Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6172

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
C/10/435118 / HA ZA 13-1058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop hotel in Venezuela. Ipr. Rechtbank bevoegd op grond van stilzwijgende forumkeuze. Nederlands recht van toepassing op grond van uitdrukkelijk rechtskeuze. Geschil over betaling van restantbedrag. Zijn partijen een voorwaarde overeengekomen? Uitleg schuldbekentenis. Dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/435118 / HA ZA 13-1058

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.B. Houtappel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.A. Klaassen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 februari 2014, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voorzover van belang – het volgende vast:

2.1.

[eiser] heeft begin 2010 aan [gedaagde] het [hotel] (hierna: het hotel) verkocht en geleverd. Van de koopsom is [gedaagde] een restantbedrag van € 60.000,00 aan [eiser] schuldig gebleven.

2.2.

Op 2 mei 2010 heeft [eiser] een e-mailbericht aan [gedaagde] toegezonden, waarin onder meer, voor zover rechtens relevant is opgenomen:

nochmals auf die aufstellung zurückzukommen.

bei der sind beträge enthalten die ich so nicht akseptieren kann.

ich kann doch nicht deine kosten bezahlen wie z.b. deinen anwalt, deinen buchhalter oder diene schmiergelter, die du an [persoon] bezahlt hast.

der betrag von € 53.081,00 ist lächerlich und völlig aus der luft gegriffen (…)

2.3.

Op 29 november 2010 heeft [gedaagde] een in de Spaanse taal opgestelde schuldbekentenis getekend (hierna: de schuldbekentenis). De schuldbekentenis luidt, vertaald in het Nederlands en voor zover rechtens relevant, als volgt:

Middels het onderhavige schrijven verklaar ik dat ik, [gedaagde], (…)

verschuldigd ben aan de heer [eiser], (…) een bedrag van euro 60.000,00 (exact zestig duizend).

Deze schuld van euro 60.000 vertegenwoordigt het restant van het overeengekomen bedrag met betrekking tot de verkoop van [hotel], gevestigd aan de [adres].

Ik, [gedaagde], verplicht mij ertoe deze schuld in zijn geheel en in euro’s te betalen aan de heer [eiser] voor 28 februari 2011.

Porlamar, 29 november 2010

[met pen, reeds in Ned.: ALS VERKOOP HOTEL]

Handtekening

[gedaagde]

De schuldbekentenis is door beide partijen ondertekend.

2.4.

Op 17 juni 2011 heeft [eiser] van [gedaagde] een bedrag van € 15.000,00 ontvangen. Daarnaast heeft [gedaagde] op 16 augustus 2011 een bedrag van € 15.000,00 aan [eiser] betaald.

2.5.

Op 8 december 2011 heeft [eiser] per e-mail het navolgende aan [gedaagde], voor zover rechtens relevant, bericht:

hallo gus,

ich hoffe du bist aus margarita wieder gut zurück und das hotel ist verkauft.

verkauft ist es ja schon…

gus, bitte sei so nett und halte dein versprechen und überweise mir die restlichten 30 000,00 euro. (…)

2.6.

Op 9 december 2011 heeft [eiser] aan [gedaagde] een e-mailbericht toegezonden, waarin het navolgende, voor zover rechtens relevant, is opgenomen:

(…) haben wir in margarita besprochen, jetzt wo das hotel gut verkauft ist , du mir die volle restzahlung aus den hotelverkauf € 60.000,00 bezahlst (…). ’

2.7.

[eiser] heeft conservatoir beslag gelegd op de aan [gedaagde] toebehorende onroerende zaak gelegen in [plaats] aan de [adres 2].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 30.000,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2011 en buitengerechtelijke kosten ad € 1.210,00.

3.2.

Het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, bij vonnis, samengevat:

  1. te verklaren voor recht dat de schuldbekentenis rechtsgeldig is vernietigd door [gedaagde] op grond van dwaling;

  2. [eiser] te veroordelen tot terugbetaling van € 30.000,00, te vermeerderen met rente;

  3. [eiser] te veroordelen tot betaling van € 53.081,00,

met veroordeling in de proceskosten.

3.5.

Het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Bevoegdheid rechtbank Rotterdam

4.1.

Nu [eiser] woonplaats heeft in Oostenrijk, [gedaagde] in België woont en het geschil de betaling van de restantkoopprijs van een hotel in Venezuela betreft, is sprake van een internationaal geval.

4.2.

De vraag die dan ook beantwoord moet worden is of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Voor de beantwoording van deze vraag in het kader van een dagvaardingsprocedure zoals de onderhavige, is in beginsel bepalend de vordering en de grondslagen daarvan zoals gesteld in de dagvaarding.

4.3.

De Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna ‘EEX-Vo’) is in werking getreden op 1 maart 2002, derhalve voordat [eiser] bij dagvaarding van 29 augustus 2013 de onderhavige procedure instelde.

De vordering in conventie strekkende tot veroordeling van betaling van een restantkoopprijs en de reconventionele vorderingen vormen burgerlijke of handelszaken in de zin van artikel 1 EEX-Vo.

[gedaagde] is woonachtig in België, een EU-lidstaat zoals bedoeld in artikel 2 EEX-Vo.

Derhalve dient aan de hand van de EEX-Vo te worden bepaald of de Nederlandse rechter voor de vordering in conventie en reconventie rechtsmacht toekomt en bevoegd is de vorderingen te behandelen.

4.4.

[gedaagde] is blijkens het als productie 5 bij conclusie van antwoord overgelegde emailbericht akkoord gegaan met het voeren van de onderhavige procedure voor de rechtbank Rotterdam en heeft afgezien van het voeren van een formeel verweer in verband met de jurisdictie. Ingevolge het bepaalde in artikel 24 EEX-Vo is derhalve rechtbank Rotterdam bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

Toepasselijk recht

4.5.

Nu sprake is van een internationaal geval dient de rechtbank te bepalen welk recht van toepassing is.

4.6.

Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (‘Rome I’). Immers, er is sprake van (gestelde) betalingsverplichtingen uit verbintenissen uit overeenkomst in een burgerlijke of handelszaak (artikel 1 Rome I) en de betrokken overeenkomst is gesloten na de dag van inwerkingtreding van Rome I, te weten 17 december 2009 (artikel 28 Rome I). Blijkens artikel 2 Rome I is het aangewezen recht toepasselijk, ongeacht de vraag of het het recht van een lidstaat is.

4.7.

Nu partijen ter comparitie beiden hebben verklaard een uitdrukkelijke keuze voor het Nederlandse recht te doen in de zin van artikel 3 Rome I, zal het geschil naar Nederlands recht worden beoordeeld.

Samenhang conventie en reconventie

4.8.

Gezien de nauwe verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie, komen zij in het navolgende gezamenlijk aan de orde.

Grondslag vordering

4.9.

[eiser] grondt zijn vordering op nakoming van de betalingsverplichting die blijkt uit de schuldbekentenis. Hij stelt dat partijen elkaar in november 2010 in Venezuela hebben ontmoet om tot een definitieve financiële afwikkeling van de verkoop van het hotel te komen. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] uiterlijk op 28 februari 2011 aan [eiser] een restantbedrag van € 60.000,00 zou voldoen. Het bedrag dat thans in reconventie wordt gevorderd, is bij deze onderhandelingen onderwerp van gesprek geweest en verdisconteerd in voormeld restantbedrag. Deze afspraak is in de schuldbekentenis neergelegd. Nu [gedaagde] slechts € 30.000,00 heeft betaald, dient hij nog € 30.000,00 te voldoen. Gelet op voormelde uiterste betaaldatum is [gedaagde] over het verschuldigde bedrag vanaf 1 maart 2011 wettelijke rente verschuldigd.

Voorwaarde

4.10.

[gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd door te stellen dat partijen zijn overeengekomen dat het restant van de koopprijs pas verschuldigd zou zijn, indien en wanneer het hotel voor de door [gedaagde] te verwachten prijs zou worden doorverkocht. Dit blijkt uit ook uit de schuldbekentenis, waaraan onder de dagtekening handgeschreven is toegevoegd ‘als verkoop hotel’. Het hotel is echter nog steeds niet verkocht en zal ook zeker niet worden verkocht voor de prijs die toen eventueel gold. De toeristenindustrie op Isla Margarita is sinds medio 2010 zeer hard achteruit gegaan en de kans op verkoop zonder verlies lijkt gering.

4.11.

[eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij niet weet wat de handgeschreven toevoeging ‘als verkoop hotel’ betekent, nu hij de Nederlandse taal niet machtig is.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen twisten over de vraag of zij ter zake van de betaling van het restantbedrag een voorwaarde zijn overeengekomen, inhoudende dat de betaling pas nadat het hotel door [gedaagde] zou zijn (door)verkocht, behoefde te geschieden.

4.13.

Ter beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen, dient de schuldbekentenis te worden uitgelegd. Daarbij is de tekst en de taal van de toevoeging in de schuldbekentenis van belang, maar daarbij komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 - Haviltex). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan (vgl. HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 - Meyer Europe/Pont Meyer).

4.14.

De rechtbank hecht allereerst waarde aan het feit dat [eiser] geen Nederlander is en dat de toevoeging in de Nederlandse taal is gemaakt, zonder de bijstand van een tolk. Weliswaar heeft [eiser] in de mailberichten van 8 en 9 december 2011 melding maakt van het feit dat het hotel verkocht is en dat [gedaagde] nu zijn belofte dient na te komen, doch hij heeft hierover desgevraagd ter comparitie verklaard dat hij daarmee bedoeld heeft dat [gedaagde] door de verkoop van het hotel naar zijn inschatting op dat moment over de noodzakelijke liquiditeiten beschikte om het restantbedrag te voldoen. Hij verzoekt [gedaagde] in deze mailberichten dan ook om zijn betalingsverplichting gestand te doen. Daarbij komt, dat de stelling van [eiser] dat hij niet eerder behoefde te betalen totdat hij het hotel had doorverkocht, niet valt te rijmen met het onbetwiste feit dat [gedaagde] een gedeelte van het bedrag waarop de schuldbekentenis ziet, te weten een bedrag van

€ 30.000,00, in de zomer van 2011 heeft voldaan. Desgevraagd heeft [gedaagde] ter comparitie verklaard dat hij een gedeelte van de restantkoopprijs heeft betaald omdat hij ‘van het gezeur af wilde zijn’, doch [gedaagde] had op dat moment [eiser] eenvoudig kunnen tegenwerpen dat het hotel nog niet verkocht was.

Indien de rechtbank de stellingen van [gedaagde] zou volgen en zou oordelen dat er sprake is van een voorwaarde dat de betaling eerst na de (door)verkoop van het hotel dient plaats te vinden, zou dit betekenen dat [eiser] aan [gedaagde] een renteloze lening zou hebben verstrekt waarbij onzeker is of en wanneer de voorwaarde tot betaling intreedt. Daarbij lijkt het risico van een eventuele waardedaling van het hotel door de toevoeging van de voorwaarde bij [eiser] te worden neergelegd en niet bij de daadwerkelijke eigenaar: immers, totdat het hotel tegen een goede prijs verkocht is, zou [eiser] niet volledig worden betaald. Bovendien is het voor [eiser] moeilijk zo niet onmogelijk om in Venezuela te controleren of en wanneer de vervulling van deze voorwaarde is ingetreden. Namens [gedaagde] is ter comparitie immers gesteld, dat de eigendom van het hotel in een vennootschappelijke structuur in Venezuela is ingebracht. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] kan achterhalen wie de zeggenschap in deze vennootschap in Venezuela heeft en of en wanneer deze zeggenschap is overgedragen zodat de eigendom (middellijk) niet meer bij [gedaagde] berust. Gelet hierop, ligt het niet voor de hand dat [eiser] met een dergelijke voorwaarde akkoord zou zijn gegaan.

Tot slot is van belang dat partijen in de schuldbekentenis als uiterste betaaldatum 28 februari 2011 zijn overeengekomen.

Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien leidt bij de rechtbank tot de conclusie dat het betoog van [gedaagde] dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] eerst nadat het hotel ‘goed verkocht’ was, de restantkoopprijs behoefde te voldoen, dient te worden verworpen.

Dwaling

4.15.

Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat er sprake is van dwaling. Beide partijen gingen ervan uit dat het hotel op korte termijn zou worden verkocht, doch dit bleek niet het geval.

4.16.

Volgens [eiser] is er geen sprake van dwaling, omdat dit niet strookt met de feiten in het onderhavige geval.

4.17.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 6:228 BW lid 2 kan de vernietiging niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

Nu in het onderhavige geval sprake is van een teleurgestelde toekomstverwachting, die ligt in dalende prijzen van onroerend goed in Venezuela, is er voor een beroep op dwaling in het onderhavige geval geen plaats. Daar komt bij, dat de rechtbank van oordeel is dat in het onderhavige geval een dwaling voor rekening van [gedaagde] dient te komen, gelet op het feit dat het risico van waarde fluctuaties van onroerend goed in beginsel voor rekening en risico van een eigenaar komt. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. Tot slot overweegt de rechtbank dat de schuldbekentenis in het onderhavige geval als een soort vaststellingsovereenkomst kan worden gekwalificeerd en bij een dergelijke overeenkomst naar haar aard terughoudendheid is geboden bij een beroep op dwaling.

4.18.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van dwaling, waardoor de hoofdsom zoals in conventie is gevorderd, voor toewijzing gereed ligt. Daarnaast brengt de conclusie dat er geen sprake is van dwaling met zich dat de reconventionele vorderingen, inhoudende een verklaring voor recht dat de schuldbekentenis is vernietigd op grond van dwaling alsmede de vordering tot terugbetaling van € 30.000,00, voor afwijzing gereed liggen.

4.19.

Voorts heeft [gedaagde] in reconventie de betaling van een bedrag van € 53.081,00 gevorderd op grond van de verplichting van [eiser] om in het kader van de verkoop van het hotel aan [gedaagde] lopende zaken af te wikkelen. [gedaagde] heeft de kosten die hij heeft moeten betalen en die voor rekening van [eiser] dienen te komen in een document genaamd ‘afrekening [eiser]’ opgenomen.

4.20.

[eiser] heeft betwist dat hij nog een bedrag aan [gedaagde] is verschuldigd. Partijen hebben elkaar in mei 2010 in Venezuela ontmoet om tot een definitieve financiële afrekening te komen. Daarbij zijn tevens de posten die thans in de ‘afrekening [eiser]’ zijn opgenomen, in het uiteindelijke restantbedrag verdisconteerd. Dit restantbedrag is neergelegd in de schuldbekentenis. Daarnaast is de ‘afrekening [eiser]’ zelf niet goed begrijpelijk. Deze is door [gedaagde] niet toegelicht of onderbouwd. [eiser] betwist dan ook de verschuldigdheid van de genoemde posten.

4.21.

De rechtbank overweegt dat [eiser] onbetwist heeft gesteld dat partijen elkaar in mei 2010 in Venezuela hebben ontmoet teneinde te komen tot een definitieve financiële afwikkeling van de verkoop van het hotel. Voorts blijkt uit de stukken, dat [gedaagde] reeds in april 2010 de ‘afrekening [eiser]’ heeft toegezonden; per e-mailbericht gedateerd 2 mei 2010 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht dat hij de afrekening niet accepteert en dat het bedrag volledig uit de lucht is gegrepen. Dat er na het opstellen van de schuldbekentenis in november 2010 nog kosten waren die [gedaagde] bij [eiser] in rekening kon en mocht brengen, blijkt niet uit de stukken. [gedaagde] heeft zijn stellingen op dit punt op geen enkele wijze nader onderbouwd en heeft ter comparitie verklaard dat de kosten ad € 53.081,00 die in de afrekening die reeds bij dagvaarding is overgelegd en die dateert van april 2010, kloppen en dat er geen verdere kosten zijn bijgekomen. Nu [gedaagde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat hij kosten bij [eiser] in rekening kon brengen en dat deze kosten niet zijn verdisconteerd in het restbedrag dat in de schuldbekentenis is opgenomen, heeft [gedaagde] hiermee de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. Het had op zijn weg gelegen de overgelegde documenten nader en gemotiveerd te weerspreken en zijn eerder ingenomen standpunt nader en gemotiveerd te onderbouwen. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] zijn betwisting, in het licht van de stellingen van [eiser], onvoldoende heeft onderbouwd, zodat die betwisting wordt gepasseerd.

4.22.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de hoofdsom die conventie is gevorderd, dient te worden toegewezen, terwijl de reconventionele vorderingen voor afwijzing gereed liggen.

4.23.

De gevorderde wettelijke rente vanaf 1 maart 2011 en de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.210,00 kunnen als onbetwist worden toegewezen.

4.24.

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 641,97 voor verschotten en € 579,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 579,00), in totaal derhalve € 1.220,97.

4.25.

[gedaagde] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden in conventie begroot op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht 842,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 2.092,82

In reconventie worden de kosten aan de zijde van [eiser] begroot op:

- salaris advocaat 894,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 894,00)

Totaal € 894,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.000,00 (dertig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.210,00,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.220,97,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.092,82,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 894,00,

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

2053/1729