Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6766

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
10/731100-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van het minderjarigenstrafrecht bij een adolescent die samen met anderen een overval op een maaltijdbezorger heeft gepleegd.

Zie voor de vonnissen van de medeverdachten:

ECLI:NL:RBROT:2014:6764

ECLI:NL:RBROT:2014:6765

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/731100-14

Datum uitspraak: 31 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum en geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Rijnmond-Hoogvliet Stadsgevangenis, Koddeweg 100 te Rotterdam,

raadsvrouw mr. W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. B.S. Unnik heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met

aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar,

met als bijzondere voorwaarde datgene dat door de deskundigen is geadviseerd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of sleutels en/of eten, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of eethuis '[bedrijf], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld en/of sleutels en/of eten, in elk geval van enig(e)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of eethuis

'[bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

(met een masker/bivakmuts over/voor het hoofd/gezicht getrokken, althans met

een bedekt/afgedekt gezicht/gelaat)

- zich opdringen aan die [benadeelde partij 1] en/of

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, aan die [benadeelde partij 1] en/of

- drukken/duwen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, op/tegen heeft hoofd van die [benadeelde partij 1] en/of

- (met kracht) slaan/stompen op/tegen het hoofd/gezicht van die [benadeelde partij 1] en/of

- (daarbij) aan die [benadeelde partij 1] (dreigend) toevoegen van de woorden:

"Geld, geld" en/of "Telefoon, telefoon", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezenverklaard, op de zitting heeft bekend, wordt ten aanzien van dat feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 Wetboek van Strafvordering. Deze opgave van de bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De raadsvrouw heeft gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. In tegenstelling tot de officier van justitie, ziet de rechtbank daar ook aanleiding toe. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechter, indien deze grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Overwogen wordt dat de thans twintigjarige verdachte (ten tijde van de pleegdatum was verdachte negentien) een nagenoeg blanco strafblad heeft, hij nog woonachtig is in zijn ouderlijk huis en schoolgaand is. Voorts is in het reclasseringsadvies van GGZ Bouman Advies Rotterdam van 24 juli 2014 te kennen gegeven dat er ten aanzien van de verdachte een vermoeden bestaat van zwakbegaafdheid tot een laaggemiddeld intelligentieniveau. Door de reclassering wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen, omdat er binnen het jeugdstrafrecht een grotere focus ligt op zowel delictgedrag als op de bescherming van de jongvolwassene en er tevens een nadruk ligt op (arbeids)participatie in combinatie met een sterke focus op de ouders van de verdachte. De reclassering wijst er voorts op dat er dan begeleiding geboden kan worden door een aparte organisatie die gericht is op jongeren met een licht verstandige beperking. Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de ontwikkelingsfase waarin hij zich bevindt, wordt door de rechtbank eveneens grond gezien recht te doen overeenkomstig de bepalingen geldend voor het jeugdstrafrecht.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn twee medeverdachten hebben een telefonische bestelling gedaan bij eethuis “[bedrijf]” met als doel om de maaltijdbezorger te beroven. Toen de nietsvermoedende bezorger bij het opgegeven adres in een doodlopende straat in Rotterdam was gearriveerd, kwamen de verdachte en de twee medeverdachten met bivakmutsen over hun hoofd getrokken plotseling vanachter een vrachtwagen tevoorschijn en hebben zij de bezorger beroofd van geld, sleutels en eten.

Voor de bezorger moet dit een bijzonder beangstigende ervaring zijn geweest, hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die hij nadien heeft opgesteld. De ervaring leert dat de slachtoffers van een dergelijke overval nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Bovendien maakt een dergelijk strafbaar feit een grove inbreuk op de rechtsorde en brengt dit in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank rekent de verdachte het feit zwaar aan. Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse detentiestraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 9 juli 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hierin wordt aanleiding gezien een gedeelte van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen en de jeugddetentie enigszins te matigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het met betrekking tot de persoon van verdachte uitgebrachte Reclasseringsadvies van 24 juli 2014 van GGZ Bouman Advies Rotterdam (hierna: de reclassering), opgemaakt door [naam], reclasseringswerker.

Hierin wordt door de reclassering overwogen dat de vermoedelijk aanwezige zwakbegaafdheid danwel laaggemiddelde intelligentie samen lijkt te hangen met onderontwikkelde copingvaardigheden van de verdachte. Hierdoor lijkt de verdachte tevens te beschikken over een lage zelfredzaamheid en beperkte weerbaarheid voor de negatieve invloed van anderen. Door de reclassering wordt opgemerkt dat de verdachte, zowel fysiek als verbaal, jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd doet vermoeden en dat hij tevens enigszins kwetsbaar overkomt. De reclassering verwacht een meerwaarde van een gezinsgerichte aanpak, aangezien de indruk is ontstaan dat er binnen het gezin meerdere problemen spelen. Zolang er onvoldoende is veranderd aan de copingvaardigheden van de verdachte, zijn beperkte cognitieve vaardigheden en zijn sociale netwerk, wordt het risico op recidive door de reclassering ingeschat als hoog gemiddeld. Ter voorkoming van recidive wordt door de reclassering geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke detentiestraf op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod, deelname aan de gedragsinterventie SO COOL en elektronisch toezicht, waarbij de verdachte tevens wordt verplicht om zich in te spannen tot het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en om medewerking te verlenen aan (psychodiagnostisch) onderzoek. Tevens wordt geadviseerd het reclasseringstoezicht uit te laten voeren door de William Schrikker Groep, afdeling jeugdreclassering, in verband met de beschreven (verstandelijke) problematiek bij de verdachte.

Door de raadsvrouw is ter zitting een strafmaatverweer gevoerd en verzocht de straf te matigen. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte zich wil inschrijven voor de opleiding autotechniek, welke opleiding in september 2014 zal starten en waaraan hij graag vanaf de eerste schooldag wil deelnemen. Voorts is aangevoerd dat de verdachte al geruime tijd in voorarrest in een Huis van Bewaring verblijft en dat hij bereid is om zijn medewerking te verlenen aan de bijzondere voorwaarden, zoals die geadviseerd zijn door de reclassering.

De rechtbank acht het, met inachtneming van het vorengaande, van belang dat de verdachte zal worden ondersteund en begeleid door de jeugdreclassering. De rechtbank zal aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de William Schrikker Groep, afdeling jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het zich houden aan een meldingsgebod. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van de bijzondere voorwaarde van elektronisch toezicht.

Daarnaast acht de rechtbank het aangewezen om de door de reclassering geadviseerde leerstraf SO COOL regulier voor de duur van 40 uren op te leggen, ter versterking van het zelfvertrouwen en de probleemoplossende en sociale vaardigheden van de verdachte.

De voorwaardelijke jeugddetentie dient voor de verdachte tevens als ‘stok achter de deur’ om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de op te leggen bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

De benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1], wonende te Rotterdam, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schade tot een bedrag van € 750,-- en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het overige gevorderde bedrag met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van maximaal € 500,--.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2], wonende te Schiedam, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 410,-- aan materiële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van het volledige bedrag aan gevorderde materiële schade met oplegging van de schademaatregel.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen. De rechtbank zal tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 23 januari 2014.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 160 (honderdzestig) dagen;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 75 (vijfenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde:

- zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking
verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de William Schrikker Groep, afdeling jeugdreclassering, namens Bureau Jeugdzorg Rotterdam, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, ook als dit inhoudt dat de veroordeelde zich zal melden bij de reclasseringsinstelling, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk vindt;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarde en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 40 (veertig) uur, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject SO COOL van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 750,-- (zevenhonderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 1], wonende te [adres] te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd; bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te betalen € 750,--(zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 750,--vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 410,-- (vierhonderdtien euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 2], wonende te [adres] te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd; bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij[benadeelde partij 2] te betalen € 410,--(vierhonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 410,--vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M.J.M. Marseille en J. uit Beijerse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 31 juli 2014:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 23 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

geld en/of sleutels en/of eten, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of eethuis '[bedrijf], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld en/of sleutels en/of eten, in elk geval van enig(e)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of eethuis

'[bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

(met een masker/bivakmuts over/voor het hoofd/gezicht getrokken, althans met

een bedekt/afgedekt gezicht/gelaat)

- zich opdringen aan die [benadeelde partij 1] en/of

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, aan die [benadeelde partij 1] en/of

- drukken/duwen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, op/tegen heeft hoofd van die [benadeelde partij 1] en/of

- ( met kracht) slaan/stompen op/tegen het hoofd/gezicht van die [benadeelde partij 1] en/of

- ( daarbij) aan die [benadeelde partij 1](dreigend) toevoegen van de woorden:

"Geld, geld" en/of "Telefoon, telefoon", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Bijlage II bij het vonnis van 31 juli 2014 in de strafzaak tegen de verdachte [Naam verdachte], geboren te [geboortedatum en geboorteplaats].

Opgave bewijsmiddelen:

- De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 31 juli 2014.

- Het proces-verbaal van aangifte, nummer PL17A0-2014036056-1, pagina’s 28 tot en met 33 in het proces-verbaal met dossiernummer PL17R2-220/2014, van politie, regionale eenheid Rotterdam (verklaring van aangever[benadeelde partij 1]).