Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6690

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
ROT 14/4769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om ongeldigverklaring herexamen vwo en om opnieuw herexamen te mogen doen vanwege een gestelde onregelmatigheid bij het herexamen.

Examenbesluit VO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2014/50

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/4769

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 augustus 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Wiersma,

en

de Inspecteur-generaal van het Onderwijs, verweerder,

gemachtigde: mr. F.J.J. van West de Veer.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om haar herexamen geschiedenis vwo ongeldig te verklaren afgewezen en verklaard dat verzoekster niet opnieuw het herexamen geschiedenis vwo mag afnemen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is de moeder van verzoekster verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. L. van der Weij.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

1.2. Op grond van artikel 43, eerste lid van het Eindexamenbesluit VO kan de inspectie, indien het centraal examen naar haar oordeel niet op regelmatige wijze heeft plaatsgehad, besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer kandidaten opnieuw wordt afgenomen.

Op grond van artikel 45, eerste lid, van het Eindexamenbesluit VO, wordt een kandidaat, indien hij om een geldige reden, ter beoordeling van de directeur, is verhinderd bij één of meer toetsen in het eerste tijdvak tegenwoordig te zijn, in het tweede tijdvak de gelegenheid gegeven het centraal examen voor ten hoogste twee toetsen per dag alsnog te voltooien.

Op grond van het tweede lid wordt een kandidaat indien hij in het tweede tijdvak evenzeer verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het College voor examens zijn eindexamen te voltooien.

1.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel niet op regelmatige wijze afnemen van het centraal examen in het voortgezet onderwijs (hierna: de Beleidsregel) wordt onder het niet op regelmatige wijze plaatsvinden van het centraal examen, bedoeld in artikel 43 van het besluit, in ieder geval verstaan:

  1. het tijdens het centraal examen onrechtmatig gebruiken van, dan wel beschikken over, op grond van het besluit of examenreglement niet toegestane hulpmiddelen of informatie, die van invloed kunnen zijn op de prestaties van een of meer kandidaten;

  2. het tijdens of voorafgaand aan het centraal examen onrechtmatig ter beschikking van een of meer kandidaten komen van niet in het besluit of in het examenreglement voorziene informatie of hulpmiddelen dienstbaar aan het beantwoorden van de examenvragen of, geheel of ten dele, de antwoorden op die vragen zelf;

  3. het tijdens het centraal examen niet of ontoereikend uitoefenen van toezicht, althans, niet het nodige toezicht uitoefenen als bedoeld in artikel 40, vierde lid, van het besluit, dat tot gevolg heeft dat de onder a of b bedoelde informatie of hulpmiddelen ter beschikking van een of meer kandidaten kan komen;

  4. het tijdens het centraal examen in strijd met artikel 55 van het besluit of het examenreglement ter beschikking stellen van meer examentijd;

  5. het na afloop van het centraal examen zonder rechtsgrond aanbrengen van wijzigingen door een derde in het door de kandidaat aangeleverde examenwerk;

  6. het in strijd met hoofdstuk V van het besluit toekennen van een cijfer of examenuitslag.

Op grond van het tweede lid, beslist de directeur Toezicht VO van de inspectie of

het centraal examen op niet regelmatige wijze heeft plaatsgevonden wanneer er geen sprake is van een onregelmatigheid, bedoeld in het eerste lid.

2.

In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van het op onregelmatige wijze plaatsvinden van het herexamen geschiedenis vwo op

18 juni 2014 als bedoeld in artikel 43 van het Eindexamenbesluit VO (hierna: een onregelmatigheid) en artikel 2 van de Beleidsregel. Gelet op de beoordelingsvrijheid die verweerder op grond van deze bepaling heeft dient de voorzieningenrechter dit standpunt van verweerder met enige terughoudendheid te toetsen.

3.

Met inachtneming van dit toetsingskader acht de voorzieningenrechter verweerders beleid inzake onregelmatigheden als vastgelegd in artikel 2 van de Beleidsregel niet onjuist. Mede gelet op de onregelmatigheden als omschreven in het eerste lid, onder a en b, van dit artikel acht de voorzieningenrechter verder het standpunt van verweerder, dat de onregelmatigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel zien op omstandigheden die buiten de leerling zijn gelegen (externe omstandigheden), niet onjuist. Bij deze uitleg acht de voorzieningenrechter met verweerder van belang, dat op grond van artikel 45 van het Eindexamenbesluit VO de directeur van een school de bevoegdheid heeft een leerling, die een (her)examen om een geldige reden niet heeft voltooid, dit (her)examen als nog te laten voltooien. Onder geldige redenen als bedoeld in dit artikel moeten worden verstaan omstandigheden die in de leerling zelf zijn gelegen of die hem nauw raken zonder dat er sprake is van een onregelmatigheid, zoals een zich min of meer plotseling voordoende ziekte of het overlijden van een naaste. Verder kan naar de opvatting van verweerder ook sprake zijn van niet-voltooiing van een (her)examen om een geldige reden als bedoeld in artikel 45 van het Eindexamenbesluit VO, indien een leerling een examen weliswaar formeel heeft voltooid in de zin dat de leerling het examen niet voortijdig heeft beëindigd, maar wel aannemelijk is dat deze dat examen om een geldige reden niet in materiële zin heeft kunnen voltooien. Voorts heeft verweerder er daarbij niet ten onrechte op gewezen dat er veel omstandigheden zijn op grond waarvan aannemelijk is dat een leerling niet naar zijn beste kunnen heeft kunnen presteren bij het afleggen van een examen maar die geen geldige reden opleveren als bedoeld in dit artikel, zoals een slechte thuissituatie.

4.

Verzoekster onderschrijft verweerders uitleg van artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel. Zij stelt dat sprake is geweest van een onregelmatigheid veroorzaakt door een externe omstandigheid tijdens het examen en die van invloed is geweest op haar prestaties tijdens het examen. Verzoekster stelt kort gezegd een verstoorde verhouding met haar docent geschiedenis te hebben waardoor zijn aanwezigheid bij het herexamen ertoe heeft geleid dat verzoekster zich niet goed heeft kunnen concentreren. Op 26 juni 2014 hebben verzoekster en haar ouders contact gehad met verweerder en op 27 juni 2014 heeft verweerder informeel overleg gevoerd met de school over het herexamen van verzoekster. Naar aanleiding van het officiële verzoek van 8 juli 2014 van verzoekster om haar herexamen ongeldig te verklaren heeft verweerder nader onderzoek gedaan en informatie ingewonnen bij de school. In de door verweerder overgelegde stukken bevinden zich onder meer een verslag van conrector[conrector] van de gebeurtenissen en gesprekken die zij heeft gevoerd met verzoekster, een verslag van de telefonische contacten die een medewerkster van de Inspectie van het Onderwijs heeft gehad met verzoekster en haar moeder, met conrector [conrector] en met de gemachtigde van verzoekster en een verslag van [inspecteur], vertrouwensinspecteur en voorzitter Werkgroep Examens bij de Inspectie van het Onderwijs, van een telefoongesprek met conrector [conrector] en [hoofdsurveillant], hoofdsurveillant bij het betreffende herexamen.

5.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat, indien bij zijn onderzoek aannemelijk zou zijn geworden dat de docent geschiedenis zich in de loop van het studiejaar onbetamelijk jegens verzoekster zou hebben gedragen, diens aanwezigheid bij het examen als externe omstandigheid mogelijk een onregelmatigheid zou hebben opgeleverd als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel. Gelet op de informatie in de in 4. genoemde stukken, die van verschillende personen afkomstig is, is een dergelijke omstandigheid evenwel onvoldoende aannemelijk geworden. Dat eiseres naar zij ter zitting heeft gesteld het raadzaam heeft geacht in de loop van het studiejaar de lieve vrede te bewaren, mede in het belang van haar zus die op dezelfde school zit, kan daaraan niet afdoen. Derhalve heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen sprake is geweest van een onregelmatigheid.

6.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het in bezwaar bestreden besluit naar verwachting in stand blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.