Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6631

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
AWB-12_03793 - AWB-12_04919
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Inkomsten van een thuiswonend kind van 18 jaar of ouder boven het normbedrag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wwb tot ten hoogste 10% van het minimumloon blijven zonder gevolgen voor de toeslag van de ouder, maar overschrijding van meer dan 10% heeft in beginsel wel gevolgen. Verwijzing naar CRvB 26-1-2010 ECLI:NL:CRVB:2010:BL3614

Wetsverwijzingen
Participatiewet 25, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 12/3793 en ROT 12/4919

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2014 in de zaken tussen

[eiseres], te Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

(gemachtigde: A. Dinç).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) herzien over de periode van 8 november 2010 tot en met 29 februari 2012 en de over deze periode te veel betaalde uitkering ten bedrage van € 1.645,83 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 9 maart 2012 heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de WWB inclusief de vakantietoeslag met ingang van 1 april 2012 voor de duur van één maand met 30% verlaagd.

Bij besluit van 17 juli 2012 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ROT 12/3793.

Bij besluit van 10 mei 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor een langdurigheidstoeslag afgewezen.

Bij besluit van 3 oktober 2012 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II eveneens beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ROT 12/4919.

In de beide beroepszaken heeft het onderzoek ter zitting gevoegd plaatsgevonden op 4 maart 2013. Eiseres is vergezeld van haar dochters[dochter 1] en[dochter 2] in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiseres in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen aan zowel de rechtbank als aan verweerder. Daarop heeft verweerder op verzoek van de rechtbank berekeningen gemaakt en bezien in hoeverre die berekeningen aanleiding geven het bestreden besluit I te herzien. Verweerder heeft daaruit geconcludeerd dat het terugvorderingsbedrag moet worden vastgesteld op een bedrag van

€ 1.515,24.

Nadat partijen over en weer nog in de gelegenheid zijn gesteld om op de nader ingediende stukken te reageren en partijen vervolgens toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en heden uitspraak gedaan.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met

31 december 2012. De in beroep bestreden besluiten zijn namelijk bekendgemaakt voor

1 januari 2013.

2.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontving vanaf 1 februari 1997 een uitkering op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande, vermeerderd met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon.

De dochter van eiseres, [dochter 1] (geboren 8 september 1988) is per 22 september 2010 weer inwonend bij eiseres. Deze dochter ontvangt studiefinanciering en heeft inkomsten uit haar parttime werk op oproepbasis. Op 23 november 2010 vindt een telefoongesprek plaats tussen de klantmanager en [dochter 1] over haar inkomsten. Uit dit telefoongesprek en de informatie van Suwinet leidt de klantmanager af dat op dat moment de inkomsten van de inwonende dochter vooralsnog lager lijken te zijn dan de maximum vastgestelde norm van € 604,15. Voor verweerder bestaat dan ook op dat moment nog geen aanleiding de aan eiseres toegekende toeslag van 20% te verlagen naar 10%. Wel is afgesproken dat zodra de dochter de informatie heeft over de verwachte aanpassing van de hoogte van de studiefinanciering, zij verweerder daar een kopie van zal toesturen. Eveneens is afgesproken dat de dochter zal doorgeven wanneer haar inkomsten meer dan

€ 604,15 bedragen.

Bij brief van 17 januari 2012 gericht aan eiseres en haar dochter verzoekt de klantmanager aan de dochter van eiseres om haar maandelijkse salarisspecificaties vanaf november 2011 en informatie over de toegekende studiefinanciering te verstrekken. Aangezien de daarop door eiseres verstrekte informatie onvoldoende was, heeft de klantmanager bij brief van

24 januari 2012 opnieuw verzocht de maandelijkse inkomstenspecificaties vanaf november 2011 en een specificatie van de Studiefinanciering of een beëindigingsbrief Studiefinanciering te verstrekken.

Uit een administratief onderzoek, waarvan de uitkomsten zijn gerapporteerd op 9 maart 2012, is gebleken dat de dochter van eiseres in verschillende periodes na 8 november 2011 inkomsten boven de grens van € 604,15 heeft ontvangen.

Op 3 mei 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag.

Naar aanleiding van de rapportage van 9 maart 2012 en de aanvraag van eiseres is verweerder gekomen tot de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluitvorming.

Herziening en terugvordering

3.

Verweerder heeft aan de herziening en de terugvordering ten grondslag gelegd dat

[dochter 1]in een aantal maanden inkomsten boven het normbedrag van € 604,15, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), heeft gehad. Vanwege het niet, onvolledig, onjuist of te laat verstrekken van inlichtingen over het met haar dochter kunnen delen van de kosten van levensonderhoud heeft eiseres over de periode vanaf 8 november 2010 tot en met 29 februari 2012 een bedrag van € 1.645,83 aan teveel betaalde toeslag ontvangen.

4.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de informatie waar de klantmanager om had verzocht niet uit eigen beweging dan wel niet tijdig op verzoek is verstrekt. Met de dochter van eiseres was afgesproken dat zodra haar inkomsten boven het bedrag van

€ 604,15 uit zouden komen, zij dit zou melden evenals in het geval zij nadere gegevens had over de haar toekomende studiefinanciering. Eiseres en haar dochter zijn tot twee maal toe bij brief in de gelegenheid gesteld salarisspecificaties te overleggen. Nu deze informatie niet of niet tijdig is verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat deze nalatigheid in het verschaffen van informatie aan verweerder een schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de WWB oplevert. Verweerder was daarmee bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand te herzien.

5.

Eiseres voert in beroep - kort samengevat - met betrekking tot het terug te vorderen bedrag aan dat verweerder bij zijn berekeningen ten onrechte niet is uitgegaan van de feitelijk genoten inkomsten van haar dochter, maar zich uitsluitend heeft gebaseerd op de in Suwinet vermelde inkomstengegevens. Ook kloppen de door verweerder gehanteerde gegevens over de studiefinanciering niet. De berekening van het terugvorderingsbedrag is bovendien onduidelijk en niet inzichtelijk.

6.

Deze grond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten tijde van de besluitvorming de hoogte en de berekening van het terugvorderingsbedrag niet inzichtelijk heeft gemaakt. Pas in verweer in reactie op het beroep heeft verweerder een toelichting verstrekt. Vast staat echter dat daarbij niet is uitgegaan van de juiste hoogte van de studiefinancieringsnorm. Na de zitting heeft verweerder op basis van de door de dochter van eiseres genoten inkomsten per maand en daarbij in aanmerking nemend de gegevens van de studiefinanciering een volledige berekening van het terug te vorderen -aangepaste- bedrag van € 1.515,24 overgelegd.

Nu deze grond slaagt, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt - voor zover betrekking hebbend op de herziening en terugvordering - het bestreden besluit I wegens strijd met het motiveringsvereiste als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank dient vervolgens uit oogpunt van finale geschilbeslechting te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, dan wel of zij zelf in de zaak kan voorzien.

7.

Verweerder heeft aan de hand van de na de zitting door eiseres overgelegde stukken inzake de studiefinancieringsinkomsten op 6 augustus 2013 aan de rechtbank een berekening overgelegd. Daarbij heeft verweerder, bij gebrek aan volledige salarisspecificaties, de inkomsten zoals vermeld in Suwinet toegerekend naar de betreffende maanden. Na omzetting naar nettobedragen en tezamen met de ontvangen studiefinanciering heeft verweerder de totale inkomsten afgezet tegen het van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013 geldende normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs voor thuiswonende studenten, zijnde € 604,15. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het terugvorderingsbedrag naar € 1.515,24.

8.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door verweerder op 6 augustus 2013 overgelegde berekening nog steeds niet juist is, aangezien verweerder daarbij wederom niet is uitgegaan van de salarisspecificaties en het reeds in bezwaar overgelegde urenoverzicht van de door haar dochter per maand gewerkte uren vermenigvuldigd met het bruto uurloon.

9.

De rechtbank stelt voorop dat uit de door beide partijen na de zitting overgelegde stukken blijkt dat beide partijen uitgaan van dezelfde bedragen aan ontvangen studiefinanciering en dat beide partijen ervan uitgaan dat de dochter van eiseres tot en met april 2011 studiefinanciering heeft ontvangen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat tussen partijen niet langer in geschil is de hoogte van de aan de dochter van eiseres tot en met april 2011 uitbetaalde studiefinanciering.

10.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat nu verweerder niet is uitgegaan van de door eiseres overgelegde salarisspecificaties en urenoverzichten de berekening van verweerder niet juist zou zijn. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres aanvoert en de overgelegde stukken geen grond om te oordelen dat verweerders op Suwinet-gegevens gebaseerde berekening niet gevolgd kan worden. In de door eiseres overgelegde specificatie van de gewerkte uren vermenigvuldigd met het uurloon komt weliswaar het aantal uren overeen met dat van de werkgever, maar het ìn de specificatie van eiseres genoemde uurloon wijkt af van het uurloon vermeld op de specificaties van de werkgever en kan daarnaar niet worden herleid. Daarbij komt dat eiseres in de specificatie uitgaat van bruto-uur bedragen, waarbij geen rekening wordt gehouden met op de salarisspecificaties genoemde netto-componenten. Voorts is uit de salarisspecificaties niet het precieze aantal gewerkte uren af te leiden en evenmin de precieze bedragen per maand.

Ten slotte vindt de rechtbank in de door eiseres in bezwaar op 3 juli 2012 overgelegde uitdraai van de salarisadministratie een sterke aanwijzing dat de berekening van verweerder juist is. De in die uitdraai vermelde netto uitbetaalde bedragen ontlopen de door verweerder berekende netto inkomsten immers niet veel.

11.

Eiseres stelt voorts dat de toeslag alleen mag worden herzien indien de inkomsten van haar dochter hoger zijn dan het studiefinancieringsnormbedrag van € 604,15 verhoogd met de 10% van de basisnorm, zijnde € 735,54. Eiseres wijst in dat verband op een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2013: 629) en de daarin opgenomen verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van
26 januari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL3614).

12.1.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de WSF 2000.

12.2.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de tweede zin van artikel 25, eerste lid, van de WWB (brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 november 2009, 32037, nr. 9), is de tweede zin toegevoegd ter codificering van de uitspraak van de CRvB van 17 april 2007
(ECLI:NL:CRVB:2007: BA5045), waarin is overwogen dat ouders geen woonkosten kunnen delen met een thuiswonend niet ten laste komend kind dat enkel inkomsten uit studiefinanciering heeft. In de brief van de staatssecretaris is voorts vermeld: “In verband hiermee heb ik aangegeven (…) de hoogte van het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs als norminkomen aan te merken, hetgeen inhoudt dat ook inkomsten uit andere inkomstenbronnen tot ten hoogste het norminkomen hier onder vallen.” Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze overweging evenwel niet dat overschrijding van het normbedrag door zoals in dit geval, inkomsten van de inwonende dochter, zonder meer ertoe dient te leiden dat de bijstandsnorm niet met een toeslag wordt verhoogd.

12.3.

De CRvB heeft in de uitspraak van 26 januari 2010 overwogen dat in het inkomen uit studiefinanciering op grond van de WSF 2000 tegemoetkomingen zijn begrepen voor directe studiekosten. Van een studerend, niet in de bijstand begrepen kind kan niet worden verwacht dat deze tegemoetkomingen worden aangewend voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouder(s). Voorts is in het kader van de WSF 2000 bij de vaststelling van de hoogte van de voor een thuiswonende student geldende maandelijkse studietoelage al rekening gehouden met de woonsituatie door deze toelage op een lager bedrag te stellen dan de toelage voor een student die niet bij zijn ouders woont. Een stelsel waarin het inwonend meerderjarig studerend kind, naast zijn studiefinanciering, tot 10% van (het minimumloon onderscheidenlijk) de gehuwdennorm mag bijverdienen zonder dat dit consequenties heeft voor de toeslag van zijn ouder, maar overschrijding van die grens tot gevolg heeft dat het kind in staat wordt geacht kosten met zijn ouder te delen en de toeslag van die ouder met eveneens 10% wordt verminderd, acht de CRvB een verdedigbaar stelsel.

12.4.

Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit deze rechtspraak voort dat inkomsten van een thuisinwonend kind van 18 jaar of ouder boven het normbedrag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB tot ten hoogste 10 procent van het netto minimumloon zonder gevolg blijft voor de toeslag van de ouder, maar dat een overschrijding van het normbedrag met 10 procent of meer van het netto minimumloon in beginsel leidt tot gevolgen voor de toeslag van de ouder. De rechtbank volgt eiseres dan ook in haar standpunt dat verweerder in zijn berekening had moeten vergelijken met de norm van

€ 735,54.

13.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de overgelegde berekening waarin het terugvorderingsbedrag is verlaagd naar € 1.515,24 niet geheel heeft gerekend overeenkomstig het voorgaande. Uitgaande van een normbedrag van € 604,15 per maand en een maandelijkse toeslag van 10% ten bedrage van € 131,39 is over de maanden november 2010 tot en met april 2011 bij maandelijkse inkomsten tot € 735,54 geen grondslag aanwezig voor verlaging van de toeslag wegens het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De rechtbank is van oordeel dat voor de maand februari 2011 de toeslag ten onrechte is verlaagd naar 10%. Voor de overige maanden tot

1 mei 2011 komt de inkomensoverschrijding van de dochter van eiseres boven het bedrag van € 735,54.

14.

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Omdat de door verweerder aangepaste berekening van het terug te vorderen bedrag naar het oordeel van de rechtbank voor het overige juist is, stelt de rechtbank het terugvorderingsbedrag vast op € 1.383,86

(€ 1.515,24 - € 131,38).

De opgelegde maatregel

15.

Verweerder heeft bij wijze van maatregel de WWB-uitkering van eiseres met 30% verlaagd gedurende één maand. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres haar verplichting om inlichtingen over de inkomsten van haar dochter te verstrekken niet is nagekomen, waardoor teveel toeslag over meerdere periodes is uitbetaald. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op artikel 10 van de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (Afstemmingsverordening).

16.

Eiseres voert aan dat er onvoldoende grond is om een maatregel op te leggen, aangezien haar niets verweten kan worden. Zij was niet bekend met het feit dat zij de inkomsten van haar dochter diende door te geven. Eiseres vindt dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij afhankelijk is van anderen. Zo is zij niet in staat de betreffende formulieren in te vullen en ging zij er vanuit dat haar dochter wel wist hoe die formulieren ingevuld moesten worden. Onder deze omstandigheden had verweerder moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Eiseres stelt verder dat zij onevenredig wordt getroffen nu zij naast de terugvordering ook geconfronteerd wordt met een maatregel.

17.

Onder verwijzing naar overweging 4 is naar het oordeel van de rechtbank vanwege het niet tijdig verstrekken van alle gevraagde informatie die van invloed is op het recht op bijstand, sprake van een schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de WWB. Met de dochter van eiseres was een afspraak gemaakt over het aanleveren van informatie over haar inkomsten. Dat eiseres zelf niet bekend zou zijn met die gemaakte afspraak doet er niet aan af dat eiseres als bijstandsgerechtigde de verplichting heeft ook onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden te doen waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Eiseres heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en het lag op haar weg om hulp in te schakelen van anderen, zoals haar dochter, voor het invullen van de betreffende formulieren.

18.

Eiseres stelt voorts - evenals in bezwaar - dat de maatregel niet opgelegd had mogen worden nu deze gebaseerd is op de Afstemmingsverordening die verbindende kracht mist. Eiseres stelt dat de huidige systematiek van de Afstemmingsverordening in strijd is met het systeem van artikel 18 van de WWB en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts acht eiseres de nadere uitwerking van de Afstemmingsverordening in het Handboek SoZaWe in strijd met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

Zo ontbreken concrete criteria om de hoogte en de duur van de verlaging te kunnen vaststellen. Voor de grond dat de Afstemmingsverordening onverbindend verklaard moet worden, ziet eiseres zich gesteund in de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:608).

19.

De rechtbank stelt voorop dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien - voor zover thans van belang - de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere - algemeen verbindende - regeling.

20.

In de door eiseres aangehaalde uitspraak van de CRvB van 25 februari 2014 heeft de CRvB geoordeeld dat de gemeenteraad met artikel 8 van de Afstemmingsverordening geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid en dat het betreffende artikel 8 van de Afstemmingsverordening verbindende kracht mist. Eveneens heeft de CRvB geoordeeld dat de Beleidsregels maatregelenbeleid 2011 verbindende kracht missen, omdat verweerder niet bevoegd was deze regels vast te stellen.

21.

De rechtbank stelt vast dat de grondslag voor de door verweerder aan eiseres opgelegde maatregel artikel 10 van de Afstemmingsverordening is en niet artikel 8 van de Afstemmingsverordening.

22.

Artikel 10 luidt per 1 juli 2011 als volgt:

  • -

    Het niet nakomen van de verplichting op grond van artikel 17 van de WWB, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, leidt tot een maatregel.

  • -

    Een maatregel op grond van het eerste lid wordt afgestemd op de hoogte van het bruto-benadelingsbedrag, gerelateerd aan de bijstand en bedraagt:

a. bij een benadelingsbedrag tot € 4.000,-: 30% van de bijstandsnorm gedurende een maand (..).

23.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad heeft voldaan aan de hem in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB opgelegde verplichting met de vaststelling van artikel 10 van de Afstemmingsverordening. De tekst van artikel 10 geeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht in de daaruit voor een bijstandsgerechtigde voortvloeiende rechten en plichten en biedt derhalve voldoende rechtszekerheid, zodat daarin geen reden gelegen is om dit artikel als onverbindend te beschouwen. Ook ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat artikel 10 van de Afstemmingsverordening niet zou passen in het door artikel 18 van de WWB gegeven kader voor de afstemming van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Aan hetgeen over het individualiseringsbeginsel is opgenomen in de Memorie van Toelichting bij dit artikel, is naar het oordeel van de rechtbank door de gemeenteraad voldoende vorm en inhoud gegeven met artikel 2 van de Afstemmingsverordening.

24.

Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht met betrekking tot de bevoegdheid tot het vaststellen van de Beleidsregels maatregelenbeleid en de mandatering slaagt niet, nu verweerder die Beleidsregels niet heeft toegepast bij de aan eiseres opgelegde maatregel.

25.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres haar inlichtingenplicht jegens verweerder heeft geschonden. Verweerder heeft als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht teveel toeslag verstrekt en was bevoegd om het recht op bijstand te herzien en de teveel verstrekte toeslag terug te vorderen. Nu het benadelingsbedrag minder is dan € 4.000,-, heeft verweerder voorts overeenkomstig de Afstemmingsverordening een maatregel van 30% gedurende een maand mogen opleggen. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om te oordelen dat eiseres geen enkel verwijt kan worden gemaakt of dat de maatregel onevenredig hoog is. De rechtbank ziet evenmin redenen om te oordelen dat verweerder wegens dringende redenen had dienen af te zien van het opleggen van de maatregel. Bij een beroep op dringende redenen moet het gaan om iets bijzonders of uitzonderlijks en wel zodanig dat de terugvordering en de oplegging van de maatregel tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB 24 mei 2011 (ECLI:NL:CRvB:2011:BQ6545). Daarvan is niet gebleken. Deze grond slaagt niet.

26.

Omdat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres in de procedure gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 487,- en een wegingsfactor 1).

27.

Verweerder dient tevens het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Langdurigheidstoeslag

28.

Eiseres heeft op 3 mei 2012 een aanvraag ingediend om evenals in voorgaande jaren in aanmerking te komen voor de langdurigheidstoeslag. Verweerder heeft de aanvraag voor de langdurigheidstoeslag 2012 afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres in de 60 maanden voor de datum van de aanvraag (de referteperiode) inkomsten heeft ontvangen, waardoor haar inkomen hoger is geweest dan de voor haar toepasselijke bijstandsnorm. Hierdoor heeft zij gedurende een deel van de referteperiode teveel bijstand ontvangen en is het ten onrechte betaalde bedrag teruggevorderd bij besluit van 9 maart 2012. Nu eiseres het teveel betaalde niet heeft terugbetaald tijdens de referteperiode, is haar inkomen hoger geweest dan de voor haar toepasselijke bijstandsnorm. Om die reden heeft zij geen recht op langdurigheidstoeslag.

29.

Eiseres voert aan dat zij wel in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag. Eiseres stelt dat haar aanvraag ten onrechte niet naar de strekking en het doel van de langdurigheidstoeslag is beoordeeld. Eveneens zijn haar belangen ten onrechte niet meegewogen. Eiseres wijst erop dat zij het door verweerder teruggevorderde bedrag daadwerkelijk terugbetaalt. De toeslag die zij teveel heeft ontvangen, heeft zij benut voor haar algemene kosten van het bestaan, waarvoor de toeslag ook bedoeld was. Zij heeft hiervan niet kunnen reserveren. Dit laat juist zien dat voldaan is aan het doel en de strekking van de langdurigheidstoeslag en de langdurigheidstoeslag om die reden haar wel toegekend had moeten worden.

30.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Op grond van artikel 1 van de Verordening Langdurigheidstoeslag Rotterdam 2009 (Verordening) wordt in deze verordening verstaan onder:

a. peildatum: eerste dag van de maand waarin in enig jaar het recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat;

b. referteperiode: aaneengesloten periode van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt verstaan onder:

a. langdurig als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet: een aaneengesloten periode gelijk aan de referteperiode;

b. laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet: inkomen dat niet hoger is dan de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm.

31.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO0479), dient voor de beantwoording van de vraag hoe hoog het inkomen van betrokkene in de referteperiode is geweest als regel te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in de referteperiode is ontvangen. Uit deze uitspraak en de uitspraak van de CRvB van 12 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010: BO0304) volgt tevens dat in het geval van een herziening en terugvordering van teveel betaalde uitkering van deze hoofdregel moet worden afgeweken als de herziening en terugvordering voor het bereiken van de uiterlijk in aanmerking te nemen peildatum hebben plaatsgevonden en het teveel ontvangen bedrag ook daadwerkelijk voor die datum is terugbetaald.

32.

Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd, is het inkomen van eiseres in de referteperiode boven de voor haar toepasselijke bijstandsnorm uitgekomen. Verweerder heeft terecht het besluit tot terugvordering genomen, zij het dat het terug te vorderen bedrag dient te worden verlaagd, zoals hiervoor in deze uitspraak is bepaald. Vast staat dat eiseres het bedrag dat teveel aan haar is betaald en van haar is teruggevorderd niet heeft terugbetaald in de referteperiode. Eiseres voldoet daardoor niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een langdurigheidstoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook op goede gronden de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor een langdurigheidstoeslag geweigerd. De beroepsgrond slaagt niet.

33.

Eiseres voert ten slotte aan dat zij feitelijk drie keer wordt getroffen voor één vergrijp. Zij moet het teveel betaalde terugbetalen, er is een maatregel opgelegd en ze komt niet in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag.

34.

Verweerder is gehouden bij de beoordeling van aanvragen om langdurigheidstoeslag de Verordening te hanteren. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder de Verordening strikt toepast. De Verordening biedt geen ruimte om op grond van bijzondere omstandigheden de langdurigheidstoeslag alsnog toe te kennen. De beroepsgrond slaagt niet.

35.

Het beroep inzake de procedure ROT 12/4919 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

In het beroep geregistreerd onder ROT 12/3793:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I van 17 juli 2012, voor zover betrekking hebbend op de herziening en de hoogte van het terugvorderingsbedrag;

  • -

    bepaalt dat het terugvorderingsbedrag wordt verlaagd naar € 1.383,86;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit I;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 974,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 42,- aan haar vergoedt;

In het beroep geregistreerd onder ROT 12/4919:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 augustus 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.