Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6615

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
ROT 13/3395, ROT 13/3397, ROT 13/3399 en ROT 13/7704
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2015:398, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering partijen vlees voor invoer in de EU door NVWA. Monsters zijn positief getest op E.coli die een of meerdere stx genen bevatten. Terugzending of speciale behandeling. Nadeelcompensatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2014/35

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 13/3395, ROT 13/3397, ROT 13/3399 en ROT 13/7704

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2014 in de zaken tussen

1.

Frigorificos ArreBeef S.A. (ArreBeef), te Buenos Aires (Argentinië) ;

2.

Codirex Expeditie B.V. (Codirex), te Rotterdam;

3.

Schmid Fleisgrosshandel GmbH (Schmid), te Hamburg (Duitsland);

4.

Meat 2000 Fleischhandelsgesellschaft mbh. (Meat 2000), te Hürth (Duitsland),

5.

Thermotraffic Holland B.V. (Thermotraffic), te Rotterdam;

6.

Intervlees N.V. (Intervlees), te Antwerpen (België);

7.

Hansa Meat, te Kaltenkirchen (Duitsland);

8.

Gerlach & Co. B.V. (Gerlach), gevestigd te Rotterdam;

9.

Alexander Eyckeler GmbH (Eyckeler), te Erkrath (Duitsland),

hierna ook: eiseressen,

gemachtigde eiseressen: mr. G.J.M. de Jager,

en

de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), verweerder,

gemachtigde: mr. J.W.R. Markhorst.

Procesverloop

Bij een drietal besluiten van respectievelijk 4 oktober 2012 (besluit 1) en 8 oktober 2012 (besluiten 2 en 3) heeft de officiële dierenarts van NVWA de douane-expediteurs (Codirex bij besluit 1 en 2 en Thermotrafic bij besluit 3) meegedeeld dat een drietal uit Argentinië afkomstige partijen rundvlees zonder been van respectievelijk 21.457, 21.852 en 10.465 kilogram vervoerd in drie containers, bekend onder respectievelijk de GDB-nummers 12078024 (besluit 1), 12080403 (besluit 2) en 12080144 (besluit 3), voor invoer in de Europese Unie (EU) wordt geweigerd.

ArreBeef, Codirex en MEAT 2000 hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 1. ArreBeef, Codirex en Schmid hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 2. ArreBeef, Thermotraffic en Intervlees hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 3. Deze eiseressen hebben bij brief van

22 mei 2013 beroep ingesteld tegen het uitblijven van besluiten op de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3.

Bij besluit van 14 juni 2013 (besluit 4) heeft NVWA de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 gegrond verklaard voor wat betreft het verzoek om nadeelcompensatie en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft verweerder eiseressen dwangsommen toegekend wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij een drietal besluiten van respectievelijk 31 december 2012 (besluit 5), 17 januari 2013 (besluit 6) en 23 januari 2013 (besluit 7) heeft de officiële dierenarts van NVWA de douane-expediteurs (Thermotraffic bij de besluiten 5 en 7 en Gerlach bij besluit 6) meegedeeld dat een drietal uit Argentinië afkomstige partijen rundvlees (in de besluiten 5 en 7 met de aanduiding “zonder been” en in besluit 6 met de aanduiding “versneden vlees”) van respectievelijk 10.465, 10.930 en 21.965 kilogram vervoerd in vier containers, bekend onder respectievelijk de GDB-nummers 12108124 (besluit 5), 12109845 (besluit 6) en 12112938 (besluit 7), voor invoer in de Europese Unie (EU) wordt geweigerd.

ArreBeef, Thermotraffic en Intervlees hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 5. ArreBeef, Gerlach en Eyckeler hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 6. ArreBeef, Thermotraffic en Hansa Meat hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 7.

Bij besluit van 17 oktober 2013 (besluit 8) heeft NVWA de bezwaren tegen de besluiten 5, 6 en 7 ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben – ieder voor zover het hun aangaat – beroep ingesteld tegen de besluiten 4 en 8.

Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd – plaatsgevonden op 9 juli 2014. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Smits, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseressen. NVWA heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. G.A. Dictus (advocaat), mr. J.P. Heinrich (advocaat), dr. ir. P.H. in ’t Veld (wetenschappelijk medewerker NVWA) en dr. G. Mainer-Albiac (senior-inspecteur NVWA).

Overwegingen

Regelgeving en beleidskader

1.1. Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 luidt:

“Levensmiddelen en diervoeders die in de Gemeenschap worden ingevoerd om er in de handel te worden gebracht, dienen te voldoen aan de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving dan wel aan de voorschriften die door de Gemeenschap als ten minste gelijkwaardig daaraan zijn aangemerkt, of, ingeval er een specifieke overeenkomst tussen de Gemeenschap en het land van uitvoer bestaat, aan de voorschriften daarvan.”

Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 178/2002 luidt:

“1. Levensmiddelen worden niet in de handel gebracht indien zij onveilig zijn.

2.

Levensmiddelen worden geacht onveilig te zijn indien zij worden beschouwd als:

a) schadelijk voor de gezondheid;

b) ongeschikt voor menselijke consumptie.

(…)

8.

Het feit dat een levensmiddel voldoet aan de voor dat levensmiddel geldende specifieke bepalingen belet de bevoegde autoriteiten niet de nodige maatregelen te nemen om beperkingen op te leggen aan het in de handel brengen of te eisen dat het uit de handel wordt genomen indien er redenen zijn om te vermoeden dat het levensmiddel onveilig is, al voldoet het aan de bepalingen.

9.

Wanneer specifieke communautaire bepalingen ontbreken, worden levensmiddelen veilig geacht wanneer zij voldoen aan de specifieke bepalingen van de nationale levensmiddelenwetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de levensmiddelen in de handel zijn gebracht, voorzover die bepalingen worden vastgesteld en toegepast onverminderd het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 28 en 30.”

1.2.

Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 882/2004 (de Controleverordening) luidt:

“1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de eisen inzake veterinaire controles van diervoeders en levensmiddelen van dierlijke oorsprong van Richtlijn 97/78/EG. De overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG aangewezen bevoegde autoriteit voert echter ook officiële controles uit om na te gaan of, in voorkomend geval, de niet onder die richtlijn vallende aspecten van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen worden nageleefd, inclusief de aspecten waarnaar in titel VI, hoofdstuk II, van deze verordening wordt verwezen.

(…)”

Artikel 19 van de Controleverordening luidt:

“1. De bevoegde autoriteit plaatst diervoeders of levensmiddelen uit derde landen die niet voldoen aan de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen in officiële inbewaringneming en neemt, gehoord hebbende de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf die voor de zending verantwoordelijk is, de volgende maatregelen ten aanzien van deze diervoeders of levensmiddelen:

a) opdragen dat de diervoeders of levensmiddelen worden vernietigd, overeenkomstig artikel 20 aan een speciale behandeling worden onderworpen, of overeenkomstig artikel 21 worden teruggestuurd uit de Gemeenschap; ook kunnen andere passende maatregelen worden genomen, zoals de diervoeders en levensmiddelen aanwenden voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk waren bedoeld;

b) indien de diervoeders of levensmiddelen al in de handel zijn gebracht, monitoren of, indien nodig, opdracht geven tot het terugroepen, uit de handel nemen of vernietigen ervan, alvorens een van de bovengenoemde maatregelen te nemen;

c) nagaan of de diervoeders of levensmiddelen geen negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier, hetzij rechtstreeks, hetzij via het milieu, gedurende de looptijd of in afwachting van de implementatie van de in onder a) en b) bedoelde maatregelen.

2.

Indien evenwel:

a) de in de artikelen 14 en 15 bedoelde officiële controles uitwijzen dat een zending negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid van mens of dier of onveilig is, wordt de betrokken zending door de bevoegde autoriteit in officiële inbewaringneming geplaatst in afwachting van vernietiging of elke andere passende maatregel om de gezondheid van mens en dier te beschermen;

b) diervoeders of levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die overeenkomstig artikel 15, lid 5, het voorwerp zijn van versterkte controles, niet ter officiële controle worden aangeboden of niet worden aangeboden overeenkomstig de eventuele specifieke eisen van artikel 17, draagt de bevoegde autoriteit op dat zij onverwijld worden teruggeroepen en in officiële inbewaringneming geplaatst en vervolgens worden vernietigd of teruggestuurd overeenkomstig artikel 21.

3.

Indien de bevoegde autoriteit niet toestaat dat diervoeders of levensmiddelen worden binnengebracht, stelt zij de Commissie en de andere lidstaten volgens de procedure van artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 in kennis van haar bevindingen en van de identificatie van de betrokken producten, en deelt zij haar besluiten aan de douanediensten mee, alsook de informatie over de eindbestemming.

4.

Tegen besluiten betreffende zendingen kan overeenkomstig artikel 54, lid 3, beroep worden aangetekend.”

Artikel 20 van de Controleverordening luidt:

“1. De in artikel 19 bedoelde speciale behandeling kan het volgende omvatten:

a) een behandeling of verwerking om de diervoeders of levensmiddelen in overeenstemming te brengen met de eisen van de communautaire wetgeving, of met de eisen van een derde land in geval van terugsturen, met inbegrip van desinfectering, indien noodzakelijk, maar met uitsluiting van verdunning;

b) verwerking op enige andere passende manier voor andere doeleinden dan menselijke of dierlijke consumptie.”

1.3.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 852/2004 luidt:

“1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met primaire productie en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van deel A van bijlage I, alsmede aan alle andere specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. [853/2004].

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. [853/2004].

3.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voorzover van toepassing, de volgende specifieke hygiënemaatregelen treffen: […]

a) voldoen aan de microbiologische criteria voor levensmiddelen;

b) procedures om de doelstellingen van deze verordening te bereiken;

c) voldoen aan de vereisten inzake temperatuurbeheersing voor levensmiddelen;

d) handhaving van het koelcircuit;

e) steekproeven en analyses.

4.

De in lid 3 bedoelde criteriavereisten en doelstellingen worden volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

De bijbehorende bemonsterings- en analysemethoden worden volgens dezelfde procedure vastgesteld.

5.

Wanneer in deze verordening, in Verordening (EG) [853/2004] en in de uitvoeringsbepalingen daarvan geen bemonsterings- of analysemethoden zijn gespecificeerd, mogen exploitanten van levensmiddelenbedrijven passende, in andere communautaire wetgeving of in de nationale wetgeving vastgelegde methoden hanteren of, bij gebreke daarvan, methoden die resultaten opleveren welke gelijkwaardig zijn met de resultaten die bij gebruik van de referentiemethode worden verkregen, als die methoden wetenschappelijk gevalideerd zijn overeenkomstig de internationaal erkende regels of protocollen.

6.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen de in de artikelen 7 tot en met 9 bedoelde gidsen als hulpmiddel gebruiken om aan hun verplichtingen ingevolge deze verordening te voldoen.”

1.4.

Verordening (EG) nr. 853/2004 geeft specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. In Bijlage I bij die verordening is voorzien in definities van onder meer ‘vers vlees’ en ‘gehakt vlees’, namelijk:

“Vers vlees: vlees dat, buiten de koel- of vriesbehandeling, geen enkele behandeling heeft ondergaan om de houdbaarheid te bevorderen, met inbegrip van vacuümverpakt vlees of vlees in CA-verpakking (gecontroleerde atmosfeer).

(…)

Gehakt vlees: vlees zonder been, dat in kleine stukken is gehakt en minder dan 1 % zout bevat.”

1.5.

Verordening (EG) nr. 2073/2005 bevat microbiologische criteria voor bepaalde micro-organismen en bijbehorende uitvoeringsbepalingen waaraan exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voldoen bij de toepassing van de algemene en specifieke hygiënemaatregelen zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 852/2004.

In onderdeel 2.1.6 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 zijn met betrekking tot de aanwezigheid van E. coli in gehakt vlees de volgende grenswaarden vastgesteld: m = 50 cfu/g en M = 500 cfu/g. Daarbij geldt blijkens de bijbehorende interpretatie van de testresultaten het volgende:

“E. coli en aeroob kiemgetal in gehakt vlees (…):

— toereikend, als alle geconstateerde waarden kleiner dan of gelijk aan m zijn;

— acceptabel, als maximaal c/n waarden tussen m en M liggen en de overige gevonden waarden kleiner dan of gelijk aan m zijn;

— ontoereikend, als een of meer van de gevonden waarden groter dan M zijn of als er meer dan c/n waarden tussen m en M liggen.”

1.6.

Op grond van artikel 1 van de Richtlijn 97/78/EG (de Importrichtlijn) verrichten de lidstaten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn. Op bijlage I is vermeld: “10. Het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.”

Artikel 4 van de Importrichtlijn luidt:

“(…)

4.

Met uitzondering van de in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde

specifieke gevallen, verricht de officiële dierenarts:

(…)

b) een materiële controle van iedere partij om:

i) zich ervan te vergewissen dat de producten voldoen aan de eisen van de communautaire wetgeving en geschikt zijn om te worden gebruikt voor de in het begeleidend certificaat of document aangegeven doeleinden.

Deze controles moeten overeenkomstig de criteria van bijlage III worden verricht;

ii) in de volgens de procedure van artikel 29 vóór 1 juli 1999 vast te stellen frequentie

— de laboratoriumtests uit te voeren die ter plaatse moeten worden verricht;

— de nodige officiële monsters te nemen om die zo spoedig mogelijk te laten onderzoeken.

Op grond van bijlage III heeft de materiële controle van dierlijke producten tot doel te garanderen dat de producten nog steeds beantwoorden aan de bestemming die is aangegeven in het veterinair certificaat of document: bijgevolg moeten de garanties worden gecontroleerd die door het derde land van oorsprong zijn gegeven, en moet ook met zekerheid kunnen worden geconstateerd dat daarin geen wijzigingen zijn gekomen tijdens en ten gevolge van het transport, door:

a) organoleptisch onderzoek: bijvoorbeeld geur, kleur, consistentie en smaak;

b) bij eenvoudige fysische en chemische tests: in plakken snijden, ontdooien, koken;

c) laboratoriumtests voor de opsporing van: residuen, pathogenen, contaminaten, bederf en andere vormen van aantasting.”

Artikel 17 van de Importrichtlijn luidt:

“(…)

2.

Wanneer de veterinaire autoriteit aan de hand van de in deze richtlijn bedoelde controles vaststelt, dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger:

a) ofwel het product vanuit dezelfde grensinspectiepost binnen een termijn van ten hoogste 60 dagen met hetzelfde vervoermiddel terug te zenden naar een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I vermelde grondgebieden, voorzover hiertegen geen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften.

In dat geval moet de officiële dierenarts van de grensinspectiepost:

— de in artikel 1, lid 1, eerste streepje, van Beschikking 92/438/EEG vastgestelde informatieprocedure inleiden;

— de veterinaire certificaten of documenten waarvan de afgewezen producten vergezeld gaan, ongeldig maken overeenkomstig de daartoe door de Commissie volgens de in lid 7 bedoelde procedure vast te stellen voorschriften, zodat deze producten niet via een andere grensinspectiepost binnengebracht kunnen worden;

b) ofwel het product te vernietigen in de daarvoor bestemde inrichting zoals bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) (1) die het dichtst bij de grensinspectiepost gelegen is, indien terugzending onmogelijk is of de onder a) bedoelde termijn van 60 dagen verstreken is, of indien de belanghebbende bij de lading daar onmiddellijk mee instemt.

In afwachting van de terugzending van de in dit punt bedoelde producten of van de bevestiging van de motieven voor de afwijzing, worden de betrokken producten onder toezicht van de bevoegde autoriteit op kosten van de belanghebbende bij de lading opgeslagen door de bevoegde autoriteiten.

(…)”

2.

Op grond van artikel 4 van de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) wordt als bevoegde autoriteit, bedoeld in de Importrichtlijn, de NVWA aangewezen.

3.1.

Tussen de stukken bevindt zich een advies van de directeur Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering, gericht aan de inspecteur-generaal van NVWA van

18 november 2011 (ref. nVWA/BuRO/2011/7549). Daarin is onder meer vermeld:

“In het voorjaar van 2011 werd Europa geconfronteerd met een ziekteuitbraak met circa vierduizend zieken en vijftig doden, veroorzaakt door een zeer virulente variant van de doorgaans onschuldige darmbacterie Escherichia (E.) coli. De betrokken bacterie beschikte over een combinatie van virulentiegenen, afkomstig van een stam die het zogeheten Shiga toxine produceert. Deze uitbraak roept de vraag op hoe deze en andere potentieel ziekteverwekkende E. coli stammen snel kunnen worden herkend zodat met passend risicomanagement het aantal zieken zoveel mogelijk kan worden beperkt.

(…)

Op dit moment is de aanwezigheid van Shiga toxine-genen de voornaamste indicator die met enige betrouwbaarheid risico’s voor de volksgezondheid voorspelt.

(…)

Er zijn meerdere beleidsopties denkbaar voor beheersmaatregelen van de risico’s van STEC/EHEC in onverhit te consumeren producten.

Gebaseerd op serotyping:

1.

Haal alleen die producten waar een bewezen pathogene variant op is aangetroffen, van de markt.

2.

Beperk maatregelen tot producten die besmet zijn met één van de STEC serotypen die door EFSA en USDA als gevaarlijk worden beschouwd: 0157, 026, 045, 0103, 091, 0111, 0121 of 0145.

3.

Neem maatregelen wanneer op basis van serologisch onderzoek als ETEC, EIEC, EHEC, EPEC of EAEC getypeerde stam op producten wordt aangetroffen.

Gebaseerd op genetische analyse:

4.

Haal producten die gecontamineerd zijn met E. coli stammen die één of meerdere van de stx2a, stx2c en stx2d activabele genen bevatten van de markt.

5.

Verwijder uit de schappen alle producten die besmet zijn met E. coli die één of meerdere stx genen en één van de genen dragen die hechting aan de darmwand mogelijk maken.

6.

Haal van de markt alle producten die besmet zijn met E. coli die één of meerdere stx genen bevatten.

(…)

Op dit moment is er nog geen volledig overzicht van de genen die in combinatie met stx genen virulentie veroorzaken. Wanneer beter inzicht ontstaat in de relatie tussen aanwezigheid van de verschillende virulatiegenen en de kans dat de betreffende bacterie ziekte veroorzaakt, kan de afweging aangaande te nemen maatregelen geoptimaliseerd worden en wordt de vijfde optie wellicht de beste.

(…) Bij de huidige stand van de wetenschap moet geaccepteerd worden dat het wellicht beter is maatregelen te nemen volgens optie 6, die op de aanwezigheid van alle stx genen gebaseerd is. Deze maatregelen zullen soms ook onschadelijke stammen betreffen. Gezien de grote gevolgen van HUS voor de gezondheid lijkt dit een redelijke afweging, mede omdat herhaling van een gebeurtenis zoals de 0104:H4 uitbraak van voorjaar 2011 het vertrouwen van de consument in levensmiddelen sterk zal schaden.”

3.2.

NVWA heeft gekozen voor toepassing van optie 6. Tussen de stukken bevindt zich voorts het document “Voedsel en monsters uit de primaire productiefase: detectie van shiga toxine producerende Escherichia coli (STEC) met behulp van een kwalitatieve real-time PCR methode”. Dit voorschrift beschrijft een methode voor het aantonen van de belangrijkste virulentiegenen van shiga toxine producerende Escherichia coli (STEC), stx1, stx2 en eae met behulp van triplex real-time Polymerase Chain Reaction (PCR) in voedsel en monsters uit de primaire productiefase, waaronder dierlijk vlees.

3.3.

De beleidslijn van NVWA van 20 augustus 2013 (BPR 22 (VGC) Weigeren van producten, versie 12) luidt voor zover hier van belang:

“1.1 Deze procedure beschrijft welke handelingen verricht moeten worden bij het weigeren van een partij dierlijke producten met herkomst een Derde Land, die wordt aangeboden bij een Nederlandse buitengrensinspectiepost (BIP) voor invoer, opslag of doorvoer.

(…)

BIJLAGE III (Speciale behandeling)

Behandelen of verwerken van levensmiddelen of diervoeders die niet aan de normen voldoen is in bepaalde gevallen en onder gestelde voorwaarden volgens de Europese regelgeving toegestaan.

(…)

In een aantal gevallen staat de NVWA behandelen of verwerken van producten toe.

E.coli (STEC) in vlees:

Het NVWA beleid is als volgt:

Er wordt nagegaan of het stx1 en/of stx2 gen aanwezig is.

Als een stx1 en/of stx2 positieve E.coli is gevonden wordt aanvullend onderzoek gestart naar aanwezigheid van het eae gen en het serotype.

De uitkomsten van dit onderzoek hebben invloed op een eventuele herbestemming die het product in sommige gevallen én na toestemming van de bevoegde autoriteit kan krijgen.

Bij de herbestemming wordt onderscheid gemaakt welk serotype is aangetroffen.

Wanneer een E.coli (STEC) is aangetroffen welke tot een van de volgende zeer pathogene serotypes behoort (O157, O26, O111, O103, O145, O45, O121, O174 of O104:H4) kan uitsluitend een herbestemming worden toegestaan waarbij een effectieve (hitte)behandeling wordt toegepast bij een (daarvoor erkende) levensmiddelenproducent of verwerking tot een dierlijk bijproduct (Verordening (EG) 882/2004, art. 19 en 20).

Wanneer een E.coli (STEC) is aangetroffen met een stx1 en/of stx2 gen van een ander serotype, dan mag het product een andere herbestemming dan in een speciale inrichting krijgen mits hiermee wel duidelijk is dat het product hierdoor normaal gesproken een afdoende hittebehandeling zal krijgen voordat het geconsumeerd wordt.”

Feiten en besluitvorming van NVWA

4.1. NVWA heeft met de besluiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7 de partijen vlees geweigerd voor invoer in de EU omdat de partijen positief zijn bevonden op STEC. Volgens NVWA heeft de officiële dierenarts van NVWA de monsters onderzocht in overeenstemming met het door NVWA gehanteerde document “Voedsel en monsters uit de primaire productiefase: detectie van shiga toxine producerende Escherichia coli (STEC) met behulp van een kwalitatieve real-time PCR methode”.

4.2. Uit het onderzoeksrapport van 2 oktober 2012 volgt dat in het monster van de partij met GDB-nummer 12078024 (besluit 1) STEC is aangetroffen in 25 gram van het product en dat deze detectie heeft plaatsgehad met behulp van de kwalitatieve real-time PCR methode. Blijkens het onderzoeksrapport van 4 oktober 2012 geldt deze uitkomst ook voor de monsters van de partijen met GDB-nummer 12080403 (besluit 2) en GDB-nummer 12080144 (besluit 3). NVWA heeft eiseressen op 4 oktober 2012 bericht dat contra-expertise mogelijk is, doch op 5 oktober 2012 heeft NVWA eiseressen bericht dat geen mogelijkheid van contra-expertise bestaat, omdat dit ten aanzien van verse en/of gekoelde producten binnen 36 uur na monsterneming had moeten gebeuren. In een dergelijk geval is contra-expertise slechts mogelijk indien daar reeds bij monsterneming om is verzocht, zodat het monster kan worden gesplitst en binnen 36 uur beide onderzoeken kunnen worden verricht. In het onderzoeksrapport van NVWA van 12 februari 2013 is uiteengezet dat in nadere testen op het laboratorium Voeder en Voedselveiligheid, locatie Wageningen/Zutphen de positief bevonden monsters van voornoemde drie partijen nader zijn onderzocht door van elke plaat minimaal 50 kolonies te selecteren en na DNA extractie te testen met PCR op de aanwezigheid van stx en eae. Vervolgens zijn de shigatoxine producerende isolaten getest met een Api 20E V4.1 testkit (biochemische test) om aan te tonen dat het E. coli betreft. Bij de drie positieve monsters waren de resultaten tussen de 99,5% en 99,9% kans op E. coli. Verder is in het onderzoeksrapport van 12 februari 2013 vermeld dat vanaf 22 oktober 2012 standaard een biochemische test wordt uitgevoerd op elk shigatoxine producerend isolaat.

4.3. Uit het onderzoeksrapport van 24 december 2012 volgt dat een of meer monsters ten aanzien van de partij met GDB-nummer 12108124 (besluit 5) positief zijn bevonden op stx1 en stx2. Uit het onderzoeksrapport van 31 december 2012 volgt dat een of meer monsters ten aanzien van de partij met GDB-nummer 12109845 (besluit 6) positief zijn bevonden op stx2. Uit het onderzoeksrapport van 9 januari 2013 volgt dat een of meer monsters ten aanzien van de partij met GDB-nummer 12112938 (besluit 7) positief zijn bevonden op stx2. In de onderzoeksrapporten is aangegeven dat de aanwezigheid van STEC is aangetoond. Eiseressen hebben voor wat betreft de partij met GDB-nummer 12108124 (besluit 5) en de partij met GDB-nummer 12109845 (besluit 6) om een contra-expertise verzocht. Op 11 en 17 januari 2013 (partij besluit 5) en op 11 en 24 januari 2013 (partij besluit 6) zijn door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) onderzoeksrapporten over deze partijen uitgebracht. In beide gevallen zijn twee van vijf submonsters positief bevonden op stx2-positieve Escherichia coli door analyses die zijn uitgevoerd volgens ISO 13136. In genoemde onderzoeksrapporten van 17 en 24 januari 2013 is daarbij meer uitvoerig weergegeven dat met een biochemische test is vastgesteld dat kolonies in submonsters werden geïdentificeerd op Escherichia coli (E. coli). Ter zake van de partij met GDB-nummer 12112938 (besluit 7) is eveneens op 11 januari 2013 door het RIVM een onderzoeksrapport uitgebracht. In dit laatste geval werd geen enkel submonster positief bevonden op stx-positieve Escherichia coli.

4.4. De betrokken douane-expediteurs hebben de partijen met GDB-nummers 12078024 (besluit 1), 12080403 (besluit 2) en 12080144 (besluit 3) teruggezonden naar het land van herkomst nadat de voorzieningenrechter het verzoek van eiseressen tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft afgewezen bij uitspraak van 24 oktober 2012 (ECLI:NL:RBROT:2012:BY1516). Met betrekking tot de partijen met GDB-nummers 12108124 (besluit 5) en 12109845 (besluit 6) is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen bij uitspraak van 14 februari 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2463). Met betrekking tot de partij met GDB-nummer 12112938 (besluit 7) is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen bij uitspraak van 21 maart 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6614). NVWA heeft op 13 februari 2013 (partij besluit 5 en 6) en op 19 februari 2013 (partij besluit 7) toestemming verleend tot het invriezen van de partijen vlees die nog niet waren teruggezonden. Voorts is desgevraagd door NVWA de oorspronkelijke 60-dagentermijn voor retourzending die voortvloeit uit artikel 17, tweede lid, van de Importrichtlijn verlengd. De partijen vlees met de GDB-nummers 12108124, 12109845 en 12112938 zijn vervolgens ingevroren – zo is ter zitting door eiseressen gesteld – tussen 13 en 26 februari 2013. Voorts heeft NVWA eiseressen bij brief van 11 maart 2013 bericht dat het verzoek van eiseressen om na te gaan of bij deze partijen een speciale behandeling kan worden toegestaan, wordt onderzocht. Op 15 maart 2013 (partij besluit 5 en 7) en 29 maart 2013 (partij besluit 6) zijn de partijen teruggezonden naar Arrebeef in Argentinië.

5.1. Bij besluit 4 heeft NVWA in navolging van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb (de commissie) geoordeeld dat de weigering van invoer in de EU rechtmatig is. Hiertoe is overwogen dat monsters van de partijen positief zijn getest op STEC, dat NVWA niet gehouden was eiseressen mee te delen dat zij binnen 36 uur om een monster voor contra-expertise hadden moeten verzoeken, dat de partijen vlees niet als gehakt vlees, doch als vers vlees kunnen worden beschouwd, dat in Verordening (EG) nr. 2073/2005 geen specifieke grenswaarde is bepaald voor de aanwezigheid van deze variant van E. colibacterie STEC en eveneens nationale regels ontbreken, zodat het op de weg van NVWA ligt om zelf een inschatting te maken van de risico’s voor de volksgezondheid, dat NVWA voor de meest vergaande beleidsoptie heeft gekozen, dat NVWA in redelijkheid hiervoor heeft kunnen kiezen en dat verklaringen van dr. Leotta en dr. N. Botteldoorn hier niet aan af doen. In navolging van de commissie is NVWA van oordeel dat nadeelcompensatie is geboden. NVWA heeft in dit verband overwogen dat artikel 17, tweede lid, van de Importrichtlijn niet voorziet in de mogelijkheid van een speciale behandeling van onveilige levensmiddelen van dierlijke oorsprong, doch dat naar analogie van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 20 van de Controleverordening de mogelijkheid van speciale behandeling wel wordt erkend voor producten van dierlijke oorsprong waarop de aanwezigheid van bepaalde microbiologische organismen zijn aangetroffen. Speciale behandeling wordt namelijk toegestaan voor producten van dierlijke oorsprong die al in de EU zijn binnengebracht. De NVWA acht het passend een dergelijke mogelijkheid ook te bieden voor partijen vlees die bij een grenspost zijn aangeboden, teneinde een ongelijke behandeling van aan de grens aangeboden partijen te voorkomen. Hierbij wordt ook overwogen dat de Europese regelgeving wordt aangepast om aan de huidige fragmentatie tussen Richtlijn 97/78 en de Controleverordening een einde te maken. De regels over veterinaire buitengrenscontroles zullen worden opgenomen in de verordening. Daarbij is een “speciale behandeling” een van de maatregelen die genomen kan worden indien partijen die vanuit derde landen de EU worden binnengebracht, een risico voor de volksgezondheid vormen. NVWA biedt invoerders daarom inmiddels de mogelijkheid om de bestemming van een partij vlees op aanvraag te wijzigen, zodat de bewuste partij anderszins kan worden verwerkt en niet hoeft te worden teruggestuurd of vernietigd. Met betrekking tot de partijen waarop de besluiten 1, 2 en 3 zien is deze mogelijkheid destijds niet geboden. Om die reden zijn die partijen teruggezonden, met welke terugzending veel kosten zijn gemoeid. Uit dit voortschrijdend inzicht volgt naar het oordeel van NVWA dat hij indertijd niet op de minst bezwarende manier is opgetreden bij het weigeren van de partijen vlees. In zoverre zijn voor eiseressen de nadelige gevolgen van de besluiten 1, 2 en 3 niet evenredig in verhouding tot het met die besluiten te dienen doel van de volksgezondheid. Omdat de schade nog moet worden onderbouwd heeft NVWA bij besluit het bezwaar ter zake van het niet bieden van nadeelcompensatie gegrond verklaard en iedere verdere beslissing op dit punt aangehouden.

5.2. Bij besluit 8 heeft verweerder onder verwijzing naar besluit 4 geoordeeld dat de partijen vlees terecht zijn geweigerd met de besluiten 5, 6, en 7. Anders dan ter zake van de besluiten 1, 2 en 3 is NVWA van oordeel dat ter zake van de besluiten 5, 6 en 7 geen noodzaak bestaat tot nadeelcompensatie. NVWA heeft in dit verband overwogen dat hij ten tijde van de laatste reeks besluiten in analogie met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 20 van de Controleverordening de mogelijkheid van speciale behandeling bood. Dat eiseressen in afwachting van een beslissing van NVWA over de toe te passen behandeling er voor hebben gekozen de partijen terug te zenden naar Arrebeef in Argentinië is volgens NVWA een keuze die voor hun rekening komt.

Beoordeling

6.

Besluit 4 is een besluit in de zin van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen de beroepen zich mede richten, omdat het niet geheel tegemoet komt aan de beroepen. Omdat met besluit 4 op de bezwaren is beslist, hebben eiseressen geen belang meer bij hun oorspronkelijke beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. NVWA heeft immers bij besluit van 14 juni 2013 dwangsommen wegens niet tijdig beslissen toegekend aan eiseressen, welk besluit niet in geschil is, terwijl voor de toepassing van de artikelen 8:74 en 8:75 van de Awb niet noodzakelijk is dat de beroepen gegrond worden verklaard. De rechtbank stelt voorts ambtshalve voorop dat zij geen aanleiding ziet besluit 4 te vernietigen wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb, omdat met dat besluit niet tevens de besluitvorming ter zake van nadeelcompensatie is afgerond. De rechtbank acht het in dit verband toelaatbaar dat NVWA op dit onderdeel heeft besloten tot zogenoemde getrapte besluitvorming, omdat eerst in bezwaar de vraag naar nadeelcompensatie is opgekomen en verweerder ten tijde van de heroverweging niet beschikte over de noodzakelijke gegevens om de omvang van de schade vast te stellen. Een en ander brengt met zich dat de inhoudelijke beoordeling in beroep is beperkt tot de vraag of de weigering voor invoer in de EU, zoals is voorzien met de besluiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7, op goede gronden is gehandhaafd met de besluiten 4 en 8 en of verweerder met besluit 8 in redelijkheid heeft kunnen besluiten de besluiten 5, 6 en 7 te handhaven zonder nadeelcompensatie te bieden.

7.1.

Eiseressen betogen op grond van de volgende argumenten dat de besluiten 4 en 8 geen stand kunnen houden voor zover daarbij de besluiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7 zijn gehandhaafd. Eiseressen menen dat geen wettelijke basis bestaat voor het weigeren van de partijen vlees in de EU vanwege de aanwezigheid van E. coli in de waren, omdat blijkens onderdeel 2.1.6 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 een beperkte hoeveelheid E. coli in gehakt vlees wordt toegestaan. Zij stellen voorts dat niet is gebleken dat de partijen vlees gevaar voor de volksgezondheid opleveren. In dit verband voeren zij aan dat uit de uitslagen van NVWA niet meer blijkt dan dat stx1 en/of stx2 genen zijn aangetroffen in de partijen vlees. Die uitslagen zijn gebaseerd op een gedeeltelijke toepassing van ISO 13136 waaruit de aanwezigheid van die genen blijkt. Zoals deskundigen hebben verklaard brengt die enkele aanwezigheid echter niet met zich dat er E. coli in het vlees zat, zodat daarmee niet aangetoond is dat de partijen vlees gevaar voor de volksgezondheid opleverden. Eiseressen menen dat latere testen niet afdoen aan de onzorgvuldige besluitvorming, omdat die zijn verricht eerst nadat de besluiten 1, 2 en 3 waren genomen. Eiseressen voeren voorts aan dat besluit 4 geen stand kan houden, omdat aan hen ten onrechte de mogelijkheid is ontnomen om een contra-expertise of her-analyse uit te voeren. Zij voeren in dit verband aan dat zij op het verkeerde been zijn gezet door NVWA doordat NVWA het aanbod daartoe na het verstrijken van 36 uur heeft ingetrokken. Eiseressen achten dit in strijd met het vertrouwensbeginsel. Met betrekking tot partij met GDB-nummer 12112938 (besluit 7) hebben eiseressen nog aangevoerd dat de contra-expertise een negatieve uitkomst had, waarmee NVWA niets heeft gedaan. Eiseressen menen dat het weigeren van de partijen vlees – gezien de daardoor ontstane schade – in strijd is met de proportionaliteit. In dit verband hebben eiseressen voorts nog aangevoerd dat de testen die in Argentinië zijn uitgevoerd alle aangeven dat er geen E. coli, stx1 en/of stx2 genen in de partijen aanwezig waren en dat het advies van de directeur Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering zeker niet noopt tot de daarin vermeldde beleidsoptie 6, maar dat daaruit in tegendeel volgt dat het een disproportionele maatregel is als in alle gevallen dat een E. coli stam op levensmiddelen wordt aangetroffen deze van de markt wordt gehaald.

7.2.

De veterinaire certificaten uit Argentinië, waarop is aangegeven of sprake is van gehakt vlees of (vers) vlees, bevatten telkens de doorstreping van onder meer de woorden gehakt vlees, hetgeen een sterke indicatie oplevert dat geen sprake is van gehakt vlees. Ter zitting is voorts onweersproken door NVWA gesteld dat het gaat om vrij grote stukken vlees. De rechtbank neemt dan ook aan dat de partijen niet zien op gehakt vlees, zodat onderdeel 2.1.6 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 om die reden toepassing mist.

7.3.

Met betrekking tot de stelling van eiseressen dat niet is gebleken dat de partijen vlees gevaar voor de volksgezondheid opleveren stelt de rechtbank in navolging van de voorzieningenrechter het volgende voorop. Het ontbreken van een specifieke Europese normstelling laat onverlet dat NVWA gelet op artikel 4 van de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) en artikel 17 van de Importrichtlijn bevoegd is controles te verrichten en, als het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of als er een onregelmatigheid is begaan, kan besluiten om in overleg met de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger de waren terug te zenden of te vernietigen. Verder volgt uit artikel 14 van Verordening (EG) nr. 178/2002 dat levensmiddelen, indien zij worden beschouwd als schadelijk voor de gezondheid of ongeschikt voor menselijke consumptie, niet mogen worden ingevoerd in de EU. Voor zover niet bij verordening of nationale wetgeving regels zijn gesteld over de hoeveelheid toe te laten hoeveelheid E. coli is de rechtbank van oordeel dat NVWA bevoegd is om zelf een inschatting te maken over de risico’s voor de volksgezondheid. Het ligt daarbij in de rede dat NVWA bij gebreke van een communautair of wettelijk kader aansluiting zoekt bij medische inzichten en waar mogelijk consensus binnen de lidstaten. De door NVWA gekozen maatregel (optie 6) bestaande uit het van de markt halen van alle producten die besmet zijn met E. coli die één of meerdere stx-genen bevatten is de meest vergaande. NVWA heeft daarbij het risico aanvaard dat onnodig wordt ingegrepen. Hoewel NVWA zich bij deze keuze niet enkel kan baseren op het voorzorgbeginsel, maar ook andere beginselen zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht zal moeten nemen, ziet de rechtbank geen aanleiding de door NVWA gemaakte keuze onjuist te achten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat NVWA is toegerust om een inschatting te maken van de gezondheidsrisico’s, terwijl in het onder 3.1 weergegeven advies van de directeur Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering een beredeneerde afweging is gemaakt van de risico’s die zijn verbonden aan de verschillende alternatieven.

7.4.

Het advies van de directeur Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering gaat uit van de vooronderstelling dat naar de huidige stand van de wetenschap geen uitsluitsel mogelijk is met betrekking tot de vraag of de betreffende serotypen onschuldige stammen vormen of juist gevaarlijke. De enkele omstandigheid dat bij het ontbreken van de aanwezigheid van intimine (eae) als virulatiegen de kans groter is dat geen sprake is van een pathogene variant en dus onnodig wordt ingegrepen, maakt dit niet anders. Omdat door NVWA met het oog op preventie is gekozen voor de meest vergaande maatregel, zal bij de aanwezigheid van E. coli die stx genen bevatten in vlees dat mede bestemd is om rauw te consumeren, het vlees niet, althans niet zonder garantie dat het vlees eerst zal worden verhit, worden toegelaten. Ter zitting is door NVWA in dit verband nog onweersproken gesteld dat voor alle partijen geldt dat is vastgesteld dat een of meer monsters STEC bevatten, die potentieel pathogeen voor de mens zijn en dat naar de huidige stand van de wetenschap pas bij constatering van – mogelijke fatale – ziekte kan worden vastgesteld dat de betreffende STEC pathogeen is. Eiseressen betogen in dit licht tevergeefs dat door gedeeltelijke toepassing van ISO 13136 geen identificatie heeft plaatsgevonden van serotype, zodat geen uitsluitsel bestaat of zich een voor de mens pathogene variant van E. coli bevindt in de partijen vlees en dat daartoe verdergaande biochemische identificatie nodig zou zijn.

7.5.

Dat eerst na de besluiten 1, 2 en 3 daadwerkelijk is vastgesteld dat van alle partijen ten minste één monster E. coli bevat kan zonder gevolgen blijven nu niet is gebleken dat eiseressen hierdoor nadeel hebben ondervonden – het uiteindelijke resultaat zou immers hetzelfde zijn geweest – en het ter beoordeling voorliggende besluit 4 is genomen na de aanvullende onderzoeken door NVWA.

7.6.

Ten tijde van het faxbericht van 4 oktober 2012 waarin NVWA de mogelijkheid van contra-expertise opperde was de termijn van 36 uur verstreken, zodat eiseressen door die berichtgeving niet zijn benadeeld. De volgende dag heeft NVWA de vergissing hersteld. Dat eiseressen niet ten tijde van of voorafgaand aan de monsterneming zijn gewezen op de mogelijkheid van contra-expertise kan hen evenmin baten. De ingeschakelde douane-expediteurs mochten verondersteld worden bekend te zijn met de mogelijkheid van tweede monsterneming in de zin van artikel 5:18, derde lid, van de Awb en de eventuele beperkingen die daarbij gelden. De rechtbank wijst in dit verband op het zich bij de stukken bevindende document BIPVS_09 Contra-expertise, versie 5 van 25 mei 2012, dat is gepubliceerd op de website van NVWA. Op pagina 3 is vermeld dat ingeval van verse en/of gekoelde producten contra-expertise om technische redenen niet mogelijk is gelet op het feit dat de analyse binnen 36 uur na monstername moet starten conform NEN-EN-ISO 7218-2007.

7.7.

Met betrekking tot de contra-expertise die heeft plaatsgevonden bij de partij met GDB-nummer 12112938 (besluit 7), waarbij de vijf contra monsters door het RIVM negatief zijn getest ter zake van Shiga-toxine producerende E. coli komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. Niet in geschil is dat deze contra-expertise niet heeft plaatsgevonden op aanvraag van eiseressen, doch vanwege een vergissing binnen NVWA of het RIVM. De analyseresultaten zijn aanvankelijk niet bekendgemaakt en de daarmee gemoeide kosten zijn niet doorberekend aan eiseressen. Ten tijde van deze contra-expertise was het zich bij de stukken bevindende document BIPVS_09 Contra-expertise, versie 6 van 12 november 2012, dat is gepubliceerd op de website van NVWA, van toepassing. Op pagina 3 van dit document is vermeld dat indien één van monsters voor microbiogisch onderzoek, het analysemonster ten behoeve van het NVWA-lab of het contramonster ten behoeve van het Nationaal Referentie Laboratrium, niet-conform blijkt te zijn, deze niet-conforme uitslag bepalend is voor de beslissing over de partij. Ter zitting heeft NVWA er in dit verband nog op gewezen dat STEC niet homogeen verspreid is over het vlees, zodat de betekenis van een negatief monster weinig zeggend is. Om die reden wordt één positieve test maatgevend geacht, welk uitgangspunt de rechtbank aanvaardbaar acht. Naar het oordeel van de rechtbank konden eiseressen onder deze omstandigheden dan ook niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de uitkomst van deze contra-expertise.

8.1.

Eiseressen betogen dat besluit 8 geen stand kan houden voor zover het de weigering van nadeelcompensatie betreft. Eiseressen menen primair dat artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat NVWA hoe dan ook schade moet vergoeden die ontstaat door toepassing van het beleidskader, omdat daarbij uitdrukkelijk het risico wordt genomen dat onnodig bezwarende besluiten worden genomen. Subsidiair menen eiseressen dat NVWA in besluit 8 op gelijke voet als in besluit 4 nadeelcompensatie behoort te bieden, omdat de feitelijke situatie in essentie niet anders is. Eiseressen hebben in dit verband ter zitting aangevoerd dat de Controleverordening ook bij weigering van invoer in de EU een speciale behandeling als alternatief voor terugzending of destructie biedt, zodat het bestaan van nieuw beleid van de NVWA in dit verband niet maatgevend is. Eiseressen hebben in dit verband verder aangevoerd dat een eventuele speciale behandeling eerst door NVWA is geopperd bij de behandeling van het eerdergenoemde verzoek dat is geëindigd met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2013, dat NVWA nadien iedere beslissing op dit punt aanhield en eiseressen in verband met dreigend bederf van het vlees daarop niet konden wachten. In dit verband stellen eiseressen voorts dat het beleid met betrekking tot speciale behandelingen eerst in augustus 2013 van kracht is geworden en dat het bieden van een dergelijke optie ambtshalve gegeven behoort te worden in plaats van op aanvraag nadat invoerweigering heeft plaatsgevonden. Dat tussentijds toestemming voor invriezen is gegeven maakt dit alles volgens eiseressen niet anders, omdat zij direct hadden aangegeven dat die optie wegens waardeverlies een laatste mogelijkheid zou zijn. Onder de gegeven omstandigheden was terugzending de enige reële optie voor eiseressen.

8.2.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3 en 7.4 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat NVWA in redelijkheid tot het door hem gekozen beleidskader heeft kunnen komen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat zich in de partijen vlees STEC bevond. Ten aanzien van deze darmbacterie is bewezen dat die tot ernstige ziekte voor de mens – met mogelijk dodelijk gevolg – kan leiden. Voorts is niet, althans onvoldoende betwist dat pas als zich ziektegevallen voordoen, geconstateerd kan worden dat sprake is van een gevaarlijke pathogene variant van E. coli. Eiseressen ondervinden ook niet een nadeel dat andere vleesimporteurs in potentie niet ondervinden. Dat vleespartijen worden geweigerd voor invoer in de EU wegens de aanwezigheid van E. coli is immers een risico dat iedere vleesimporteur loopt. De weigering van de partijen vlees voor invoer in de EU wegens aangetroffen STEC levert daarom niet al op zichzelf een grondslag op voor schadevergoeding of nadeelcompensatie.

8.3.

De rechtbank is met NVWA van oordeel dat de Importrichtlijn niet de mogelijkheid biedt tot speciale behandeling, doch slechts ingeval van weigering voor invoer in de EU voorziet in terugzending of destructie. De aanvullende mogelijkheden die de Controleverordening biedt acht de rechtbank gelet op artikel 14, eerste lid, van die verordening niet van toepassing op de hier voorliggende besluiten. De beleidslijn van NVWA van 20 augustus 2013 (BPR 22 (VGC) Weigeren van producten, versie 12) die voorziet in overeenkomstige toepassing van de artikelen 19 en 20 van de Controleverordening is dan ook aan te merken als begunstigend buitenwettelijk beleid. Ten tijde van de besluiten 1, 2 en 3 was niet te voorzien dat eiseressen bij het invriezen van de partijen naderhand de keuze zouden hebben tot een speciale behandeling van het vlees en is deze mogelijkheid niet geboden. Om die reden is NVWA vanwege voortschrijdend inzicht tot het oordeel gekomen dat ter zake van die teruggezonden partijen een vorm van nadeelcompensatie geboden dient te worden. Met NVWA is de rechtbank van oordeel dat de situatie ter zake van partijen vlees waarop de besluiten 5, 6 en 7 zien niet daarmee vergelijkbaar is. Eiseressen hebben na invriezing van die partijen vlees zonder overleg besloten tot terugzending van de desbetreffende partijen vlees, nadat NVWA eiseressen had meegedeeld dat zij zich nog moest beraden over de mogelijkheden van een speciale behandeling van het vlees. Dat van eiseressen uit een oogpunt van schadebeperking niet kon worden gevergd dat zij die beslissing van NVWA zouden afwachten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting van de zijde van NVWA niet of onvoldoende weersproken is gesteld dat het vlees zowel bij terugzending als bewaring zou moeten worden ingevroren, hetgeen ook is gebeurd, en dat dat het ingevroren vlees langer dan een jaar houdbaar is, waardoor er voldoende tijd was om de beslissing van NVWA over een speciale behandeling af te wachten.

9.

De beroepen zijn ongegrond.

10.

In de beroepen tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar inzake de besluiten 1, 2 en 3 bepaalt de rechtbank dat NVWA aan eiseressen het in die zaken door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11.

In die beroepen veroordeelt de rechtbank NVWA in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 121,75 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 0,25 in deze samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar inzake de besluiten 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk,

  • -

    verklaart de beroepen tegen de besluiten 4 en 8 ongegrond,

  • -

    bepaalt dat NVWA aan eiseressen het betaalde griffierecht van totaal € 954,- (driemaal € 318,-) vergoedt in de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar inzake de besluiten 1, 2 en 3,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten in de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar inzake de besluiten 1, 2 en 3, tot een bedrag van € 121,75, te betalen aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en mr. Y.E. de Muynck, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.