Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6081

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
C/10/440808 / HA ZA 13-1327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bovenmatige schenkingen aan buitenechtelijke kinderen behoefden de toestemming van de echtgenote van erflater. Art. 1:88 BW. Schenkingen zijn buitengerechtelijk vernietigd. Art. 1:89 BW. Onvoldoende omstandigheden gesteld die het bestaan van een natuurlijke verbintenis in de verhouding tussen erflater en de buitenechtelijke kinderen als titel voor overdracht van de geldbedragen en de auto uit de huwelijksgemeenschap van erflater en zijn echtgenote kunnen rechtvaardigen. Geen sprake van de situatie als bedoeld in art. 4:35 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0203
ERF-Updates.nl 2014-0119

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie 1

zaaknummer / rolnummer: C/10/440808 / HA ZA 13-1327

Vonnis van 9 juli 2014

in de zaak van

1 [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

die in deze zaak optreedt als executeur in de nalatenschap van de op [datum van overlijden] overleden [persoon 1],

eisers,

advocaat mr. K.A. Boshouwers te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.K.J. Plaisier te Rotterdam.

Partijen worden hierna enerzijds [Eiser 1] en [Eiser 2] en anderzijds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 maart 2014

- het proces-verbaal van comparitie van 27 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum van overlijden] is de [persoon 1] (hierna: erflater) te Rotterdam overleden.

2.2.

Erflater was op het moment van zijn overlijden in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met [Eiser 1]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren:

[Eiser 2] en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]).

2.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn geboren staande het huwelijk van hun moeder, [persoon 3], met [persoon 4].

2.4.

Op [datum van overlijden] is ten laste van de besloten vennootschap [bedrijf 1], waarvan erflater directeur enig aandeelhouder was, een bedrag van € 58.500,-- overgeboekt naar de rekening van [gedaagde 1] en € 59.000,-- naar de rekening van [gedaagde 2].

2.5.

Op 3 en 4 juli 2013 zijn diverse pinopnames alsmede overschrijvingen gedaan met de bankpassen van erflater.

2.6.

Erflater heeft een personenauto (Mercedes, kenteken[kenteken 1]) en een kampeerwagen (kenteken [kenteken 2]) aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gegeven.

2.7.

[Eiser 1] heeft op 11 juli 2013 aangifte gedaan van het uit de echtelijke woning ontvreemden van diverse goederen, waaronder de identiteitspapieren van erflater, zijn rijbewijs en paspoort, een achttal ringen en een halsketting. Op 17 juli 2013 heeft zij een aanvullende aangifte gedaan.

2.8.

[Eiser 2] heeft op 16 juli 2013 zijn benoeming tot executeur aanvaard.

2.9.

Op 25 juli 2013 heeft Verilabs vastgesteld dat het praktisch is bewezen dat erflater tevens de vader is van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

2.10.

Door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is inmiddels bij deze rechtbank een procedure tot ontkenning vaderschap van [persoon 4] alsmede tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van erflater geëntameerd.

2.11.

[Eiser 2] en [persoon 2] hebben de nalatenschap van erflater op 23 augustus 2013 onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard.

Op 27 november 2013 is, in verband met het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap van erflater, een nieuwe verklaring van executele afgegeven.

2.12.

De kampeerauto is teruggegaan naar [Eiser 1].

3 Het geschil

3.1.

[Eiser 1] en [Eiser 2] vorderen samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

ten aanzien van de schenkingen:

primair:

voor recht te verklaren dat [Eiser 1] de door erflater aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verrichte schenkingen ter zake de in de dagvaarding in het petitum genoemde zaken en gelden op 11 september 2013 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd;

subsidiair:

de in de dagvaarding vermelde schenkingen van erflater aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te vernietigen als zijnde gedaan zonder de benodigde instemming van [Eiser 1] ex artikel 1:88 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek (BW);

3.1.2.

ten aanzien van de terugbetalingen:

[gedaagde 1] te veroordelen tot terugbetaling van € 60.300,-- aan de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [Eiser 1] en erflater, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.3.

ten aanzien van [gedaagde 1]:

primair:

[gedaagde 1] te veroordelen tot afgifte van de auto (Mercedes) aan [Eiser 1] en/of [Eiser 2];

subsidiair, indien de auto niet langer in bezit is van [gedaagde 1]:

[gedaagde 1] te veroordelen tot terugbetaling aan de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [Eiser 1] en erflater een schadevergoeding van € 27.800,--, dan wel een bedrag door rechtbank te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.4.

ten aanzien van [gedaagde 2]:

[gedaagde 2] te veroordelen tot terugbetaling van € 59.000,-- aan de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [Eiser 1] en erflater, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.5.

ten aanzien van de kosten van rechtskundige bijstand:

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot voldoening van € 3.961,38 aan kosten van rechtskundige bijstand aan de ontbonden huwelijksgemeenschap van [Eiser 1] en erflater, vermeerderd met de wettelijke rente;

3.1.6.

ten aanzien van de proceskosten:

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het eens dat als het vaderschap van erflater ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gerechtelijk komt vast te staan, zij tevens erfgenaam zijn en de kinderen tot een kwart gerechtigd zijn tot de nalatenschap van erflater met inachtneming van het recht tot vruchtgebruik van [Eiser 1].

De schenkingen

4.2.

Tussen partijen is in geschil wat er moet gebeuren met de bedragen en de Mercedes die door erflater bij zijn leven aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gegeven.

[Eiser 1] en [Eiser 2] stellen dat bedoelde bedragen en auto door erflater aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn geschonken en dat de ene echtgenoot op grond van artikel 1:88 lid 1 sub b BW toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft voor het verrichten van een rechtshandeling tot schenking tenzij het gebruikelijke, niet bovenmatige schenkingen betreffen. Volgens [Eiser 1] en [Eiser 2] gaat het hier - nu het om enorme geldbedragen en een auto gaat - om niet gebruikelijke, bovenmatige schenkingen waarvoor [Eiser 1] geen toestemming heeft gegeven. Voorts stellen [Eiser 1] en [Eiser 2] dat [Eiser 1] deze schenkingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:89 lid 1 BW, buitengerechtelijk heeft vernietigd. De rechtsgrond is daarmee aan de schenking komen te ontvallen, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze bedragen en auto zonder recht of titel hebben verkregen en zij gehouden zijn dit terug te geven aan [Eiser 1] en de erfgenamen van erflater, aldus [Eiser 1] en [Eiser 2].

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de betreffende giften tijdens het leven van erflater mogelijk niet gebruikelijk en bovenmatig waren, doch zij menen dat deze giften niet vallen onder de schenkingen als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 onder b BW doch dat deze schenkingen moeten worden gezien in het licht van de door erflater gehanteerde zorgplicht ten aanzien van zijn kinderen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Zij beroepen zich op artikel 6:3 BW en menen niet gehouden te zijn tot afgifte van deze goederen aan de boedel van de nalatenschap.

De rechtbank volgt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in hun verweer dat erflater de geldbedragen en auto aan hen heeft gegeven ter voldoening aan de op hem rustende natuurlijke verbintenis. Volgens artikel 6:3 BW lid 2 is sprake van een natuurlijke verbintenis wanneer iemand tegenover een ander een zodanige dringende morele verplichting heeft dat naleving daarvan, hoewel niet afdwingbaar, als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Of dat het geval is, moet worden beoordeeld naar maatschappelijke opvattingen, dus naar objectieve maatstaf. Aan de bedoeling van degene die de prestatie verricht, hier erflater, komt geen beslissende betekenis toe (Rb Amsterdam RFR 2008, 125).

Slechts zeer bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een overdracht van in een huwelijksgemeenschap (van [Eiser 1] en erflater) vallende zaken aan een derde ([gedaagde 1] en [gedaagde 2]) naar maatschappelijke opvattingen moet worden aangemerkt als een aan die derde toekomende prestatie. Hierbij dienen de omstandigheden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te worden beoordeeld, waarbij als peildatum voor de beoordeling het moment van het verrichten van de prestatie geldt. Deze peildatum is [datum van overlijden]. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen dan wel onvoldoende omstandigheden gesteld die het bestaan van een natuurlijke verbintenis in de verhouding tussen erflater en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op [datum van overlijden] als titel voor overdracht van genoemde geldbedragen en de auto uit de huwelijksgemeenschap van [Eiser 1] en erflater kunnen rechtvaardigen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op geen enkele wijze hebben uitgelaten over hun behoefte op [datum van overlijden] aan een bijdrage van hun biologische vader in hun levensonderhoud, over het aandeel van hun moeder in die behoefte noch over de omstandigheid dat zij vanaf hun geboorte al een juridisch vader ([persoon 4]) hebben die wettelijk gezien reeds onderhoudsplichtig jegens hen is.

Subsidiair voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - met een beroep op artikel 4:35 BW - aan dat zij in het kader van de verdeling van de nalatenschap van erflater menen aanspraak te kunnen maken op een geldbedrag ineens voor zover dit geldbedrag nodig is voor hun verzorging en opvoeding tot het bereiken van 18 jaar en/of voor levensonderhoud en studie tot het bereiken van 21 jaar en dienen de betalingen van erflater in het licht van voornoemd artikel te worden gezien. [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben hiertegen verweer gevoerd inhoudende dat dit een vordering van de kinderen op de erfgenamen betreft en niet op de erflater.

De rechtbank overweegt dat, gelijk [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben aangevoerd, artikel 4:35 BW een kind van de erflater de mogelijkheid geeft aanspraak te maken op een som ineens uit de nalatenschap. De vordering op de gezamenlijke erfgenamen is vanaf zes maanden na het overlijden van erflater opeisbaar.

Nu de bedragen waar het hier om gaat bij leven door erflater zijn geschonken aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doet zich hier niet de situatie voor als genoemd in artikel 4:35 BW en dient dit verweer reeds op die grond te worden gepasseerd. De rechtbank heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in dit verband geen eis in reconventie hebben ingesteld en bovendien niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van de situatie waarin niet – voldoende – wordt voorzien in de met de verzorging en opvoeding dan wel levensonderhoud en studie gepaard gaande kosten, zodat de uitkering van een som ineens noodzakelijk is. Dit verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan hen derhalve niet baten.

Nu noch het primaire verweer noch het subsidiaire verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] slaagt, dient de rechtbank thans te beoordelen of erflater de schenkingen zonder toestemming van [Eiser 1] had mogen doen. De rechtbank overweegt dat gelet op de hoogte van de door erflater aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gegeven bedragen (respectievelijk € 58.500,--, € 1.800,-- en € 59.000,--) en de omstandigheid dat hij een Mercedes heeft weggegeven, hier gesproken kan worden van bovenmatige giften waarvoor ingevolge artikel 1:88 lid 1 lid 1 sub b BW de toestemming was vereist van zijn echtgenote, [Eiser 1]. Vaststaat dat [Eiser 1] bedoelde toestemming niet heeft gegeven. Ingevolge artikel 1:89 lid 1 BW kan een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 1:88 BW heeft verricht, door de andere echtgenoot worden vernietigd, mits dat gebeurt binnen drie jaar nadat de schenking bekend is geworden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet weersproken dat [Eiser 1] (tijdig) bij email van 11 september 2013 de schenkingen buitengerechtelijk heeft vernietigd, zodat hiervan zal worden uitgegaan. Hieruit volgt dat er van meet af aan geen geldige titel is geweest voor de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beweerde overdracht, zodat die overdracht moet worden geacht niet te hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat de vordering van [Eiser 1] en [Eiser 2] te verklaren voor recht dat [Eiser 1] de in de dagvaarding genoemde schenkingen op 11 september 2013 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd toewijsbaar is en dat de rechtbank tevens de terugbetaling van de in het petitum van de dagvaarding genoemde bedragen (tegen de hoogte waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verweer hebben gevoerd) en de afgifte van de Mercedes zal bevelen.

De wettelijke rente

4.3.

[Eiser 1] en [Eiser 2] vorderen wettelijke rente over de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terug te betalen bedragen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tegen de wettelijke rente geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen en in redelijkheid laten ingaan vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 9 december 2013, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanaf deze dag rekening konden houden dat zij enig bedrag dienden terug te betalen.

De eiswijziging

4.4.

Ter zitting is namens [Eiser 1] en [Eiser 2] aangevoerd dat uit productie 7 bij de dagvaarding blijkt dat er op [datum van overlijden] ook € 840,-- aan [gedaagde 1] is overgemaakt vanaf de ING rekening van de vennootschap en dat abusievelijk dit bedrag niet in de dagvaarding is opgenomen. Voor zover [Eiser 1] en [Eiser 2] hiermee hebben bedoeld hun eis te vermeerderen overweegt de rechtbank dat hieraan voorbij wordt voorgegaan nu niet is voldaan aan het vereiste van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat een eisvermeerdering schriftelijk ter rolle dient te worden gedaan.

De kampeerwagen

4.5.

[Eiser 1] en [Eiser 2] stellen in het lichaam van de dagvaarding dat zij recht en belang hebben bij een verklaring voor recht dat de kampeerwagen deel uitmaakt van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap tussen erflater en [Eiser 1].

Zij hebben hiertoe in het petitum echter geen vordering ingediend, zodat de rechtbank hier verder aan voorbijgaat.

De buitengerechtelijke kosten

4.6.

[Eiser 1] en [Eiser 2] vorderen € 3.961,38 aan kosten van rechtsbijstand te vermeerderen met wettelijke rente. Zij hebben in dit verband declaraties van

mr. Boshouwers in het geding gebracht.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank is uit de specificaties bij de overgelegde declaraties gebleken dat de kosten voornamelijk zien op besprekingen tussen mr. Boshouwers en zijn cliënten, de tussen hen gevoerde correspondentie en het lezen van het dossier. Deze werkzaamheden alsmede het versturen van een aanmaning of andere eenvoudige brief zijn niet aan te merken als buitengerechtelijke werkzaamheden maar hebben betrekking op de voorbereiding van de procedure en instructie van de zaak.

Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

De proceskosten

4.7.

Gelet op de aard van deze procedure ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren. In hetgeen [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding hiervan af te wijken.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [Eiser 1] de door erflater aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verrichte schenkingen ter zake:

a. de Mercedes Benz (kenteken [kenteken 1]);

b. de Fiat Fleurette 3.0 Mjet kampeerwagen (kenteken [kenteken 2]);

c. de overboeking ten laste van de bankrekening van [bedrijf 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] van € 59.000,00 aan [gedaagde 2];

d. de overboeking ten laste van de bankrekening van [bedrijf 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] van € 58.500,00 aan [gedaagde 1];

e. de overboeking ten laste van de bankrekening van [bedrijf 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] van € 1.800,00 aan [gedaagde 1];

op 11 september 2013 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] binnen twee weken na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting over te gaan tot terugbetaling van een bedrag van

€ 60.300,-- aan de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [Eiser 1] en erflater, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 9 december 2013 tot de dag van volledige betaling, door overmaking van dit bedrag op naam van [Eiser 1] op rekeningnummer [rekeningnummer 3] (Rabobank),

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] tot afgifte, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van de auto van het merk Mercedes (kenteken [kenteken 1]) aan [Eiser 1] en/of [Eiser 2],

5.4.

veroordeelt [gedaagde 2], binnen twee weken na betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, over te gaan tot terugbetaling van een bedrag van

€ 59.000,--aan de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [Eiser 1] en erflater, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 9 december 2013 tot de dag van volledige betaling, door overmaking van dit bedrag op naam van [Eiser 1] op rekeningnummer [rekeningnummer 3] (Rabobank),

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.

1735/120