Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6522

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_05478 - AWB-13_05947 - AWB-13_05954
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2016:105, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers, (voormalig) houders van effecten (aandelen in SNS Reaal en/of achtergestelde obligaties in SNS Bank), houders van onderhandse leningen en belangenorganisaties die opkomen voor de collectieve en algemene belangen van effectenbezitters, hebben op grond van hun privaatrechteljke rechtsverhouding met SNS Bank slechts een afgeleid financieel belang bij het besluit, waarbij DNB aan SNS Bank een maatregel heeft opgelegd om het door DNB geconstateerde kapitaaltekort aan te vullen. De belangen van de eisers die aandeelhouders zijn, zijn niet zodanig verweven of lopen niet zodanig parallel met die van SNS Bank dat zij om die reden als belanghebbenden zijn aan te merken. Hun eigendomsrecht wordt getroffen door het onteigeningsbesluit. Een eventueel recht op schadeloosstelling kan geldend worden gemaakt in de bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam aanhangige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 294

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 13/5478, ROT 13/5947 en ROT 13/5954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2014 in de zaken tussen

[a], te [b], eiser, en

de stichting Stichting Obligatiehouders SNS (SOS), te Boekel, eiseres,

de maatschap Maatschap Convertentie, te Eindhoven, eiseres,

[c], te Schaijk, eiser,

[d], te Achim (Duitsland), eiser,

[e], te Achim (Duitsland), eiseres,

[f], te Brasschaat (België), eiser,

[g], te Waalre, eiser,

[h], te Amstelveen, eiseres,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Juris Holding B.V., te Amsterdam, eiseres,

[i], te Abcoude, eiser,

[j], te Amsterdam, eiser,

[k], te Avenhorn, eiseres,

gemachtigde: mr. J. Wendelgelst, en

de vereniging VEB NCVB (VEB), te [b], eiseres,

[l], te Rotterdam, eiser,

[m], te Zwaagdijk, eiser,

de vereniging Vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), te Amsterdam, eiseres,

Aviva Vie S.A., te Bois-Colombes (Frankrijk), eiseres,

Aviva Epargne Retraite S.A., te Bois-Colombes (Frankrijk), eiseres,

Antarius S.A., te Parijs (Frankrijk), eiseres,

Aviva Investors France S.A., te Parijs (Frankrijk), eiseres,

HDI-Gerling Verzekeringen N.V. (HDI), te Rotterdam, eiseres,

Silvertown Trading Ltd, te Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), eiseres,

Golden Babylon Ltd, te Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), eiseres,

Fairvest Holding Ltd, te Majuro (Marshalleilanden), eiseres,

Kochab Trading Ltd, te Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), eiseres,

gemachtigde: mr. C.A. Doets,

allen tezamen ook: eisers,

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,

gemachtigde: mr. E.J. Daalder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2013 (het SREP-besluit) heeft DNB aan de naamloze vennootschap SNS Bank N.V. (SNS Bank) op grond van artikel 3:111a, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) een maatregel opgelegd.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 augustus 2013 (de bestreden besluiten) heeft DNB de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2014. De beroepen zijn ter zitting gevoegd behandeld. [a] is verschenen, de overige eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in gezelschap van mr. W.M. Haverkamp en mr. drs. A. Veuskens.

Overwegingen

1.1. In verband met de zorgwekkende financiële toestand van SNS Bank en na kennis te hebben genomen van de definitieve uitkomsten van het Supervisory Review and Evaluation Process (SREP) 2012, heeft DNB SNS Bank een laatste termijn geboden om het door DNB geconstateerde kapitaaltekort aan te vullen. Bij het SREP-besluit heeft DNB op grond van artikel 3:111a, tweede lid, van de Wft in samenhang met de artikelen 3:17 en 3:18a van de Wft en de artikelen 24a en 25a van het Besluit prudentiële regels Wft aan SNS Bank de maatregel opgelegd om uiterlijk 31 januari 2013 om 18.00 uur haar kernkapitaal met minimaal € 1,84 miljard te hebben aangevuld, althans een finale oplossing te presenteren die naar het oordeel van DNB een voldoende mate van zekerheid van slagen heeft, waarbij tenminste is vereist dat alle daarbij betrokken partijen zich aantoonbaar aan de gepresenteerde oplossing hebben gecommitteerd, en welke op korte termijn daadwerkelijk leidt tot aanvulling van het genoemde kapitaaltekort.

1.2. Op de hiervoor vermelde datum en tijd heeft DNB geconstateerd dat SNS Bank niet aan de haar opgelegde maatregel heeft voldaan, waarna de minister van Financiën (de minister) op 1 februari 2013 een besluit tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen van de naamloze vennootschap SNS Reaal N.V. (SNS Reaal) en SNS Bank heeft genomen en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij SNS Reaal (het onteigeningsbesluit).

1.3. Tegen het onteigeningsbesluit hebben onder meer eisers beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), die bij uitspraak van

25 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265), voor zover hier van belang, de beroepen van eisers ongegrond heeft verklaard. Vervolgens hebben eisers bezwaar gemaakt bij DNB tegen het SREP-besluit.

1.4. Bij beschikking van 11 juli 2013 heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2013:1966) besloten tot benoeming van deskundigen over te gaan om de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Reaal en SNS Bank te onderzoeken in verband met een eventuele schadeloosstelling van de houders van deze effecten en vermogensbestanddelen.

1.5. SNS Reaal, de moedermaatschappij van onder meer SNS Bank, en SNS Bank hebben hun aanvankelijke bezwaar tegen het SREP-besluit bij brief van 22 juli 2013 ingetrokken.

2.

Bij de bestreden besluiten heeft DNB het standpunt ingenomen dat eisers geen belanghebbenden zijn bij het SREP-besluit, omdat hun belang niet rechtstreeks bij dit besluit is betrokken en zij uitsluitend - indirect - in hun privaatrechtelijke rechtsverhouding met SNS Bank als aandeelhouder, obligatiehouder of crediteur van SNS Bank of SNS Reaal worden geraakt. Eisers hebben daarmee een afgeleid belang.

3.1.

Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat zich onder de stukken in het dossier geen bezwaarschrift bevindt van de maatschap Maatschap Convertentie, terwijl ter zitting evenmin is komen vast te staan dat een bezwaarschrift door of namens deze maatschap is ingediend. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de maatschap geen bezwaar heeft gemaakt tegen het SREP-besluit. Nu niet is gebleken dat het de maatschap redelijker wijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt, dient het beroep van de maatschap Maatschap Convertentie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2.

Voorts overweegt de rechtbank ambtshalve als volgt.

De rechtbank stelt vast dat[a]) bezwaar heeft gemaakt tegen het SREP- besluit op briefpapier van de Stichting Stedebouw & Stadsherstel. Het bestreden besluit is gericht aan genoemde stichting. Het beroep is wederom ingesteld door [a] op briefpapier van de stichting. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [a] in persoon vanaf het begin van de procedure partij is geweest, terwijl hij zich bedient van het briefpapier van de stichting. [a] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontvankelijk in beroep.

4.1.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in voornoemde zin dient volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk en voldoende actueel belang, dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

4.2.

Eisers zijn (voormalig) houders van effecten (aandelen in SNS Reaal en/of achtergestelde obligaties in SNS Bank); FNV en HDI zijn houders van onderhandse leningen aan SNS Reaal onderscheidenlijk SNS Bank. SOS en VEB (de laatste ook aandeelhouder) zijn belangenorganisaties die opkomen voor de collectieve en algemene belangen van effectenbezitters.

4.3.

Eisers betogen dat zij als houders van effecten (aandelen en obligaties) en/of van een of meer leningen rechtstreeks worden geraakt door de bij het SREP-besluit aan SNS Bank opgelegde maatregel.

4.3.1.

Dit betoog faalt. Het SREP-besluit is aan SNS Bank gericht en de bij dit besluit opgelegde maatregel heeft uitsluitend betrekking op deze bank. Het besluit brengt geen verplichtingen voor anderen dan SNS Bank met zich en raakt dan ook niet rechtstreeks de belangen van eisers. De nadelige gevolgen die eisers ondervinden - het zonder waarde worden van hun effecten en andere vermogensbestanddelen – zijn een gevolg van het onteigeningsbesluit, dat bovendien afkomstig is van een ander bestuursorgaan, te weten de minister. Eisers hebben dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks betrokken belang bij het SREP-besluit.

4.3.2.

Anders dan eisers betogen, speelt bij de beoordeling van de vraag of hun belangen rechtstreeks bij het SREP-besluit zijn betrokken geen rol dat zij door de Afdeling in de onteigeningsprocedure wel als belanghebbenden zijn aangemerkt en evenmin dat de Afdeling bij haar beoordeling van het onteigeningsbesluit is uitgegaan van het gegeven dat DNB op 27 januari 2013 het SREP-besluit heeft genomen, dus zonder dit besluit inhoudelijk te toetsen. De rechtbank wijst in dit verband nog op rechtsoverweging 9.1. van de uitspraak van 25 februari 2013, waarin de Afdeling heeft overwogen dat artikel 6:2, eerste lid, van de Wft de bevoegdheid tot onteigening niet afhankelijk maakt van het al dan niet bestaan van enig besluit van DNB, en de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van het besluit van DNB niet beslissend is voor het antwoord op de door de Afdeling te beantwoorden vraag of het onteigeningsbesluit in overeenstemming met het recht is genomen.

4.3.3.

Voor zover eisers wijzen op het belang om het SREP-besluit te laten toetsen, zodat zij aanspraak kunnen maken op schadevergoeding bij gebleken onrechtmatigheid, wijst de rechtbank erop dat eisers een eventueel recht op schadeloosstelling geldend kunnen maken in de op dit moment bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam aanhangige procedure als bedoeld in hoofdstuk 6.3 van de Wft.

4.4.

De eisers die aandeelhouders zijn, betogen dat hun belangen als eigenaren van SNS Bank door het SREP-besluit rechtstreeks zijn geraakt, omdat SNS Bank onmogelijk aan de opgelegde verplichting kon voldoen en daarmee vaststond dat dit besluit zou leiden tot verregaande gevolgen voor eisers en hun eigendom. Daarbij hebben zij erop gewezen dat SNS Bank voorafgaand aan het SREP-besluit niet in acute liquiditeitsnood verkeerde, dat discussie is ontstaan over de waarderingsmethodiek tussen SNS Bank en DNB en dat met het stellen van een onredelijk korte termijn in combinatie met de omvang van het aan te vullen bedrag een noodsituatie door DNB is gecreëerd. Als voormalige eigenaren hebben zij een rechtstreeks belang, temeer nu SNS Reaal en SNS Bank zich hebben teruggetrokken uit de procedure.

4.4.1.

Dit betoog faalt. Volgens vaste rechtspraak hebben aandeelhouders slechts een afgeleid belang bij een besluit dat is gericht tot de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden. Eisers hadden overigens geen aandelen in SNS Bank, maar in SNS Reaal, die op haar beurt weer enig aandeelhouder in (onder meer) SNS Bank was.

Anders dan eisers betogen is de rechtbank van oordeel dat hun (collectieve) belangen als (belangenorganisaties van) aandeelhouders niet zodanig verweven zijn of parallel lopen met die van SNS Bank dat zij om die reden als belanghebbenden zijn aan te merken. In haar uitspraak van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1260, heeft de Afdeling geoordeeld dat het belang van vennootschap A, enig aandeelhouder van vennootschap B, zo verweven was en parallel liep met dat van vennootschap B dat vennootschap A was aan te merken als belanghebbende bij een besluit dat aan vennootschap B was gericht. Dat ook in het onderhavige geval, waarin er naast eisers nog veel meer andere aandeelhouders waren en eisers geen bestuurders waren van SNS Bank, van een zodanige verwevenheid sprake is, is gesteld noch gebleken.

4.4.2.

Voor zover eisers betogen dat de omstandigheid dat SNS Reaal en SNS Bank zich hebben teruggetrokken tijdens de bezwaarprocedure voor hen dient te leiden tot een rechtstreeks belang bij het SREP-besluit, faalt dit betoog. De beantwoording van de vraag of het belang van een bezwaarmaker rechtstreeks bij een primair besluit is betrokken is immers niet afhankelijk van het instellen of intrekken rechtsmiddelen door andere (rechts)personen. Dit betekent dus dat de aard van het belang van eisers bij het SREP-besluit niet wijzigt door het intrekken van het bezwaar door SNS Reaal en SNS Bank.

4.5.

Het betoog van meerdere eisers die houders van achtergestelde obligaties en onderhandse leningen zijn, dat zij door het SREP-besluit rechtstreeks in hun financiële belangen worden geraakt, faalt eveneens. Ook zij hebben op grond van hun privaatrechtelijke rechtsverhouding met SNS Bank slechts een van SNS Bank afgeleid financieel belang bij het SREP-besluit.

4.6.

Het betoog van sommige eisers dat hun belangen bij het SREP-besluit deels tegengesteld zijn aan de belangen van SNS Bank, nu de opgelegde maatregel beoogde het eigen vermogen van SNS Bank te versterken door uitgifte van nieuwe effecten, hetgeen voor houders van effecten nadelig uitpakt door verwatering en daarmee waardedaling van hun belang, faalt. Zoals eisers zelf ook erkennen, zijn hun belangen niet volledig tegengesteld aan de belangen van SNS Bank, zodat zij reeds hierom geen eigen belang hebben.

4.7.

Het betoog van eisers dat zij als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moeten worden aangemerkt, omdat zij door het SREP-besluit worden getroffen in aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 6 van het EVRM ontleende fundamentele rechten, faalt eveneens. Eisers miskennen dat hun eigendomsrecht niet wordt getroffen door het SREP-besluit maar door het onteigeningsbesluit. Van schending van het recht op een effectieve toegang tot de rechter is evenmin sprake. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het onteigeningsbesluit en zijn door de Afdeling in hun beroep ontvangen, en de toegang tot de burgerlijke rechter blijft bestaan. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat eisers door het SREP-besluit in hun aan die fundamentele rechten ontleende belangen zullen worden geschaad.

4.8.

Gelet op het vorenstaande heeft DNB de bezwaren van de overige eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hun beroepen zijn dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van de maatschap Maatschap Convertentie niet-ontvankelijk,

- verklaart de beroepen van de overige eisers ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Kleingeld-Top, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.