Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6463

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
10/610013-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verlenging PIJ-maatregel. Behandeling is volgens de instelling contra-geïndiceerd. De verlenging van de maatregel is gevorderd ten behoeve van het inzetten van resocialisatieverlof. De verlofvoorschriften van het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn echter zo streng dat dit resocialisatie in de weg staat, waardoor verlof niet van de grond komt. De rechtbank is gelet hierop, met de instelling, de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verlenging niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. Hoewel ongewenst, moet de vordering hierdoor worden afgewezen (artikel 77t.3 jo. 77s.1.c Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/610013-09

Datum uitspraak: 26 juni 2014

BESCHIKKING

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, opgelegd aan:

[naam veroordeelde], hierna te noemen de veroordeelde,

geboren te [geboortedatum en geboorteplaats]

thans verblijvende in de Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt, locatie Spijkenisse,

raadsman mr. A.P. Visser, advocaat te ’s-Gravenhage.

PROCEDURE

Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 30 juli 2009, is aan de veroordeelde ter zake van diefstal met bedreiging met geweld in vereniging en diefstal in vereniging door middel van braak opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in hoger beroep aan de veroordeelde op 26 januari 2010 ter zake van diefstal met geweld opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Bij beslissing van deze rechtbank van 26 april 2012 werd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verlengd met achttien maanden.

Op 13 mei 2014 is op de griffie van de rechtbank binnengekomen de vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht, gedateerd 12 mei 2014 met daarbij gevoegd een advies van het hoofd van de inrichting waar de veroordeelde verblijft van 2 april 2014, inclusief de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde. Het advies strekt ertoe de maatregel te verlengen met drie maanden.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de besloten terechtzitting van 26 juni 2014. De officier van justitie, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman en de getuigen-deskundigen [naam deskundige] en [naam deskundige] zijn gehoord.

De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek op de besloten terechtzitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. De veroordeelde en de raadsman hebben eveneens gepleit voor afwijzing van de vordering.

BEVOEGDHEID

De rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien zij in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast.

ONTVANKELIJKHEID

Het openbaar ministerie kan worden ontvangen in zijn vordering, nu deze niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen door tijdsverloop zou eindigen, is ingediend.

BEOORDELING

Het verlengingsadvies houdt onder meer het volgende in.

De veroordeelde heeft zich viermaal eerder onttrokken aan de behandeling. Hierdoor is geen vastomlijnd resultaat voorhanden met betrekking tot de gevolgde interventies tijdens zijn behandeling. Het is ook niet duidelijk gebleken wat het effect is geweest van de interventies en wat daarmee is bereikt. Analyses van de onderzoeken bij de veroordeelde leveren onvoldoende nauwkeurige diagnoses op om aan te geven welke persoonlijkheidsaspecten specifieke behandeling behoeven. De veroordeelde heeft een aantal behandelingen niet afgerond, daar deze zijn onderbroken door zijn onttrekkingen en ernstige incidenten. Op grond van diverse verslagen en observatieresultaten lijken de behandelmogelijkheden binnen de diverse JJI-instellingen onvoldoende effect te hebben gesorteerd, mede gelet op de motivatie van veroordeelde, zijn bereidheid daaraan mee te werken en de tot nu toe behaalde doelen. De behandelingen zijn wisselend verlopen, niet altijd procesmatig afgemaakt en hebben partieel resultaat geboekt. De conclusie luidt thans dat de behandeling op dit moment contra-geïndiceerd lijkt en de veroordeelde alleen gemotiveerd zal zijn om aan zijn persoonlijkheid te willen werken indien hij daar last van heeft. Gezien de inschatting dat de kans op recidive hoog is moet zijn traject van resocialisatie met maximale waarborgen omgeven worden. De veroordeelde heeft sinds zijn plaatsing bij De Hartelborgt in augustus 2013 geen verlof meer genoten en op grond van zijn gedrag, houding en de resultaten van de interventie Leren van Delict wordt het recidiverisico thans als matig beoordeeld. Gelet hierop wordt geadviseerd de maatregel gedurende het aanstaande verloftraject met drie maanden te verlengen, zodat kan worden nagegaan welke resultaten met zijn stage zijn behaald. Daarnaast kan hij in die periode op zoek gaan naar zinvolle dagbesteding.

De getuigen-deskundigen hebben tijdens de behandeling ter terechtzitting het verlengingsadvies toegelicht en hebben daarbij verklaard dat het de bedoeling was dat het verloftraject van de veroordeelde werd ingezet. Echter, gezien de onttrekkingen van de veroordeelde in het verleden, worden door het Ministerie van Veiligheid en Justitie zulke stringente voorwaarden gesteld aan het verlof, dat de instelling het daarmee vanuit pedagogisch oogpunt niet eens kan zijn. Naar de mening van de getuigen-deskundigen zal deze strikte vorm van verlof, waarbij de veroordeelde met drie begeleiders en een broekstok bij zijn ouders op verlof gaat, niet bijdragen aan een goed resocialisatietraject. Daarnaast is de moeder van de veroordeelde het ook niet eens met deze vorm van verlof, waarbij zij naast haar zoon drie man beveiliging in huis krijgt, zodat het niet van de grond kan komen. Gelet op de wetenschap dat behandeling van de veroordeelde contra-geïndiceerd is, zien de getuigen-deskundigen thans geen reden meer om de veroordeelde nog langer binnen de instelling te houden. Daarbij komt nog dat de veroordeelde het de afgelopen periode goed heeft gedaan en zich in deze lastige situatie welwillend heeft opgesteld (hij was na ampele afweging akkoord gegaan met het verlof onder de door het Ministerie gestelde eisen).

De officier van justitie heeft in afwijking van de ingediende vordering ter terechtzitting geconcludeerd tot afwijzing daarvan. De officier stelt zich op het standpunt dat gezien de buitenproportioneel strenge voorwaarden die het Ministerie stelt voor verlof, de resocialisatie van de jeugdige niet naar behoren kan plaatsvinden. Ondanks dat de officier van justitie in het besluitvormingstraject akkoord was gegaan met resocialisatieverlof onder naar zijn opvatting passende en geboden, maar minder stringente veiligheidsmaatregelen, en ondanks inspanningen van de instelling en hemzelf is het Ministerie niet van standpunt gewijzigd. Daarbij komt dat verdere behandeling van de veroordeelde contra-geïndiceerd is. Een verdere verlenging van de maatregel zal derhalve niet in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de veroordeelde.

De raadsman van de veroordeelde heeft gepleit voor afwijzing van de vordering, daar een verlenging, in het licht van de verlofsituatie van de veroordeelde, niet in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de veroordeelde kan worden geacht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 77t, derde lid, tweede volzin, in verband met artikel 77s, eerste lid, aanhef en onder c van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen slechts kan plaatsvinden, indien dat in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. De verlenging van de maatregel is gevorderd ten behoeve van het inzetten van resocialisatieverlof. Behandeling is contra-geïndiceerd. Ter terechtzitting is gebleken dat het voorgenomen verloftraject door de omstandigheden - waaraan de veroordeelde zelf overigens deels debet is geweest - niet kan worden opgestart. Dit aangezien de voorschriften vanuit het Ministerie voor verlof zodanig streng zijn dat die resocialisatie van de veroordeelde in de weg staan en aangezien veroordeeldes moeder, bij wie het verlof zou moeten plaatsvinden, met de gestelde voorwaarden niet instemt. De aanscherping heeft, naar ter zitting duidelijk is geworden, namelijk tot gevolg dat de veroordeelde in het begin van het traject (vijfmaal) met gewapende begeleiders en een broekstok op verlof gaat naar zijn ouders. Nu het voorgenomen traject niet zal starten, zou de veroordeelde, in geval van verlenging van de maatregel, de gevorderde drie maanden doorbrengen in de instelling, zonder dat hij op verlof zou gaan of behandeling zou plaatsvinden. De rechtbank is gelet hierop, met de instelling, de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verlenging van de maatregel niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. Hoewel dit rauwelijks eindigen van de PIJ-maatregel ongewenst is, moet de vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen hierdoor worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank

wijst af de vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, opgelegd aan [naam veroordeelde] voornoemd.

Deze beslissing is genomen door

mr. F. Aukema-Hartog, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2014.

De jongste rechter en de griffier zijn wegens afwezigheid niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te Arnhem.