Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6911

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
10/750013-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega BASANIET. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten per zeeschip een container met een deklading limoenen met daarin verstopt een hoeveelheid van 504,1 kilogram (bruto) cocaïne vanuit Brazilië in Nederland gebracht.

Tevens heeft de verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan voorbereidings- en bevorderingshandelingen die gericht waren op het vervoeren en invoeren van een andere onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne alsmede voormelde handelshoeveelheid cocaïne. Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750013-13

Datum uitspraak: 18 juni 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

VERDACHTE 1,

geboren te (…) op (…),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

(…) te Rotterdam,

raadsman mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 20, 21, 22, 26 en 27 mei 2014.

Het onderzoek is gesloten op 4 juni 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. W.D. de Boer en A.L. Hoekstra hebben gerekwireerd tot:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar;

  • -

    verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag ad € 18.200,-.

ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

Verweer ten aanzien van onrechtmatige verkrijging startinformatie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de startinformatie afkomstig van de Engelse autoriteiten gebaseerd is op in Nederland uitgevoerde observaties zonder, althans zonder toetsbare, wettelijke basis. De stukken met betrekking tot deze observaties hadden aan het dossier dienen te worden toegevoegd. Nu dit niet is gebeurd, dienen de observaties als onrechtmatig te worden beschouwd.

Voorts is gebleken dat de informatie over de eerdere veroordelingen van verdachte 1 en verdachte 2, welke informatie tezamen met de informatie afkomstig uit Engeland de basis van alle ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden vormt, onjuist is. Anders dan is vermeld, is van een veroordeling ter zake van harddrugs geen sprake geweest en daarbij komt dat genoemde verdachten niet in één zaak maar in afzonderlijke los van elkaar staande zaken zijn veroordeeld. Dat, zoals uit het proces-verbaal van 27 mei 2014 naar voren komt, de verbalisant zich niet kan herinneren hoe deze onjuiste informatie in het dossier terecht is gekomen, is onaannemelijk. De verdediging stelt zich op het standpunt dat kennelijk bewust informatie is aangedikt om de gevraagde tapmachtiging te verkrijgen. Er is daarom sprake van bewuste misleiding van de rechter-commissaris.

Nu sprake is van bewuste schending dan wel grove veronachtzaming van de beginselen van een behoorlijke procesorde, dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat op basis van voorgaande informatie bijzondere opsporingsbevoegdheden onrechtmatig zijn ingezet en dat de aldus verkregen tapgesprekken als fruits of the poisonous tree van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft ten aanzien van de informatie afkomstig van de Engelse autoriteiten gesteld dat de bedoelde observaties op grond van een rechtshulpverzoek in Nederland hebben plaatsgevonden. De hiermee vergaarde informatie is daarmee door de Engelse autoriteiten verkregen en zij hebben deze op eigen initiatief gedeeld met het Nederlandse openbaar ministerie. Nu de informatie slechts als startinformatie is gebruikt en er verder geen begin van aannemelijkheid is dat de observaties niet aan de wettelijke vereisten hebben voldaan, was en is er geen noodzaak de onderliggende stukken aan het dossier toe te voegen.

Ten aanzien van de onjuiste informatie over de eerdere veroordelingen van verdachte 1 en verdachte 2 heeft het openbaar ministerie gesteld dat ook de vermelding van de juiste veroordelingen van deze verdachten voldoende basis zou hebben gevormd om het onderzoek te starten.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vraag of de onderliggende stukken van de observaties genoemd in de Engelse informatie aan het dossier hadden moeten toegevoegd, overweegt de rechtbank dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel met zich brengt dat Nederland in beginsel vertrouwt op de juistheid van informatie die een andere EU staat verstrekt. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat sprake is van een flagrante schending van de fundamentele rechten van de verdachte zoals deze worden gewaarborgd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (recent ook weer: conclusie mr. Machielse bij Hoge Raad 24 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:820). Dat daar in het onderhavig geval sprake van zou zijn, is gesteld noch gebleken. Het feit dat de Engelse autoriteiten de informatie (deels) hebben verkregen middels een door Nederland uitgevoerd rechtshulpverzoek maakt het voorgaande niet anders. De Nederlandse autoriteiten mochten afgaan op de startinformatie van de Britse opsporingsautoriteiten en op grond daarvan mocht een opsporingsonderzoek in Nederland worden ingesteld.

De bedoelde onderliggende stukken behoefden daarom niet aan het dossier te worden toegevoegd.

Met betrekking tot de onjuiste vermelding in het proces-verbaal van de eerdere veroordelingen van verdachte 1 en verdachte 2 oordeelt de rechtbank dat het weliswaar ongelukkig is dat deze informatie niet correct is, maar voor de stelling dat dit opzettelijk ter misleiding zou zijn gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank oordeelt voorts dat de verdachte hierdoor niet wezenlijk in zijn belangen is geschaad. Immers, ook de juiste informatie over de eerdere veroordelingen van verdachte 1 en verdachte 2 (internationale handel in softdrugs) zou - in combinatie met de startinformatie - het afgeven van de gevraagde tapmachtigingen zonder meer hebben gerechtvaardigd.

Uit het voorgaande blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank geen grond is voor de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, noch voor de subsidiair bepleite bewijsuitsluiting wegens onrechtmatig verkregen bewijs. Het verweer wordt daarom in alle onderdelen verworpen.

Strijd met gelijkheidsbeginsel

Standpunt van de verdediging

De verdediging meent dat sprake is geweest van een selectieve opsporing en van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Naar andere ook in het dossier opgedoken personen is immers geen onderzoek gedaan, terwijl daarvoor wel aanleiding bestond. Het openbaar ministerie moet op grond daarvan niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de verdediging.

Standpunt van het openbaar ministerie

Voor het doen van (verder) onderzoek naar andere personen bestond geen aanleiding en van strijd met het gelijkheidsbeginsel in deze is geen sprake, omdat het niet om evidente vergelijkbare gevallen gaat.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Voorop gesteld moet worden dat het openbaar ministerie bij de vervolging een grote mate van beslissingsvrijheid heeft. Die beslissingsvrijheid wordt begrensd door de beginselen van een goede procesorde, maar de inhoudelijke rechterlijke toetsing daaraan is een marginale (Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Voor de opsporing, als instrument van die vervolging, heeft dit evenzeer te gelden. Dat naar andere personen die in een onderzoek opduiken geen verdere opsporing is gedaan, kan een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zonder meer dragen (Hoge Raad 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:286). Dat zou wellicht anders kunnen zijn als evident is dat naar de verdachte onderzoek is gedaan, in afwijking van een bestendig opsporingsbeleid maar daarvan is in casu niet gebleken.

Van strijd met gelijkheidsbeginsel is geen sprake en het openbaar ministerie is ontvankelijk.

OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN HET BEWIJS

Inleidend

Op 9 januari 2013 is bij het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) informatie binnengekomen van de Britse opsporingsautoriteiten inhoudende onder meer de mededeling dat twee Nederlanders, te weten verdachte 1 en verdachte 2, zich samen met ene (…) zouden bezig houden met de export van verdovende middelen vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk via door Nederlanders geregistreerde Britse ondernemingen (waaronder een bedrijf bekend als (...) Int Ltd). (…) heeft in Nederland ontmoetingen met verdachte 1 gehad en bij één daarvan is ook verdachte 2 gezien. Verdachte 2 is in 2007 in Engeland veroordeeld voor een drugsdelict.

Daarnaast is bij de politie informatie naar voren gekomen waaruit bleek dat verdachte 1 en verdachte 2 eerder in Engeland waren veroordeeld wegens drugsgerelateerde feiten.

Naar aanleiding van deze informatie is op 21 januari 2013 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Basaniet.

Gedurende dit opsporingsonderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen, tevens hebben er observaties plaatsgevonden. Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot het onderzoek naar een aantal vermoede voorvallen waarbij cocaïne binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of ten aanzien waarvan voorbereidingshandelingen zijn verricht (zaaksdossier Limoenen, feiten 1 en 2 op de dagvaarding) en daarnaast zijn vermoede voorbereidingshandelingen onderzocht met betrekking tot de uitvoer van cocaïne naar Engeland in een geprepareerde machine waarin een verborgen ruimte was aangebracht (zaaksdossier Machine, feit 3 op de dagvaarding).

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 3 (Zaak Machine)

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat een in een loods aan de (...) te Dordrecht aangetroffen geprepareerde machine bestemd was voor het vervoeren van cocaïne. Deze bestemming leidt het openbaar ministerie af uit 3 factoren:

  • -

    de ruimte in de machine was daartoe in het bijzonder geschikt;

  • -

    de tapgesprekken tussen (…) en verdachte 1 over ‘wit’ en ‘groen’;

  • -

    het feit dat de verdachten op 29 mei 2013 voordat zij naar (...) zijn gegaan, een bezoek aan de loods aan de (...) hebben gebracht. Daaruit volgt de link tussen de cocaïne uit de Braziliaanse containers met limoenen en de machine.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het bestanddeel cocaïne. In de holle ruimte van de machine kon van alles worden verstopt en uit niets blijkt dat dit cocaïne zou zijn. Er is voorts geen enkele link met de zaak Limoenen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen, leeggemaakte, machine (mede) bedoeld was voor het ver-, in- en /of uitvoeren van cocaïne. Er is geen bewijsmiddel waaruit dit direct kan worden afgeleid.

Uit de door het openbaar ministerie bedoelde factoren blijkt dit evenmin.

De gecreëerde ruimte was wellicht geschikt voor het verstoppen van cocaïne, maar evenzeer voor het verstoppen van andere verboden waar, zoals hennep of hasj. Uit de documentatie van een aantal verdachten kan voorts worden afgeleid dat zij zich eerder bezig hebben gehouden met de in/uitvoer van softdrugs en het door het openbaar ministerie aangehaalde gesprek tussen (…) en verdachte 1 kan evengoed in dit licht worden geïnterpreteerd. Daarbij komt dat dit gesprek in februari 2013 heeft plaatsgevonden en het maar zeer de vraag is of dit gesprek iets met de machine te maken heeft. Immers, pas vanaf maart 2013 vinden gesprekken over de mogelijke aanschaf van een machine plaats.

Van een link tussen de zaak Limoenen en de aangetroffen machine, in die zin dat de in beslaggenomen cocaïne in deze machine zou moeten worden vervoerd, is uit het onderzoek ter terechtzitting niets gebleken. Het enkele feit dat een tweetal verdachten in de zaak Limoenen op 29 mei 2013 een bezoek aan de loods aan de (...) te Dordrecht heeft gebracht, is daartoe onvoldoende, temeer nu in de beide zaaksdossiers sprake is van een verschillende groep verdachten. Zo moet de omstandigheid dat verdachte 7 - die in zaaksdossier Machine naar voren komt als de financier van de machine(s) - in het geheel niet voorkomt in het zaaksdossier Limoenen, als een contra-indicatie worden gezien voor het trekken van de conclusie dat de geprepareerde waterpomp zou moeten dienen om daarin de uit Brazilië afkomstige cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk te smokkelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve onvoldoende komen vast te staan dat de aangetroffen machine bestemd was voor het ver-, in- en/of uitvoeren van cocaïne. De verdachte dient om die reden van feit 3 te worden vrijgesproken.

BEWIJSOVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN FEIT 1 EN 2

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat, gelet op de inhoud van de opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken in combinatie met de waarnemingen tijdens de observaties en de aangetroffen cocaïne, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 en 2, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat:

  • -

    (...) en niet de verdachte 1 zich bezighield met het handeldrijven door (...) Ltd. De verdachte 1 heeft niets te maken met de bestelling van de limoenen, hetgeen ook blijkt uit het feit dat er geen enkele correspondentie of tapgesprek met betrekking tot de bestelling of betaling hiervan is aangetroffen. Ook de Bill of Lading was niet in het bezit van de verdachte 1 of (...). De verdachte 1 wist derhalve niet dat zich in de derde container, die op 22 mei 2013 Nederland is binnengekomen, tussen de limoenen ook cocaïne bevond.

  • -

    Het bewijs ontbreekt dat in een eerder dan 22 mei 2013 binnengekomen container cocaïne heeft gezeten. Uit de getapte telefoongesprekken tussen de verdachte 1 en verdachte 3 over de monsterneming uit dozen van de container kan dat ook niet worden afgeleid. Het arrest van het hof Amsterdam van 17 september 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BY0657) is niet van toepassing nu geen sprake is van de situatie dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Kennelijk ging de politie daar toen ook niet van uit, anders was er wel alsnog geobserveerd of een inval gedaan. De gesprekken tussen de verdachte 1 en verdachte 3 gingen over (limoen)monsters uit de dozen met limoenen.

  • -

    Er zijn noch door de verdachte 1 noch door zijn medeverdachten handelingen verricht die kunnen worden gebracht onder het begrip ‘verlengde invoer’ zoals nader uitgelegd in het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9575, noch zijn er voorbereidingshandelingen daartoe verricht. Immers, in het dossier worden geen bestellingen, geen betalingsverkeer met de verzender en geen instructies omtrent enige verpakking of wat dan ook aangetroffen.

Beoordeling door de rechtbank

In zaaksdossier Limoenen (als onderdeel van onderzoek Basaniet) zijn de resultaten van het onderzoek naar de vermoedelijke invoer van cocaïne in Nederland op verschillende momenten in de maand mei 2013, door middel van containers met als deklading limoenen afkomstig uit Brazilië, weergegeven.

Uit het onderzoek is gebleken dat er in mei 2013 drie containers in Rotterdam zijn binnengekomen waarbij de verzender telkens een bedrijf is uit Santos Brazilië ((...)) en de ontvanger telkens het bedrijf (...) Int. Ltd aan de (...) te Rotterdam.

De containers zijn allemaal binnengekomen bij het bedrijf (...) Terminals in Rotterdam via verschillende schepen van Maersk en de containers zijn steeds uitgehaald door het bedrijf (...) B.V. te (…). Het gaat om de volgende containers:

1.

Container CBHU2975147 op 8 mei 2013 binnengekomen en op 16 mei 2013 uitgehaald. Deze container is door de Douane gescand, hierbij werden geen bijzonderheden geconstateerd.

2.

Container CBHU2825234 op 15 mei 2013 binnengekomen en eveneens op 16 mei 2013 uitgehaald. Deze container is niet door de Douane gecontroleerd;

3.

Container BMOU9505783 op 22 mei 2013 binnengekomen en op 23 mei 2013 uitgehaald. Deze container is door de Douane uitgebreid gecontroleerd en in deze container is cocaïne aangetroffen.

Het ontvangende bedrijf: (...) Ltd

Het bedrijf (...) Ltd is op 12 juni 2012 opgericht. Uit het uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat als directeur van dit bedrijf (...) staat vermeld. Het vestigingsadres van het bedrijf komt overeen met zijn woonadres.

Uit de verklaring van (...) volgt dat (...) als stroman moet worden gezien. Hij heeft dit bedrijf immers slechts op verzoek en onder aansturing van verdachte 1 en ene (...) - die in werkelijkheid (...) blijkt te zijn; een zoon van verdachte 4 en een broer van verdachte 5 - bij de Kamer van Koophandel ingeschreven waarbij hij als bestuurder moest worden vermeld.

Verdachte 1 heeft tijdens de inschrijvingsprocedure bij de balie van de Kamer van Koophandel het woord gevoerd.

De rechtbank gaat er van uit dat in werkelijkheid verdachte 1 de touwtjes in handen had van dit bedrijf. Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte 1 zijn ook administratieve bescheiden met betrekking tot (...) aangetroffen waaronder facturen, stempels en emailberichten met offertes ten aanzien van Braziliaanse limoenen. Tevens is een emailbericht, d.d. 7 mei 2013 te 11.14 uur, aangetroffen afkomstig van (...), werkzaam bij (...) waarin de komst van een container uit Brazilië wordt aangekondigd.

Bovendien is op 18 maart 2013 reeds door een observatieteam waargenomen dat verdachte 1 samen met verdachte 2 naar (...) is gereden en dat hij daar een ontmoeting heeft gehad met een persoon in een Hyundai met kenteken (...), die achteraf (...) van (...), bleek te zijn.

Gelet op voormelde omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - acht de rechtbank daarom de verklaring van verdachte 1 dat hij geen zakelijke bemoeienis had met (...) Ltd behoudens het verrichten van administratieve handelingen ten behoeve van de oprichting van deze vennootschap, niet geloofwaardig. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte 1 uitsluitend een door een ander ((...)) bestelde lading zou afhandelen eenmaal in Nederland aangekomen. Uit de hierna te melden tapgesprekken komt naar voren dat verdachte 1 zich intensief bezig heeft gehouden met het laten ophalen/vervoeren van de containers die bij (...) staan, het laten regelen van de inklaringspapieren en de opslag van de limoenen. Bovendien heeft verdachte 1 ook zelf in een tapgesprek met verdachte 3 op 23 mei 2013 gezegd dat (...) zijn bedrijf is, hetgeen zijn bevestiging vindt in de bij hem aangetroffen administratieve bescheiden ook ten aanzien van deze ladingen Limoenen.

Aantreffen cocaïne in container BMOU9505783

In samenwerking met de Douane te Rotterdam werd de container met nummer BMOU9505783 (ofwel de derde container), nadat deze op 22 mei 2013 van het schip de Maersk Laguna was gelost, overgebracht naar de Douaneloods op de Maasvlakte te Rotterdam. Uit onderzoek bleek dat de container een grote hoeveelheid dozen met limoenen bevatte. In de nacht van 22 mei 2013 op 23 mei 2013 is de container door de douane gescand. Bij nader onderzoek bleek vervolgens dat tussen deze dozen limoenen een grote hoeveelheid afwijkende verpakkingen aanwezig was. Bij het openen van deze verpakkingen, bleek dat deze verpakkingen wit poeder bevatten dat na onderzoek cocaïne bleek te zijn.

Het totaal netto gewicht van de cocaïne bedroeg 466,395 kilogram (504,1 kilogram inclusief verpakkingsmateriaal). Nadat de totale hoeveelheid cocaïne uit de container was verwijderd, is ook deze container uitgehaald door (...) te (...).

Hetgeen aan relevante feiten en omstandigheden voortvloeit uit de t(...)s en observaties

Uit de inhoud van zaaksdossier Limoenen komt naar voren dat verdachte 1 sinds 12 mei 2013 telefoongesprekken voert die betrekking hebben op de aankomst van een container met citrusvruchten. Uit de gesprekken wordt duidelijk dat verdachte 1 de citrusvruchten op wil slaan en gebrek heeft aan opslagruimte. Verdachte 1 roept dan de hulp in van verdachte 3 en zegt in een gesprek van 12 mei 2013 te 10.15 uur dat hij bang is dat de vruchten net als de vorige keer gaan verrotten. Voorts geeft verdachte 1 in hetzelfde gesprek aan dat hij geen winst hoeft te maken op de verkoop van deze lading citrusvruchten en in een gesprek van 13 mei 2013 te 09.52 uur zegt verdachte 1 dat de citrusvruchten in een lijncontainer zitten en dat hij die niet te lang wil huren omdat hij wil dat alles er normaal uit ziet.

In een gesprek van 14 mei 2013 te 11.55 uur zegt verdachte 1 tegen verdachte 6 dat hij die dag met (...) naar (...) gaat en om 17.39 uur van diezelfde dag zegt verdachte 1 tegen verdachte 3 dat hij bij de expediteur is geweest en dat het allemaal is vrijgemaakt, dat het goed is en dat het donderdag opgehaald kan worden.

Uit de gesprekken die in deze periode worden gevoerd, wordt duidelijk dat verdachte 3

vervoer en een koelcontainer heeft geregeld om de partij op te halen en dat hij voornemens is om de container voor zijn woning in Kesteren “aan de stekker” te zetten. Voor het ophalen van de partij wordt verdachte 3 bijgestaan door verdachte 6.

Op 16 mei 2013 te 20.37 uur belt verdachte 1 naar een man, genaamd (...). In dat

gesprek geeft verdachte 1 aan dat (…) de volgende dag een auto moet huren. Tijdens dit

telefoongesprek overlegt verdachte 1 op de achtergrond met verdachte 5 die zich kennelijk bij verdachte 1 bevindt.

Op vrijdag 17 mei 2013 om 08.32 uur vindt een telefoongesprek plaats tussen verdachte 4 en verdachte 1. Verdachte 1 zegt dat het die dag niet rustig zal worden en wanneer hij begint te vertellen over een jongen die die ochtend zou moeten komen en dat hij met de douane-expediteur heeft gesproken, verbreekt verdachte 4 de verbinding.

In een daarop volgend gesprek van 08.34 uur spreekt verdachte 1 verdachte 4 aan dat hij de hoorn er op heeft gegooid waarop verdachte 4 zegt dat hij niet van bellen houdt.

Om 11.00 uur die dag wordt verdachte 1 gebeld door verdachte 2. In dit gesprek en de

gesprekken die hier kort op volgen, wordt gesproken over een jongen waar verdachte 2 een afspraak mee heeft en die er nog niet is. Verdachte 1 gaat er achteraan en even later belt hij verdachte 2 terug dat de jongen er over 10 minuten is.

De reguliere telefoon van verdachte 2 (telefoonnummer (...), dat getapt werd sinds 28/01/2013) staat dan uit. Het telefoonnummer waar verdachte 2 die ochtend gebruik van maakt ((...)) blijkt al eerder en ook op en na 17 mei 2013 in gebruik te zijn bij verdachte 4.

In een gesprek dat om 11.43 uur van diezelfde dag werd gevoerd en waarin verdachte 2 aangeeft dat hij Lange (betreft verdachte 6) om half één bij verdachte 1 op komt halen, wordt duidelijk dat verdachte 2 op dat moment in gezelschap is van verdachte 4 die op de achtergrond hoorbaar is.

Uit andere telefoongesprekken die verdachte 4 op dat moment voert wordt duidelijk dat hij gebruik maakt van een zendmast aan de (…) te (...).

Vanaf 13.52 uur die dag voert verdachte 4 een aantal telefoongesprekken met zijn zoon verdachte 5. Uit deze reeks van kort opeenvolgende gesprekken komt naar voren dat verdachte 4 instructies geeft aan zijn zoon. Zo zegt verdachte 4 onder andere dat (...) (= verdachte 6) in een auto moet gaan zitten en zal wachten totdat er een andere

jongen bij hem in gaat stappen. Deze jongen moet bij de uitgang uitstappen en alleen gaan. In een daarop volgend gesprek zegt verdachte 4 dat verdachte 5 hem en verdachte 2 niet moeten volgen, omdat er een Audi achter hen aan zit. Verdachte 5 zegt tegen zijn vader dat hij tegen de jongen heeft gezegd dat hij 5 minuten voordat hij klaar is, moet bellen. Verdachte 4 zegt even later dat hij op de hoogte gesteld wil worden als verdachte 5 door de jongen gebeld wordt zodat zij ook die kant op kunnen schuiven. Verder wordt er gesproken over tassen die wel of niet meegenomen moeten worden en dat "hij” (kennelijk de jongen) nog 20 a 25 minuten nodig heeft en dat ze niet blijven staan maar dat er nog een rondje wordt gereden. Weer even later zegt verdachte 5 tegen zijn vader (= verdachte 4) dat "hij" (vermoedelijk de jongen) nu gaat vertrekken en weer even later zegt verdachte 5 dat die jongen achter hem zit en dat hij 34 heeft opgehaald. Kort hierna zegt verdachte 4 dat verdachte 5 alvast moet gaan. Weer even later geeft verdachte 4 aan dat er afstand gehouden moet worden met twee auto's en om 15.10 uur lijkt de reeks gesprekken te eindigen met de mededeling van verdachte 5 dat "hij" (de rechtbank begrijpt: de jongen) naar binnen is gegaan.

Meteen hierna, omstreeks 15.13 uur, belt verdachte 4 naar een onbekende man die

gebruik maakt van het telefoonnummer (...). In dat gesprek zegt de onbekende man dat hij al thuis is en wanneer verdachte 4 vraagt of de onbekende man weet hoe hij binnen moet komen geeft deze man aan dat hij het wel zal vinden. Vervolgens noemt verdachte 4 een aantal nummers en zegt dat de onbekende man het nummer 84 (verdachte 1 woont aan de (…)) moet onthouden. Inmiddels heeft verdachte 2 zijn reguliere telefoon weer aangezet en belt hij om 16.08 uur naar zijn vrouw (...) en zegt dat het gebeurd is.

Op 18 mei 2013 vinden er telefoongesprekken plaats tussen verdachte 1, verdachte 4 en (...) (...) waarin wordt gesproken over wie het huurcontract heeft, over de tenaamstelling en een betaalbewijs. (...) zal een en ander bij verdachte 1 in de brievenbus gooien. Dit gaat kennelijk over de eerder gehuurde auto. Op 21 mei 2013 vinden er immers opnieuw gesprekken plaats tussen verdachte 1, (...) en ook verdachte 5 waarin weer wordt gesproken over het originele huurcontract en of de wagen voor 10 uur terug moet zijn.

Op 18 mei 2013 vindt er ook een gesprek plaats tussen verdachte 1 en verdachte 2 over de buurvrouw van verdachte 1 die klaagt over ‘ongure types’ aan de deur waarna verdachte 2 zegt dat ze nu geen zin hebben in gezeik en dat ze maar over 10 of 14 dagen moet klagen.

Op 20 mei 2013 spreken verdachte 4 en verdachte 2 weer een aantal keren met elkaar en spreken over ‘die dingen gezien’ en zeven meenemen, en eentje hier houden als monster, dat ze niet hetzelfde zijn en dat alles open moet ‘of die dubbele W’ er op zit en waarbij zij tevens spreken dat er één opengemaakt moet worden met een mesje en dat je dan de stempel kan zien maar dat verdachte 2 dat niet wil en dat verdachte 4 zegt dat verdachte 2 het maar met verdachte 5 samen open moet maken.

Op 21 mei 2013 om 11.58 uur spreken verdachte 1 en verdachte 3 elkaar en verdachte 3 zegt dat het in (...) is, dat de directeur daar van de citroenen en de appels weet, dat hij gaat laden (de rechtbank begrijpt: de koelcontainer) en bij hem thuis aan de stekker zetten. Diezelfde dag om 12.23 uur geeft verdachte 1 het adres van (...) te (...) en het mobiele telefoonnummer van (…) telefonisch aan verdachte 3 door.

Uit deze opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken in de periode vanaf 12 mei 2013 tot en met 21 mei 2013 blijkt dat een groep personen bestaande uit verdachte 1 en verdachte 2, verdachte 4, verdachte 5 en verdachte 6, intensief (telefonisch) contact met elkaar onderhoudt over containers met limoenen. Vanaf 21 mei 2013 wordt er in de getapte gesprekken ook met zoveel woorden gerefereerd aan ‘nummer 3’. Alle omstandigheden overziend moet dit wel gaan over de derde container met nummer BMOU9505783 waarin uiteindelijk ook daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen.

De volgende getapte gesprekken en observatiewaarnemingen tussen 21 mei 2013 en de aanhouding op 29 mei 2013 van verdachte 1, verdachte 2, verdachte 4 en verdachte 6 zijn in dit kader dan ook relevant:

  • -

    op 21 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 2 waarin verdachte 1 zegt dat ze nummer 3 al hebben en dat hij morgen moet afstempelen;

  • -

    op 21 mei 2013 tussen verdachte 1 en verdachte 6 waarin verdachte 1 zegt dat nummer 3 er nu ook is, dat snor (= verdachte 4) naar (...) (= verdachte 1) moet luisteren en dat (...) (= verdachte 6) morgen even weg moet; half uurtje heen en half uurtje terug;

  • -

    op 21 mei 2013 tussen verdachte 1 en verdachte 6 waarin verdachte 1 zegt dat hij net verdachte 5 aan de telefoon had en dat ze het nu goed moeten blijven doen.

Op 21 mei 2013 werd verdachte 3 onder observatie genomen en werd waargenomen dat op het terrein van het bedrijf (...) twee koelcontainers aanwezig waren. Dit betroffen de containers met de nummers CBHU2825234 (container 1) en

CBHU2975147 (container 2). Rond 15.30 uur werd waargenomen dat verdachte 3 met een vrachtwagencombinatie arriveerde bij het bedrijf (...) en dat er verschillende pallets met goederen werden overgeladen vanuit container 1 naar de vrachtwagencombinatie waarmee verdachte 3 was gearriveerd. Hierna verliet verdachte 3 met de vrachtwagencombinatie het terrein van (...).

  • -

    op 22 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 2 waarin verdachte 1 zegt dat hij vanmiddag even naar die andere kant gaat om te stempelen en verdachte 2 vraagt of die ook naar de fotograaf gaat;

  • -

    op 22 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 6 waarin verdachte 1 zegt dat die zoon van snor (= verdachte 5) ook even komt, dat het er hem omgaat even naar (...) rijden, stempel zetten en klaar.

Op 22 mei 2013 is door middel van observaties waargenomen dat verdachte 5, terwijl hij in het gezelschap was van verdachte 6, op een parkeerplaats in (...) contact maakte met de bestuurder van een Hyundai voorzien van het kenteken (...). Even daarvoor werd gezien dat de bestuurder van deze Hyundai het bedrijf (...) in (...) verliet en dat hij een aantal formulieren bij zich droeg. Kort nadat verdachte 5 en de bestuurder van de Hyundai elkaar hebben ontmoet, gaan zij uit elkaar en de bestuurder van de Hyundai rijdt terug naar het bedrijf (...). Hij loopt het terrein op en weer wordt gezien dat hij een aantal formulieren bij zich draagt.

Bij navraag bij de RDW bleek dat het kenteken (...) op naam was gesteld van (...) (...), die aan het bedrijf (...) is verbonden.

  • -

    op 22 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 5 waarin laatstgenoemde zegt dat de eerste is opgehaald, dat de tweede morgen wordt opgehaald en of zij de papieren moeten hebben van de derde. Verdachte 1 antwoordt daarop dat er al twee zijn opgehaald, dat verdachte 5 gewoon moet doen zoals het altijd gaat en dat hij de papieren wil hebben;

  • -

    op 22 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 2 waarin verdachte 2 wederom tot twee maal toe vraagt of de fotograaf er nog bij komt, verdachte 2 zegt dat snor (= verdachte 4) weet hoe hij dat moet regelen en dat hij nu zijn telefoon uit zet;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 3 1 waarin verdachte 1 vraagt of verdachte 3 heeft gekeken hoeveel uit de container is gehaald die net is verkocht aan de jongen van (…), omdat daar een paar pallets monsters uit zijn getrokken. Twee pallets zijn opnieuw gesealed. Daarop zegt verdachte 3 dat hij de volledige pallets heeft, waarop verdachte 1 zegt dat dat niet kan en verdachte 3 zegt dat hij dat begrijpt;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 3 1 waarin verdachte 1 zegt dat op de laadbrief de naam van ons/zijn bedrijf moet staan, te weten (...) in Rotterdam en dat ze een stuk verder zijn en dat de derde er aan komt en voorts een gesprek waarin verdachte 3 zegt dat er 2 containers zijn binnengekomen en dat uit eentje geen monsters zijn uitgenomen en dat de verdachte 1 zegt dat hij de complete al heeft verkocht en dat bij deze container de ontbrekende dozen van de rekening moeten worden afgetrokken en dat hij nu de vrachtbrieven gaat invullen en dat hij een stempel heeft;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 5 waarin verdachte 1 zegt dat hij die stempel moet hebben en verdachte 5 zegt dat hij Lange (= verdachte 6) nodig heeft, dat voor schipper (= (...)) een grotere moet worden gereserveerd en dat Lange 3 moet krijgen;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 3 en (...) waarin wordt afgesproken dat verdachte 3 op zaterdag 24 mei 2013 de limoenen bij (...) in (…) komt brengen;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 3 en verdachte 1 waarin verdachte 3 zegt dat hij de vrachtbrief van (...) kan gebruiken en verdachte 1 zegt dat verdachte 3 zaterdag dan die lange moet oppakken; of hij moet naar het terrein toerijden dat hij daar effe instapt, zegt verdachte 3;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 5 waarin verdachte 5 zegt dat hij de naam wil weten van die schipper, Verdachte 1 dan de naam (...) doorgeeft aan verdachte 6 (die bij verdachte 5 is), verdachte 5 het telefoonnummer van Bo-Rent aan verdachte 1 geeft en tegen hem zegt dat hij een sprinter busje voor zaterdag moet regelen op naam van die schipper en dat Lange (= verdachte 6) 3 moest hebben;

  • -

    op 23 mei 2013 een gesprek waarin verdachte 1 voor vrijdag en zaterdag een Sprinter reserveert bij Bo-Rent op naam van (...);

  • -

    op 24 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en (...) waarin verdachte 1 zegt dat lange (...) (= verdachte 6) (...) zal oppikken om naar Bo-rent te gaan om een sprinter te huren;

Op 24 mei 2013, omstreeks 11.15 uur, werd door een politieobservatieteam waargenomen dat verdachte 6 en (...) bij het bedrijf Bo-Rent in Rhoon zijn geweest en even later wegreden in een Mercedes Sprinter bestelauto voorzien van het kenteken (…). Deze Mercedes Sprinter werd nabij de woning van (...) aan de Maaskade te Rotterdam geparkeerd.

  • -

    op 24 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 4 waarin verdachte 1 zegt dat een sprinter is gehaald;

  • -

    op 24 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 4 waarin verdachte 1 zegt dat hij die eerste twee al heeft verkocht, zij zetten dat op de rekening en dan kunnen zij daar alles lekker van betalen. Tevens zegt verdachte 1 dat het beter is dat hij verdachte 4 morgen even ziet;

  • -

    op 24 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 2 waarin verdachte 1 zegt dat (...) niet is betaald, dat hij morgen snor (= verdachte 4) ziet en dan van de hoed en rand weet. Verderop in het gesprek zegt verdachte 1 dat hij (kennelijk aan (...)) had gevraagd of alles oke was en dat "hij" ((...)) had gezegd van niet. Verdachte 1 zegt dat hij enorm was geschrokken en gevraagd had of het fout was waarop "hij" ((...)) had gezegd dat de transportdingen niet betaald waren;

  • -

    op 24 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 6 waarin verdachte 1 zegt dat verdachte 6 morgen niet moet vergeten een kaartje mee te nemen van die mensen en dat de factuur voor (...) is;

  • -

    op 25 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 4 en verdachte 5 waarin verdachte 4 zegt dat zij weer 4 telefoons moeten regelen;

  • -

    op 27 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 3 waarin verdachte 3 zegt dat er in totaal 12 doosjes zijn afgetrokken;

  • -

    op 28 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 1 en verdachte 6 waarin verdachte 6 zegt dat hij on tour is van hot naar her, Verdachte 1 aan hem vraagt of het stempeltje nog is gelukt, waarin verdachte 6 zegt dat hij deze heeft opgehaald en bij zich heeft in de auto. Verdachte 1 zegt dat hij vandaag nog met (...) (= verdachte 2) naar (…) toe moet;

  • -

    op 28 mei 2013 een gesprek tussen verdachte 6 en verdachte 5 waarin verdachte 5 zegt dat zij elkaar tussen half 11 en 11 uur zien bij die ding (= de Mercedes Sprinter), die bij die schip (= (...)) is gezet en dat ‘het ding om mee te praten’ toch bij die andere is.

Op 29 mei 2013 wordt door het observatieteam van de politie omstreeks 10.20 uur gezien dat verdachte 6 het portiek van de woning van verdachte 1 binnen gaat. Rond 11.15 uur wordt gezien dat een onbekende man (naar later blijkt de verdachte 8), die even daarvoor is afgezet op de Maaskade te Rotterdam, arriveert bij de Mercedes Sprinter die de week ervoor bij Bo-Rent is gehuurd. Verdachte 6, die inmiddels het portiek van de woning van verdachte 1 heeft verlaten, rijdt met zijn Fiat naar de Mercedes Sprinter. Verdachte 6 bestuurt daarbij zijn Fiat en de Mercedes sprinter wordt bestuurd door verdachte 8. Zij rijden via de loods aan de (...) in Dordrecht naar (...) alwaar zij een restaurant bezoeken. Nadat zij dit restaurant bezocht hebben, rijden zij verder in de Fiat en de Mercedes Sprinter.

Inmiddels wordt gezien dat verdachte 2 arriveert bij de woning van verdachte 1 en even later een nabij deze woning gelegen hotel bezoekt. Kort hierna verlaat verdachte 2, in gezelschap van verdachte 4, dit hotel en rijden zij in een Volkswagen Golf naar (...). In (...) maken zij contact met verdachte 6 en verdachte 8. Kort hierna rijdt verdachte 6 met de Fiat en verdachte 8 met de Mercedes Sprinter naar het bedrijf (...). Verdachte 8 rijdt met de Mercedes Sprinter het terrein van (...) op en verdachte 6 wacht in zijn Fiat in de omgeving van (...). Ook verdachte 2 en verdachte 4 blijven in de nabijheid van (...).

Na ongeveer 1 uur wordt gezien dat de Mercedes Sprinter het terrein van (...) verlaat en uiteindelijk naar de Maaskade te Rotterdam rijdt alwaar de auto door verdachte 8 wordt geparkeerd. Verdachte 4, verdachte 2 en verdachte 6 arriveren kort daarna ook in Rotterdam. Nadat gezien wordt dat verdachte 2, verdachte 4, verdachte 6 en verdachte 8 op het Halfrond te Rotterdam (dit is nabij de woning van verdachte 1) bij elkaar komen en een gesprek voeren, worden zij aangehouden. Verdachte 1 is kort daarna in zijn woning aan de (…) te (…) aangehouden.

Conclusies

Ten aanzien van feit 1: (verlengde) invoer

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, wordt afgeleid dat verdachte 1 en verdachte 2, verdachte 4, verdachte 5 en verdachte 6 in de maand mei 2013 intensief contact met elkaar onderhouden over een drietal uit Brazilië afkomstige containers met limoenen die zijn binnengekomen op naam van het bedrijf (...). In de op 22 mei 2013 in Nederland binnengekomen container is daadwerkelijk cocaïne aangetroffen.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook in de container die op 8 mei 2013 Nederland is binnengekomen cocaïne zat.

De eerste vraag die dient te worden beantwoord is of op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat sprake is van opzettelijke invoer van cocaïne op a) 8 mei 2013 en op b) 22 mei 2013.

De eerste deelvraag zal ontkennend worden beantwoord en de tweede bevestigend.

Partiele vrijspraak feit 1 (invoer op 8 mei 2013)

Anders dan het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat met de op 8 mei 2013 binnengekomen container cocaïne is ingevoerd.

Het door het openbaar ministerie gepresenteerde scenario houdt in dat verdachte 1, verdachte 2, verdachte 4 en verdachte 5 op 17 mei 2013 betrokken zijn geweest bij het uithalen van een partij cocaïne uit een container bij het eerdergenoemde bedrijf (...). Er heeft geen observatie plaatsgevonden op deze datum. Wel zijn er telefoongesprekken afgetapt.

Op 21 mei 2013 is het bedrijf (...) wel geobserveerd. Toen is waargenomen dat op het terrein twee containers stonden, en wel de hierboven genoemde containers 1 en 2 met de nummers CBHU2975147 en CBHU2825234 .

Voorts is waargenomen dat verdachte 3 vanuit de container met nummer CBHU2825234 verschillende pallets heeft overgeladen naar zijn vrachtwagencombinatie, waarmee hij vervolgens het terrein heeft verlaten.

Deze koelcontainer is naast het huis van verdachte 3 geplaatst en daar vervolgens in afwachting van verder vervoer naar de uiteindelijke afnemer ‘aan de stekker’ gelegd om zo bederf van de limoenen tegen te gaan.

Van de container met nummer CBHU2975147 is bekend dat deze reeds op 22 mei 2013 naar (…) in (…) is vervoerd.

Uit de getapte gesprekken vanaf 23 mei 2013 tussen verdachte 3 en verdachte 1 kan worden afgeleid dat wordt gesproken over een hoeveelheid dozen die uit de lading is weggenomen, dat een aantal pallets daarom is gesealed en dat verdachte 3 precies moet tellen hoeveel dozen er missen ten opzichte van het op de laadbrief genoemde aantal. Ook wordt gesproken over twee containers die zijn binnengekomen en dat uit één daarvan geen monsters zijn genomen.

Uit deze combinatie van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat indien wordt geoordeeld dat er verdovende middelen uit een container zijn gehaald op 17 mei 2013, dat dit dan de container met nummer CBHU2825234 moet zijn geweest. En dat betekent dat het zou gaan om de container die op 15 mei 2013 Nederland is binnengekomen en niet om de container die op 8 mei 2013 Nederland is binnengekomen zoals door het openbaar ministerie gesteld en ook ten laste is gelegd.

Overigens past deze conclusie ook bij het feit dat deze container van 8 mei 2013 door de Douane is gescand en dat daarbij toen geen bijzonderheden zijn aangetroffen.

Nu voor de stelling dat met de container die op 8 mei 2013 is binnengekomen cocaïne is ingevoerd ook geen ander bewijs voorhanden is, moet vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging volgen.

Nadere bewijsoverweging feit 1 (invoer 504,1 kilo (bruto) cocaïne op 22 mei 2013 en

feit 2: voorbereidingshandelingen (verlengde) invoer cocaïne)

De rechtbank is van oordeel dat in een aantal van de door de verdachten gevoerde - en hierboven verkort weergegeven - telefoongesprekken verhullende en/of versluierde taal wordt gebruikt. Zo wordt onder andere gesproken over ‘nummer 3’, ‘stempelen’, ‘ding om mee te praten’ en ‘langs de fotograaf gaan’, waarmee naar het oordeel van de rechtbank respectievelijk container nummer 3, het in orde laten maken van de Bill of Lading dan wel vervoersdocumenten, één van de vier mobiele telefoons en het door de scanner gaan van de derde container worden bedoeld.

Op grond van de stroman-constructie rond (...) Ltd., de in de container aangetroffen cocaïne, de hiervoor weergegeven getapte telefoongesprekken, de waarnemingen tijdens de observaties, de omstandigheid dat er op 29 mei 2013 door de verdachten - verdachte 2, verdachte 4, verdachte 6 en verdachte 8 - gebruik wordt gemaakt van 4 identieke mobiele telefoons (door het openbaar ministerie treffend ‘organisatie-telefoons’ genoemd) en dat zij met die telefoons alle vier naar (...) rijden en daarmee als het ware een konvooi regelen voor de Mercedes Sprinter, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte 1 zich samen met anderen bezig hield met de (verlengde) invoer van cocaïne en de voorbereidings- en bevorderingshandelingen daartoe. Dat zij niet waren geïnteresseerd in de deklading van limoenen blijkt ook uit de omstandigheid dat de Mercedes Sprinter - kennelijk na ontdekking van het feit dat de verwachte cocaïne in de container ontbrak - leeg is teruggereden.

Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de verdachte 1, noch zijn medeverdachten een aannemelijke andere verklaring hebben gegeven voor de aan hen voorgehouden relevante telefoongesprekken of andere uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden, zodat de redengevendheid daarvan ook niet is ontzenuwd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen moet worden vastgesteld dat de verdachte 1 en zijn medeverdachten zich samen doch ieder in zijn eigen rol hebben beziggehouden met de (verlengde) invoer op 22 mei 2013 van die genoemde partij cocaïne van 504,1 kilo bruto. Ook de als feit 2 ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen daartoe kunnen als hierna vermeld worden bewezen.

Dat alle cocaïne door justitie reeds in de nacht van 22 op 23 mei 2013 uit de derde container is gehaald staat aan een bewezenverklaring van de (verlengde) invoer niet in de weg nu door de Hoge Raad reeds in het arrest van 2 juni 1992 (ECLI:NL:HR:1992:AB8028) is bepaald dat de term ‘handeling’ als bedoeld in het vierde lid van art. 1 Opiumwet niet beperkt is tot handelingen die zijn verricht nadat de in de Opiumwet genoemde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht. De door de verdachte 1 en zijn medeverdachten verrichte handelingen die gericht waren op de (verlengde) invoer en die zijn verricht voordat de cocaïne feitelijk is ingevoerd en voordat de cocaïne in beslag was genomen, kunnen daarom naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als het medeplegen van (verlengde) invoer.

Voor wat betreft de handelingen die zijn verricht na de inbeslagneming van de cocaïne uit de container door justitie geldt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0494) volgt dat - gelet op het zelfstandig strafbare karakter daarvan - ook van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet sprake kan zijn als met die handelingen een begin is gemaakt op het moment dat het hoofddelict al niet meer kon worden verwezenlijkt doordat de verdovende middelen in beslag zijn genomen.

Toegepast op de zaak van de verdachte 1 betekent dit dat het voortgaan met de voorbereidingen rond de in de derde container ingevoerde partij cocaïne ook na de inbeslagneming daarvan in de nacht van 22 op 23 mei 2013, naar het oordeel van de rechtbank leidt tot een bewezenverklaring van handelen in strijd met artikel 10a Opiumwet zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

Voorts kunnen ten aanzien van feit 2 ook de voorbereidingshandelingen worden bewezen ten aanzien van de (verlengde) invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne die zich in de container bevond met nummer CBHU2825234, die op 15 mei 2013 in Nederland is binnengekomen en die bij het bedrijf (...) B.V. te (...) stond.

Voor dit oordeel is redengevend dat het patroon van handelingen en gebeurtenissen rond 17 mei 2013 in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon en de wijze waarop dezelfde groep verdachten in de periode vanaf 21 mei 2013 tot en met 29 mei 2013 rond de derde container heeft geopereerd. De container waarin wel daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen.

Zo is op 17 mei 2013 ook een auto gehuurd op naam van een derde, te weten (...) en zat verdachte 6 met een onbekend gebleven jongen in de auto, welke jongen bij de uitgang moest uitstappen en alleen verder moest gaan. Op dat moment bevonden verdachte 2 en verdachte 4 zich in één auto in (...) en zat verdachte 5 bij verdachte 6 in de auto.

Ook toen moest iemand alleen het terrein opgaan, terwijl verdachte 2, verdachte 4, verdachte 5 en verdachte 6 zich in de nabije omgeving van (...) ophielden en - zo blijkt uit de gesprekken tussen verdachte 4 en zijn zoon verdachte 5 - daarmee een konvooi vormden kennelijk ter bescherming van de waardevolle lading.

Voorts wordt gewezen op de eerder aangehaalde gesprekken op 20 mei 2013 tussen verdachte 4 en verdachte 2 over het meenemen van ‘7’ en het eentje houden als monster en de gesprekken op 23 mei 2013 tussen verdachte 1 en verdachte 3 over de ontbrekende dozen in de container in verband met monsterneming.

Gelet op dat samenstel van feiten en omstandigheden was het opzet van deze groep verdachten naar het oordeel van de rechtbank gericht op voorbereidingshandelingen ten aanzien van het uithalen en verder vervoeren van een hoeveelheid cocaïne uit de container met nummer CBHU2825234 die bij (...) stond.

Op grond van de afgeluisterde telefoongesprekken en de door het observatieteam waargenomen ontmoetingen, zoals hierboven weergegeven, acht de rechtbank bewezen dat tussen de verdachte 1 en zijn medeverdachten sprake was van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Dat de samenwerking tussen de verdachte 1 en zijn medeverdachten voldoende nauw en bewust was om te worden gekwalificeerd als medeplegen, blijkt met name uit de inhoud en de frequentie van de telefoon- en persoonlijke contacten.

Tussen de betrokkenen was sprake van een duidelijke taakverdeling, waarbij de verdachte 1 een organiserende rol had. Nu het hier gaat om de (voorbereiding van de (verlengde)) invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, kan het ook niet anders dan dat er op een intensieve, gecoördineerde en planmatige manier wordt samengewerkt om dat misdrijf tot een goed einde te brengen.

BEWIJSMIDDELEN EN BEWEZENVERKLARING

Naast de hierboven reeds aangehaalde bewijsmiddelen, is bij dit vonnis als bijlage II een overzicht gevoegd van alle bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen. Uit deze bewijsmiddelen volgt - in onderling verband en samenhang bezien - dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte 1 de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 mei 2013 tot en met 29 mei 2013 te Rotterdam, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I: te weten

op 22 mei 2013 504,1 kilogram bruto

2.

hij in de periode 1 januari 2013 en met 29 mei 2013 te Rotterdam en/of (...) en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid en 504,1 kilo bruto van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen :

- anderen heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- ontmoeting(en) met zijn mededader(s) gehad in Rotterdam en/of (...) en/of elders in Nederland en afspraken met zijn mededader(s) gemaakt over het uithalen van cocaïne en

- geregeld dan wel laten regelen van de (inklarings)papieren voor de import van de deklading limoenen van de zending(en) cocaïne en

- instructies gegeven en/of aanwijzingen met betrekking tot uithalen en/of opslag aan een of meer van zijn mededader(s) en

- opslagruimte gehuurd voor de opslag van de (dek)lading limoenen en- vervoermiddel(en) (waaronder een Mercedes Sprinter) gehuurd/laten huren ten behoeve van het vervoer van de lading (met daarin cocaïne) en

- de (dek)lading(en) laten vervoeren naar opslagruimte(s) en (de containers met) de lading(en) (met cocaïne) in ontvangst genomen/laten nemen en gelost en (vervolgens) opgeslagen en

- telefonisch contacten onderhouden met zijn mededader(s).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen door een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en door zich en een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten per zeeschip een container met een deklading limoenen met daarin verstopt een hoeveelheid van 504,1 kilogram (bruto) cocaïne vanuit Brazilië in Nederland gebracht.

Tevens heeft de verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan voorbereidings- en bevorderingshandelingen die gericht waren op het vervoeren en invoeren van een andere onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne alsmede voormelde handelshoeveelheid cocaïne.

De verdachte had een organiserende/leidende rol, aangezien hij door gebruikmaking van een stroman de vennootschap(...) (...) bij de Kamer van Koophandel heeft laten inschrijven, hij degene is die door middel van telefonische contacten de medeverdachten aanstuurt en hij (...) heeft betaald voor het huren van een tweetal voertuigen. Door zijn handelwijze heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit.

Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof. Voorbereidingshandelingen zijn noodzakelijk om de daadwerkelijke invoer te doen plaatsvinden en vormen derhalve een bijdrage aan de verspreiding en het gebruik van cocaïne. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat in het bijzonder bij de grensoverschrijdende handel dit zowel in de invoer/als de uitvoerlanden dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, variërend van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit, zoals geweldsmisdrijven en misdrijven die een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. De verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.

De hoge wettelijke strafmaxima verbonden aan de opzettelijke invoer van cocaïne vormen derhalve een uitvloeisel van het streven van de wetgever om de Nederlandse samenleving hiervan te vrijwaren en ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. In dit licht kan tevens worden begrepen dat ook handelingen gericht op voorbereiding of bevordering van de invoer van cocaïne met aanzienlijke straffen worden bedreigd.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit is rekening gehouden met de inhoud van het omtrent de verdachte uitgebrachte rapport van het NIFP d.d. 16 mei 2014. In dit rapport staat onder andere vermeld dat de verdachte niet detentieongeschikt is, maar dat het wel noodzakelijk is dat hij in een inrichting wordt geplaatst waar hem de benodigde zorg kan worden geboden.

Gelet op deze conclusie van het NIFP, ziet de rechtbank thans geen beletsel om de verdachte tot een gevangenisstraf te veroordelen, omdat zij er van uit gaat dat het openbaar ministerie de verdachte in het kader van de Penitentiaire Beginselenwet een passende detentie-omgeving kan bieden waarbij rekening wordt gehouden zijn medische situatie.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het door Reclassering Nederland over de verdachte uitgebrachte rapport d.d. 28 augustus 2013. Uit de inhoud van dit rapport komt naar voren dat geen inschatting van het recidiverisico mogelijk is, omdat de verdachte het hem ten laste gelegde ontkent. Om die reden ziet de reclassering evenmin mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding. De verdachte schetst een positief beeld van zijn leven en functioneren en hij heeft geen hulpvragen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf is rekening gehouden met de rol die de verdachte heeft vervuld in verhouding tot datgene wat daaromtrent ten aanzien van de andere betrokkenen in het zaaksdossier Limoenen kan worden vastgesteld. Bij de weging van een en ander is onontkoombaar dat de verdachte een langere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan de duur van zijn voorarrest. De ernst van de bewezen verklaarde feiten noopt hier bepaaldelijk toe. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat detentie voor de verdachte, in verband met zijn medische situatie, zwaarder zal vallen dan voor de medeverdachten.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat tevens rekening gehouden met de hoogte van de straffen die in vergelijkbare Rotterdamse gevallen zijn opgelegd. Voorts is in aanmerking genomen dat de verdachte, blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2014, reeds eerder is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen, met dien verstande dat zijn veroordeling op 22 mei 2009 door het Crown Court te Basildon (Groot-Brittannië) - anders dan op de Justitiële Documentatie staat vermeld - handel in softdrugs, te weten ruim 3.000 kilogram cannabis, betrof. De verdachte heeft naar eigen zeggen in dit verband 27 maanden in Groot-Brittannië gedetineerd gezeten.

Tevens is de verdachte in 1993 tot 6 maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens handel in harddrugs, maar aangezien deze veroordeling dateert van meer dan 20 jaar geleden, zal deze veroordeling niet in het nadeel van de verdachte worden meegewogen.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur. De rechtbank komt tot oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de officieren van justitie is gevorderd, doordat - naast de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - mede in aanmerking is genomen dat de verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde deels en van het onder feit 3 tenlastegelegde geheel wordt vrijgesproken.

Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis bij einduitspraak opnieuw te schorsen gezien de hiervoor benoemde persoonlijke feiten en omstandigheden, in het bijzonder de medische conditie van de verdachte. Het openbaar ministerie heeft zich tegen schorsing verzet.

De voorlopige hechtenis is geschorst tot het vonnis. Het voor de schorsing doorslaggevende persoonlijke belang dat de verdachte in vrijheid zijn berechting kon afwachten, heeft zich inmiddels verwerkelijkt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen blijkt uit het NIFP d.d. 16 mei 2014 dat verdachte niet detentie-ongeschikt is en dat de rechtbank ervan uitgaat dat het openbaar ministerie ervoor zal zorgdragen dat de verdachte in een inrichting wordt geplaatst waar hem de benodigde zorg kan worden geboden.

De bezwaren en gronden die ten grondslag liggen aan de voorlopige hechtenis zijn nog onverkort aanwezig, hetgeen mede tot uitdrukking komt in veroordeling en de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. Indien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte op dit moment worden afgezet tegen het zwaarder wegend strafvorderlijk belang, ziet de rechtbank geen aanleiding de voorlopige hechtenis thans opnieuw te schorsen.

Nu de schorsing van de voorlopige hechtenis thans is beëindigd, wordt het voortduren van de zekerheid niet langer noodzakelijk geacht. De rechtbank zal daarom de teruggave van de borgsom aan de verdachte bevelen.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERP

De officieren van justitie hebben gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag ad

€ 18.200,- verbeurd wordt verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van voormeld in beslag genomen geldbedrag zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, zijnde deze degene bij wie dit bedrag in beslag is genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu niet is gebleken dat dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van de bewezen verklaarde strafbare feiten is verkregen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen:

  • -

    47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 10 en 10a van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;



beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de beslagene van een geldbedrag ad € 18.200,- ;

beveelt dat de borgsom van € 20.000,- (twintigduizend euro), die door of namens de verdachte als zekerheid voor de nakoming van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden is gestort, wordt teruggegeven aan degene die deze zekerheid heeft gesteld.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T.B. Trotman, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en A.M.G. van de Kragt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juni 2014.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 18 juni 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 29 mei 2013 te

Rotterdam, althans elders te Nederland, meermalen,(in ieder geval éénmaal)

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de

Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I:

te weten

op 8 mei 2013 een onbekende (grote) hoeveelheid en/of

op 22 mei 2013 504,1 kilogram

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks 1 januari 2013 en met 29 mei 2013 te Rotterdam tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van

de Opiumwet, te weten (telkens) het opzettelijk telen, bereiden, bewerken,

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het

grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid en/of 504,1 kilo

cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

- voor te bereiden en/of te bevorderen en/of

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- ( een) ontmoeting(en) met zijn mededader(s) gehad in Rotterdam en/of

(...) en/of elders in Nederland en/of

- afspraken met zijn mededader(s) gemaakt over prijzen van cocaïne en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de frequentie van zending(en) van cocaïne

en/of het uithalen van cocaïne en/of het aandeel in/de verdeling van de

opbrengst na verkoop van de cocaïne en/of

- bestelling(en) gedaan bij een bedrijf in Brazilië van een grote hoeveelheid

limoenen op naam van '(...) Int Ltd, ten behoeve van de

(dek)lading(en) (met daarin cocaïne) en/of;

- het regelen dan wel laten regelen van de (inklarings)papieren voor de import

van de deklading limoenen van de zending(en) cocaïne en/of

- het geven van instructies en/of aanwijzigen met betrekking tot uithalen

en/of opslag aan een of meer van zijn mededader(s)

- twee, in ieder geval één of meer, loods(en) en/of opslagruimte(s) gehuurd

voor de opslag van de (dek)lading(en) limoenen (met daarin de cocaïne) en/of

- vervoermiddel(en) (waaronder een Mercedes Sprinter) gehuurd/laten huren ten

behoeve van het vervoer van de lading (met daarin cocaïne);

- de (dek)lading(en) (met daarin cocaïne) vervoerd/laten

vervoeren naar (een) loods(en) en/of (een) opslagruimte(s) en/of

- ( de container met) de lading(en) (met cocaïne) in ontvangst genomen/laten

nemen en/of gelost en/of (vervolgens) opgeslagen en/of de container geopend

- telefonisch contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a Opiumwet jo art 47 Wetboek van Strafrecht)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks 1 januari 2013 en met 29 mei 2013 te Rotterdam en/of

Dordrecht en/of Doodewaard en/of elders in Nederland tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van

de Opiumwet, te weten (telkens) het opzettelijk telen, bereiden, bewerken,

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid

cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

- voor te bereiden en/of te bevorderen en/of

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- ( een) ontmoeting(en) met zijn mededader(s) gehad in Rotterdam en/of

Doodewaard en/of Dordrecht en/of elders in Nederland en/of

- afspraken met zijn mededader(s) gemaakt over prijzen van cocaïne en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de frequentie van zending(en) van cocaïne

en/of het uithalen van cocaïne en/of het aandeel in/de verdeling van de

opbrengst na verkoop en/of het exporteren van de cocaïne en/of

- ( meermalen)overleg gevoerd over de aanschaf en/of aanpassing van een

machine (waterpompunit) (waarin de cocaïne zou worden getransporteerd) en/of

- deze machine (waterpompunit) aangeschaft en/of laten aanschaffen en/of

- deze machine naar een loods getransporteerd en/of laten transporteren en/of

- de waterpompunit geprepareerd (door middel van het vervaardigen van een

holle ruimte) en/of aangepast en/of een mal vervaardigd en/of

- een bedrijf M.M.T. ten behoeve van de export

van de machine opgericht en/of laten oprichten en/of deze oprichting

gefinancierd en/of

- telefonisch contacten onderhouden met zijn mededader(s);

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet