Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6603

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C-10-424380_23072014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Binnenvaart. Tijdvervrachter vordert schadevergoeding wegens tussentijdse beëindiging van overeenkomst van tijdbevrachting. Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

Vonnis van 23 juli 2014

in de zaak met zaak- en rolnummer: C/10/424380 / HA ZA 13-503 van

de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

MAAS SHIPPING GMBH,

gevestigd te Bremen, Duitsland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.F. Bienfait te Capelle aan den IJssel.

Partijen worden hierna “Maas” en “[gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Maas heeft [gedaagde] bij exploot van 4 maart 2013 gedagvaard voor deze rechtbank en – kort gezegd – gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis voor recht zal verklaren dat [gedaagde] de – hierna te bespreken – timecharter ten onrechte niet is nagekomen en [gedaagde] zal veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat, met nevenvorderingen.

1.2.

[gedaagde] heeft de vorderingen bestreden bij conclusie van antwoord. Voor het geval de rechter enige vordering van Maas toewijst, derhalve voorwaardelijk, heeft [gedaagde] in reconventie – kort gezegd – de vernietiging van de timecharter en veroordeling tot schadevergoeding, met nevenvorderingen, gevorderd en daarbij 32 producties overgelegd, gemerkt A tot en met D en 1 tot en met 28.

1.3.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 juli 2014 een comparitie van partijen gelast. Bij schrijven van 1 augustus 2013 heeft de rechtbank een zittingsagenda voor die comparitie aan partijen gestuurd.

Ingevolge die zittingsagenda heeft Maas alsnog haar akte, gedateerd 8 mei 2013, met twee producties in het geding gebracht.

1.4.

Op 17 oktober 2013 heeft die comparitie van partijen plaats gevonden. Daarbij heeft Maas haar conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie genomen en daarbij een productie in het geding gebracht. Voorts heeft Maas bij die gelegenheid een Samenvatting in het geding gebracht.

Bij die gelegenheid zijn van de zijde van [gedaagde] in het geding gebracht:

  • -

    Aantekeningen, tevens houdende een reactie op de producties zijdens Maas;

  • -

    een gecorrigeerde productielijst bij de conclusie van antwoord in conventie en voorwaardelijke eis in reconventie;

  • -

    een e-mail van Johann de Koning aan Maas van 25 oktober 2011.

Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

[gedaagde] heeft een akte genomen en daarbij 29 producties overgelegd.

Maas heeft een antwoordakte genomen.

1.6.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Samenvatting van de vorderingen en het verweer

2.1.

Maas legt – samengevat weergegeven – het volgende aan haar in 1.1 genoemde vorderingen in conventie ten grondslag.

2.1.1.

Tussen partijen is op 25 oktober 2011 een overeenkomst van tijdbevrachting (hierna: de tijdbevrachting) gesloten met betrekking tot het motortankschip ‘Julia Sara’, een binnenvaartschip. Die overeenkomst is vastgelegd in een timecharter van genoemde datum. Maas is onder die overeenkomst de vervrachter (in de timecharter “Verhuurder” genoemd) en [gedaagde] de bevrachter (in de timecharter “Huurder”). De tijdbevrachting is aangegaan voor een periode van twaalf maanden, ingaande 25 oktober 2011 en aflopende op 24 oktober 2012. Maas heeft ingevolge de tijdbevrachting aanspraak op (netto) tijdvracht van € 1.950,- per kalenderdag.

2.1.2.

Ten onrechte heeft [gedaagde] op 12 maart 2012 de tijdbevrachting tussentijds beëindigd, bovendien met terugwerkende kracht tot 3 maart 2012.

Beëindiging met terugwerkende kracht is niet mogelijk.

Tussentijdse beëindiging is slechts mogelijk in gevallen bedoeld in artikel 7 van de timecharter, maar zodanig geval heeft zich niet voorgedaan.

Daarom is [gedaagde] verplicht om de tijdvracht door te betalen.

2.1.3.

Omdat [gedaagde] weigerde de tijdvracht door te betalen heeft Maas de ‘Julia Sara’ op de spotmarkt moeten inzetten. Maas heeft daarmee geringere inkomsten gerealiseerd dan de onder de tijdbevrachting met [gedaagde] overeengekomen tijdvracht. Nakoming van de overeenkomst is door tijdsverloop niet meer mogelijk. Maas vordert het verschil tussen het bedrag dat [gedaagde] onder de tijdbevrachting verschuldigd was over de periode van 3 maart 2012 tot en met 24 oktober 2012 en het door Maas met inzetten van het schip elders over die periode gerealiseerde bedrag. Maas heeft over die periode een minderopbrengst € 236.060,60. Dat is het bedrag dat [gedaagde] als schadevergoeding wegens niet-nakoming dient te betalen.

2.2.

De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Maas in de proceskosten, met nevenvorderingen, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Daartoe voert [gedaagde] – samengevat – het volgende aan.

Er hebben zich in de periode november 2011 – februari 2012 diverse incidenten voorgedaan met Maas, de ‘Julia Sara’ en haar bemanning, waardoor grote opdrachtgevers van [gedaagde], zoals Exxonmobil (hierna: Esso), Shell en Ineos/Morgan Stanley (hierna: Ineos) het schip niet meer wilden bevrachten of beladen. Van [gedaagde] kon niet gevergd worden dat zij de overeenkomst voortzette. [gedaagde] heeft daarom op 1 maart 2012 de tijdbevrachting op goede grond met een beroep op de artikelen 6 en 7 van de timecharter beëindigd per 3 maart 2012. Daarom is [gedaagde] sedertdien niet meer verplicht tot betaling van de tijdvracht.

2.3.

Onder de voorwaarde dat de rechter enige vordering van Maas toewijst, heeft [gedaagde] haar in 1.2 genoemde vorderingen in reconventie ingesteld, waartoe zij – samengevat – het volgende stelt.

[gedaagde] heeft bij het aangaan van de tijdbevrachting gedwaald, omdat de ‘Julia Sara’, anders dan Maas had medegedeeld en in de timecharter had laten opnemen, niet bleek te zijn uitgerust met een verwarmingsketel en -spiralen in de ladingtanks, omdat de laadsnelheid aanmerkelijk geringer bleek te zijn dan de toegezegde 722, althans 600 m³ per uur en omdat de kapitein niet beschikte over een ADN-C certificaat. Door die afwijkingen kon [gedaagde] het schip niet voldoende inzetten. Zou [gedaagde] met die discrepanties op de hoogte zijn geweest, dan zou zij de tijdbevrachting niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zijn aangegaan. Derhalve dient de tijdbevrachting vernietigd te worden.

De door [gedaagde] ten gevolge van de dwaling geleden schade komt voor rekening van Maas. Maas dient veroordeeld te worden tot schadevergoeding op te maken bij staat.

2.4.

De conclusie van Maas strekt tot afwijzing van de vorderingen in reconventie met veroordeling van Maas in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben ter comparitie eenstemmig verklaard dat Nederlands recht op hun rechtsverhouding van toepassing is. De rechtbank volgt partijen daarin.

3.2.

De vordering van Maas komt neer op een vordering tot vervangende schadevergoeding wegens niet-nakoming van de verbintenis van [gedaagde] onder de tijdbevrachting tot het betalen van tijdvracht vanaf 3 maart 2012.

3.3.

Het volgende staat als gesteld en niet voldoende betwist tussen partijen vast.

Partijen zijn de tijdbevrachting aangegaan voor een bepaalde tijd van twaalf maanden, van 25 oktober 2011 tot en met 24 oktober 2012. De tijdbevrachting is vastgelegd in de timecharter. De genoemde geldigheidsduur van de tijdbevrachting volgt ook uit artikel 2 van de timecharter.

Slechts artikel 7 van de timecharter biedt mogelijkheden om de tijdbevrachting tussentijds te beëindigen.

Partijen zijn (in artikel 3 van de timecharter) een tijdvracht van € 1.950,- per kalenderdag overeen gekomen.

[gedaagde] heeft de tijdbevrachting beëindigd per 3 maart 2012 en vanaf die datum geen tijdvracht meer aan Maas betaald.

3.4.

Uit het vorenstaande volgt dat partijen in beginsel gedurende de genoemde twaalf maanden aan elkaar onder de tijdbevrachting gebonden waren. Dus was [gedaagde] in beginsel verplicht om gedurende die gehele periode de tijdvracht van € 1.950,- per kalenderdag te betalen.

Dat is slechts anders indien [gedaagde] de tijdbevrachting per de genoemde datum 3 maart 2012 rechtsgeldig kon beëindigen.

3.5.

[gedaagde] heeft de tijdbevrachting beëindigd door middel van een e-mail, verstuurd op 12 maart 2012 om 17:04 uur, met – voor zover voor deze beoordeling relevant – de volgende inhoud:

“Met referte aan het onderhoud van 9 maart 2012 op kantoor [gedaagde] zijn beide partijen overeengekomen dat [gedaagde] het schip Julia Sara niet verder zal indelen.

Het time charter contract zal dan ook met terugwerkende kracht per 3 maart 2012 opgezegd worden, in overeenstemming met artikel 6 + 7 van het time charter contract.

Bijgevoegd de status van Julia Sara van diverse klanten waarvoor schip ‘unsuitable’ is.

Morgen zal er contact met de lichter worden opgenomen om afspraken te maken hoe onze eigendommen van boord gehaald kunnen worden.”.

Maas heeft daarop gereageerd per e-mail van dezelfde dag, 17:16 uur, met – voor zover voor deze beoordeling relevant – de volgende inhoud:

“Wij verwijzen naar al onze correspondentie, waarin duidelijk is gemaakt dat wij het contract d.d. 25-10-2011 conform artikel 2 handhaven.

Indien u het contract niet nakomt zijn alle kosten en gevolgschade waaronder juridische kosten voor rekening van B.F.T.”.

Tussen partijen staat vast dat de tijdbevrachting niet (op 9 maart 2012) met onderling goedvinden (per 3 maart 2012) is beëindigd.

3.6.

[gedaagde] voert aan dat zij gerechtigd was om de tijdbevrachting tussentijds per 3 maart 2012 te beëindigen, wegens – kort gezegd – ernstige wanprestatie van Maas. Daartoe beroept [gedaagde] zich, zoals gezegd, op artikel 7 van de timecharter.

Uit de reactie van Maas op het beroep op haar wanprestatie en artikel 7 van de timecharter, blijkt dat partijen van mening verschillen over de uitleg en strekking van dat artikel.

3.7.

Artikel 7 van de timecharter luidt als volgt:

“Bij herhaaldelijk niet professioneel uitvoeren der opdrachten, of herhaaldelijk grote professionele fouten, onwillig of onkundig zijn in het uitvoeren van de opdrachten, heeft de “Huurder” het recht, na schriftelijke verwittiging, deze timecharter overeenkomst op te zeggen en dit zonder enige verdere betaling. Uiteraard dienen grove nalatigheden steeds bewijsmatig te worden onderbouwd door een expert.

Ditzelfde geldt desgevallend de “Verhuurder” zich herhaaldelijk niet zou houden aan de hem opgelegde veiligheidsnormen vanwege de “Huurder” of deze zijn klanten en/of leveranciers.”.

3.8.

Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Daarbij neemt de rechtbank de volgende maatstaven in aanmerking.

Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (artikel 3:33 en 3:35 BW; HR 13maart 1981, ECLI:NL: HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 – Haviltex; HR 7 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind; HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 – Lundiform/Mexx).

Dat is niet zonder meer anders waar een beding verstrekkende gevolgen heeft, of waar het een overeenkomst tussen professionele partijen betreft die zich hebben laten bijstaan door ter zake kundige juridische adviseurs (HR 7 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 – Gemeente Rotterdam/Eneco).

Bij de uitleg van een geschrift zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door ter zake kundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan.

Weliswaar is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van belang (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427; NJ 2005/493 – DSM/Fox), maar ook dan kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 – Lundiform/Mexx; HR 7 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind).

3.9.

Bij de uitleg neemt de rechtbank de volgende vaststaande feiten en omstandigheden tot uitgangspunt.

3.9.1.

Beide partijen exploiteren ondernemingen die actief zijn in de branche van de binnenscheepvaart, met name de tankvaart. De tijdbevrachting is aangegaan in het kader van die ondernemingen.

3.9.2.

Partijen hebben op of omstreeks 25 oktober 2011 met elkaar onderhandeld over het aangaan van een tijdbevrachtingsovereenkomst met betrekking tot het aan Maas toebehorende motortankschip ‘Julia Sara’. [gedaagde] heeft een concept voor de timecharter opgesteld en dat in de avond van 25 oktober 2011 per e-mail aan Maas toegezonden. In dat concept stonden vraagtekens bij onder meer de geldigheidsdatum van het Certificaat van goedkeuring van de ‘Julia Sara’ en bij enige technische details van het schip. Maas heeft die gegevens aan [gedaagde] doorgegeven. De meeste bepalingen van de timecharter, in ieder geval de artikelen 6 en 7 ervan, zijn niet aangepast ten opzichte van het genoemde concept. Kennelijk is op nog op 25 oktober 2011 overeenstemming over de tekst van de timecharter bereikt. Maas heeft de timecharter op die datum ondertekend.

3.9.3.

Maas werd bij het aangaan van de tijdbevrachting vertegenwoordigd door haar directeur W.F. Doesburg-Maas die de Nederlandse taal machtig is.

3.9.4.

Gesteld noch gebleken is dat een van partijen bij het aangaan van de tijdbevrachting werd bijgestaan door een ter zake kundige adviseur.

3.10.

Partijen zijn het erover eens dat de tijdbevrachting dient te worden aangemerkt als een overeenkomst van tijdbevrachting als bedoeld in Afdeling 2 van Titel 10 van Boek 8 BW. De rechtbank volgt partijen daarin.

Die kwalificatie brengt mee dat (hoewel partijen in de timecharter worden aangeduid als “Verhuurder” en “Huurder”) de bepalingen over huur niet van toepassing zijn (artikel 8:893 BW).

3.11.

Gelet op de opzet van de overeenkomst van tijdbevrachting en de timecharter als geheel, een duurovereenkomst voor bepaalde tijd, levert artikel 7 van de timecharter een uitzondering op die opzet. Dat uitzonderingskarakter brengt mee dat artikel 7 beperkend en niet extensief moet worden uitgelegd.

3.12.

Uit het in artikel 7 gebezigde (en tot drie maal toe herhaalde) woordgebruik “herhaaldelijk” bij tekortkomingen van de vervrachter (“Verhuurder”, Maas) in samenhang met het in dat artikel gestelde vereiste van “na schriftelijke verwittiging”, volgt dat de bepaling kennelijk bedoeld is voor situaties waarin de vervrachter hetzij na een voldoende duidelijke schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft in de behoorlijke nakoming van zijn verbintenissen onder de tijdbevrachting, hetzij na schriftelijke waarschuwing om iets te doen of te laten dat toch niet doet, respectievelijk toch nalaat.

Dat betekent dat [gedaagde] eerst dan de tijdbevrachting tussentijds kan beëindigen, indien zij Maas schriftelijk en voldoende specifiek heeft gewaarschuwd en waar van toepassing Maas een termijn heeft gesteld om alsnog te presteren, en Maas daarop niet behoorlijk heeft gereageerd. De beëindigingshandeling ingevolge artikel 7 kan dus pas worden uitgevoerd en de beëindigingsdatum dient steeds te liggen, nadat [gedaagde] Maas in gebreke heeft gesteld en nadat Maas de gelegenheid heeft gehad om alsnog behoorlijk na te komen.

3.13.

Uit de bewoordingen “niet professioneel uitvoeren der opdrachten”, “grote professionele fouten”, “onwillig of onkundig zijn in het uitvoeren van de opdrachten”, “grove nalatigheden” en “zich herhaaldelijk niet [..] houden aan de hem opgelegde veiligheidsnormen”, volgt dat artikel 7 slechts het oog heeft op serieuze tekortkomingen aan de zijde van vervrachter Maas, niet op onbetekenende tekortkomingen.

3.14.

Uit de in 3.3 genoemde vaststaande feiten, het stelsel van de tijdbevrachting met gebondenheid van partijen voor twaalf maanden en de hiervoor gegeven uitleg van artikel 7 van de timecharter vloeit tevens voort dat stelplicht en – ingeval van voldoende betwisting: – bewijslast van de feitelijke gronden van de beëindiging bij [gedaagde] liggen.

3.15.

Aan de hand van deze uitleg onderzoekt de rechtbank de gronden waarop [gedaagde] de tijdbevrachting heeft beëindigd.

3.16.

In de e-mail van 12 maart 2012 noemt [gedaagde] geen andere grond voor beëindiging dan “Bijgevoegd de status van Julia Sara van diverse klanten waarvoor schip ‘unsuitable’ is”.

Welk document daarbij was gevoegd is gesteld noch gebleken.

Blijkens de stellingen van [gedaagde] gaat het om haar “klanten” Shell, ExxonMobil (hierna: Esso) en Ineos/Morgan Stanley (hierna: Ineos), die het schip niet meer wilden bevrachten en het ‘unsuitable’ of ‘on hold’ (hierna steeds: ‘unsuitable’) hadden verklaard.

3.17.

Op zichzelf vormt de weigering van grote opdrachtgevers van [gedaagde] om de ‘Julia Sara’ te bevrachten een voldoende ernstige aangelegenheid in de zin van artikel 7 van de timecharter.

Vervolgens dient onderzocht te worden of de grond van het ‘unsuitable’ verklaren van het schip door die opdrachtgevers van [gedaagde] aan Maas kan worden toegerekend en of [gedaagde] Maas in gebreke gesteld heeft, een en ander als voorgeschreven in artikel 7 van de timecharter.

3.18.

[gedaagde] stelt dat Shell de ‘Julia Sara’ op 2 of 3 november 2011 ‘unsuitable’ heeft verklaard omdat (a) bij belading in Hamburg gebleken is dat de beladingssnelheid niet 722 m³ per uur is conform de technische gegevens betreffende het schip is, maar slechts 350 m³ per uur en (b) de kapitein zich daarbij heeft gedragen alsof hij voor het eerst een tankschip ging laden.

Bewijsstukken waaruit die geringere laadsnelheid of dat gedrag van de kapitein blijken, zijn niet in het geding gebracht.

Maas betwist de gestelde discrepantie in beladingssnelheid en het gestelde gedrag. Daarbij verwijst Maas naar het op 24 november 2011 afgegeven Certificaat van goedkeuring betreffende het schip waarin staat vermeld “Laadsnelheid: 722 m3/h” en voert zij aan dat de kapitein weldegelijk voldoende opgeleid en ervaren was.

3.18.1.

Het op 24 november 2011 afgegeven Certificaat van goedkeuring betreffende het schip waarin “Laadsnelheid: 722 m3/h” staat vermeld – dat wordt door [gedaagde] niet betwist – ontzenuwt de niet gedocumenteerde stelling van [gedaagde] dat de beladingssnelheid aanmerkelijk geringer is.

Voor zover [gedaagde] (en Shell) bedoelt te stellen dat de lossingssnelheid van de ‘Julia Sara’, waarbij – anders dan bij de belading – de pompen van het schip worden gebruikt, geringer is dan 722 m³ per uur, levert dat geen tekortkoming aan de zijde van Maas op, nu gesteld noch gebleken is dat Maas (al dan niet via het Certificaat van goedkeuring) zodanige lossingssnelheid heeft toegezegd.

Daarop stuit de onder (a) bedoelde klacht af als grond voor tussentijdse beëindiging.

3.18.2.

Het door [gedaagde] gestelde gedrag van de kapitein van de ‘Julia Sara’ past binnen het in artikel 7 van de timecharter bedoelde “niet professioneel uitvoeren der opdrachten” of “onkundig zijn in het uitvoeren van de opdrachten”. Maar, nu de kapitein kennelijk over de papieren beschikte om als kapitein het schip te voeren en de betreffende partij olie te vervoeren en nu gesteld noch gebleken is dat de kapitein, nadat [gedaagde] Maas over zijn gedrag had aangeschreven, ook bij andere opdrachtgevers niet professioneel of onkundig te werk is gegaan, kan het gestelde gedrag de toets van artikel 7 niet doorstaan.

3.19.

[gedaagde] stelt dat Esso de ‘Julia Sara’ ‘unsuitable’ heeft verklaard omdat (a) tijdens belading van het schip bij Esso in Antwerpen onvoldoende dekwacht was gehouden, (b) op 21 januari 2012 een aanvaring bij de terminal van Esso in de Botlek heeft plaatsgevonden en (c) Maas die aanvaring niet heeft gemeld aan [gedaagde] en de aanvaring(schade) niet behoorlijk en volgens de veiligheidsvoorschriften heeft afgewikkeld.

Maas betwist dat er geen dekwacht aanwezig was aan boord van de ‘Julia Sara’ bij de belading bij Esso in Antwerpen. Zelfs indien een dekwacht zou hebben ontbroken, heeft Esso daaraan geen consequentie verbonden. Esso heeft de belading niet stopgezet of iets dergelijks. Esso heeft aan [gedaagde] slechts een waarschuwing gegeven. Dit incident heeft geen betekenis, aldus Maas.

Maas betwist de aanvaring niet. Maas voert aan dat de aanvaring is ontstaan doordat er harde wind stond en de boegschroef en de hoofdmotor om onverklaarbare redenen waren uitgevallen, terwijl het schip kort voordien aan de werf was geweest. Maas kon daar niets aan doen. Maas heeft de ‘Julia Sara’ laten onderzoeken en beproeven door Pon; Pon heeft vastgesteld dat alle voortstuwingsinstallaties weer in orde zijn en daarover gerapporteerd. Op 23 januari 2012 kon het schip weer worden ingezet voor bevrachting en Maas heeft dat aan [gedaagde] medegedeeld. Voorts voert Maas aan dat er praktisch geen schade is ontstaan bij de aanvaring.

Maas betwist dat zij [gedaagde] niet op de hoogte heeft gesteld van de aanvaring, en verwijst daartoe naar een rapport van Transafe van mei 2012. Maas voert verder aan dat zij de van [gedaagde] ontvangen formulieren over de aanvaring ingevuld heeft teruggestuurd. Kennelijk heeft [gedaagde] het incident niet behoorlijk afgewikkeld met Esso, maar dat regardeert Maas niet, aldus Maas.

3.19.1.

De rechtbank begrijpt uit de e-mail van Esso Antwerpen aan [gedaagde] van 20 januari 2012, waarop [gedaagde] zich beroept ter onderbouwing van de klacht vanwege Esso, dat Esso een “letter of protest” aan de ‘Julia Sara’ heeft gegeven “wegens het niet aanwezig zijn van een dekwacht tijdens laadoperatie op steiger 901, en dit na 2 mondelinge verwittigingen van steigerpersoneel. Voor deze overtreding van onze veiligheidsregels worden 40 aandachtspunten toegerekend. Deze blijven aan jaar geldig. Als het schip de 100 punten overschreid zal het op een terminal hold geplaatst worden”.

Daarmee is voldoende aannemelijk dat de bemanning van de ‘Julia Sara’ de veiligheidsregels niet in acht heeft genomen.

Echter een “verwittiging” als bedoeld in artikel 7 van de timecharter ligt niet voor.

3.19.2.

De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat Esso de ‘Julia Sara’ niet wegens verdere “aandachtspunten”, maar wegens de aanvaring van 21 januari 2012 ‘unsuitable’ heeft verklaard en dat die kwalificatie pas zou worden opgeheven wanneer [gedaagde] aan de hand van documenten zou hebben aangetoond dat het schip weer inzetbaar was.

De rechtbank laat in het midden of de aanvaring onder de tijdbevrachting aan Maas kan worden toegerekend.

Uit hetgeen [gedaagde] bij Akte heeft aangevoerd blijkt dat zij zich van 23 januari 2012 tot en met 6 maart 2012 heeft ingespannen om die documentatie van Maas en anderen te verkrijgen. Kennelijk was de betreffende informatie op laatstgenoemde datum door Maas (en anderen) verschaft. Toen kon het schip dus weer voor Esso worden ingezet.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] Maas ter zake van het verschaffen van de vereiste documentatie in gebreke heeft gesteld, zoals vereist in artikel 7 van de timecharter.

Daarom kan het incident van 21 januari 2012, zonder nadere toelichting die [gedaagde] niet gegeven heeft, geen grond vormen om de tijdbevrachting vervolgens op 12 maart 2012 (per 3 maart 2012) te beëindigen.

3.19.3.

Om dezelfde redenen kan de combinatie van deze incidenten de beëindiging niet dragen.

3.20.

[gedaagde] stelt dat Ineos de ‘Julia Sara’ op 1 maart 2012 ‘unsuitable’ heeft verklaard omdat de EBIS-documentatie niet compleet en in orde zou zijn. Daartoe verwijst [gedaagde] naar een e-mail van Ineos van die datum aan [gedaagde], welke [gedaagde] op dezelfde datum aan Maas heeft doorgestuurd.

Maas betwist dat zij verantwoordelijk was voor het in orde zijn van de EBIS-documentatie en dat zij is tekortgeschoten in het voorzien van de betreffende informatie en bescheiden aan [gedaagde].

3.20.1.

De rechtbank laat in het midden of het op orde houden van de EBIS-documentatie tot de verantwoordelijkheden van Maas onder de tijdbevrachting hoorde.

In de e-mail van 1 maart 2012 schrijft Ineos aan [gedaagde] “I have reviewed the last EBIS report and can understand John’s reasons for not accepting report without objective evidence that the situation has been rectified. Please submit copies of the following which is not all but will give sufficient confidence to clear barge for voyage pending John’s return”. In die e-mail verzoekt Ineos om toezending van een zestal documenten. Kennelijk heeft Ineos bij monde van “John” op een eerder tijdstip medegedeeld dat de EBIS-documentatie betreffende de ‘Julia Sara’ niet in orde was.

Van een definitief ‘unsuitable’ verklaren door Ineos is niet gebleken. Integendeel, in de e-mail van 1 maart 2012 deelt Ineos mede dat toezending van het zestal documenten nodig is “to clear barge”, terwijl [gedaagde] in het aan Maas doorgestuurde bericht mededeelt welke documenten zij al heeft en welke zij van Maas wil ontvangen “voor de volgende reis om door de vetting heen te komen”. Een en ander duidt er niet op dat het schip niet door Ineos werd gebruikt en ‘unsuitable’ was.

De e-mail van [gedaagde] aan Maas van 1 maart 2012 heeft niet de bewoordingen, noch de strekking om Maas wegens enig tekortschieten in gebreke te stellen in de zin van artikel 7 van de timecharter. Bovendien is gesteld noch gebleken dat Maas niet adequaat heeft gereageerd op de e-mail van [gedaagde] van 1 maart 2012.

Daarom vormt deze stelling van [gedaagde] onvoldoende grond om de tijdbevrachting tussentijds te beëindigen.

3.21.

[gedaagde] heeft in de procedure diverse andere gronden voor beëindiging aangevoerd. Maar bij geen van die gronden heeft [gedaagde] gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij het vereiste van ingebrekestelling in acht heeft genomen, daargelaten de vraag of een of meer van de gestelde incidenten serieus genoeg waren in het kader van artikel 7 van de timecharter en of deze aan Maas konden worden toegerekend.

3.22.

Weliswaar komt uit de stellingen van partijen en de talrijke in het geding gebrachte stukken het beeld naar voren dat [gedaagde] allerlei onvolkomenheden aan Maas verweet, maar van serieuze tekortkomingen als bedoeld in artikel 7 van de timecharter lijkt, afgezien van de hiervoor behandelde tekortkomingen, geen sprake te zijn geweest. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat van [gedaagde] begin maart 2012 niet langer kon worden gevergd dat zij de tijdbevrachting voortzette, zijn niet aannemelijk geworden. Zou [gedaagde] de tijdbevrachting om reden van de door haar bedoelde onvolkomenheden hebben willen beëindigen, dan zou zij met Maas nadere afspraken over beëindiging hebben kunnen maken, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan.

3.23.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [gedaagde] de tijdbevrachting op 12 maart 2012 niet mocht beëindigen

3.24.

Door de tijdbevrachting eenzijdig te beëindigen en vanaf 3 maart 2012 geen tijdvracht meer te betalen, ondanks de in 3.5 reactie van Maas van 12 maart 2012, heeft [gedaagde] derhalve contractbreuk of bewuste wanprestatie gepleegd. Daarom is [gedaagde] voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk.

3.25.

De voor vergoeding in aanmerking komende schade laat zich begroten door te vergelijken de hypothetische positie indien [gedaagde] haar betalingsverbintenis tot en met 24 oktober 2012 zou zijn nagekomen en de werkelijke positie van Maas.

Die schade kan in het onderhavige geding worden begroot. Daarom is een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig.

De hypothetische positie laat zich begroten door over de periode van 3 maart tot en met 24 oktober 2012 de dagelijkse tijdvracht van € 1.950,- te berekenen en daarop in mindering te brengen de kosten die Maas zou hebben moeten maken bij uitdienen van de tijdbevrachting. Die kosten zijn niet bekend.

Voor het begroten van de werkelijke positie is inzicht nodig in de door Maas over die periode gerealiseerde opbrengsten en de door haar gemaakte kosten om die opbrengsten te realiseren.

Ter comparitie heeft Maas verklaard dat zij in de schadeperiode wegens minderopbrengst schade geleden van € 236.060,60. Maar justificatoire bescheiden van die schade heeft Maas niet in het geding gebracht.

Daarom zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door Maas ter specificatie en onderbouwing van de door haar gestelde schade. [gedaagde] zal daarop bij akte kunnen reageren.

3.26.

Nu aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld nog niet is voldaan, zal de rechtbank de beoordeling in reconventie aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

in conventie: verwijst de zaak naar de rol van woensdag 20 augustus 2014 voor het nemen van een akte door Maas ter specificatie en onderbouwing van de door haar gestelde schade (rov. 3.24);

4.2.

in reconventie: houdt elke beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014. 1928