Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6486

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C-10-433298_30072014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statutair bestuurder, non-concurentiebeding, dwaling bij totstandkoming salarisverhoging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/433298 / HA ZA 13-956

Vonnis in incident en hoofdzaak van 30 juli 2014

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verweerder in het incident tot voeging ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. E.K.W. van Kampen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONCORDIA DE KEIZER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verweerder in het incident tot voeging ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. S. Palm te Rotterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOWDEN INSURANCE BROKERS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in het incident tot voeging ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. E.K.W. van Kampen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], Concordia de Keizer en Howden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 november 2013 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging van Howden, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van Concordia de Keizer, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [eiser];

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis in conventie van [eiser], met producties;

  • -

    de akte houdende uitlating producties, tevens wijziging van eis in reconventie van Concordia de Keizer;

  • -

    de brief van 15 mei 2014 van [eiser], met een productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2014;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Van Kampen namens [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident en in de hoofdzaak.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

Concordia Holland B.V. is in september 2012 gefuseerd met De Keizer Assurantie B.V. De statutaire naam is toen gewijzigd in Concordia de Keizer (hierna beide zonder onderscheid: Concordia de Keizer).

2.2.

Concordia de Keizer is assurantiemakelaar op het gebied van diverse verzekeringen onder meer in de maritieme branche. Zij is onderdeel van de Concordia Groep, een internationale verzekeringsmakelaar. Concordia N.V., gevestigd te Gent (hierna: Concordia België), is ook onderdeel van de Concordia Groep.

2.3.

[eiser] is op 1 mei 2005 in dienst getreden bij Concordia de Keizer in de functie van Senior Broker Marine Hull. In januari 2009 is hij benoemd tot Directeur Marine en Varia en in januari 2010 tot Directeur Schadeverzekeringen.

In de brief van 1 februari 2010 waarin Concordia de Keizer aan [eiser] heeft bevestigd dat hij de functie van Directeur Schadeverzekeringen bekleedt, staat onder meer dat zijn vaste salaris wordt verhoogd en dat zijn directiebonus, ter compensatie van de voorheen voor hem geldende omzetgerelateerde regeling, minimaal vier bruto maandsalarissen bedraagt. Er staat ook in dat zijn overige primaire- en secundaire arbeidsvoorwaarden ongewijzigd blijven en dat Concordia de Keizer [eiser] verzoekt deze brief voor akkoord te tekenen en te bewaren als aanhangsel bij zijn arbeidsovereenkomst.

2.4.

De heer [persoon1] is statutair bestuurder van Concordia de Keizer. [eiser] is van 11 september 2012 tot zijn ontslagname statutair bestuurder van Concordia de Keizer geweest.

2.5.

Howden houdt zich bezig met het verlenen van makelaardijdiensten op het gebied van (her-)verzekeringen, inclusief de marine sector. Sinds 7 augustus 2013 is [eiser] één van haar statutair bestuurders.

2.6.

In de arbeidsovereenkomst van [eiser] is onder meer opgenomen dat hij recht heeft op 27 vakantiedagen per kalenderjaar, gebaseerd op een 40-urige werkweek. Verder is opgenomen dat het aangehechte "concurrentiebeding" op de overeenkomst van toepassing is tot een jaar na het dienstverband. Dit non-concurrentiebeding houdt voor zover van belang het volgende in:

"Werknemer verklaart met werkgever te zijn overeengekomen, dat hij zich gedurende zijn dienstbetrekking en een periode van een jaar na beëindiging van zijn dienstbetrekking met werkgever zal onthouden van:

Het (voor eigen rekening of voor rekening van derden) hebben van zakelijke contacten - in welke zin ook en op wiens initiatief ook - met verzekerden, waarvoor werknemer in dienst van werkgever werkzaamheden heeft verricht en die op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking één of meer verzekeringen hebben, of in de periode drie jaar daaraan voorafgaande hadden, waarbij werkgever (of één harer dochterondernemingen of een aan haar gelieerde onderneming), fungeert of fungeerde als assurantietussenpersoon of als verzekeraar.

Onder het hebben van de hier genoemde "zakelijke contacten" is begrepen het acquireren in de meest ruime zin van het woord, dan wel het betrokken zijn bij dergelijke acquisitie, van verzekeringen, dan wel het trachten verzekeringen te verkopen, dan wel het daadwerkelijk verzekeringen verkopen, dan wel het op welke wijze dan ook bemiddelen bij het tot stand komen van verzekeringsovereenkomsten aan natuurlijke- of rechtspersonen, één en ander voor eigen rekening c.q. voor rekening van een ander dan werkgever.

Het is werknemer eveneens verboden om belang te hebben op welke wijze dan ook, hetzij financieel, hetzij anderszins, bij een bedrijf dat bij de genoemde verboden concurrerende activiteiten betrokken is, behoudens met schriftelijke toestemming van werkgever.

Bij overtreding van dit beding verbeurt werknemer aan werkgever een onmiddellijke en zonder enige sommatie of rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van € 7.500,-- (zevenduizend en vijfhonderd euro) voor iedere overtreding en van een zelfde bedrag voor iedere dag dat een aangevangen overtreding voortduurt, onverminderd alle rechten van werkgever."

2.7.

Het salaris van [eiser] bestond - in elk geval van januari 2013 tot april 2013 - onder meer uit de volgende componenten: een basissalaris van € 11.788,00 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, een maandelijkse bonus van € 3.930,00 en een dertiende maand. [eiser] nam deel aan een collectieve pensioenverzekering die door ASR Levensverzekering N.V. wordt uitgevoerd.

2.8.

Concordia de Keizer en [eiser] hebben in april 2013 overleg gevoerd over aanpassing van [eiser] arbeidsvoorwaarden. Het resultaat daarvan is weergegeven in een aan [eiser] gericht memo (hierna: het memo). Daarin staat onder meer het volgende:

"In de afgelopen maanden zijn er diverse gesprekken geweest over jouw vaste en variabele beloning. […] De verschillende gesprekken hebben geleid tot een mondelinge overeenstemming die in dit document worden vastgelegd.

Jij hebt op dit moment een bijzondere positie in de onderneming vanwege het feit dat jij naast jouw vaste salaris eveneens een vaste bonus ontvangt. Deze vaste bonus is in het verleden tot stand gekomen vanwege het betrekken van een nieuwe functie in de onderneming waarbij de variabele beloning op de marine-omzet, die door jou tot stand was gekomen, werd losgelaten.

Uitgangspunten die we hebben besproken zijn:

- dat jij vond dat er recht moest worden gedaan aan mondelinge toezeggingen uit het verleden;

- dat de werkgever/aandeelhouder vindt dat een bonus gerelateerd moet worden aan het behalen van resultaten en niet vast kan zijn;

- dat de onderlinge afspraken moeten gelden voor een periode van drie jaar.

Voorstel

Dit heeft geleid tot het volgende voorstel:

- verhogen van het vaste salaris naar € 15.165,-- per maand en het afschaffen van de vaste bonus;

- introductie van een variabele beloning met een maximum van 25% van het jaarsalaris;

[…]"

2.9.

Bij brief van 6 mei 2013 heeft Concordia België aan [eiser] onder meer het volgende bericht:

"tijdens de afgelopen weken hebben wij beslist de samenwerking binnen onze respectievelijke bedrijven op te voeren, meer bepaald in de maritieme sector.

Te dien einde werd afgesproken dat jij vanaf 1 mei 2013 ondersteuning zult bieden met name op het niveau van:

- nieuwe producten in garantie verzekering

- casco verzekering, aanverwante risico's en mogelijke reassurantie hiermee verband houdend.

Als tegenprestatie wordt een vaste commerciële vergoeding voorzien van € 1.000,00 per maand, incluis reis- en verplaatsingskosten, betaalbaar op kwartaal basis."

2.10.

Op 28 juni 2013 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst met Concordia de Keizer opgezegd tegen 1 augustus 2013. Concordia de Keizer heeft hem daarna vrijgesteld van werkzaamheden.

2.11.

[eiser] is kort na zijn ontslag in dienst getreden bij Howden. In elk geval drie andere werknemers van Concordia de Keizer zijn ook overgestapt naar Howden.

2.12.

Bij aan [eiser] gerichte brief van 23 september 2013 heeft Concordia de Keizer de overeenkomst tot salarisverhoging, voor zover deze tot stand is gekomen, buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling omdat [eiser] essentiële informatie met betrekking tot zijn dienstverband heeft verzwegen.

2.13.

Bij aan [eiser] gerichte brief van 2 oktober 2013 heeft Concordia België de overeenkomst die in de brief van 6 mei 2013 is weergegeven, buitenrechtelijk vernietigd wegens dwaling omdat [eiser] essentiële informatie met betrekking tot zijn dienstverband en afspraken met Howden heeft verzwegen.

2.14.

Op 7 oktober 2013 hebben Concordia de Keizer en Concordia België een akte van cessie getekend, waarbij Concordia België haar vordering van € 3.000,00 op [eiser] aan Concordia de Keizer heeft verkocht en geleverd.

2.15.

Bij vonnis in kort geding van 20 november 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de reconventionele vordering van Concordia de Keizer (gedeeltelijk) toegewezen. De beslissing luidt voor zover thans van belang:

"veroordeelt [eiser], na betekening van dit vonnis, tot stipte nakoming van het in de arbeidsovereenkomst d.d. 9 maart 2005 opgenomen concurrentiebeding, voor zover dit betrekking heeft op 'marine'verzekerden, en verbiedt [eiser] om tot 1 augustus 2014, of tot in de bodemprocedure anders is beslist, 'marine'verzekerden van Concordia de Keizer, waarvoor [eiser] in dienst van Concordia de Keizer werkzaamheden heeft verricht c.q. met wie [eiser] in zijn hoedanigheid van directeur van Concordia de Keizer zakelijke contacten onderhield, zowel direct als indirect, zowel in eigen persoon als via andere bij Howden in dienst zijnde werknemers, te benaderen met het oogmerk voor en namens hen verzekeringsovereenkomsten te sluiten c.q. bij de totstandkoming van deze verzekeringsovereenkomsten te bemiddelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500,-- per overtreding, te vermeerderen met € 7.500,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag als gehele dag te rekenen, dat een overtreding voortduurt, met een maximum aan totaal te verbeuren dwangsommen van 200.000,-"

2.16.

Bij vonnis in kort geding van 18 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van Howden en vier van haar werknemers dat - kort samengevat - [eiser] niet gehouden kan worden aan het concurrentiebeding, afgewezen.

2.17.

[eiser] is in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 20 november 2013. Bij arrest van 29 april 2014 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage dit vonnis vernietigd en in conventie de werking van het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding opgeschort totdat daarover in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist, een en ander uitsluitend voor zover dit verder strekt dan de in reconventie uitgesproken veroordeling van [eiser]. In reconventie is [eiser] veroordeeld tot stipte nakoming van het overeengekomen concurrentiebeding dat door het gerechtshof als volgt is beperkt:

“Werknemer verklaart met werkgever te zijn overeengekomen, dat hij zich gedurende een periode van een jaar na beëindiging van zijn dienstbetrekking met werkgever zal onthouden van:

Het zelf (voor eigen rekening of voor rekening van derden) hebben van zakelijke contacten - in welke zin ook en op wiens initiatief ook - met marine-verzekerden, waarvoor werknemer in dienst van werkgever zelf en rechtstreeks werkzaamheden heeft verricht en die op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking één of meer verzekeringen hebben, of in de periode drie jaar daaraan voorafgaand hadden, waarbij werkgever (of één harer dochterondernemingen of een aan haar gelieerde onderneming), fungeert of fungeerde als assurantietussenpersoon of als verzekeraar.

Bij overtreding van dit beding verbeurt werknemer aan werkgever een onmiddellijke en zonder enige sommatie of rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van € 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd euro) voor iedere overtreding en van een zelfde bedrag voor iedere dag dat een aangevangen overtreding voortduurt, onverminderd alle rechten van werkgever (…)”.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van achterstallig loon, vakantietoeslag en pro rata dertiende maand

a. verklaart voor recht dat Concordia de Keizer een bedrag van €24.474,72 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, exclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente, aan [eiser] is verschuldigd ter zake van achterstallig loon, vakantietoeslag en pro rata dertiende maand;

verklaart voor recht dat Concordia de Keizer voorts een bedrag van €1.000,00 netto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, exclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente, aan [eiser] is verschuldigd ter zake van achterstallig loon;

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het netto equivalent van €24.474,72 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% alsmede met de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, aan [eiser] te betalen door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op bankrekeningnummer [rekening] ten name van J. [eiser] te Krimpen aan den IJssel;

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het bedrag van €1.000,00 netto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% alsmede met de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, aan [eiser] te betalen door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op bankrekeningnummer [rekening] ten name van J. [eiser] te Krimpen aan den IJssel;

Concordia gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis aan [eiser] een schriftelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de hierboven in vorderingen c. en d. bedoelde betalingen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat Concordia in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen;

ten aanzien van pensioenpremies

verklaart voor recht dat Concordia de Keizer een bedrag van €2.582,19 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, exclusief wettelijke rente, te weinig aan pensioenpremies heeft afgedragen ten behoeve van de pensioenregeling van [eiser] zoals die is verzekerd bij ASR Levensverzekering N.V. (administratienummer [nummer]);

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het bedrag van €2.582,19 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen aan ASR Levensverzekering N.V. ten behoeve van de voor [eiser] afgesloten pensioenregeling (administratienummer [nummer]);

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis aan [eiser] een schriftelijk bewijsstuk te verstrekken dat de in vordering g. bedoelde betaling is verricht, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat Concordia de Keizer in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen;

ten aanzien van saldo openstaande, niet genoten vakantiedagen

i. verklaart voor recht dat [eiser] bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst een saldo van 14,75, althans een door de rechtbank vast te stellen aantal, opgebouwde, doch niet genoten vakantiedagen had;

verklaart voor recht dat Concordia de Keizer ter zake van het in vordering i. bedoelde saldo opgebouwde, niet genoten vakantiedagen aan [eiser] een bedrag van €13.802,46 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, exclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente, is verschuldigd;

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het netto equivalent van €13.802,46 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% alsmede met de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, aan [eiser] te betalen door middel van overboeking op bankrekeningnummer [rekening] ten name van [eiser] te [woonplaats];

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis aan [eiser] een schriftelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de hiervoor onder k. bedoelde betaling, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat Concordia de Keizer in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen;

ten aanzien van het non-concurrentiebeding

primair:

verklaart voor recht dat het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen gelding meer heeft, omdat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste, althans dat de rechtsgeldigheid ervan is komen te vervallen omdat sprake is van een zodanige ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding dat het non-concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken;

subsidiair:

het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen geheel vernietigt op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van Concordia de Keizer, [eiser] door dit beding onbillijk wordt benadeeld;

meer subsidiair:

- het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen gedeeltelijk vernietigt in die zin dat het non-concurrentiebeding als volgt komt te luiden:

"Werknemer verklaart met werkgever te zijn overeengekomen, dat hij zich gedurende een periode van een jaar na beëindiging van zijn dienstbetrekking met werkgever zal onthouden van:

het zelf (voor eigen rekening of voor rekening van derden) hebben van zakelijke contacten - in welke zin ook en op wiens initiatief ook - met marine-verzekerden, waarvoor werknemer in dienst van werkgever zelf en rechtstreeks werkzaamheden heeft verricht en die op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking één of meer verzekeringen hebben, of in de periode drie jaar daaraan voorafgaand hadden, waarbij werkgever (of één harer dochterondernemingen of een aan haar gelieerde onderneming), fungeert of fungeerde als assurantietussenpersoon of als verzekeraar.";

- de geldigheid van het non-concurrentiebeding in tijd beperkt tot de datum van het vonnis indien voor 1 augustus 2014 uitspraak wordt gedaan;

- Concordia veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding aan [eiser] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW van € 12.500,00 bruto per maand, althans een door de rechtbank vast te stellen vergoeding, voor de duur dat [eiser] gebonden is aan het non-concurrentiebeding.

ten aanzien van buitengerechtelijke incassokosten

Concordia de Keizer gelast om binnen 5 werkdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] het bedrag van € 1.390,00 netto, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen ter vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten door middel van overboeking op bankrekeningnummer [rekening] ten name van [eiser] te [woonplaats].

Concordia de Keizer veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

Het verweer van Concordia de Keizer strekt tot afwijzing van de vorderingen en - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen voldaan worden, alsmede veroordeling van [eiser] in de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna onder 5., voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Concordia de Keizer vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

A. primair

verklaart voor recht dat [eiser] voor een periode van één jaar, te rekenen vanaf 1 augustus 2013, gebonden is aan het tussen Concordia de Keizer en [eiser] op 9 maart 2005 schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding, en het daarmee verbonden boetebeding, zoals aangehecht aan zijn arbeidsovereenkomst van eveneens 9 maart 2005;

subsidiair

verklaart voor recht dat [eiser] voor een periode van één jaar, te rekenen vanaf 1 augustus 2013, gebonden is aan het tussen Concordia de Keizer en [eiser] op 9 maart 2005 schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding, en het daarmee verbonden boetebeding, zoals aangehecht aan zijn arbeidsovereenkomst van eveneens 9 maart, met dien verstande dat onder verzekerden uitsluitend marine-verzekerden van Concordia de Keizer worden verstaan;

meer subsidiair

verklaart voor recht dat [eiser] voor een periode van één jaar, te rekenen vanaf 1 augustus 2013, gebonden is aan het tussen Concordia de Keizer en [eiser] op 9 maart 2005 schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding, en het daarmee verbonden boetebeding, zoals aangehecht aan zijn arbeidsovereenkomst van eveneens 9 maart 2005, met dien verstande dat onder verzekerden uitsluitend marine-verzekerden van Concordia de Keizer worden verstaan waarvoor [eiser] direct of indirect werkzaamheden heeft verricht;

verklaart voor recht dat [eiser] slechts aanspraak heeft op een bonus over 2013 indien hij het gehele kalenderjaar 2013 bij Concordia de Keizer in dienst was;

verklaart voor recht dat Concordia de Keizer en [eiser] nimmer een overeenkomst tot loonsverhoging hebben gesloten althans dat deze overeenkomst op goede gronden buitengerechtelijk is vernietigd door Concordia de Keizer, althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en in strijd met goed werknemerschap is om op uitbetaling daarvan onder de huidige omstandigheden aanspraak te maken;

verklaart voor recht dat de uitbetaling van € 3.000,00 netto vanuit Concordia N.V. (België) onverschuldigd is gedaan aangezien deze overeenkomst op goede gronden buitengerechtelijk is vernietigd, althans op grond van het feit dat [eiser] nimmer de vereiste prestatie heeft verricht, althans dat uitbetaling onder de huidige omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

[eiser] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Concordia de Keizer te betalen een bedrag ad € 11.318,40 (zegge: elfduizend driehonderd achttien euro en veertig eurocent) ten titel van onverschuldigd betaald voorschot op de bonus van Concordia de Keizer, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

[eiser] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Concordia de Keizer te betalen een bedrag ad € 3.000,00 netto (zegge: drieduizend euro) ten titel van een onverschuldigd betaalde beloning vanuit Concordia N.V. (België) welke vordering is gecedeerd aan Concordia de Keizer, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

[eiser] veroordeelt om aan Concordia de Keizer te voldoen een bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten van € 544,50 (vijfhonderd vierenveertig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van verzuim;

[eiser] veroordeelt in de kosten van het geding, onder bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te worden binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaats vindt - (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) met veroordeling van [eiser] in de nakosten de somma € 131,00 (zegge: honderd eenendertig euro), dan wel, indien betekening plaatsvindt, de somma van € 199,00 (zegge: honderd negenennegentig euro).

3.5.

Het verweer van [eiser] strekt tot afwijzing van de vorderingen en - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Concordia de Keizer in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen voldaan worden, alsmede veroordeling van Concordia de Keizer in de nakosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna onder 5., voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het incident

4.1.

Howden vordert dat haar wordt toegestaan zich aan de zijde van [eiser] te voegen. Zij heeft gesteld dat zij daarbij belang heeft omdat feitelijk de gehele door Howden gedreven onderneming aan het non-concurrentiebeding van [eiser] is gebonden. Hierdoor worden haar werknemers belemmerd in de uitoefening van hun werkzaamheden en lijdt Howden dientengevolge schade.

4.2.

[eiser] heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Concordia de Keizer heeft bezwaar gemaakt tegen toewijzing van de vordering van Howden. Volgens haar geldt voor de voormalige werknemers van Concordia de Keizer, die zijn overgestapt naar Howden en die gehinderd zouden kunnen worden door het concurrentiebeding van [eiser], een identiek concurrentiebeding. Daarom heeft Howden in de visie van Concordia de Keizer geen belang bij een voeging aan de zijde [eiser].

4.3.

Naar vaste jurisprudentie is voor het aannemen van een belang bij voeging als bedoeld in artikel 217 Rv voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde ongunstig kan beïnvloeden. Aan deze voorwaarde is voldaan. Duidelijk is dat een voor [eiser] negatieve uitkomst met betrekking tot het non-concurrentiebeding de rechtspositie van Howden ongunstig kan beïnvloeden omdat een dergelijke uitkomst nadelige gevolgen kan hebben voor de door Howden gedreven onderneming. Zij heeft daarom voldoende belang bij voeging aan de zijde van [eiser]. De vordering van Howden zal worden toegewezen.

4.4.

Ter comparitie heeft Howden opgemerkt dat zij afziet van het nemen van een conclusie en dat hetgeen door en namens [eiser] naar voren is gebracht, geacht moet worden ook namens Howden te zijn aangevoerd. Gelet hierop zijn partijen voldoende in de gelegenheid geweest hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht. Daarom heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor vonnis in incident en in hoofdzaak.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie

5.1.

[eiser] vordert in conventie in essentie dat tussen hem en Concordia de Keizer alsnog wordt afgerekend met uitbetaling 1) van achterstallig salaris, vakantietoeslag en dertiende maand, 2) de door Concordia België nog verschuldigde vergoeding 3) pensioenpremies en 4) niet genoten vakantiedagen. Concordia de Keizer betwist dat zij nog enig bedrag aan [eiser] verschuldigd is en vordert in reconventie samengevat dat [eiser] de ten onrechte betaalde bedragen aan haar terug betaalt, waaronder 5) een door haar onverschuldigd betaald voorschot op de bonus.

Daarnaast verlangt [eiser] in conventie dat voor recht wordt verklaard dat 6) het non-concurrentiebeding geen gelding meer heeft, althans (gedeeltelijk) vernietigd wordt. Concordia de Keizer vordert in reconventie juist dat [eiser] gebonden is aan het overeengekomen (maar beperkte) non-concurrentiebeding.

De vorderingen in conventie en in reconventie hangen met elkaar samen en worden daarom gezamenlijk besproken in de hiervoor genoemde volgorde.

ad 1) salaris, vakantietoeslag en dertiende maand

5.2.

Volgens [eiser] heeft Concordia de Keizer de in april 2013 gemaakte afspraken over verhoging van zijn salaris niet uitgevoerd waardoor hij over de maanden april tot en met juni 2013 zijn oude salaris inclusief vaste bonus heeft ontvangen en in mei 2013 vakantietoeslag die geheel gebaseerd is op zijn oude basissalaris. Verder heeft hij geen salarisbetaling over juli 2013 ontvangen. [eiser] verlangt daarom dat aan hem aan salaris nog een bedrag van € 24.474,72 bruto wordt uitbetaald.

5.3.

Concordia de Keizer heeft de (omvang van de) door [eiser] genoemde salarisbetalingen niet bestreden. Zij is echter van mening dat in april 2013 geen nieuwe afspraken over de beloning van [eiser] zijn gemaakt. [eiser] was het niet eens met de inhoud van het memo (zie onder 2.8) en hij heeft daarmee niet uitdrukkelijk ingestemd zoals aan hem was gevraagd. Omdat [eiser] niet met het gestelde in het memo akkoord is gegaan, was Concordia de Keizer niet gehouden meer te betalen dan zij heeft gedaan. Concordia de Keizer heeft voorts aangevoerd dat zij de salarisbetaling over juli 2013 heeft verrekend met ten onrechte uitbetaalde voorschotten op de bonus en de door Concordia België onverschuldigd betaalde € 3.000,00.

5.4.

In het memo staat dat er meerdere gesprekken zijn gevoerd over de vaste en variabele beloning van [eiser] en dat (uiteindelijk) mondeling overeenstemming is bereikt, welke overeenstemming is neergelegd in het memo. Anders dan Concordia de Keizer meent, kan hieruit worden afgeleid dat Concordia de Keizer en [eiser] het eens waren over de beloning van [eiser]. Uit dat memo blijkt niet dat [eiser] nog uitdrukkelijk met enige opgenomen voorwaarde of regeling diende in te stemmen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat een overeenkomst tot salarisverhoging tot stand is gekomen. Dat [eiser] geen navraag heeft gedaan toen geen uitvoering aan de afspraken werd gegeven, maakt dit - mede gegeven het feit dat de verhoging per saldo niet tot verhoging van het maandelijks uit te keren bedrag leidde - niet anders.

5.5.

Concordia de Keizer heeft zich vervolgens verweerd door aan te voeren dat zij de overeenkomst tot salarisverhoging bij brief van 23 september 2013 buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens dwaling. Zij zou niet in overweging hebben genomen [eiser] een salarisverhoging aan te bieden als zij had geweten dat toen al vast stond dat [eiser] ontslag zou nemen en bij Howden in dienst zou treden. In de visie van Concordia de Keizer had [eiser] deze informatie - zeker als bestuurder van Concordia de Keizer - niet mogen verzwijgen.

5.6.

De stelling van Concordia de Keizer dat een werknemer zijn werkgever dient in te lichten indien hij voornemens is van baan te veranderen, ook als daartoe - zoals volgens [eiser] het geval was - nog niet definitief is besloten, is in zijn algemeenheid onjuist. Naar in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen heeft een werknemer in dergelijke omstandigheden niet snel een mededelingsplicht om de werkgever "preventief" in te lichten, ook niet als de werknemer statutair bestuurder is.

Uit het memo blijkt dat de gesprekken over de vaste en variabele beloning van [eiser] in de maanden voorafgaand aan april 2013 zijn gevoerd. Zoals door [eiser] onweersproken is gesteld was de aanleiding voor die gesprekken de fusie in september 2012 en de benoeming van [eiser] als statutair bestuurder. Zowel [eiser] als Concordia de Keizer wilde tot wijziging van de beloningscomponenten komen. In het memo is immers vermeld dat uitgangspunt van [eiser] was dat recht moest worden gedaan aan toezeggingen uit het verleden. Uitgangspunt van Concordia de Keizer was dat de bonus niet langer vast maar resultaat gerelateerd moest zijn. Gegeven dit kenbare belang van Concordia de Keizer valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [eiser], mocht al vast komen te staan dat dit in maart 2013 bekend was ([eiser] stelt dat hij hiertoe pas in juni 2013 heeft besloten), diende mee te delen dat hij voornemens was naar Howden over te stappen. Het beroep op dwaling faalt derhalve. De reconventionele vordering, weergegeven onder 3.4 sub C. zal worden afgewezen.

5.7.

[eiser] is van mening dat Concordia de Keizer wegens achterstallig loon, vakantie toeslag en dertiende maand aan hem een bedrag van € 24.474,72 dient te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met wettelijke rente. Hij heeft daarvan in de dagvaarding een berekening gegeven en zich daarbij gebaseerd op de overeengekomen salarisverhoging. Anders dan Concordia de Keizer meent, is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar of in strijd met goed werknemerschap dat [eiser] nakoming vordert van de overeenkomst tot salarisverhoging. Zoals onder 5.6 is overwogen komt deze overeenkomst voort uit reeds eerder gedane toezeggingen.

Concordia de Keizer heeft harerzijds een berekening overgelegd, maar die is gebaseerd op het oude salaris met de vaste bonus. Nu daarvan niet kan worden uitgegaan omdat een overeenkomst tot salarisverhoging tot stand is gekomen en Concordia de Keizer de berekening van [eiser] voor het overige niet heeft betwist is de vordering in conventie, weergegeven onder 3.1 sub c. tot uitbetaling van het netto equivalent van €24.474,72 aan bruto salaris toewijsbaar. Omdat het niet betalen van het salaris aan Concordia de Keizer is toe te rekenen, heeft [eiser] aanspraak op de wettelijke verhoging. Concordia de Keizer heeft verzocht de wettelijke verhoging te matigen tot nihil omdat [eiser] niet tijdig informatie heeft verstrekt over zijn indiensttreding bij concurrent Howden. Hiervoor is echter geen plaats omdat niet kan worden aangenomen dat [eiser] daartoe verplicht was. Gelet op de duur van het achterwege blijven van betaling acht de rechtbank de maximale verhoging met 50% over het bruto salaris aangewezen. De wettelijke rente is eveneens toewijsbaar. Dit is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

De vordering tot het verstrekken van een bruto/netto-specificatie, weergegeven onder 3.1 sub e., is eveneens toewijsbaar voor zover zij betrekking heeft op deze betaling. Ook de door [eiser] gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat daaraan een maximum van € 10.000,00 wordt verbonden.

Nu de conventionele vordering in zoverre toewijsbaar is, heeft [eiser] onvoldoende belang bij toewijzing van de onder 3.1 sub a. weergegeven vordering om voor recht te verklaren dat Concordia de Keizer genoemd bedrag met de gevorderde verhogingen aan [eiser] verschuldigd is.

ad 2) de vergoeding van Concordia België

5.8.

[eiser] heeft in conventie aangevoerd dat is overeengekomen dat hij een aanvullende vaste vergoeding van € 1.000,00 per maand, uit te betalen per kwartaal, van Concordia België zou ontvangen. Hij heeft aangevoerd dat hij deze vergoeding - in totaal € 3000,00 - enkel over de maanden april tot en met juni 2013 heeft ontvangen. Hij is van mening dat de vergoeding over de maand juli 2013 nog aan hem dient te worden betaald.

5.9.

Concordia België is geen partij in deze procedure. De akte van cessie ziet slechts op de vordering van Concordia België op [eiser] en niet op de vordering van [eiser] op Concordia België. Voor zover [eiser] stelt dat Concordia de Keizer eigenlijk zijn wederpartij is omdat het een schijnconstructie betreft, wordt hij hierin niet gevolgd. Dat fiscale argumenten de reden voor de betalingsconstructie waren, leidt daar niet toe. Uit de omstandigheid dat [eiser] contact heeft gezocht met Concordia België toen er naar zijn mening een onjuistheid in de brief stond, is bovendien af te leiden dat hij er in elk geval aanvankelijk van uitging dat Concordia België zijn wederpartij was. De vorderingen, weergegeven onder 3.1 sub b., d. en e., voor zover deze laatste vordering betrekking heeft op deze betaling, zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar.

5.10.

In reconventie vordert Concordia de Keizer terugbetaling van het door Concordia België onverschuldigd betaalde bedrag van € 3.000,00 omdat Concordia België de overeenkomst die daartoe verplicht (zie onder 2.9) wegens dwaling buitengerechtelijk heeft vernietigd. Ook tegenover Concordia België heeft [eiser] verzwegen dat hij ontslag zou nemen en bij Howden in dienst zou treden. Concordia België zou de overeenkomst met die wetenschap niet zijn aangegaan, aldus Concordia de Keizer.

Op de onder 5.6 genoemde gronden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van dwaling van Concordia België die tot vernietiging van de overeenkomst zoals verwoord in de brief van 6 mei 2013 leidt.

5.11.

Concordia de Keizer heeft vervolgens aangevoerd dat Concordia België onverschuldigd een bedrag van € 3.000,00 aan [eiser] heeft betaald omdat hij de overeengekomen prestatie tot het bieden van ondersteuning aan Concordia België niet heeft verricht. [eiser] heeft betwist dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst door aan te voeren dat hij Concordia België heeft bijgestaan in een herverzekeringsconstructie en haar heeft geadviseerd in een lastige kwestie omtrent een vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering. Hierop is Concordia de Keizer niet ingegaan. Nu zij haar stelling dat [eiser] geen werkzaamheden voor Concordia België heeft verricht onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd, zal zij niet worden toegelaten tot bewijslevering. De reconventionele vorderingen als weergegeven onder 3.4 sub D. en F. zullen worden afgewezen.

ad 3) pensioenpremies

5.12.

[eiser] heeft in conventie gesteld dat Concordia de Keizer nog pensioenpremies over het achterstallige salaris verschuldigd is. Hij is terecht van mening dat die premie ook betaald moet worden over de vaste component waarmee zijn salaris in april 2013 is verhoogd, zulks vermeerderd met de (hogere) vakantietoeslag. Nu Concordia de Keizer zich hiertegen enkel heeft verweerd door aan te voeren dat zij de juiste grondslag heeft genomen, zullen de conventionele vorderingen, weergegeven onder 3.1 sub g. en h. als onvoldoende gemotiveerd weersproken worden toegewezen. Ook de door [eiser] gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat daaraan een maximum van € 10.000,00 wordt verbonden. Daarom heeft [eiser] onvoldoende belang bij toewijzing van de onder 3.1 sub f. gevorderde verklaring voor recht.

ad 4) niet genoten vakantiedagen

5.13.

[eiser] is van mening dat hij recht heeft op uitbetaling van opgebouwde, niet genoten vakantiedagen, waarbij de compensatie voor iedere niet genoten vakantiedag € 935,76 bruto bedraagt. Omdat hij nog 14,75 vakantiedagen had openstaan, is Concordia de Keizer volgens [eiser] een bedrag van € 13.802,46 bruto aan hem verschuldigd. Hij verlangt dat ook dit bedrag wordt vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50% en met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2013. Hij vordert daarbij dat Concordia de Keizer aan hem een schriftelijke bruto/netto-specificatie verstrekt.

Concordia de Keizer heeft erkend dat [eiser] recht heeft op uitbetaling van deze vakantiedagen. Zij heeft daarbij opgemerkt dat [eiser] de vakantiedagen onjuist heeft berekend.

De rechtbank maakt uit de overgelegde specificatie op dat aan vakantie nog 126 uur (15,75 dagen) openstonden. Nu [eiser] alleen een vergoeding voor 14,75 vakantiedagen verlangt wordt van dit aantal dagen uitgegaan. Concordia de Keizer heeft de berekening voor het overige niet bestreden. De vordering tot betaling van het netto equivalent van genoemd bedrag, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50% en met de wettelijke rente, weergegeven onder 3.1 sub k. en l., zal worden toegewezen. Voor de genoemde vermeerderingen is aanleiding op dezelfde gronden als overwogen onder 5.7. Ook de door [eiser] gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat daaraan een maximum van € 10.000,00 wordt verbonden.

Nu de conventionele vordering in zoverre toewijsbaar is, heeft [eiser] onvoldoende belang bij afzonderlijke toewijzing van de onder 3.1 sub i. en j. gevorderde verklaringen voor recht.

ad 5) de bonus

5.14.

In reconventie vordert Concordia de Keizer dat [eiser] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door haar onverschuldigd betaalde bonus over 2013. Volgens haar kan [eiser] daarop geen aanspraak maken omdat hij niet het hele kalenderjaar in dienst is geweest; een bonus is enkel bedoeld voor werknemers die gedurende het hele jaar bij Concordia de Keizer werkzaam zijn geweest. Ter comparitie heeft Concordia de Keizer erkend dat de deze voorwaarde niet op schrift is gesteld.

Zoals [eiser] heeft aangevoerd, staat in de brief van 1 februari 2010 dat de bonus van [eiser] minimaal vier bruto maandsalarissen bedraagt. Daaruit is niet op te maken dat de bonus eerst aan het einde van het jaar definitief verschuldigd is en alle eerdere betalingen voorwaardelijk worden gedaan. Ook in het memo wordt zonder enig voorbehoud gesproken van een vaste bonus die in de plaats is gekomen van een variabele beloning. De reconventionele vordering, weergegeven onder 3.4 sub B. en E. is daarom niet toewijsbaar.

ad 6) het non-concurrentiebeding

5.15.

In conventie is [eiser] van mening dat het non-concurrentiebeding opnieuw schriftelijk had moeten worden overeengekomen toen hij in januari 2009 en/of in januari 2010 een andere functie kreeg. Voorts stelt hij dat het non-concurrentiebeding is vervallen omdat sprake is van een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding waardoor het beding zwaarder is gaan drukken.

In reconventie stelt Concordia de Keizer juist dat het non-concurrentiebeding haar gelding heeft behouden omdat geen sprake is van een ingrijpende wijziging waardoor het beding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken.

5.16.

Voor toewijzing van een verklaring voor recht dat het non-concurrentiebeding geen gelding meer heeft, althans de rechtsgeldigheid daarvan is komen te vervallen, is geen aanleiding. In het schriftelijkheidsvereiste is een bijzondere waarborg gelegen dat de werknemer de consequenties van het voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat het non-concurrentiebeding in 2005 rechtsgeldig schriftelijk is overeengekomen. [eiser] heeft echter gesteld dat de arbeidsovereenkomst nadien haar oorspronkelijke identiteit heeft verloren. Dit is niet vast komen te staan. Dat partijen beoogden een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan toen [eiser] met ingang van 1 januari 2010 Directeur Schadeverzekeringen werd - naar namens [eiser] ter comparitie is betoogd - is niet af te leiden uit de brief van 1 februari 2010 waarin Concordia de Keizer [eiser] expliciet verzocht die brief als aanhangsel bij zijn arbeidsovereenkomst te beschouwen. Verder zijn in die brief de wijzigingen expliciet benoemd en is voor het overige verwezen naar de reeds bestaande primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Hieruit is niet af te leiden dat Concordia de Keizer beoogde een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan. De benoeming van [eiser] tot statutair bestuurder en de daarmee samenhangende wijziging van arbeidsvoorwaarden maakt dit niet anders. De conventionele vordering, weergegeven onder 3.1 sub m. is daarom niet voor toewijzing vatbaar; een ingrijpende wijziging van het non-concurrentiebeding leidt bij gegrondbevinding tot (gedeeltelijke) vernietiging.

5.17.

[eiser] heeft vervolgens naar voren gebracht dat het non-concurrentiebeding door de ontwikkeling die hij in zijn carrière heeft gemaakt aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Dit is volgens hem versterkt door de fusie waaruit Concordia de Keizer in haar huidige vorm is ontstaan.

Hieromtrent wordt overwogen dat het non-concurrentiebeding [eiser] zonder enige beperking tot de groep van verzekerden gebiedt zich gedurende een jaar na beëindiging van zijn dienstbetrekking te onthouden van het hebben van zakelijke contacten met de verzekerden waarvoor hij in dienst van Concordia de Keizer werkzaamheden heeft verricht. Als gevolg van de functiewijziging van [eiser] is deze groep verruimd tot niet alleen marine-verzekerden, maar ook (onder meer) tot schadeverzekerden van de brand-, motorrijtuigen- en particulierenafdeling. Hierdoor heeft het non-concurrentiebeding een ruimere strekking gekregen. Dit is nog versterkt door de fusie waardoor - naar Concordia de Keizer ter comparitie heeft opgemerkt - het aantal andere verzekerden dan marine-verzekerden is verdubbeld. Het non-concurrentiebeding is hierdoor aanmerkelijk zwaarder gaan drukken; niet alleen zakelijke contacten met marine-verzekerden waren verboden, maar na verloop van tijd ook zakelijke contacten met andere verzekerden. Dit leidt echter niet tot algehele vernietiging van het non-concurrentiebeding, zoals [eiser] in conventie onder 3.1 sub n. heeft gevorderd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Ook de conventionele vordering van [eiser] tot gedeeltelijke vernietiging zoals weergegeven onder 3.1 sub o. zal worden afgewezen. [eiser] heeft de ingrijpende wijziging van zijn arbeidsverhouding gebaseerd op de uitbreiding van zijn takenpakket als gevolg van zijn benoeming tot Directeur Marine en Varia en vervolgens Directeur Schadeverzekeringen. De rechtbank oordeelt dat het zwaarder drukken van het non-concurrentiebeding voldoende wordt opgeheven indien de groep verzekerden waarvoor het geldt wordt beperkt tot de marine-verzekerden. [eiser] was verantwoordelijk voor deze groep toen het non-concurrentiebeding is overeengekomen. Anders dan [eiser] heeft gesteld wordt hij hierdoor niet onbillijk benadeeld; naar is gebleken heeft het hem niet belemmerd in het vinden van een andere werkkring.

De rechtbank gaat er verder van uit dat Howden door [eiser] op de hoogte is gesteld van het bestaan en de omvang van het non-concurrentiebeding. Nu Howden geacht moet worden op de hoogte te zijn van de gebondenheid van [eiser] aan het non-concurrentiebeding - dat hem niet verbiedt andere werkzaamheden te verrichten - wegen de belangen van Howden niet zo zwaar dat dit tot een ander oordeel leidt.

Gelet op dit alles is er geen aanleiding om de duur van het non-concurrentiebeding te beperken en evenmin om Concordia de Keizer te veroordelen tot betaling van een vergoeding aan [eiser]. Niet gebleken is immers dat het non-concurrentiebeding [eiser] in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van Concordia de Keizer werkzaam te zijn. Integendeel, [eiser] is kort na zijn ontslag als statutair directeur bij Howden in dienst getreden. Het mislopen van bonus en dividenduitkering bij Howden vanwege handhaving van het non-concurrentiebeding, zoals door [eiser] gesteld, kan niet worden gekwalificeerd als ernstig nadeel.

De vordering in reconventie van Concordia de Keizer, weergegeven onder 3.4 sub A. meer subsidiair, zal worden toegewezen als onder de beslissing is verwoord, onder afwijzing van de reconventionele vorderingen, weergegeven onder 3.4 sub A. primair en subsidiair.

overig

5.18.

[eiser] maakt in conventie aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Nu [eiser] niet heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is de vordering niet toewijsbaar.

Ook de reconventionele vordering van Concordia de Keizer tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar; zij heeft niet toegelicht waarom deze kosten vergoed moeten worden.

5.19.

Elk van partijen is als op enig punt in het ongelijk gesteld te beschouwen. Concordia de Keizer dient immers nabetalingen te verrichten en [eiser] is gebonden aan een minder beperkt non-concurrentiebeding dan hij verlangde. De proceskosten in het incident, in conventie en in reconventie zullen daarom worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

staat Howden toe zich in de hoofdzaak aan de zijde van [eiser] te voegen;

6.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

in conventie

ten aanzien van achterstallig loon, vakantietoeslag en pro rata dertiende maand

6.3.

gelast Concordia de Keizer om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het netto equivalent van €24.474,72 bruto, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW van 50% alsmede met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 augustus 2013 tot de dag van volledige voldoening, aan [eiser] te betalen door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op bankrekeningnummer [rekening] ten name van [eiser] te [woonplaats];

6.4.

gelast Concordia de Keizer om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis aan [eiser] een schriftelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de onder 6.3 bedoelde betaling;

6.5.

veroordeelt Concordia de Keizer om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.4 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

ten aanzien van pensioenpremies

6.6.

gelast Concordia de Keizer om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het bedrag van €2.582,19 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2013 tot de dag van volledige voldoening, te betalen aan ASR Levensverzekering N.V. ten behoeve van de voor [eiser] afgesloten pensioenregeling (administratienummer [nummer]);

6.7.

gelast Concordia de Keizer om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis aan [eiser] een schriftelijk bewijsstuk te verstrekken dat de onder 6.6 bedoelde betaling is verricht;

6.8.

veroordeelt Concordia de Keizer om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.7 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

ten aanzien van het saldo openstaande, niet genoten vakantiedagen

6.9.

gelast Concordia de Keizer om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis het netto equivalent van €13.802,46 bruto, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% alsmede met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 augustus 2013 tot de dag van volledige voldoening, aan [eiser] te betalen door middel van overboeking op bankrekeningnummer [rekening] ten name van [eiser] te [woonplaats];

6.10.

gelast Concordia de Keizer om binnen 5 werkdagen na betekening van het vonnis aan [eiser] een schriftelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de onder 6.9 bedoelde betaling;

6.11.

veroordeelt Concordia de Keizer om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.10 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

6.12.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

ten aanzien van het non-concurrentiebeding

6.13.

verklaart voor recht dat [eiser] voor een periode van één jaar, te rekenen van 1 augustus 2013, gebonden is aan het hierna weergegeven gedeelte van het tussen Concordia de Keizer en [eiser] op 9 maart 2005 schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding en het daarmee verbonden boetebeding, zoals aangehecht aan zijn arbeidsovereenkomst van eveneens 9 maart 2005:

"Werknemer verklaart met werkgever te zijn overeengekomen, dat hij zich gedurende zijn dienstbetrekking en een periode van een jaar na beëindiging van zijn dienstbetrekking met werkgever zal onthouden van:

Het (voor eigen rekening of voor rekening van derden) hebben van zakelijke contacten - in welke zin ook en op wiens initiatief ook - met marine-verzekerden, waarvoor werknemer in dienst van werkgever werkzaamheden heeft verricht en die op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking één of meer verzekeringen hebben, of in de periode drie jaar daaraan voorafgaande hadden, waarbij werkgever (of één harer dochterondernemingen of een aan haar gelieerde onderneming), fungeert of fungeerde als assurantietussenpersoon of als verzekeraar.

Onder het hebben van de hier genoemde "zakelijke contacten" is begrepen het acquireren in de meest ruime zin van het woord, dan wel het betrokken zijn bij dergelijke acquisitie, van marine-verzekeringen, dan wel het trachten marine-verzekeringen te verkopen, dan wel het daadwerkelijk marine-verzekeringen verkopen, dan wel het op welke wijze dan ook bemiddelen bij het tot stand komen van marine-verzekeringsovereenkomsten aan natuurlijke- of rechtspersonen, één en ander voor eigen rekening c.q. voor rekening van een ander dan werkgever.

Bij overtreding van dit beding verbeurt werknemer aan werkgever een onmiddellijke en zonder enige sommatie of rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van € 7.500,00 (zevenduizend en vijfhonderd euro) voor iedere overtreding en van een zelfde bedrag voor iedere dag dat een aangevangen overtreding voortduurt, onverminderd alle rechten van werkgever."

in conventie en in reconventie

6.14.

compenseert de kosten van deze procedure in conventie en in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.15.

wijst het in conventie en in reconventie meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.

2066 / 1573