Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6488

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C/10/425489 / HA ZA 13-556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil met appartementseigenaren over wijze van gebruik van een bedrijfsruimte. Uitleg begrip “winkel” in splitsingsakte aan de hand van CAO-norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/428

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/425489 / HA ZA 13-556

Vonnis van 30 juli 2014

in de zaak van

1 [eiser1],

2. [eiser2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat jhr. mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W.M.H. VASTGOED B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

gedaagde,

advocaat mr. E. Lems,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.H. LO BEHEER B.V., h.o.d.n. Saté Bar,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.E. Boudesteijn.

Partijen zullen hierna ook [eisers] en Vastgoed c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 oktober 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2014

  • -

    de brief d.d. 31 maart 2014 van eisers met de bij dagvaarding ontbrekende producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 27 februari 1956 heeft de gemeente Rotterdam bij notariële akte (productie 15 bij conclusie van antwoord van gedaagde sub 2, hierna: Saté Bar) en de overschrijving daarvan een perceel grond in het centrum van Rotterdam geleverd aan een bouwbedrijf, teneinde daarop in het kader van de wederopbouw “een bebouwing te stichten”. In deze akte zijn - voor zover relevant - de volgende bepalingen opgenomen:

“Voorts verklaarden de comparanten sub 1 (Rb: de gemeente Rotterdam) en 2 (Rb: het bouwbedrijf) in hunne gemelde kwaliteiten terzake van de hiervoor toegewezen grond het volgende te zijn overeengekomen:

a. dat de bebouwing, welke op het toegewezen goed zal worden gesticht, overeenkomstig aard en bestemming, nu of later, voor geen ander doel mag worden gebruikt dan uitsluitend voor winkel, toonzaal of koffiehuis op de beganegrondverdieping en voor bewoning op de bovenverdiepingen;

(…)

i. dat de verkrijgster gehouden is er voor in te staan, dat de panden nimmer zullen zijn gesplitst in appartementen, (…), dan wanneer:

1. er een vereniging bestaat van de eigenaren der appartementen, waarin het gebouw is gesplitst (…)

2. het (…) in de akte van splitsing op te nemen reglement bepaalt, dat alle schulden en verplichtingen van de appartementseigenaren als zodanig tegenover de Gemeente, voorzover die schulden en verplichtingen voortvloeien uit een of meer bepalingen, voorkomende in deze overeenkomst, rusten op de gezamenlijke eigenaren;

j. dat Burgemeester en Wethouders ten aanzien van de onder a tot en met f opgenomen bedingen ontheffing kunnen verlenen.

(…)

m. dat bij elke overdracht van het toegewezen goed of gedeelte daarvan, in elke akte van overdracht de sub a tot en met l gestelde voorwaarden en bepalingen moeten worden opgenomen, (…)”

2.2.

Het bouwbedrijf heeft op het perceel grond het onderhavige appartementencomplex aan de [adres2] (de begane grond) en [adres](de bovenverdiepingen) gebouwd.

2.3.

Het appartementencomplex is gesplitst in appartementsrechten. Relevante artikelen van de op 31 maart 1966 verleden en overgeschreven splitsingsakte (productie 1 bij dagvaarding, hierna: de splitsingsakte) zijn de volgende:

Artikel 2.

(…)

2. Ieder der eigenaren heeft bij de uitoefening van dit recht op gebruik het Reglement en het Huishoudelijk Reglement in acht te nemen en hij mag geen hinder toebrengen aan de rechten van de andere eigenaren en gebruikers, die in verband met de omstandigheden als onredelijk moet worden beschouwd.”

Artikel 3.

(…)

2. Een eigenaar kan alleen dan zijn recht van appartement aan een derde rechtsgeldig in gebruik afstaan, indien het bepaalde in artikel 4 in acht genomen wordt.”

Artikel 4.

1. Indien iemand het gebruik onder een andere titel dan die van eigenaar wenst te verkrijgen, zal hij bij een in duplo opgemaakt gedagtekend en ondertekend stuk moeten verklaren, dat de bepalingen van dit Reglement en van het Huishoudelijk Reglement hem bekend zijn.

2. Hij zal zich in deze verklaring moeten verplichten de bepalingen van het Reglement en van het Huishoudelijk Reglement voor zover deze op het gebruik betrekking hebben of op de gebruiker verplichtingen leggen, te zullen naleven, (…)”

Artikel 8.

[De eigenaren en gebruikers] zullen de hierna vermelde bestemming van hun appartementen niet mogen wijzigen zonder toestemming van de vergadering. Deze bestemming is als volgt: de appartementen 1 tot en met 16 woning en de appartementen 17 tot en met 24 winkel.”

2.4.

Eiser sub 2 is sinds 1 december 2009 eigenaar van het appartement aan de [adres3]. Eiser sub 1 is sinds 29 januari 2010 eigenaar van het appartement aan de [adres4]. Artikel 6 van de akte van levering aan eiser sub 1 en artikel 8 van de akte van levering aan eiser sub 2 (producties 5 en 6 van [eisers]) luiden - voor zover relevant - als volgt:

“Met betrekking tot bekende (…) kwalitatieve bedingen (…) wordt verwezen naar hetgeen voorkomt in een akte van levering op zestien juli negentienhonderd zesenvijftig verleden voor J.H. Elsink, destijds notaris te Rotterdam, (…) woordelijk luidende:

a. dat de bebouwing, welke op het toegewezen goed zal worden gesticht, overeenkomstig aan een bestemming nu of later, voor geen ander doel mag worden gebruikt dan uitsluitend voor winkel, toonzaal of koffiehuis op de begane grondverdieping en voor bewoning op de bovenverdiepingen.”

2.5.

Saté Bar huurt met ingang van 1 augustus 2008 van gedaagde sub 1 de bedrijfsruimte aan de [adres5] (hierna: de bedrijfsruimte).

2.6.

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft de burgemeester van Rotterdam aan Saté Bar een exploitatievergunning verleend. In het door de vereniging van eigenaars (hierna: VvE) tegen dit besluit ingestelde beroep is dit besluit door de rechtbank Rotterdam twee keer vernietigd, waarbij steeds de rechtsgevolgen van het besluit in stand zijn gelaten. Het tweede door de VvE ingestelde hoger beroep van de uitspraken van de rechtbank Rotterdam, waar het in stand laten van de rechtsgevolgen aan de orde was, is bij uitspraak van 21 augustus 2013 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond verklaard (e.e.a. zie productie 16 conclusie van antwoord van Saté Bar).

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert na wijziging van eis samengevat - :

I. Te verklaren voor recht dat het huidige gebruik door gedaagde 2 van de bedrijfsruimte als restaurant, alsmede het als zodanig door gedaagde 1 aan gedaagde 2 in gebruik geven, in strijd is met de splitsingsakte en daarmee onrechtmatig is jegens [eisers]

II. Te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 onrechtmatig jegens [eisers] handelt voor zover zij heeft nagelaten om voor een gebruikersverklaring als bedoeld in artikel 4 van de splitsingsakte zorg te dragen.

III. Gedaagde sub 1 te bevelen om binnen 2 weken na de datum van dit vonnis de door gedaagde sub 2 getekende gebruikersverklaring aan de Administrateur van de VvE te overleggen, op straffe van een dwangsom.

IV. Vastgoed c.s. te gebieden om binnen 1 week na betekening van dit vonnis de onrechtmatige activiteiten in de bedrijfsruimte te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom.

V. Gedaagde sub 1 te verbieden de bedrijfsruimte in gebruik te geven c.q. in gebruik te laten aan gedaagde sub 2 of een andere derde, voor doeleinden en op een wijze die strijdig zijn met de splitsingsakte en het in de splitsingsakte toegestane gebruik, op straffe van een dwangsom.

VI. Vastgoed c.s. hoofdelijk te veroordelen in de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met rente.

[eisers] legt daaraan ten grondslag dat Vastgoed c.s. onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

3.2.

Vastgoed c.s. betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen. Verder is het volgens Vastgoed c.s. niet aan [eisers] om de splitsingsakte te handhaven. Voorts doet Vastgoed c.s. een beroep op verjaring en rechtsverwerking.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 5:126 lid 3 BW kan de VvE in rechte optreden tegen appartementseigenaars die hun verplichtingen jegens elkaar voortvloeiend uit de wet en het reglement, niet nakomen. Krachtens artikel 7 van de splitsingsakte kan de vergadering besluiten een appartementseigenaar het gebruik van het recht van appartement ontzeggen, wanneer deze de bepalingen van het reglement niet nakomt of overtreedt. Anders dan Vastgoed c.s. meent, staat de in voornoemde artikelen bedoelde discretionaire bevoegdheid van de VvE er niet aan in de weg dat eigenaars zoals [eisers] zelf in rechte optreden.

4.2.

Artikel 5:120 lid 2 BW bepaalt dat voorschriften van het reglement omtrent gebruik, beheer en onderhoud ook van toepassing zijn op degeen die het gebruik verkrijgt zoals Saté Bar, die de bedrijfsruimte heeft gehuurd. Dit maakt dat een gebruikersverklaring als genoemd in artikel 4 van de splitsingsakte (2.3.) overbodig is. Artikel 5:120 lid 3 BW, waar Vastgoed c.s. een beroep op doet, ziet op de situatie dat een reglementsbepaling tot stand is gekomen na de totstandkoming van de huurovereenkomst. Dit is hier niet aan de orde. Dit brengt mee dat [eisers] eveneens ontvankelijk is in haar vorderingen jegens Saté Bar.

4.3.

Ter onderbouwing dat sprake is van onrechtmatig handelen, voert [eisers] aan dat Vastgoed c.s. de kwalitatieve verplichtingen in de akten van levering (2.1. en 2.4.) heeft geschonden. Volgens [eisers] handelt Vastgoed c.s. onrechtmatig, door de bedrijfsruimte, in strijd met het verbod dat deze voor een ander doel mag worden gebruikt dan voor winkel, toonzaal of koffiehuis, als grillrestaurant te gebruiken. Deze kwalitatieve verplichtingen gelden echter alleen voor de in de akten van levering genoemde partijen tegenover de gemeente Rotterdam. Dit blijkt uit hetgeen de gemeente Rotterdam en het bouwbedrijf onder a. juncto m. van de op 27 februari 1956 opgemaakte akte van levering (2.1.) zijn overeengekomen. [eisers] kan daar jegens Vastgoed c.s. geen beroep op doen.

Daarbij komt nog, zoals Vastgoed c.s. aanvoert, dat in het “Horecagebiedsplan Rotterdam Centrum” (productie 2 bij conclusie van antwoord van Saté Bar) van de gemeente Rotterdam, welk plan aansluit op de in juli 2012 vastgestelde horecanota 2012-2016, met betrekking tot de Karel Doormanstraat en de onderhavige bedrijfsruimte het volgende staat vermeld:

Ontwikkelrichting : Gericht ontwikkelen met cat. A, met uitzondering van pand nummer 332; hier is een categorie C vergunning mogelijk zonder activiteit 9 en 10 van de module openingstijden.”

4.4.

Ter onderbouwing van de onrechtmatige daad van Vastgoed c.s. voert [eisers] voorts aan dat Vastgoed c.s. in strijd handelt met artikel 8 van de splitsingsakte. Dit artikel bepaalt dat de bedrijfsruimte bestemd is om te worden gebruikt als winkel en dat het wijzigen van deze bestemming alleen mag met toestemming van de vergadering van eigenaars.

4.5.

Partijen verschillen van mening over wat moet worden verstaan onder de term “winkel”. Volgens [eisers] moet het begrip uitgelegd worden volgens de CAO-norm en is een “winkel” een voor het publiek toegankelijke plek, waar de consument een zaak koopt. Een restaurant is dat niet. Voor zover het begrip “winkel” in de splitsingsakte en de bijbehorende tekening nog enige uitleg behoeft, stelt [eisers] dat de reikwijdte van het begrip beperkt dient te worden tot hetgeen met de kwalitatieve verplichtingen in de akten van levering wordt toegelaten, te weten “winkel”, “toonzaal” of “koffiehuis”. Volgens Vastgoed c.s. moet het begrip uitgelegd worden volgens de Haviltex-norm. Met de term “winkel” wordt bedoeld “middenstandsbedrijfsruimte”, waaronder eveneens valt het gebruik als restaurant.

4.6.

Een splitsingsakte beïnvloedt de rechtspositie van derden. Een splitsingsakte dient dan ook aan de hand van de CAO-norm eerst grammaticaal te worden uitgelegd. Daarnaast kan acht worden geslagen op de objectieve bedoelingen die partijen destijds hadden bij het opmaken van de splitsingsakte, in dit geval op 31 maart 1966. In artikel 8 van de splitsingsakte staat dat de appartementen 17 tot en met 24 zijn bestemd als winkel. Mede aanknopend bij de definitie die de wetgever van het begrip “winkel” heeft gegeven in artikel 1 van de destijds vigerende Winkelsluitingswet 1951, werd in die tijd onder “winkel” verstaan: “een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin waren aan particulieren plegen te worden verkocht”. De toenmalige partijen hebben hier een ruime uitleg aan gegeven, zoals blijkt uit de bij de splitsingsakte behorende tekening. Uit die tekening volgt dat de onderhavige bedrijfsruimte (appartement 23) op dat moment bestond uit verschillende ruimtes. In de diverse ruimtes staat in de tekening geschreven: “magazijn”, “kantoor”, “keuken”, twee keer “wc” en “winkel”. Aangenomen moet worden dat partijen daarmee de onderhavige bedrijfsruimte hebben beschreven zoals die op 31 maart 1966 in gebruik was, derhalve als “snack shop”. Als niet, althans onvoldoende, weersproken staat vast dat deze “snack shop” was geopend tot twaalf uur ’s avonds en dat er “grill specialiteiten” op het menu stonden, waaronder hamburger, biefstuk en saté. Een en ander blijkt bovendien uit de verklaring van de eigenaar van destijds (productie 4 bij conclusie van antwoord van Saté Bar) en uit het menu (productie 9 bij conclusie van antwoord van Saté Bar). Daar komt bij dat de bedrijfsruimte, zoals is erkend door [eisers] ter zitting, van oudsher in gebruik is geweest als horecagelegenheid. Voordat de “snack shop” in de bedrijfsruimte kwam, was de bedrijfsruimte in gebruik als “eetsalon”. Na de “snack shop” was er een “broodjeszaak” in de bedrijfsruimte gevestigd waar, blijkens het als productie 5 bij conclusie van antwoord van Saté Bar overgelegde krantenknipsel, onder meer bier en “zelfgemaakte soep, ballen en saté” verkocht werden. Objectief kan dan ook worden vastgesteld dat partijen bij het opmaken van de splitsingsakte met de term “winkel” ten aanzien van de onderhavige bedrijfsruimte hebben bedoeld: een horecagelegenheid, bestaande uit een magazijn, een kantoor, een keuken en twee wc’s, waar in het “winkelgedeelte” - onder meer - grill specialiteiten werden geserveerd.

4.7.

Saté Bar is een horecagelegenheid. Bij Saté Bar staat voornamelijk saté op het menu. Dat hiermee iets wezenlijks is veranderd in de exploitatie van de bedrijfsruimte, maakt niet dat daarmee in strijd wordt gehandeld met de splitsingsakte. In 1966, toen de “snack shop” in de bedrijfsruimte was gevestigd, werden er immers ook “grill specialiteiten” geserveerd. Wanneer sprake is van de gestelde geurhinder, moet worden aangenomen dat deze minder is dan in de tijd van het opmaken van de splitsingsakte, toen er nog geen geavanceerde ontgeuringsinstallaties bestonden. Van in strijd handelen met de splitsingsakte, is dan ook geen sprake. Evenmin is sprake van schending van een op gedaagde sub 1 rustende zorgplicht op grond van de maatschappelijke betamelijkheid, zoals [eisers] nog heeft betoogd. Gelet op het voorgaande mocht [eisers] er niet op vertrouwen dat de bedrijfsruimte gebruikt zou worden als winkel in de uitleg die hij aan dat begrip geeft.

4.8.

Tot slot voert [eisers] aan dat sprake is van onrechtmatige hinder.

Op grond van artikel 5:37 BW juncto 6:162 BW mag geen onrechtmatige hinder worden toegebracht aan eigenaars van andere erven (hier van de eigenaars van andere appartementsrechten in het appartementencomplex). Het artikel is van overeenkomstige toepassing op gebruikers/niet-eigenaars.

Krachtens artikel 2 lid 2 van de splitsingsakte mag ook geen hinder worden toegebracht aan de rechten van andere eigenaars en gebruikers, die in verband met de omstandigheden als onredelijk moet worden beschouwd.

Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Voor dat antwoord is mede van belang of degeen die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen.

4.9.

Ter onderbouwing van de gestelde geurhinder, verwijst [eisers] onder meer naar het rapport “Milieumeldingen in Rijnmond, de gegevens over het jaar 2011” (productie 7 bij dagvaarding) en naar de brieven van DCMR aan Saté Bar van 2009 en 2010 (productie 7 en 8 bij dagvaarding). Dit rapport en deze brieven zijn echter achterhaald. Immers, in het rapport “Milieumeldingen in Rijnmond, de gegevens over 2012” (productie 12 bij conclusie van antwoord van Saté Bar) staat ten aanzien van Saté Bar het volgende vermeld:

“In 2012 zijn 26 klachten ingediend over geuroverlast (Rb: ten opzichte van 85 in 2011). Er is een doelmatig werkende ontgeuringsinstallatie aanwezig. De DCMR heeft deze locatie meerdere keren gecontroleerd. In het verleden is een last onder dwangsom opgelegd die nog steeds van kracht is. Tijdens de dwangsomcontroles is geen onaanvaardbare geurhinder geconstateerd. De ondernemer heeft regelmatig contact met DCMR en onderhoudt de installatie op een juiste manier.”

en staat in het rapport “Milieumeldingen in Rijnmond, de gegevens over 2013” (productie 17 bij brief van 3 maart 2014) ten aanzien van Saté Bar het volgende vermeld:

“De DCMR ontving in 2013 in totaal 23 klachten over geurhinder afkomstig van de Sate Bar. Er zijn door toezichthouders meerdere geuronderzoeken gedaan, maar er is geen onaanvaardbare geurhinder geconstateerd. De Sate Bar heeft meegedraaid in het geurproject 2013. Hierbij is gebleken dat de ontgeuringsinstallatie voldoet aan de wetgeving. De ontgeuringsinstallatie zag er mooi schoon uit en ook het onderhoud wordt regelmatig uitgevoerd.”

Bovendien heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 21 augustus 2013 (2.6.) het volgende - voor zover relevant - overwogen:

“De rechtbank heeft bij haar oordeel of de rechtsgevolgen in stand konden worden gelaten met juistheid in aanmerking genomen dat een nieuwe ontgeuringsinstallatie in de Satébar is geïnstalleerd en het aantal klachten in 2012 sterk is verminderd, hetgeen de VvE niet gemotiveerd heeft weersproken. Voorts hebben ambtenaren van de gemeente tijdens controles die zijn uitgevoerd voor het doen van de aangevallen uitspraak geen onaanvaardbare geurhinder vastgesteld. Daarom kan niet staande worden gehouden dat de geuroverlast niet significant is afgenomen.”

Daar komt bij dat het appartementencomplex is gelegen in het drukke stadscentrum van Rotterdam, met rondom allerlei winkels en horecagelegenheden. Enige geurhinder is dan te verwachten. Eiser sub 1 wist zelfs voordat hij het appartementsrecht kocht, dat kookluchten afkomstig van Saté Bar in het appartementencomplex waargenomen konden worden. Ter zitting heeft hij immers verklaard dat hij in dat kader door de voorzitter van de VvE was gevraagd om in een andere procedure een verklaring af te leggen. Bovendien was hij ervan op de hoogte dat er een rechtszaak liep tegen Saté Bar. Hij heeft voorts verklaard dat hij graag in het centrum van Rotterdam wilde wonen. Door toch een appartement in het appartementencomplex te kopen heeft eiser sub 1 dan ook het risico genomen dat de bestuursrechtelijke procedure niet in het voordeel van de VvE zou uitvallen. Ook gedaagde sub 2 is in het appartementencomplex komen wonen, toen Saté Bar daar al was gevestigd.

4.10.

Tegen deze achtergrond geldt dat [eisers] enige mate van geurhinder heeft te dulden en heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd dat de door hem ervaren geurhinder onrechtmatig is. Uit de in het geding gebrachte verklaringen van zeven bewoners, waaronder [eisers] zelf, kan dit niet worden afgeleid. Een van de vijf medebewoners van [eisers], tevens voorzitter van de VvE, verklaart met name over een verbouwing van de winkelruimte door Saté Bar, maar dat is in dit geding niet aan de orde. Verder somt hij klachten op van bewoners die bij hem hebben geklaagd. Deze klachten gaan overigens niet allemaal over geurhinder. Onduidelijk is echter wanneer die bewoners hebben geklaagd, terwijl dat in het licht van de recent geïnstalleerde ontgeuringsinstallatie relevant is. Wel verklaart de voorzitter van de VvE dat hij zelf vaak last heeft van kooklucht. Zijn appartement bevindt zich op de tweede etage, schuin boven Saté Bar. Een andere medebewoner verklaart dat hij waarschijnlijk de minste geurhinder ervaart, omdat hij woont in de portiek die het verste van de Saté Bar af ligt. Wanneer de wind, met voldoende kracht, in de juiste richting staat, kan hij de luchtafvoer bij hem voor de portiek en in zijn slaapkamer ruiken, wanneer het raam open staat om te luchten. Een andere medebewoner verklaart dat hij moeilijk kan oordelen over de overlast van de afgelopen jaren, omdat hij sinds 2010 minder in zijn woning verblijft. Weer een andere medebewoner verklaart dat de geurhinder nu minder is, maar niet geheel verdwenen en dat hij regelmatig, met name in de zomermaanden last heeft van een sterke baklucht als de wind uit een bepaalde richting komt. De vijfde medebewoner vindt het niet acceptabel dat met name in de zomermaanden, de geur van Saté Bar vaak aanwezig is in en buiten zijn appartement. Hoewel duidelijk is dat deze bewoners de kookluchten die afkomstig zijn van Saté Bar als hinderlijk ervaren (en Saté Bar er dus voortdurend alert op zal moeten zijn dat haar ontgeuringsinstallatie doelmatig functioneert), kan niet worden geoordeeld dat sprake is van dermate ernstige geurhinder dat deze onrechtmatig is, mede gelet op de omstandigheid dat de hinder niet langdurig wordt ondervonden, gesteld noch gebleken is dat de hinder schade heeft veroorzaakt en ook de medebewoners door in het centrum van Rotterdam te gaan wonen, met alom aanwezige horeca, enige mate van geurhinder hebben te dulden.

4.11.

De stelling van [eisers] dat sprake is van geluidsoverlast en van apparaten die trillingen veroorzaken waardoor schade is ontstaan in verband met een grote stalen plaat die door Vastgoed c.s. aan de muur zou zijn bevestigd, wordt verworpen, nu deze stelling niet, althans onvoldoende, is onderbouwd.

4.12.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen onder I, IV en V zullen worden afgewezen en dat de vorderingen onder II en III wegens gebrek aan belang eveneens zullen worden afgewezen.

4.13.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.

4.14.

De kosten aan de zijde van W.M.H. Vastgoed B.V. worden begroot op:

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.493,00

4.15.

De kosten aan de zijde van Saté Bar worden begroot op:

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.493,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

ten aanzien van W.M.H. Vastgoed B.V.

5.2.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van W.M.H. Vastgoed B.V. tot op heden begroot op € 1.493,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

ten aanzien van Saté Bar

5.3.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Saté Bar tot op heden begroot op € 1.493,00,

5.4.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van Saté Bar, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

ten aanzien van Vastgoed c.s.

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.

615/2294