Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6481

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
10/700409-13 en 10/702435-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Rotterdam heeft een 64-jarige Rotterdammer veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Deze straf wordt opgelegd omdat hij een andere man drie maal met een houten balk hard op het hoofd heeft geslagen. De man is enkele dagen later aan de daardoor opgelopen verwondingen overleden. De rechtbank kwalificeert dit als doodslag. In de gevangenisstraf is ook begrepen dat de verdachte een beveiliger van een supermarkt heeft bedreigd met een mes. Met name de doodslag rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Daarbij speelt in het nadeel van de verdachte een rol dat hij geen aannemelijke verklaring heeft gegeven of verantwoording heeft genomen voor zijn handelen. Ook heeft hij het slachtoffer op brute wijze van het leven beroofd. Tenslotte heeft de verdachte in het verleden al vaker geweldsdelicten gepleegd.

De verdachte dient aan een zus van het slachtoffer een schadevergoeding van ruim 8.400 euro te betalen vanwege de door haar gemaakte kosten van de uitvaart.

De verdachte had zich wat betreft de doodslag beroepen op zelfverdediging (noodweer, noodweerexces en putatief noodweer). Deze verweren heeft de rechtbank verworpen. Er is namelijk niet aannemelijk geworden dat de verdachte genoodzaakt was zich te moeten verdedigen tegen het slachtoffer. Evenmin was er reden voor de verdachte om te denken dat hij zich moest verdedigen tegen het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/700409-13, 10/702435-13 [Promis]

Parketnummer vordering TUL: 10/691289-12

Datum uitspraak: 31 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] Suriname op [geboortedatum] 1949,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats verdachte],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, Koddeweg 100 te Rotterdam,

raadsman mr J.L.A.M. Le Cocq d'Armandville, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 26 november 2013, 20 februari 2014, 24 april 2014 en 17 juli 2014. Op laatstgemelde datum is de zaak inhoudelijk behandeld.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. Ter zitting van 20 februari 2014 zijn de beide in de dagvaardingen vervatte zaken ter berechting gevoegd. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. D. van der Sluis heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2. tenlastegelegde;

- vrijspraak van het onder 1. tenlastegelegde, voor zover het betreft de ten laste gelegde ‘moord’;

- bewezenverklaring van het onder 1. tenlastegelegde, voor zover het betreft de ten laste gelegde ‘doodslag’;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van voorarrest.

DE VERDEDIGING

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 2. tenlastegelegde en ontslag van alle rechtsvervolging vanwege noodweer dan wel noodweerexes dan wel afwezigheid van alle schuld vanwege putatief noodweer voor het onder 1. tenlastegelegde.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de straf groot vier weken dat aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 3 december 2012 onder parketnummer 10/691289-12 van de politierechter in deze rechtbank.

De raadsman heeft gesteld dat de rechtbank, gelet op de door hem gevoerde verweren, niet aan toewijzing van de vordering zal toekomen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 1. tenlastegelegde bestanddeel ‘na kalm beraad en rustig overleg’ - hetgeen in geval van een bewezenverklaring zou kunnen leiden tot de kwalificatie ‘moord’ - niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 1 september 2013 te

Rotterdam

opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1]

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg),

die [slachtoffer 1] (meermalen) (krachtig) met een houten paal/balk, althans een

stomp/hard voorwerp op het hoofd geslagen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 20 juli 2013 te Rotterdam

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (deel van een) mes getoond

en/of (daarbij) deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Kom naar buiten,

dan zal je zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJSMOTIVERING

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING FEIT 2.

Anders dan de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wel heeft gedreigd met het mes. Uit de aangifte van [slachtoffer 2] volgt dat verdachte een mes vasthad dat hij in zijn mouw verborgen hield en dat de verdachte vervolgens het mes in zijn handpalm liet glijden en zijn hand een beetje naar buiten draaide zodat aangever de punt van het mes goed kon zien. Die omstandigheid in combinatie met het toevoegen van de woorden “Kom maar buiten dan zal je zien ” konden - en hebben ook - bij de aangever de vrees doen ontstaan dat hij gestoken zou worden. De aangifte wordt ondersteund door getuige [Getuige 1] en door het aantreffen van messen onder de verdachte. Dat de verdachte met het mes niet heeft gezwaaid of stekende bewegingen heeft gemaakt, doet aan het voorgaande niet af.

BETROUWBAARHEIDSVERWEER FEIT 1.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verklaring van [Getuige 2] geen waarde gehecht moet worden, omdat hij een drugsverslaafde en een delinquent is.

Nog daargelaten dat de verdediging amper concreet heeft weten te duiden waarom de door haar genoemde persoonlijke omstandigheden van de getuige in dit specifieke geval maken dat zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn, is de rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van voornoemde getuige betrouwbaar zijn, nu deze consistent zijn en op groot aantal punten worden ondersteund door andere onderdelen van het dossier. Het verweer wordt daarom verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT 1

I. Het beroep op noodweer

De raadsman heeft gesteld – kort en zakelijk samengevat – dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 1. tenlastegelegde omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Ter feitelijke onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman verwezen naar de door de verdachte afgelegde verklaringen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in totaal vijf verklaringen heeft afgelegd; drie bij de politie, één bij de rechter-commissaris en één ter terechtzitting. In die verklaringen heeft de verdachte meerdere malen verschillend verklaard over (kort samengevat):

- de volgens de verdediging relevant zijnde feiten en omstandigheden die enige weken vóór 29 augustus 2013 zouden hebben plaatsgevonden en de daarbij betrokken personen;

- de feiten en omstandigheden die op 29 augustus 2013, voorafgaand aan het feit, in de woning van de verdachte zouden hebben plaatsgevonden en de daarbij betrokken/aanwezige personen.

De verdachte heeft in zijn verklaringen aldus niet alleen meermalen verschillende scenario’s geschetst maar ook meermalen verschillende namen van personen als ook verschillende signalementen/omschrijvingen van personen gegeven.

Daar komt bij dat al deze scenario’s volkomen op zichzelf staan en niet worden ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen. Bovendien was de door de verdachte verstrekte informatie over de betrokken personen zodanig algemeen, onduidelijk, summier en onvolledig dat deze informatie – hoewel zij door de politie is onderzocht/geverifieerd –

niet heeft geleid tot enige bevestiging van door de verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden en betrokkenheid van genoemde personen.

Ook de verklaringen van de verdachte inhoudende (kort samengevat) dat hij in zijn woning is aangevallen door het slachtoffer, kunnen niet bijdragen aan het bewijs en het beroep op noodweer omdat zij in tegenspraak zijn met de ter plaatse aangetroffen feitelijke situatie. Uit de stukken blijkt namelijk dat het gewonde en niet reagerende slachtoffer (geheel onder het bloed; bloedende snee op het voorhoofd) door de politie is aangetroffen zittend in het midden van een bank terwijl er achter het slachtoffer op de muur bloedspetters zaten. Hieruit blijkt dat het slachtoffer gewond is geraakt terwijl hij op de bank zat en hieruit blijkt geenszins dat de verdachte is aangevallen/aangerand door het slachtoffer.

De rechtbank schuift de lezingen/scenario’s van de verdachte betreffende de voorafgaande feiten en omstandigheden als ongeloofwaardig terzijde.

Het bovenstaande leidt tevens tot de slotsom dat het verweer onvoldoende is onderbouwd en dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Het verweer mist in zoverre feitelijke grondslag. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

II. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De bewezen feiten leveren op:

1 DOODSLAG;

2 BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

I. Het beroep op noodweerexces

In aansluiting op het hiervoor genoemde verweer heeft de raadsman gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij de grenzen van zijn noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een aanval op zijn lijf.

Voor zover al sprake zou zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte op het moment dat hij het slachtoffer sloeg, kan hem dat niet baten. Hiervoor is namelijk al vastgesteld, kort gezegd, dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces.

II. Het beroep op afwezigheid van alle schuld vanwege putatief noodweer

Voor zover de verdachte heeft verondersteld, naar de raadsman heeft gesteld, dat er toch sprake was van een noodweersituatie op grond waarvan hij heeft gehandeld, was die veronderstelling niet gerechtvaardigd. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande tevens niet aannemelijk geworden dat er in de woning een situatie is ontstaan waaruit de verdachte kon of mocht afleiden dat hij – naar objectieve maatstaven gemeten – zich moest verdedigen. Van putatief noodweer was derhalve geen sprake.

De rechtbank verwerpt dan ook tevens het beroep op afwezigheid van alle schuld.

IIIa. Het rapport van de deskundigen

Uit het door P.E. Geurkink, forensisch psycholoog, en M.F. de Vries, psychiater, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht, over verdachte uitgebracht rapport van 19 december 2013 komt onder meer het navolgende naar voren:

Betrokkene heeft het huidige onderzoek geweigerd. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de weigering op basis van pathologische gronden, zoals bijvoorbeeld een psychotische stoornis, plaatsvond. Door de consequente weigering van betrokkene om deel te nemen aan de gespreks- en onderzoekscontacten, alsmede het grotendeels ontbreken van objectiveerbare informatie, is het onderzoek te beperkt om een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens aan te tonen, dan wel uit te sluiten.

Op basis van bovenstaande concluderen ondergetekenden dat, nu zij niet in staat zijn de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens te onderbouwen dan wel uit te sluiten, er geen uitspraak kan worden gedaan over doorwerking van een eventuele pathologie van betrokkene in het tenlastegelegde. Op grond hiervan achten onderzoekers het evenmin mogelijk een inschatting te maken van het recidiverisico op basis van een stoornis.

IIIb. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de constateringen en conclusies in voormeld rapport. Op grond daarvan, alsmede op grond van haar constateringen ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend.

IV.

Nu er ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft in zijn woning het slachtoffer driemaal zodanig geslagen met een houten paal (balk) dat deze na enige dagen aan zijn verwondingen is overleden.

Over de (directe) aanleiding tot het feit tast de rechtbank in het duister. Wel acht de rechtbank zeer aannemelijk dat bij het feit de aanzienlijke alcoholconsumptie van de verdachte – twee uur na het feit werd bij hem nog een alcoholpercentage gemeten van vijf maal de toegestane wettelijke hoeveelheid – en het gebruik van cocaïne een belangrijke negatieve rol hebben gespeeld.

Verdachte heeft door het plegen van dit feit één van de meest ernstige en meest ingrijpende misdrijven gepleegd die het Wetboek van Strafrecht kent, namelijk iemand van het leven beroven. Levensberoving is een delict dat voor de nabestaanden bijzonder traumatiserend is en bij hen kan leiden tot langdurige psychische schade. In dit geval kan de rechtbank zich voorstellen dat de omstandigheden als gevolg waarvan en waaronder het slachtoffer is overleden en zonder dat er duidelijkheid is over een aanleiding, deze schade alleen maar versterken.

Daarnaast veroorzaakt een dergelijk feit – met name door de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het is gepleegd – in de samenleving gevoelens van afschuw en onbegrip en versterkt het ook de in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank beseft dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden vermoedelijk hun leven lang nog zullen ervaren.

Daarenboven heeft de verdachte in een winkel een beveiligingsbeambte bedreigd door hem een mes te tonen en hem bedreigende woorden toe te voegen. Helaas past dit feit vrijwel naadloos in het beeld van de verdachte zoals dat naar voren komt uit het hierna te noemen reclasseringsvroeghulprapport en diens strafblad.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan, met name omdat hij reeds vele malen eerder met politie, justitie en de strafrechter in aanraking is gekomen. Kennelijk heeft hij daarvan weinig opgestoken, althans heeft hij door het plegen van deze feiten te kennen gegeven zich daaraan weinig gelegen te laten liggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten en de diep geschokte rechtsorde, niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Wat de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juli 2014

en het reclasseringsvroeghulprapport van 3 september 2013.

Uit voornoemd uittreksel blijkt dat de verdachte vele malen eerder met politie, justitie en de strafrechter in aanraking is geweest en onder andere meermalen is veroordeeld vanwege geweldsdelicten (waaronder begrepen bedreigingen) en aan alcoholgebruik gerelateerde overtredingen.

Bij de strafoplegging hanteert de rechtbank als uitgangspunt voor doodslag een gevangenisstraf vanaf acht jaar. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte volgens zijn strafblad eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten en aan alcoholgebruik gerelateerde overtredingen.

Daarbij overweegt de rechtbank dat de verdachte ervoor heeft gekozen om te volharden in een – steeds wijzigend – alternatief scenario waarin hij gedwongen zou zijn geweest om het slachtoffer te slaan met een houten balk. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de rechtbank deze lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Dat betekent ook dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven of verantwoording heeft genomen voor zijn handelen: iemand beroven van het leven. Gelet hierop, alsmede op de brute wijze waarop hij het slachtoffer van het leven heeft beroofd en in het licht van het strafblad van de verdachte waarop vele geweldsdelicten voorkomen, is de door de officier van justitie gevorderde straf ook in de ogen van de rechtbank passend en geboden.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de nabestaande van het slachtoffer: mevrouw [Benadeelde partij], ter zake van het onder 1. ten laste gelegde strafbare feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.441,92 aan materiële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Voor zover de vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist, wijst de rechtbank deze betwisting van de hand. Ook de posten ter zake van een noodpaspoort (aangeschaft kort na het overlijden van het slachtoffer en kort voor de uitvaartplechtigheid), reiskosten voor het vergeefs pogen de urn met as op te halen en het maken van video-opnamen van de uitvaart komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de rechtbank de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013, integraal zal toewijzen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING NA VOORWAARDELIJK VEROORDELING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 3 december 2012 (parketnummer 10/691289-12) van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan een gedeelte van vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 17 december 2012. De hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en vóór het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14g, 36f, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij], wonende aan [adres en woonplaats 2], toe tot een bedrag van € 8.441,92 (achtduizend vierhonderdéénenveertig euro en tweeënnegentig eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [Benadeelde partij], wonende aan[adres en woonplaats 2], te betalen € € 8.441,92 (achtduizend vierhonderdéénenveertig euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 77 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 4 (vier) weken, van de bij vonnis d.d. 3 december 2012 van de politierechter in deze rechtbank onder parketnummer 10/691289-12 aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter,

mr. M. van Kuilenburg en mr. K. Helmich, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2014.

De jongste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van [verdachte] d.d. 31 juli 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

(parketnummer 10/700409-13)

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 1 september 2013 te

Rotterdam

opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg),

die [slachtoffer 1] (meermalen) (krachtig) met een houten paal, althans een

stomp/hard voorwerp op het hoofd geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(parketnummer 10/702435-13)

2.

hij op of omstreeks 20 juli 2013 te Rotterdam

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (deel van een) mes getoond

en/of (daarbij) deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Kom naar buiten,

dan zal je zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Bijlage II bij vonnis van [verdachte] d.d. 31 juli 2014:

GEBEZIGDE BEWIJSMIDDELEN

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

1.

Het proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2013265883 (onderzoek Wevershoek, zaaksproces-verbaal met diverse bijlagen op doorgenummerde dossierpagina’s 1-386).

2.

Het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 70-73), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van de verbalisant:

Ik, verbalisant, heb het geluidsfragment van de melding op 29/08/2013 om 14:15 uur aan de

[adres 3] te Rotterdam bij de politiemeldkamer opgevraagd.

Dit geluidsfragment werd door uitgeluisterd en uitgewerkt.

De personen die deelnamen aan het telefoongesprek werden als volgt weergegeven:

MK = Centraliste meldkamer

O = Melder (verdachte [verdachte])

GESPREK

MK: Meldkamer politie.

O: Hallo? Mag ik politie? In Rotterdam [adres 3]

(straatnaam/huisnummer slecht te verstaan)

MK: Meneer waarom wilt u politie?

O: [adres 3]

MK: [adres 3]?

O: [adres 3]

MK: Waarom wilt u politie?

O: Die man komt en ik heb hem helemaal kapot gemaakt?

MK: WAAROM WILT U POLITIE?

O: .. die man komt in mijn woning en ik heb ehhh...gewoon kapot gemaakt. [adres 3].

(71)

MK: Ja maar...in de [adres 3]?

O: [adres 3]

O: Want ik heb die man helemaal kapot geslagen en ik ga doodmaken...

(72)

O: .. hij is bewusteloos.

MK: Is hij nog in de woning dan?

O: Ja.

(73)

Ik hoorde tijdens het gesprek dat de melder met een dubbele tong sprak en kennelijk onder invloed was van alcoholische drank of andere stoffen.

Door mij werd op 30 augustus 2013 de verdachte [verdachte] gehoord. Tijdens dit geluidsfragment van de melding herken ik de stem van de melder als de verdachte [verdachte].

Verdachte : [verdachte] (man), geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats] in Suriname.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 1-3), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van de verbalisant:

Op 29 augustus 2013 omstreeks 14:20 uur kregen ik samen met collega [verbalisant 1] van de politiemeldkamer de opdracht te gaan naar de [adres 4] te Rotterdam.

Hier zou een man in de woning zijn gekomen.

Omstreeks 14:22 uur kwamen ik en mijn collega [verbalisant 1] ter plaatse aan de [adres 3] te Rotterdam. Hier werden ik en mijn collega [verbalisant 1] aangeroepen door een man op de derde

verdieping. Deze riep naar ons. Ik en mijn collega [verbalisant 1] gaven de man de opdracht de portiekdeur te openen. Ik zag dat het een andere woning betrof dan de politiemeldkamer ons had aangegeven. Het bleek te gaan om de [adres 3] te Rotterdam. Dit betrof een portiekwoning gelegen op de derde verdieping. Middels de trap zijn ik en mijn collega [verbalisant 1] naar boven gegaan. Ik en mijn collega [verbalisant 1] zagen dat de man de voordeur van de woning reeds had geopend. Ik zag dat hij wees in de richting van de woonkamer. Ik zag dat er op de bank in de woonkamer een man zat. Ik zag dat de man midden op de bank zat. Ik zag dat het hoofd van de man geheel onder het bloed zat. Ik zag dat er op de muur achter de man bloedspetters zaten. Ik zag dat de man niet reageerde op aanspreken. Ik zag dat hij een grote bloedende snee op zijn hoofd had. Ik zag dat er in de woning aan de rechterzijde van de woonkamer op de grond een houten balk lag. Ik zag dat er aan een zijde van de balk aan het uiteinde bloedspetters zaten.

Roulerend heb ik samen met de collega's [Verbalisant 2] en [verbalisant 1] het slachtoffer beademend en gereanimeerd, totdat de ambulance ter plaatse was. Omstreeks 14:35 uur kwam de ambulance ter plaatse. Omstreeks 14:42 uur kwam collega [Verbalisant 2] met een zorgverzekeringspas van het Maasstad van het slachtoffer. Hier stonden de volgende gegevens op: [slachtoffer 1], geboortedatum [geboortedatum]1960.

3.

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 december 2013, zaaknummer 2013.09.02.008, opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog, inhoudende – zakelijk weergegeven:

Overledene:

Naam [slachtoffer 1]

Geboortedatum [geboortedatum] 1960

De overledene is overleden in het EMC te Rotterdam op 1 september 2013 omstreeks 12.35 uur.

Interpretatie van resultaten:

Volgens verkregen inlichtingen van de verbalisant zou deze 52 jaar oud geworden man circa 3 dagen vóór het overlijden en 5 dagen vóór de sectie betrokken zijn geweest bij een ruzie en met een 'balk' zijn geslagen. Na de melding van het incident werd hij niet aanspreekbaar aangetroffen en gereanimeerd. Hij werd overgebracht naar het EMC te Rotterdam en opgenomen op de IC, waar hij ondanks behandeling op de 3e opnamedag overleed.

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1960, is het navolgende gebleken:

2. in de middellijn en rechts op het hoofd meerdere oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging, deels met een specifiek patroon en één chirurgisch gehechte, streepvormige, vrij scherprandige huidbeschadiging (een huidscheur) reikend tot op het botvlies

3. paarsblauwe bloeduitstorting in het boven- en onderooglid rechts en rechts naast de buitenooghoek een oppervlakkige huidbeschadiging met indroging en een klein T-vormig huiddefect

4. uitgebreide, paarsblauwe, onderhuidse bloeduitstortingen rechts op het hoofd en uitgebreide, paarsblauwe bloeduitstorting in de rechterslaapspier

5. gebarsten schedelnaad van het schedeldak rechts zijwaarts met voortzetting in een breuk van de voorste groeve van de schedelbasis rechts en, op deze schedelnaad loodrecht verlopende, breuken van het schedeldak rechts, met bloeduitstortingen

6. een verdere, kleine breuk (niet in verbinding met de breuken sub 5) op de overgang van voorhoofd naar schedeldak rechts met bloeduitstorting in de 'breukspleet'

7. breuken van het oogkasdak rechts

8. breuken van de aangezichtsbeenderen rechts bij de voorafgaande aan de sectie verrichte CT scan

11. bloed en bloedstolsels onder het harde hersenvlies passend bij een één of enkele dagen oud subduraal hematoom, bloed onder de zachte hersenvliezen beiderzijds

12.verse contusie (hersenkneuzing) aan de onderzijden van de grote hersenen (slaapkwab) rechts en mogelijk de achterzijde van de kleine hersenen rechts, tekenen van ernstige herseninklemming en algehele beschadiging van de hersenen door zuurstoftekort bij aanvullend neuropathologisch onderzoek.

Interpretatie van resultaten:

Bij de sectie werden tekenen gevonden van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch vlak en/of kantig botsend geweld op het lichaam (2 t/m 4) zoals kan worden opgeleverd door slaan of (zich) stoten. Er waren aanwijzingen voor minimaal drie maal inwerkend geweld op het hoofd.

De geweldsinwerking op het hoofd heeft geleid tot zeer ernstige letsels aan de schedel (5 t/m 8) en zeer ernstige inwendige letsels (11, 12).

Conclusie:

Het overlijden van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1960, wordt verklaard door uitval van hersenfuncties opgetreden als verwikkeling van botsend geweld op het hoofd.

4.

Het proces-verbaal (dossierpagina’s 256-292), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van de verbalisanten dan wel één van hen:

AANVANG ONDERZOEK

Op 29 augustus 2013, omstreeks 14.35 uur, werd ik, verbalisant [verbalisant 3], door personeel

van de politiemeldkamer in kennis gesteld van het feit, dat er een zware mishandeling had

plaatsgevonden in een woning aan de [adres 3] te Rotterdam.

Wij kwamen ter plaatse. Ons werd verzocht een forensisch onderzoek in te stellen.

BEVINDINGEN ONDERZOEK

(265)

Foto 5

Opname van een gedeelte van de woonkamer van de woning [adres 3] te Rotterdam. Wij zagen op de wand achter de bank bloedsporen. Deze bloedsporen werden door ons bemonsterd en als volgt veiliggesteld en met SIN gewaarmerkt:

AAGF8828NL = bemonstering bloed muur

(270)

Foto 10

Opname van een gedeelte van de woonkamer van de woning [adres 3] te

Rotterdam.

Op de muur achter deze bank zagen wij een bloedspattenpatroon. Dit patroon bestond uit voornamelijk kleine spatten en druppels. Hieruit kan worden afgeleid dat er met kracht en snelheid met een voorwerp in bloed is geslagen en er bij een zwaaiende beweging van dat voorwerp spatjes bloed op de muur zijn geland.

(271)

Foto 11

Opname van een gedeelte van de bij foto 10 beschreven muur achter de bank in de woonkamer van de woning [adres 3] te Rotterdam.

Op deze foto staat een gedeelte van het bloedspattenbeeld direct boven de rugleuning van de bank afgebeeld. De gele pijlen geven de richting aan waarin de bloedspatten op de muur terecht zijn gekomen. In de toplaag van het behang op deze muur zagen wij enkele streepvormige beschadigingen. De positie van deze beschadigingen is met behulp van de blauwe strepen op deze foto gemarkeerd. Mogelijk zijn deze beschadigingen het gevolgen van het schampen langs de muur van een slagvoorwerp. Vanuit de aangetroffen situatie kan worden afgeleid dat het zeer waarschijnlijk is dat een persoon die op de bank zat meerdere malen is geslagen met een slagvoorwerp. Ten gevolge

van dit slaan is die persoon gaan bloeden en is op dezelfde plaats nogmaals geslagen waardoor er

bloedspatten op de muur terecht kwamen en het slagvoorwerp bebloed raakte, waardoor er ook

bloedspatten vanaf het slagvoorwerp op de muur terecht zijn gekomen

(278)

Foto 18

Opname van een gedeelte van de woonkamer van de woning [adres 3] te

Rotterdam. Op deze foto staat een gedeelte van de houten balk (SIN AAGF8810NL) afgebeeld en

is te zien dat deze houten balk bebloed was.

5.

Het proces-verbaal (dossierpagina’s 310-326), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van de verbalisanten:

(311)

AANVANG ONDERZOEK

Op 29 augustus 2013 werd in een woning aan de [adres 3] te Rotterdam een gewonde man aangetroffen. Deze man (het slachtoffer) bleek te zijn genaamd:

[slachtoffer 1], geboren [geboortedatum slachtoffer 1]1960 te Curaçao (NLA).

Dit slachtoffer was gewond aan zijn hoofd en werd in zorgwekkende toestand overgebracht naar het

Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. Daar is het slachtoffer op 1 september 2013 overleden.

Naar de omstandigheden rondom de dood van het slachtoffer werd een onderzoek gestart.

Tijdens het forensisch onderzoek werd in de woonkamer van de woning, het vermoedelijke

slagwapen, betreffende een houten balk aangetroffen. Deze balk was bebloed.

BEVINDINGEN ONDERZOEK

(320)

Foto 11 en 12

In de woonkamer was tijdens het forensische onderzoek een houten balk (AAGF8810NL)

aangetroffen. De balk was circa 124 centimeter lang. Een uiteinde was haaks afgezaagd. Het andere

uiteinde was over een lengte van circa 9 centimeter schuin afgezaagd.

(321)

Foto 13

Het bloedspoor (AAGN8947NL) aangeduid in de blauwe cirkel is voor DNA-onderzoek bemonsterd.

6.

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (dossierpagina’s 375-381), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van de verbalisant:

(375)

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AADW9631NL een referentlemonster bloed van het slachtoffer [slachtoffer 1]

(geboren op [geboortedatum] 1960)

(afgesplitst van stoffelijk overschot AAGF8255NL)

AAGF8795NL#01 een stukje stof met bloed (van de voorzijde van de broek van de

verdachte)

AAGF8799NL#01 een stukje stof met bloed (van de voorzijde van het t-shirt van de

verdachte)

AAGF8828NL#01 een bemonstering met bloed (van de muur boven de bank in de

woonkamer)

AAGN8947NL#01 een bemonstering met bloed (van de houten balk AAGF8810NL, uit de

woonkamer van de woning

(376)

Resultaten, interpretatie en conclusies:

Van het referentiemonster bloed AADW9631NL van het slachtoffer [slachtoffer 1] is een

DNA-profiel verkregen dat samen met het eerder verkregen DNA-profiel van de verdachte

[verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1949) is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN Beschrijving DNA-profiel Matchkans DNA-profiel

AAGF8795NL#01 afgeleid DNA-hoofdprofiel kleiner dan één op één miljard

(voorzijde broek van een man

verdachte) - [slachtoffer 1]

AAGF8799NL#01 DNA-mengprofiel van twee

(voorzijde t-shirt personen

verdachte) - [slachtoffer 1] kleiner dan één op één miljard

- [verdachte]

AAGF8828NL#01 DNA-profiel van een man kleiner dan één op één miljard

(muur boven bank in - [slachtoffer 1]

woonkamer)

AAGN8947NL#01 DNA-profiel van een man kleiner dan één op één miljard

(houten balk - [slachtoffer 1]

woonkamer)

7.

Het proces-verbaal van verhoor (dossierpagina’s 77-81), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [Getuige 2]:

(77)

V: Hoe is je oom genaamd?

A: [verdachte].

V: Wat kun jij over het incident vertellen van afgelopen donderdag 29 augustus 2013?

A: Ik was om ongeveer 09:00 uur in de ochtend bij mijn oom thuis aan de [adres 3] te Rotterdam. Ik zag dat mijn oom helemaal bezopen was. Ik bedoel alcohol.

Ik zag ook een Somalische man in de woning. Hij is genaamd [naam].

Ik ben omstreeks 09:25 uur uit de woning van mijn oom vertrokken.

(78)

Ik ben een kwartier weggeweest en ben erna weer teruggegaan naar de woning van mijn oom. Ik ben toen samen met mijn oom naar de Gall en Gall en de Albert Heijn gegaan om drank te halen. Wij hadden een fles vieux en 8 blikken bier.

Omstreeks 10:30 uur zat ik mijn bier te drinken en ik stond naar buiten te kijken.

Op een gegeven moment zag ik een Antilliaanse man aankomen met blikjes bier

in zijn hand. Ik hoorde die Antilliaanse man zeggen "[verdachte] ik heb geld voor je". Mijn oom heeft toen de voordeur geopend voor die Antilliaanse man. Ik hoorde dat die man naar boven kwam gelopen. Wij waren op dat moment met vier man in de woning. De Somalische man, mijn oom, ik en die Antilliaanse man. Ik hoorde dat mijn oom die Antilliaanse man [slachtoffer 1] noemde. Ik weet

dat mijn oom en die [slachtoffer 1] samen hebben gewerkt in [bedrijf].

Ik hoorde mijn oom zeggen dat hij [slachtoffer 1] al lang kende. Ik zag dat mijn oom vervolgens per ongeluk een klap op zijn hoofd kreeg aan de rechterzijde. Ik zag aan het non verbale gedrag dat mijn

oom dit niet leuk vond.

Ik heb tegen die [naam] gezegd dat hij weg moest gaan. Ik zag dat [naam] de woning verliet. Ik ben

achtergebleven in de woning met mijn oom en [slachtoffer 1]. Ik hoorde mijn oom tegen [slachtoffer 1] zeggen waarom hij hem op zijn hoofd had geslagen. Ik ben weggegaan en heb de woning dus verlaten.

8.

Het proces-verbaal van verhoor (dossierpagina’s 49-51), opgenomen als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal, inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van de verdachte:

(50)

V: Waar woon je?

A: [adres 3].

(51)

A: … Ik heb een ding bij de voordeur staan om de deur dicht te houden. Die heb ik gepakt.

Ik heb geslagen en geslagen. Ik weet niet of hij dood is. Dat heb ik gedaan. In mijn eigen woonkamer. Is hij dood? Dan ben ik blij.

V: Met wie was je in je woning?

A: Ik was alleen.

(51)

V: Je was toch alleen? Ik praat over vandaag he.

A: Oh, .. Die man was binnen. Die zat te lachen en zat in mijn bank. Ik heb toen hout gepakt en ik heb geslagen.

A: Ik weet niet waar ik heb geslagen. Ik heb toen politie ook gebeld.

A: Is die man dood? Want ik maak hem alsnog dood.

9.

Het proces-verbaal van aangifte (dossierpagina’s 5-7), opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal met registratienummer PL1700-2013223160 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-31), van politie Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [slachtoffer 2]:

Feit: Bedreiging

Plaats delict: Rotterdam

Pleegdatum/tijd: 20 juli 2013 te 15:40 uur

Ik ben werkzaam als beveiligingsbeambte. Vandaag was ik werkzaam bij de Lidl, [adres 5] te Rotterdam.

Vandaag 20 juli 2013, omstreeks 15:30 uur, hoorde ik dat een van de kassamedewerksters een man terug riep die zojuist de kassa was gepasseerd. Ik zag dat de verdachte vloe pakte. Ik zag dat de verdachte hierna naar de uitgang liep zonder de vloe ter betaling aan te bieden.

Ik heb de verdachte toen naar buiten gezet. Vervolgens zag ik dat hij bij de ingang van de winkel bleef staan. Op dat moment stond ik in de deuropening en de verdachte stond net buiten op straat op ongeveer een meter afstand van mij. Op dat moment kwam mijn collega erbij.

Ik hoorde dat de verdachte tegen mij zei: "Kom naar buiten toe." Ik hoorde mijn collega zeggen dat ik niet naar buiten moest gaan omdat de verdachte een mes had. Ik zag op dat moment dat hij zijn rechterarm strekte. Ik zag dat er in de mouw van zijn rechterarm een mes zat. Ik zag dat het scherpe deel, de punt, van het mes naar buiten stak. Ik ben in de deuropening blijven staan omdat ik bang was dat hij mij zou steken met dat mes. De afstand tussen de verdachte en mij was nog steeds ongeveer een meter. Ik zag dat het mes een beetje uit zijn mouw liet zakken. Ik zag dat hij het mes in zijn handpalm liet glijden en dat hij het overgrote deel van het mes, inclusief het handvat in zijn mouwen verborgen hield. Ik zag dat hij zijn hand een beetje naar buiten draaide zodat ik de punt van het mes goed kon zien. Ik voelde mij enorm bedreigd.

10.

Het proces-verbaal van verhoor (dossierpagina’s 8-9), opgenomen als bijlage in het proces-verbaal met registratienummer PL1700-2013223160 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-31), van politie Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [Getuige 1]:

Ik ben als beveiliger werkzaam. Op zaterdag 20 juli 2013 was ik samen met mijn collega [slachtoffer 2] werkzaam in de supermarkt van Lidl aan de [adres 5] te Rotterdam.

Omstreeks 15.30 uur bemerkte ik dat er iets gaande was bij de ingang van de winkel. Ik zag dat mijn collega in discussie was met een man. Het ging over vloeitjes. Ik zag toen dat mijn collega de man naar buiten stuurde. Ik hoorde toen dat een van de klanten tegen mij zei: kijk uit hij heeft een mes bij zich. Ik liep die kant op en zag toen dat de man een mes in zijn rechtermouw had. Ik zag het puntje van het mes uit zijn mouw steken en met zijn hand hield hij die vast. Toen had mijn collega hem buiten gezet. Ik hoorde toen dat de man tegen mijn collega zei: Kom naar buiten dan zal je zien.

Ik zei tegen mijn collega: Kijk uit hij heeft een mes bij zich. Ik heb wel gezien dat de man het mes uit zijn mouw had gehaald en in zijn tas had gedaan.

11.

Het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 15-16), opgenomen als bijlage in het proces-verbaal met registratienummer PL1700-2013223160 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-31), van politie Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van de verbalisanten dan wel één van hen:

Op 20 juli 2013 omstreeks 15:35 uur reden wij in Rotterdam. Op dat moment hoorden wij, dat de meldkamer een melding uitgaf van een bedreiging met een mes, die zojuist had plaatsgevonden op de [adres 5] te Rotterdam. De beveiliger van supermarkt "Lidl" zou door een klant bedreigd zijn met een mes.

Ter plaatse op de [adres 5] bij de Lidl, werd ik, verbalisant [verbalisant 4], te woord gestaan door een man die zichzelf voorstelde als de beveiliger die zojuist was bedreigd. Desgevraagd gaf hij op te zijn genaamd, [slachtoffer 2].

In het kort verklaarde hij het volgende:

"De man die mij zojuist bedreigd heeft staat nu met uw collega's te praten op het pleintje"

Ik, verbalisant [verbalisant 4], zag dat er 3 collega's bij een man op het voornoemde pleintje stonden.

Deze collega's waren in gesprek met deze man. Ik heb vervolgens aangegeven aan deze collega's dat de man alwaar ze mee stonden te praten aan konden houden ter zake bedreiging.

Vervolgens hebben de ter plaatse gekomen collega's de verdachte aangehouden voor bedreiging.

De verdachte bleek later te zijn genaamd:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1949 te[geboorteplaats] Suriname, woonachtig aan de [adres en woonplaats verdachte].

Ik, verbalisant [verbalisant 5], zag dat [verdachte] bij zijn aanhouding een zwarte tas bij zich droeg. Ik zag tevens dat deze tas open stond. Ik zag dat er in deze tas een keukenmes met een roze handvat zat. Hierop heb ik, verbalisant, [verbalisant 5] een verder onderzoek in deze tas ingesteld. In de tas werd door mij een vijftal messen aangetroffen.