Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6384

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
661101-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan acht vermogensdelicten. Het wordt verdachte zwaar aangerekend dat hij een deel van de bewezen feiten heeft gepleegd in verzorgingshuizen en dat de slachtoffers ouderen/(hoog)bejaarden alsook doven betroffen. Aan deze feiten ligt een zekere vorm van geslepenheid ten grondslag, bestaande uit een zorgvuldige selectie van de minst weerbaren in de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers en hij heeft zich daarbij in het geheel niet bekommerd om de hinder en schade daarvan voor hen. De verdachte heeft ter terechtzitting geen oprecht berouw getoond over wat hij misdaan heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: [parketnummer]

Parketnummer vorderingen TUL: [parketnummers]

Datum uitspraak: 29 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsvrouw: mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2014.

VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

Parketnummer 10/652348-12

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de straf groot: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand dat aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van 14 januari 2013 van de politierechter in deze rechtbank.

Parketnummer 10/661101-13

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de straf groot: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken dat aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van 27 maart 2013 van de politierechter in deze rechtbank.

MOTIVERING VRIJSPRAKEN

Het onder 3, 6, 7 en 11 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen.

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd nu het dossier daartoe onvoldoende bewijs bevat. Het dossier bevat immers slechts de aangifte van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen.

De officier van justitie heeft de vrijspraak van dit feit dit gevorderd, terwijl de vrijspraak van dit feit eveneens is bepleit door de raadsvrouw. Deze vrijspraak behoeft dan ook geen verdere motivering.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen.

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging diefstal heeft gepleegd, reeds omdat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om tot het oordeel te komen dat sprake is geweest van een begin van uitvoering, als bedoeld in artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 11 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen.

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd nu het dossier daartoe onvoldoende bewijs bevat. Het dossier bevat immers slechts de aangifte van [slachtoffer 2].

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 10 en 12 en laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 24 maart 2014 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldkist met daarin een geldbedrag van ongeveer 106 euro en een

geldkist met daarin een geldbedrag van ongeveer 116 euro en een geldkist

toebehorende aan [stichting];

2.

hij op 19 februari 2014 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

vier laptops en een wifi-point, toebehorende aan [slachtoffer 4];

4.

hij in de periode van 13 januari 2014 tot en met 14 januari 2014

te Rotterdam meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van totaal 660 euro toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door meermalen met een bankpas en de daarbij behorende pincode, zijnde een sleutel tot welk gebruik verdachte niet gerechtigd was, geld op te nemen;

5.

hij op 01 juli 2013 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ring en een gouden broche en een gouden horloge en drie kettingen en een gouden schakelarmband en een gouden ketting, toebehorende aan [slachtoffer 4];

8.

hij op 01 februari 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een (huurwoning) (in een verzorgingsflat, gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen

-2 paar oorbellen(goudkleurig) en

-1 armband en

-3 (gouden) kettingen,

toebehorende aan [slachtoffer 5];

9.

hij op 06 mei 2013 te Rotterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid,

[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een bankpas en ziektekostenpas/zorgverzekeringspas, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid

-zich voorgedaan als zijnde hij een vertegenwoordiger van [thuiszorginstelling] en

-(daarbij) aan voornoemde [slachtoffer 2] gemeld/verteld dat hij, verdachte, door de huisarts was gestuurd en

-voornoemde [slachtoffer 2] gezegd dat hij, verdachte, een copie moest hebben van haar bankpas en haar ziektekostenpas/zorgverzekeringspas,

waardoor [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

10.

hij op 06 mei 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit

-een (geld/pin)automaat (CT358086) en

-een (geld/pin)automaat (SIN296)

heeft weggenomen

-2100 euro en

-500 euro,

toebehorende aan [slachtoffer 2],

waarbij verdachte zich daarbij de toegang tot die (geld)automa(a)t(en) heeft

verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel,

hebbende hij, verdachte telkens een bankpas op naam van die [slachtoffer 2] in voornoemde (geld)automaten gestoken en de (juiste) pincode ingevoerd, waardoor voornoemde (geld)bedragen verkregen konden worden, zonder daartoe gerechtigd te zijn (geweest);

12.

hij in de periode van 28 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 te Bergschenhoek, gemeente Rotterdam en te Eindhoven, en elders in Nederland met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit één of meerdere (geld)automa(a)t(en) en/of (betaal)automa(a)t(en) heeft weggenomen geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 4979,99 euro, toebehorende aan [vereniging],

hebbende hij, verdachte telkens een (bank)pas op naam van die [vereniging] en/of [aangeefster], in elk geval op naam van een ander dan verdachte, in meerdere (betaal)automa(a)t(en) en/of (geld)automa(a)t(en) gestoken en meermalen de (juiste) pincode ingevoerd, waardoor voornoemde (geld)bedragen verkregen konden worden en

voornoemd(e) geldbedragen van de rekening van voornoemde [vereniging] werden afgeschreven, zonder daartoe gerechtigd te zijn;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Feit 1

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit op de grond dat niet is komen vast te staan dat verdachte degene is die in het doveninstituut is geweest.

Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de persoon die in het doveninstituut de goederen heeft weggenomen de persoon is op de camerabeelden van station Prinsenlaan en Graskruid en dat de verdachte zich heeft herkend op die camerabeelden.

Het verweer wordt verworpen.

Feiten 9 en 10

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen wordt bij de beoordeling van dit verweer uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 6 mei 2013 omstreeks 14.00 uur is een man in de woning van aangeefster geweest. Deze blanke man droeg een pet op zijn hoofd en droeg een donker jack en is met de bankpas van aangeefster de woning uitgelopen. Op 6 mei 2013 is om 14.52 uur met de ontvreemde bankpas van aangeefster geld bij de [bank] gepind, van welke geldopname camerabeelden gemaakt zijn. Een tweede pintransactie met de bankpas vindt plaats bij een juwelier, 18 minuten na de eerste pintransactie op enkele meters afstand van de pinautomaat.

Herkenning

De verdachte is door verbalisanten, die al eerder contacten met verdachte hebben gehad, herkend op camerabeelden als de persoon die op 6 mei 2013 om 14.52 uur met de bankpas van aangeefster geld pinde. Ter ondersteuning van de betrouwbaarheid van deze bevindingen van de politie wordt opgemerkt dat de rechtbank de camerabeelden en stills van deze camerabeelden ter terechtzitting heeft bekeken en de verdachte heeft herkend als degene die op deze camerabeelden te zien is. Op deze beelden is te zien dat de verdachte op zijn hoofd een pet draagt en een donkere jas aan heeft.

Conclusie

Het is de verdachte geweest die heeft gepind bij de pinautomaat met de van aangeefster gestolen pas waarbij hij een pet en een zwarte jas draagt. Tussen het wegnemen van de pas en het pinnen daarmee zit zeer weinig tijd. De verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe hij in het bezit van het pasje zou zijn gekomen. Gelet hierop en gelet op het signalement dat is gegeven van de persoon die in de woning van aangeefster de pas heeft meegenomen, dat ook spreekt over een man met een zwarte jas en een pet, wordt geconcludeerd dat de verdachte ook degene is geweest die aangeefster op 6 mei 2013 heeft opgelicht. Gelet op de korte tijdspanne van 18 minuten en de afstand tussen de juwelier en de pinautomaat alsmede het ontbreken van een verklaring van de verdachte is het de verdachte die de pintransactie bij de juwelier heeft gedaan.

Het verweer wordt verworpen.

Feiten 5 en 12

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de herkenningen van de verdachte op camerabeelden, welke herkenningen gedaan zijn door verbalisanten, door de verdediging betwist worden en dat deze herkenningen aldus niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden zodat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring en vrijspraak dient te volgen.

Op de terechtzitting zijn de camerabeelden en stills van de camerabeelden getoond. De rechtbank heeft de verdachte herkend op die camerabeelden en stills, zodat de betrouwbaarheid van de herkenningen zoals gedaan door de verbalisanten, steeds bevestiging vinden.

Het verweer wordt verworpen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1

diefstal;

2

diefstal;

diefstal waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

5

diefstal;

8

diefstal;

9

oplichting;

10

diefstal waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

12

diefstal waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan acht vermogensdelicten. Dit zijn ernstige feiten. Dergelijke delicten veroorzaken veel schade en overlast bij de benadeelden. Daarnaast brengt het plegen van zulke feiten bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het wordt verdachte zwaar aangerekend dat hij een deel van de bewezen feiten heeft gepleegd in verzorgingshuizen en dat de slachtoffers ouderen/(hoog)bejaarden alsook doven betroffen. Aan deze feiten ligt een zekere vorm van geslepenheid ten grondslag, bestaande uit een zorgvuldige selectie van de minst weerbaren in de samenleving. De babbeltrucs die de verdachte heeft aangewend om van deze kwetsbare slachtoffers toegang te krijgen tot hun woningen, bestempelt de rechtbank als laaghartig. Immers, juist deze groep mensen is sterk afhankelijk van de hulp van anderen en moet zodoende kunnen leunen op het goede vertrouwen dat zij moeten kunnen stellen in mensen die hen vertellen dat ze hen komen verzorgen danwel klusjes in huis komen verrichten. De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers en hij heeft zich daarbij in het geheel niet bekommerd om de hinder en schade daarvan voor hen, zoals dat volgt uit de aangiftes en verklaringen van de benadeelde partijen. De verdachte heeft ter terechtzitting geen oprecht berouw getoond over wat hij misdaan heeft.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 juli 2014 reeds eerder en recent is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en een deel van de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in een of twee proeftijden.

De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw gelijksoortige feiten te plegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport van 11 juni 2014.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ

[stichting]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 225,85 aan materiële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[slachtoffer 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.840,- aan materiële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[slachtoffer 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 5], wonende te [woonplaats], ter zake van het onder 8 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 225,- aan materiële schade en een bedrag van € 250,- aan immateriële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 8 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], ter zake van de onder 9 en 10 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.600,- aan materiële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 9 en 10 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[vereniging]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [vereniging], vestiging te [vestigingsplaats], ter zake van de onder 11 en 12 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.979,99 aan materiële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 12 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING MET PARKETNUMMER 10/652348-12

Bij het bij verstek gewezen vonnis van 14 januari 2013 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan een gedeelte groot 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op.29 januari 2013.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn (deels) na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

VORDERING TENUITVOERLEGGING MET PARKETNUMMER 10/661101-13

Bij het op tegenspraak gewezen vonnis van 27 maart 2013 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken, waarvan een gedeelte groot 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 11 april 2013.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn (deels) na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14g, 36f, 57, 63 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 3, 6, 7 en 11 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 10 en 12 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis met parketnummer 10-660343-13;

wijst de vordering van de benadeelde partij [stichting], gevestigd te [vestigingsplaats] toe tot een bedrag van € 225,85 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [stichting] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [stichting] te betalen € 225,85 (tweehonderdvijfentwintig euro en vijfentachtig eurocent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 225,85 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 7.840,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] te betalen € 7.840,- (hoofdsom zevenduizend achthonderdveertig euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.840,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 74 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van totaal € 475,-, (waarvan een bedrag van € 225,- aan materiële schade en een bedrag van € 250,- aan immateriële schade) en veroordeelt de verdachte dit totaalbedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 5] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] te betalen totaal € 475,- (vierhonderdvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van totaal € 475,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 2.600,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 2.600,- (tweeduizend zeshonderd euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.600,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 36 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

wijst de vordering van de benadeelde partij [vereniging], vestiging te [vestigingsplaats], toe tot een bedrag van € 4.979,99 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [vereniging] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [vereniging] te betalen € 4.979,99 (vierduizend negenhonderd negenenzeventig euro en negenennegentig eurocent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 4.979,99 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 59 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 1 (één) maand, van de bij vonnis van 14 januari 2013 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 10/652348-12;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 2 (twee) weken, van de bij vonnis van 27 maart 2013 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 10/661101-13.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.K. Rapmund, voorzitter,

en mrs. J.H. Janssen en R. in het Veld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2014.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 29 juli 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 maart 2014 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldkist met daarin een geldbedrag van ongeveer 106 euro en/of een

geldkist met daarin een geldbedrag van ongeveer 116 euro en/of een geldkist

met daarin een (tot nog toe onbekend gebleven) geldbedrag, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [stichting], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

vier, althans een of meer laptop(s) en/of een wifi-point, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 januari 2014 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van tweehonderd euro, althans een geldbedrag,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op in omstreeks de periode van 13 januari 2014 tot en met 14 januari 2014

te Rotterdam

meermalen, althans eenmaal (telkens)

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een geldbedrag van totaal 660 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten

door meermalen, althans eenmaal (telkens) met een bankpas en de daarbij

behorende pincode, zijnde een sleutel tot welk gebruik verdachte niet

gerechtigd was, geld op te nemen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 01 juli 2013 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een gouden ring en/of een gouden broche en/of een gouden horloge en/of drie,

althans een of meer ketting(en) en/of een gouden schakelarmband en/of een

gouden ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 13 juli 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een (woon)boot (gelegen aan de [adres]) heeft

weggenomen

-één of meerdere identiteitspapier(en) (waaronder een rijbewijs en/of een of

meerdere lidmaatschap pas(sen)) en/of

-één of meerdere (bank)pas(sen) en/of andere waardepapieren en/of

-een foto en/of

-een laptop en/of

-(een) andere roerende za(a)k(en) en/of geld,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [vereniging 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 01 februari 2013 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in / uit een (huur)woning (in een verzorgingsflat, gelegen aan de

[adres]) weg te nemen één of meerdere roerende za(a)k(en) en/of

geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

-is hij, verdachte, zonder enige toestemming de woning van genoemde [slachtoffer 8]

binnen gelopen en/of

-heeft hij, verdachte getracht, één of meerdere kamer(s) in die woning te

doorzoeken op (een) waardevolle za(a)k(en) en/of geld,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 01 februari 2013 te Rotterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in / uit een (huurwoning) (in een verzorgingsflat, gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen

-2 paar oorbellen (goudkleurig) en/of

-1 armband en/of

-3 (gouden) kettingen,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

9.

hij op of omstreeks 06 mei 2013 te Rotterdam met het oogmerk om zich

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door

een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een bankpas en/of

ziektekostenpas/zorgverzekeringspas, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich voorgedaan als zijnde hij een vertegenwoordiger van [thuiszorginstelling] en/of

-(daarbij) aan voornoemde [slachtoffer 2] gemeld/verteld dat hij, verdachte,

door de huisarts was gestuurd en/of

-voornoemde [slachtoffer 2] gezegd dat hij, verdachte, een copie moest hebben

van haar bankpas en/of haar ziektekostenpas/zorgverzekeringspas,

waardoor [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

10.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks 06 mei 2013 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (telkens) in / uit

-een (geld/pin)automaat (CT358086) en/of

-een (geld/pin)automaat (SIN296)

heeft weggenomen

-2100 euro en/of

-500 euro,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich daarbij de toegang tot die (geld)automa(a)t(en) heeft verschaft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een of meerdere valse sleutel(s),

hebbende hij, verdachte (telkens) een (bank)pas op naam van die [slachtoffer 2], in elk geval op naam van een ander dan verdachte, in voornoemde (geld)automa(a)t(en) gestoken en een(maal) of meermalen de (juiste) pincode ingevoerd, waardoor voornoemde (geld)bedrag(en) verkregen konden worden, zonder daartoe gerechtigd te zijn (geweest);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

11.

hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 28 februari 2012 te

Bleiswijk, gemeente Lansingerland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit (school)pand (gelegen aan de [adres] heeft

weggenomen

-een geldbedrag (muntgeld, ongeveer 100 euro) en/of

-een aantal VVV bonnen en/of

-een identifier van de ABN Amro Bank en/of

-een envelop met drie ABN Amro (bank)passen en/of

-lijsten met unieke (inlog)codes,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [vereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

12.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28

februari 2012 tot en met 29 februari 2012 te Bergschenhoek, gemeente Rotterdam

en/of te Eindhoven, in elk geval (elders) in Nederland met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit één of meerdere (geld)automa(a)t(en)

en/of (betaal)automa(a)t(en) heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en)

(van in totaal ongeveer 4979,99 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [vereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

hebbende hij, verdachte (telkens) een (bank)pas op naam van die [vereniging] en/of [aangeefster], in elk geval op naam van een ander dan verdachte(n), in één of meerdere (betaal)automa(a)t(en) en/of (geld)automa(a)t(en) gestoken en een(maal) of meermalen de (juiste) pincode ingevoerd, waardoor voornoemde (geld)bedrag(en) verkregen konden worden en/of voornoemd(e) geldbedrag(en) van de rekening van voornoemde [vereniging] werden afgeschreven, zonder daartoe gerechtigd te zijn;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht