdrachtsproces-verbaal van het onderzoek Tarbot en dat daaruit voldoende feiten en omstandigheden blijken die een verdenking rechtvaardigen. In combinatie met het getuigenverhoor van de leider van het onderzoek Warche ([politie]) bij de rechter-commissaris en de mogelijkheid voor de verdediging om de stukken van het onderzoek Tarbot in te zien zijn de verdediging en de rechtbank voldoende geïnformeerd over de start van het onderzoek.
Verder wordt geconcludeerd dat uit de uitspraak inzake Allenet de Ribemont, in combinatie met de uitspraak inzake Daktaras vs Litouwen (Europese Hof voor de Rechten van de Mens, hierna: EHRM, 10 oktober 2000, DD 2001,455 LJN AP0792) volgt dat een persbericht dat uitgaat na het requisitoir in de zaak waarop het betrekking heeft en waarin het duidelijk gaat om een weergave van de eis van de officier van justitie - en derhalve nog geen onherroepelijk rechterlijk oordeel inhoudt - niet in strijd is met de onschuldpresumptie.
Tenslotte heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn zijn ontvankelijkheid niet aantast.

Het oordeel van de rechtbank

Ad a. Het openbaar ministerie wil het publiek kennelijk informeren over zijn werkwijze en de manier waarop zaken worden behandeld en ter zitting standpunten worden ingenomen. Daartegen bestaan geen bezwaren, mits de daarbij betrokken belangen van verdachten, slachtoffers en derden op een juiste en zorgvuldige wijze worden afgewogen. De kritiek van de raadsvrouwe op het persbericht is op een aantal punten terecht. Zo wordt gesproken over witwassen als een van de verwijten, terwijl dat niet in de tenlastelegging is opgenomen en er wordt de suggestie gedaan van het bestaan van een groepering die strafbare feiten pleegt, terwijl het deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr bij wijziging van de tenlastelegging is geschrapt. Daar staat tegenover dat de inhoud van het persbericht nauwelijks, althans niet op wezenlijke punten, afwijkt van het ter openbare terechtzitting uitgesproken requisitoir en daarmee dus niet een premature beschuldiging inhoudt als bedoeld in de door de raadsvrouwe aangehaalde uitspraak van het EHRM inzake Allenet de Ribemont van 10 februari 1995. Voorts is het persbericht in voldoende mate geanonimiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is er door deze publicatie geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces.

Ad b. Met betrekking tot het ontstaan van de verdenking tegen de verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Over het algemeen kan worden volstaan met het verwijzen naar en het overnemen van stukken uit een voorgaand onderzoek. Onder omstandigheden kan dan anders zijn, met name in gevallen waarin, zoals in het onderhavige, dat voorgaande onderzoek niet is gevolgd door een rechterlijke toetsing ter openbare terechtzitting. Nu de verdediging in staat is gesteld om kennis te nemen van het gehele onderzoeksdossier Tarbot en aan het dossier een geschrift is toegevoegd, zijnde een afschrift van een proces verbaal aanvraag tapbevel, waarin duidelijk is aangegeven waarom medeverdachte[medeverdachte 1] destijds werd verdacht van de in de aanvraag genoemde strafbare feiten, en de bevindingen uit het Tarbot-onderzoek die aanleiding hebben gegeven tot de start van het onderzoek Warche in een overdrachtsproces-verbaal en een startproces-verbaal zijn neergelegd, is het ontstaan van de verdenking in voldoende mate inzichtelijk en toetsbaar. Dit geldt te meer nu de leider van het onderzoek door de verdediging als getuige is gehoord bij de rechter-commissaris.

Ad c. Met betrekking tot het verweer dat er sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid, omdat getapt zou zijn op een telefoonaansluiting van een andere persoon dan degene die als verdachte is aangemerkt en met de bedoeling om de aansluitgegevens van de verdachte te achterhalen, overweegt de rechtbank het volgende.
Het verweer gaat uit van de veronderstelling dat alleen getapt mag worden op een aansluiting van een verdachte. Artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kent die beperking echter niet, anders dan artikel 126g Sv, zoals dat gold voor de invoering van de Wet BOB in 2001. Het huidige artikel stelt dat getapt kan worden “indien het onderzoek dit dringend vordert”. Het verweer vindt derhalve geen steun in het recht.

Ad d. Met betrekking tot het verweer dat in deze zaak de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet worden uitgesproken vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn inderdaad is geschonden. Echter, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, kan een overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden, maar zal compensatie worden geboden in het kader van de straftoemeting.

Ad e. Met betrekking tot het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging met betrekking tot het onder 5) ten laste gelegde vanwege willekeur en schending van het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.
De delictsomschrijving van artikel 197b Sr, waarop de telastlegging is toegesneden, houdt kort samengevat in dat degene strafbaar is die een persoon tewerk stelt van wie hij weet dat die persoon een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling is. De Wet Arbeid Vreemdelingen stelt strafbaar degene die een vreemdeling tewerk stelt die niet beschikt over een daartoe strekkende vergunning. In veel gevallen zullen overtreding van beide bepalingen gelijktijdig plaatsvinden, omdat een illegale vreemdeling niet kan beschikken over een dergelijke vergunning. De strafbaarstelling op grond van de Wet Economische Delicten beschermt de belangen van degenen die wel rechtmatig aan de arbeidsmarkt deelnemen en de onderlinge concurrentiepositie van bedrijven. Dit is een ander belang dan de belangen die door artikel 197b Sr worden beschermd: het overheidsbeleid ten aanzien van de bestrijding van illegaal verblijf en de publieke kas. Nu in het onderzoek Warche de verdenking is ontstaan dat de verdachte weet had van het illegale karakter van het verblijf van de tewerk gestelde heeft vervolging op basis van artikel 197b Sr dus geen willekeurig karakter.

Subsidiair heeft de verdediging geconcludeerd tot algehele bewijsuitsluiting van het dossier Warche, nu gesteld moet worden dat dat dossier op basis van de argumenten als aangegeven bij haar standpunt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen.

Het openbaar ministerie heeft bij repliek het standpunt ingenomen dat geen sprake is van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat er geen aanleiding is tot bewijsuitsluiting. Zo er al sprake is van vormverzuimen rechtvaardigen die niet een dergelijke sanctie. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de onbevoegde hulpofficier van justitie (HR 19 februari 2013, LJN BY5322).

Nu uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat voor wat betreft de schending van de redelijke termijn dient te worden volstaan met een compensatie in de strafmaat en dat de andere aangevoerde verweren niet tot de conclusie leiden dat het recht op een eerlijk proces is geschonden, is er geen aanleiding om de door de verdediging verzochte sanctie van bewijsuitsluiting toe te passen.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2., 3. en 4. primair en subsidiair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1., 5., 6., 7., 8. en 9. ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

DE VERDEDIGING

De raadsvrouw heeft – naast de hiervoor en hierna te noemen verweren – algehele vrijspraak bepleit.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEITEN 2., 3., 4., 8. EN 9.

I. Feit 2. (zaaksdossier ‘[adres]), feit 3. (zaaksdossier ‘Taugé’) en feit 4. primair en subsidiair (zaaksdossier ‘Taugé’)

Met de officieren van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dit oordeel behoeft, gelet op het eensluidende standpunt van de officieren van justitie en de raadsvrouw, geen nadere motivering.

II. Feit 8. (zaaksdossier ‘Wapens[adres]’) en feit 9. (zaaksdossier ‘Wapens[adres]’)

De tenlastelegde wapens en/of voorwerpen zijn weliswaar aangetroffen in de woning of de auto van de verdachte, maar ook andere personen verbleven in die woning en/of maakten gebruik van deze auto. Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan derhalve niet worden vastgesteld dat de verdachte wist van de aanwezigheid van die wapens en/of voorwerpen en evenmin dat de verdachte beschikkingsmacht hierover heeft gehad.

Met de raadsvrouw is de rechtbank dan ook van oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING FEITEN 1., 5., 6. EN 7.

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

I. Feit 1. (zaaksdossier ‘Taugé’)

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (kort samengevat) vrijspraak bepleit voor voornoemd feit omdat de verdachte het feit ontkent en het bewijs slechts rust op de verklaringen van de getuigen[getuige 1] en[getuige 2]. Gelet op de jurisprudentie (onder meer EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06, de zaak Vidgen) zouden de verklaringen van deze getuigen moeten worden uitgesloten van het bewijs wegens schending van artikel 6 van het EVRM nu de verdediging feitelijk niet in volle omvang in de gelegenheid is geweest om deze enige belastende bewijsmiddelen te toetsen.

Het oordeel van de rechtbank

De stelling van de raadsvrouw dat de verdediging het aan haar toekomende ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen met betrekking tot de verhoren van de betreffende getuigen tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris op 18 en 26 juni 2012, is op zich niet zonder meer onjuist. Echter, de stelling van de raadsvrouw dat deze verklaringen het enige belastende bewijs (the ‘sole or decisive’ evidence) vormen, is onjuist. Uit de overige opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de betreffende getuigenverklaringen in voldoende mate steun vinden in die overige bewijsmiddelen voor de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte bij het feit. De betreffende getuigenverklaringen kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank verwerpt het verweer.

II. Feit 5. (zaaksdossier ‘de Zwager’)

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (kort samengevat) vrijspraak bepleit voor voornoemd feit omdat de verdachte geen wetenschap had van de illegaliteit van de betrokken persoon [betrokkene 2]).

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat de verdachte en de voornoemde persoon op 15 augustus 2010 te 15.00 uur telefonisch met elkaar hebben gesproken (zaaksdossier ‘de Zwager’, dossierpagina 125). Uit voornoemd afgeluisterd telefoongesprek blijkt dat het niet anders kan zijn, dat de verdachte wist dat het met de verblijfsrechtelijke status van die persoon ([betrokkene 2]) niet in orde was, anders gezegd dat die[betrokkene 2]illegaal in Nederland was.

De rechtbank verwerpt het verweer.

III. Feit 6. (zaaksdossier ‘Milaan’)

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (kort samengevat) vrijspraak bepleit voor voornoemd feit omdat de verdachte geen wetenschap had van de illegaliteit van de betrokken persoon ([betrokkene 4]), doch er vanuit ging dat deze[betrokkene 4] slechts in Nederland was voor familiebezoek.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat de betrokken persoon diverse werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van de verdachte (restaurant[naam]) tegen slechts kost en inwoning op verschillende plekken in woningen van de verdachte. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, gelet op de duur van het verblijf in Nederland van de betrokken persoon (6 maanden), alsmede gelet op het feit dat enkele maanden daarvoor een andere illegaal in Nederland verblijvende persoon [betrokkene 2]) in het restaurant van de verdachte arbeid heeft verricht en in woningen van de verdachte heeft verbleven (zaaksdossier ‘de Zwager’), wordt de stelling van de verdachte dat zij dacht dat Wang legaal voor familiebezoek in Nederland was niet aannemelijk geacht.

De rechtbank verwerpt het verweer.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand oktober

2007 tot en met 29 maart 2008 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in een (bedrijfs)pand [adres]) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen van hennepplanten, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

5.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 november 2009

tot en met 09 november 2010 te Rotterdam en/of Barendrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]), die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had verschaft, (telkens) krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten (in danceclub[naam] en/of restaurant [naam]), terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was;

6.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 maart 2010

tot en met 06 oktober 2010, althans de periode van 06 april 2010 tot en met

06 oktober 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of (elders) in Nederland en/of China en/of België en/of Italië

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende [betrokkene 4] (geboren op

[geboortedatum] te[geboorteplaats]), (telkens) behulpzaam is geweest bij het

zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere

lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is

toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol

tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot

aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe (telkens)

gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte

en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen

had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

en/of

- die[betrokkene 4] een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende[betrokkene 4]

(geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats]), (telkens) uit winstbejag

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere

lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het

op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, of en hem daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of

inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of

ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

(telkens)

- (telefonisch) contact gehad en/of onderhouden met betrekking tot (het

regelen/coördineren van) de (vlieg)reis van voornoemde [betrokkene 4] naar

Nederland en/of de (betaling van de) kosten voor de reis/overkomst van die

[betrokkene 4] naar Nederland en/of een te vervalsen/vervalst, althans niet op

die(ns) naam gesteld, (reis)document/paspoort voor die[betrokkene 4] en/of de

(betaling van de) kosten voor (de vervaardiging van) voormeld

(reis)document/paspoort voor die [betrokkene 4] en/of

- die[betrokkene 4] van de luchthaven Schiphol opgehaald of laten ophalen en/of

(vervolgens) vervoerd en/of laten vervoeren en/of

- die[betrokkene 4] ondergebracht in (een) woning(en) [adres] en/of[adres]

[adres][adres]/of een restaurant (restaurant [naam]) van verdachte en/of

(een of meer van) verdachtes mededader(s), althans die[betrokkene 4]

woonruimte/onderdak en/of een werkplek verschaft;

7.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 maart 2010, althans

30 maart 2010, tot en met 25 mei 2010 en/of de periode van 03 juni 2010 tot en met

09 november 2010, te Rotterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of

Barendrecht en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland en/of Zweden en/of Denemarken

en/of België

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende [betrokkene 3] (geboren op [geboortedatum]

[geboortedatum] te[geboorteplaats]), (telkens) behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland,

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York

totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de

lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of en hem daartoe (telkens) gelegenheid,

middelen of en inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes

mededader(s)

(telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of doorreis

wederrechtelijk was,

en/of

- die[betrokkene 3] (telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of

een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen

Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot

aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen

transnationale georganiseerde misdaad, of en hem daartoe (telkens) gelegenheid, middelen

of en inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

- met voornoemde[betrokkene 3] (telefonisch) contact gehad en/of onderhouden met

betrekking tot (het regelen/coördineren van) diens (vlieg)reis/overkomst naar

Nederland en/of diens (daaropvolgende) terugkomst naar Nederland (na te zijn

uitgezet) en/of

- die [betrokkene 3] (daartoe) voorzien van (reis)informatie en/of geld en/of

- die [betrokkene 3] (respectievelijk) van de luchthaven Schiphol en/of van de luchthaven te

Brussel opgehaald en/of laten ophalen en/of (vervolgens) vervoerd en/of laten

vervoeren en/of

- die [betrokkene 3] ondergebracht in (een) woning(en) ([adres] en/of[adres]

[adres] en/of een restaurant (restaurant [naam]) van verdachte en/of (een of meer

van) verdachtes mededader(s), althans die [betrokkene 3] woonruimte/onderdak en/of een

werkplek verschaft, en/of

- voor die[betrokkene 3] een (kopie van een) niet op die(ns) naam gesteld identiteitsbewijs

geregeld en/of

- voor/met die [betrokkene 3] een aanvraag voor een werkvergunning ingediend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

MEDEPLEGEN VAN: OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER B VAN DE OPIUMWET, GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

5.

MEDEPLEGEN VAN: EEN ANDER, DIE ZICH WEDERRECHTELIJK VERBLIJF IN NEDERLAND HEEFT VERSCHAFT, KRACHTENS OVEREENKOMST OF AANSTELLING ARBEID DOEN VERRICHTEN, TERWIJL ZIJ WEET DAT DAT VERBLIJF WEDERRECHTELIJK IS;

6.

EEN ANDER UIT WINSTBEJAG BEHULPZAAM ZIJN BIJ HET ZICH VERSCHAFFEN VAN VERBLIJF IN NEDERLAND EN HEM DAARTOE GELEGENHEID EN MIDDELEN VERSCHAFFEN, TERWIJL ZIJ WEET OF ERNSTIGE REDENEN HEEFT TE VERMOEDEN DAT DAT VERBLIJF WEDERRECHTELIJK IS, TERWIJL HET FEIT IN VERENIGING WORDT BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN;

7.

MENSENSMOKKEL, TERWIJL HET FEIT IN VERENIGING WORDT BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN,

en

EEN ANDER UIT WINSTBEJAG BEHULPZAAM ZIJN BIJ HET ZICH VERSCHAFFEN VAN VERBLIJF IN NEDERLAND EN HEM DAARTOE GELEGENHEID, MIDDELEN EN INLICHTINGEN VERSCHAFFEN, TERWIJL ZIJ WEET OF ERNSTIGE REDENEN HEEFT TE VERMOEDEN DAT DAT VERBLIJF WEDERRECHTELIJK IS, TERWIJL HET FEIT IN VERENIGING WORDT BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten.

Ten eerste heeft de verdachte meermalen aanzienlijke hoeveelheden hennepplanten geteeld in een bedrijfspand. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van verdovende middelen direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit omdat verslaafden veelal delicten plegen ter financiering van hun gebruik. De verdachte heeft door haar handelen bijgedragen aan het in stand houden en verder uitbreiden van de hieraan verwante maatschappelijke problemen. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

Daarnaast heeft de verdachte arbeid laten verrichten door een illegaal in Nederland verblijvende persoon. Het gebruik maken van illegale arbeidskrachten is niet alleen een misdrijf tegen het openbaar gezag maar levert bovendien een bijdrage aan het in stand houden van een verboden toestand: het illegaal in Nederland verblijven.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel ten aanzien van twee personen. Dit delict is gericht tegen de staat en daarmee tevens tegen de Nederlandse samenleving als geheel. De overheid moet er ter bescherming van de economische of andere belangen ten behoeve van haar burgers vanuit kunnen gaan dat er zich op het Nederlandse grondgebied alleen maar personen bevinden die daartoe gerechtigd zijn. Voorts gaat mensensmokkel veelal gepaard met mensonterende en schrijnende taferelen, ook al hebben de slachtoffers vaak zelf voor een smokkeltraject gekozen. Mensensmokkelaars maken misbruik van de vaak prangende (economische) noodzaak die tot die keuze leidt.

Het lijkt er alleszins op dat de verdachte ook met betrekking tot laatstgenoemde delicten enkel en alleen haar eigen financiële belangen voor ogen heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat op dergelijke ernstige feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Wat betreft de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 februari 2014 en hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is gebleken. Uit voornoemde uittreksel blijkt weliswaar dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar gezien de aard en relatief geringe ernst van het betreffende feit zal de rechtbank daarmee niet in strafverzwarende zin rekening houden.

Alles overziend en afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden in beginsel passend en geboden is.

SCHENDING VAN DE REDELIJKE TERMIJN

Als uitgangspunt geldt dat in eerste aanleg een strafzaak dient te worden afgerond met een eindvonnis binnen een termijn van twee jaar, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, te weten: de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze van behandeling van de zaak door de bevoegde justitiële autoriteiten.

Deze termijn start op het moment dat er vanwege de Staat tegen de verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van bepaalde strafbare feiten door de officier van justitie een strafvervolging zou worden ingesteld. Als beginpunt van de termijn geldt in dit geval 9 november 2010, zijnde de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank doet thans uitspraak nadat drie jaar en zes maanden zijn verstreken.

Bij het beoordelen van de mate van overschrijding van de redelijke termijn die heeft plaatsgevonden, houdt de rechtbank rekening met de ingewikkeldheid en omvang van het onderzoek, dat meer dan 25 deelonderzoeken bevat en vele duizenden pagina’s telt, met de mate van verwevenheid van de daaruit gedestilleerde ten laste gelegde feiten, met het aantal getuigen- en rechtshulpverzoeken en het aantal (mede)verdachten. De rechtbank acht een behandelduur in eerste aanleg van 2 ½ jaar in beginsel nog redelijk en stelt de overschrijding van de redelijke termijn daarom op ongeveer 12 maanden. Gelet hierop en alle overige omstandigheden, is een strafvermindering van 10 % een passende compensatie voor deze schending van artikel 6 EVRM en zal de rechtbank in plaats van de hiervoor overwogen 11 maanden gevangenisstraf, 10 maanden gevangenisstraf opleggen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47, 57, 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2., 3., 4. primair en subsidiair, 8. en 9. ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1., 5., 6. en 7. ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W. Klein Wolterink, voorzitter,

mr. M. van Kuilenburg en mr. J.T.F.M. van Krieken, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 mei 2014.

Mr. Van Kuilenburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van[verdachte] d.d. 19 mei 2014:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand oktober

2007 tot en met 29 maart 2008 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een (bedrijfs)pand

([adres]) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft

gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen van hennepplanten, in

elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (telkens) meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

(Zaaksdossier Taugé’, in onderling verband en samenhang bezien met de overige

zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 3 ahf sub B Opiumwet

art 3 ahf sub C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf, sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2007

tot en met 07 juli 2008 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in (een van) haar

woning(en) ([adres]) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid

en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig

heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen van

hennepplanten, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (telkens) meer dan 30

gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel

3a, vijfde lid van die wet;

(Zaaksdossier ‘[adres]’, in onderling verband en samenhang bezien met de

overige zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 3 ahf sub 3 Opiumwet

art 3 ahf sub C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf, sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 28 maart 2008 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en) van 8.500,-

euro of daaromtrent en/of van 2.200,- euro of daaromtrent, althans enig(e)

geldbedrag(en), en/of een mobiele telefoon en/of een bestelauto ([auto]

[auto]) en/of (een) (bijbehorende) (auto)sleutel(s), in

elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die[aangever 1], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte en/of (een of meer van) verdachtes

mededader(s) voornoemde[aangever 1] in een (bedrijfs)pand ([adres])

- naar welk (bedrijfs)pand[aangever 1]zich conform (telefonische) afspraak en/of

op (hernieuwd) (telefonisch) verzoek/aandringen van verdachte en/of (een of

meer van) verdachtes mededader(s) had begeven - hebben/heeft

overvallen/overmeesterd en/of [aangever 1] (vervolgens) aldaar een of meer

pisto(o)l(en), althans een of meer vuurwapen(s), tegen diens hoofd en/of

(elders) tegen diens lichaam hebben/heeft gedrukt en/of voorgehouden en/of die

[aangever 1] (daarbij) dreigend meerdere malen, althans eenmaal, de woorden

hebben/heeft toegevoegd: “Je bent een kankerlijer, je gaat dood!” en/of

“Lekker voor je, jij krijgt lood in je kop!” en/of ”Jij hebt kinderen hè?! Ik

ga jouw auto pakken en naar je vrouw en kinderen rijden, ik ga geld halen!”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of die [aangever 1]

aldaar met voormeld(e) pisto(o)l (en)/vuurwapen(s) en/of met de ‘blote’

hand/vuist hebben/heeft geslagen en/of gestompt en/of [aangever 1] naar/tegen de

grond hebben/heeft gewerkt;

(Zaaksdossier ‘Taugé, in onderling verband en samenhang bezien met de overige

zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf, sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op of omstreeks 28 en/of 29 maart 2008 te Rotterdam. althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een persoon, genaamd [aangever 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft

beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten

[betrokkene 1], te dwingen iets te doen, te weten het (doen) betalen

en/of (doen) afgeven van een (resterend) geldbedrag van 31.489,90 euro of

daaromtrent, althans enig (resterend) geldbedrag, hebbende verdachte en/of

(een of meer van) verdachtes mededader(s) voornoemde[aangever 1] in een

(bedrijfs)pand [adres]) - naar welk (bedrijfs)pand[aangever 1] zich

conform (telefonische) afspraak en/of op (hernieuwd) (telefonisch)

verzoek/aandringen van verdachte en/of (een of meer van) verdachtes

mededader(s) had begeven - mishandeld en/of bij die [aangever 1] aldaar (telkens)

diens handen en/of voeten vastgetapet en/of vastgebonden en/of (telkens) diens

mond dichtgeplakt en/of die[aangever 1] (aldus) aldaar enige tijd vastgehouden

en/of die[aangever 1] (vervolgens) (aldus) naar/in (de achterbak van) een

bestelauto (mee)gesleurd/geduwd en/of (aldus) overgebracht naar een woning

([adres] 56H) en/of die [aangever 1] alhier enige tijd bewaakt en/of

vastgehouden;

(Zaaksdossier Taugé’, in onderling verband en samenhang bezien met de overige

zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf, sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 28 en/of 29 maart 2008 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een persoon, genaamd [aangever 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft

beroofd en/of beroofd gehouden, hebbende verdachte en/of (een of meer van)

verdachtes mededader(s) voornoemde Vermue in een (bedrijfs)pand [adres]

[adres]) - naar welk (bedrijfs)pand[aangever 1] zich conform (telefonische) afspraak

en/of op (hernieuwd) (telefonisch) verzoek/aandringen van verdachte en/of (een

of meer van) verdachtes mededader(s) had begeven - mishandeld en/of bij die

[aangever 1] aldaar (telkens) diens handen en/of voeten vastgetapet en/of

vastgebonden en/of (telkens) diens mond dichtgeplakt en/of die [aangever 1] (aldus)

aldaar enige tijd vastgehouden en/of die [aangever 1] (vervolgens) (aldus) naar/in

(de achterbak van) een bestelauto (mee)gesleurd/geduwd en/of (aldus)

overgebracht naar een woning ([adres]) en/of die [aangever 1] alhier

enige tijd bewaakt en/of vastgehouden;

(Zaaksdossier ‘Taugé’, in onderling verband en samenhang bezien met de overige

zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf, sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 november 2009

tot en met 09 november 2010 te Rotterdam en/of Barendrecht, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende [betrokkene 2] (geboren op

[geboortedatum] te[geboorteplaats]), die zich wederrechtelijk toegang tot of

verblijf in Nederland had verschaft, (telkens) krachtens overeenkomst of

aanstelling arbeid heeft doen verrichten (in danceclub[naam] en/of restaurant

[naam]), terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of

ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf

wederrechtelijk was;

(Zaaksdossier ‘de Zwager’, in onderling verband en samenhang bezien met de

overige zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 197b Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 maart 2010

tot en met 06 oktober 2010, althans de periode van 06 april 2010 tot en met

06 oktober 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of (elders) in Nederland en/of China en/of België en/of Italië

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende[betrokkene 4] (geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats]), (telkens) behulpzaam is geweest bij het

zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere

lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is

toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol

tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot

aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe (telkens)

gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte

en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen

had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

en/of

- die [betrokkene 4] (telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich

verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese

Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, of hem daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of

inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat

verblijf wederrechtelijk was,

immers hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

(telkens)

- ( telefonisch) contact gehad en/of onderhouden met betrekking tot (het

regelen/coördineren van) de (vlieg)reis van voornoemde[betrokkene 4] naar

Nederland en/of de (betaling van de) kosten voor de reis/overkomst van die

[betrokkene 4] naar Nederland en/of een te vervalsen/vervalst, althans niet op

die(ns) naam gesteld, (reis)document/paspoort voor die[betrokkene 4] en/of de

(betaling van de) kosten voor (de vervaardiging van) voormeld

(reis)document/paspoort voor die [betrokkene 4] en/of

- die[betrokkene 4] van de luchthaven Schiphol opgehaald of laten ophalen en/of

(vervolgens) vervoerd en/of laten vervoeren en/of

- die[betrokkene 4] ondergebracht in (een) woning(en) ([adres] en/of[adres]

[adres]) en/of een restaurant (restaurant[naam]) van verdachte en/of

(een of meer van) verdachtes mededader(s), althans die[betrokkene 4]

woonruimte/onderdak en/of een werkplek verschaft;

(Zaaksdossier ‘Milaan’, in onderling verband en samenhang bezien met de

overige zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 197a lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

7.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 maart 2010,

althans 30 maart 2010, tot en met 25 mei 2010 en/of de periode van 03 juni

2010 tot en met 09 november 2010, te Rotterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Barendrecht en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland

en/of Zweden en/of Denemarken en/of België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een ander, te weten een persoon genaamd/zich noemende [betrokkene 3] (geboren op

[geboortedatum] te[geboorteplaats]), (telkens) behulpzaam is geweest bij het zich

verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat

van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden

tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de

smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling

van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen

transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe (telkens) gelegenheid,

middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes

mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden

dat die toegang of doorreis wederrechtelijk was,

en/of

- die [betrokkene 3] (telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich

verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese

Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, of hem daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of

inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes

mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden

dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

(telkens)

- met voornoemde [betrokkene 3] (telefonisch) contact gehad en/of onderhouden met

betrekking tot (het regelen/coördineren van) diens (vlieg)reis/overkomst

naar Nederland en/of diens (daaropvolgende) terugkomst naar Nederland (na te

zijn uitgezet) en/of

- die [betrokkene 3] (daartoe) voorzien van (reis)informatie en/of geld en/of

- die [betrokkene 3] (respectievelijk) van de luchthaven Schiphol en/of van de

luchthaven te Brussel opgehaald en/of laten ophalen en/of (vervolgens)

vervoerd en/of laten vervoeren en/of

- die [betrokkene 3] ondergebracht in (een) woning(en) ([adres] en/of[adres]

[adres]) en/of een restaurant (restaurant [naam]) van verdachte en/of

(een of meer van) verdachtes mededader(s), althans die [betrokkene 3]

woonruimte/onderdak en/of een werkplek verschaft, en/of

- voor die [betrokkene 3] een (kopie van een) niet op die(ns) naam gesteld

identiteitsbewijs geregeld en/of

- voor/met die[betrokkene 3] een aanvraag voor een werkvergunning ingediend;

(Zaaksdossier [betrokkene 3]’, in onderling verband en samenhang bezien met de overige

zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 197a lid 1Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

8.

zij op of omstreeks 09 november 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen

van categorie I, onder 3e, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad;

(Zaaksdossier ‘Wapens[adres]’, in onderling verband en samenhang bezien met

de overige zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 13 lid 1 WWM

art 47 lid 1 ahf, sub 1 Wetboek van Strafrecht

9.

zij op of omstreeks 09 november 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen

van categorie II, onder 6e, te weten een traangasspuitbus, en/of munitie van

categorie III, te weten een hoeveelheid (15) kogelpatronen van het kaliber

9x19mm en/of een aantal (8) kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, voorhanden

heeft gehad.

(Zaaksdossier ‘Wapens[adres]’, in onderling verband en samenhang bezien met

de overige zaaksdossiers/processen-verbaal)

art 26 lid 1 WWM

art 47 lid 1 ahf, sub 1 Wetboek van Strafrecht

Bijlage II bij het vonnis van [verdachte] d.d. 19 mei 2014.