Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6030

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
C/10/437094 / HA ZA 13-1125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdracht van aandelen in een BV, een holding. Koper van deze aandelen, die een loonsanctie van het UWV krijgt opgelegd, spreekt vervolgens de verkopers aan vanwege een garantiebepaling in de koopovereenkomst. Het gaat om de bepaling dat, indien “de vennootschap” alsnog wordt aangesproken voor verplichtingen die hun oorzaak vinden vóór de datum van de overdracht van de aandelen, de koopprijs daarvan zal worden verlaagd. Uitleg van de overeenkomst, waaronder van het begrip “de vennootschap” in deze bepaling. In casu moet hieronder tevens worden verstaan de dochtervennootschap van de holding, waarbij de werknemer in dienst was op wie de loonsanctie betrekking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0641
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/437094 / HA ZA 13-1125

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Oude-Tonge,

eiseres,

advocaat mr. A.M. Roepel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Vlaardingen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te Heenvliet (gemeente Bernisse),

gedaagden,

advocaat mr. H.L. Verweel.

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden, gedaagden gezamenlijk [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 oktober 2013, met zes producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met vier producties;

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van [eiseres] van 24 maart 2014, met één bijlage;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2014.

1.2.

Op de comparitiezitting is afgesproken dat partijen de rechtbank uiterlijk 11 april 2014 berichten indien zij alsnog een minnelijke regeling zouden treffen. De rechtbank heeft binnen deze termijn geen bericht van partijen ontvangen dat zij geschikt hebben.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Bij een koopovereenkomst van 1 december 2010 (hierna: de Koopovereenkomst) heeft [eiseres] alle aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) gekocht van [gedaagde 2] en [gedaagde 1], de twee aandeelhouders van deze vennootschap. De overeengekomen koopsom van de aandelen bedraagt € 128.221,--. Op dezelfde dag zijn deze aandelen geleverd aan [eiseres].

2.2.

De naam “[bedrijf 1]” is de oude statutaire naam van Niecom Holding B.V., de houdstermaatschappij van alle aandelen in de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Niecom Constructie B.V. en Niecom Installatie B.V.

2.3.

[persoon 1] (hierna: [persoon 1]) is in dienst geweest van de Niecom Installatie B.V. (hierna: Niecom Installatie) in de functie van sprinklermonteur/installateur.

2.4.

Op 27 januari 2009 raakte [persoon 1] arbeidsongeschikt vanwege knieklachten. Op 25 september 2009 heeft een eerstejaarsevaluatie plaatsgehad van de re-integratie van [persoon 1]. Daarbij is gebleken dat het resultaat van de re-integratie van [persoon 1] in het eigen bedrijf (het zgn. ‘eerste spoor’) gering is. Op 11 juni 2010 is een arbeidsdeskundige rapportage opgesteld. De arbeidsdeskundige is van oordeel dat [persoon 1] in augustus 2010, nadat hij wederom een knieoperatie zal hebben ondergaan, “naar alle waarschijnlijkheid” weer aan de slag kan in zijn eigen functie. Op 23 november 2010 is [persoon 1] weer aan het werk gegaan bij Niecom Installatie.

2.5.

In februari 2011 is [persoon 1] wederom uitgevallen. De reden hiervoor was een ontsteking aan zijn knieprothese.

2.6.

Op 22 juni 2011 neemt het UWV de volgende “Beslissing: loon doorbetalen”, welke beslissing is gericht aan Niecom Installatie - aangehaald voor zover relevant:

“Geachte heer, mevrouw ,

Uw werknemer, [persoon 1], […], heeft bij ons een WIA-uitkering aangevraagd. In het re-integratieverslag bij die aanvraag heeft u aangegeven wat u heeft gedaan voor de re-integratie van de heer E. [persoon 1].

Beoordeling re integratie

Wij hebben het re-integratieverslag beoordeeld. Volgens ons heeft u niet voldoende gedaan om uw werknemer te re-integreren. Hoe wij tot deze conclusie zijn gekomen, kunt u lezen in het bijgaande rapport van onze arts of arbeidsdeskundige. Uw werknemer krijgt nu dus nog geen WIA-uitkering.

Een jaar langer loon doorbetalen

Omdat u niet voldoet aan uw re-integratieverplichtingen, moet u het loon van de heer E. [persoon 1] doorbetalen tot 13 juli 2012. De aanvraag van de WIA-uitkering nemen wij niet in behandeling.

Eerder stoppen met loondoorbetalen mogelijk

In het rapport van onze arts of arbeidsdeskundige kunt u lezen wat u nog moet doen voor de re-integratie van uw werknemer en welk resultaat u daarmee kunt bereiken. Voldoet u aan deze verplichtingen? Stuur dan opnieuw een re-integratieverslag op. Dan kunnen wij beslissen dat u het loon niet verder hoeft door te betalen.

Meer over de re-integratie van uw werknemer en het re-integratieverslag kunt u lezen op uwv.nl.

Geen ontslag mogelijk

Tot 13 juli 2012 mag u uw werknemer niet ontslaan. Ook mag uw werknemer geen ontslag nemen. Eindigt de dienstbetrekking toch voor 13 juli 2012? Dan weigeren wij de uitkering tot het einde van de loonsanctie. Ook moet uw werknemer dan verweer voeren tegen het ontslag.”

Het ingevolge deze beslissing van het UWV door Niecom Installatie door te betalen eenjaarsloon bedraagt € 50.591,26.

In het rapport inzake “Arbeidsdeskundig Onderzoek” d.d. 15 juni 2011, waarop deze beslissing van het UWV is gebaseerd, komt het UWV - samengevat - tot de conclusie dat Niecom Installatie te lang heeft gewacht met het opzetten van een re-integratie van [persoon 1] bij een andere werkgever, het zgn. ‘tweede spoor’. Na een ziekteduur van uiterlijk vijftien maanden had Niecom Installatie namelijk moeten starten met dit ‘tweede spoor’, derhalve uiterlijk vijftien maanden vanaf of onmiddellijk na 27 januari 2009, hetgeen Nieman Installatie evenwel heeft nagelaten.

2.7.

In artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst is het volgende bepaald - aangehaald voor zover relevant:

“4. Indien en voor zover mocht blijken dat:

(…)

c. de vennootschap alsnog wordt aangesproken voor verplichtingen die hun oorzaak vinden in de periode vóór de datum van overdracht van de aandelen;

zal de koopprijs van de aandelen worden verhoogd of verlaagd waarbij de koopprijs niet verder zal worden aangepast dan met een maximaal bedrag van € 50.000. Waar een schending van de garanties verondersteld wordt zal koper een onderbouwd beroep op de garantie dienen te doen binnen een periode van twee jaar na de datum van levering van de aandelen, waarbij een uitzondering bestaat uit hoofde van een beroep op de garantie genoemd onder artikel 2 letter r, waarvoor een termijn van zes jaar na de datum van levering zal gelden. Koper verklaart dat haar ten tijde van de ondertekening van deze overeenkomst geen schendingen van de garanties bekend zijn en dat verkoper alle verlangde informatie en gegevens ter beschikking heeft gesteld om een goed oordeel te vormen aangaande de positie van de vennootschap en haar deelnemingen.

Over de hier bedoelde koopprijscorrectie zal een rente verschuldigd zijn vanaf de datum van overdracht tot de dag der betaling van 4% per jaar.

Correcties per saldo in totaal beneden € 5.000 zullen echter geen aanleiding zijn tot vermeerdering of vermindering van de koopprijs.”

3 Het geschil

3.1.

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat de koopprijs van de vennootschap is verminderd met
    € 50.000,--;

  2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van:

(a) € 50.000,--, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% per jaar, althans de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 1 decmber 2010;

(b) de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en, voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten legt [eiseres] hieraan de volgende stellingen ten grondslag:

- Op het moment waarop uiterlijk het ‘tweede spoor’ had moeten worden opgestart, 27 april 2010, was [eiseres] nog geen eigenaar van de aandelen van [bedrijf 1] en waren [gedaagden] derhalve nog verantwoordelijk voor het opzetten van dit ‘tweede spoor’; de loonsanctie die het UWV aan Niecom Installatie heeft opgelegd in de beslissing van 22 juni 2011 betekent dus dat de zich in artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst genoemde situatie heeft voorgedaan waarin [bedrijf 1] na de aandelenoverdracht wordt aangesproken voor verplichtingen die hun oorzaak vinden in de periode vóór de datum van de overdracht van de aandelen als bedoeld in artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst;

- Aangezien [eiseres] als gevolg van de loonsanctie van het UWV in totaal een bedrag van € 50.591,26 heeft moeten betalen, dient de koopprijs van de aandelen in [bedrijf 1] dan ook ingevolge artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst met een bedrag van
€ 50.000,-- te worden verlaagd, welk bedrag aan [eiseres] moet worden betaald;

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tijdig gesommeerd tot betaling van dit bedrag, maar hebben hieraan geen gevolg gegeven.

3.3.

[gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten voeren [gedaagden] tot hun verweer de volgende argumenten aan - samengevat:

- Het bepaalde in artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst waar [eiseres] een beroep op doet strekt zich niet uit over de onderhavige loonsanctie van het UWV; immers, deze loonsanctie is opgelegd aan [bedrijf 2], niet aan [bedrijf 1], de moedermaatschappij van [bedrijf 2];

- Er is geen sprake van een verplichting die haar oorzaak vindt in de periode voorafgaand aan de aandelenoverdracht als bedoeld in artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst; vanaf 1 december 2010 waren de verkopers immers niet meer verantwoordelijk voor Niecom Installatie en [persoon 1] is pas nadien, in februari 2011, weer uitgevallen nadat hij op 23 november 2010, derhalve voorafgaande aan de aandelenoverdracht, weer aan het werk is gegaan bij Niecom Installatie; dat [persoon 1] in februari 2011 arbeidsongeschikt is geraakt komt derhalve niet voor rekening van [gedaagden];

- [eiseres] heeft afgezien van het maken van een voorbehoud in de Koopovereenkomst met betrekking tot [persoon 1];

- Voorafgaande aan de Koopovereenkomst en de aandelenoverdracht was [eiseres] al op de hoogte van de situatie omtrent [persoon 1], althans had hij dat behoren te zijn;

- Het oordeel van het UWV dat er op 27 april 2010 een ‘tweede spoor’ had moeten zijn opgestart is onjuist;

- [eiseres] heeft, hoewel dat mogelijk was, haar schade niet beperkt; ten onrechte heeft zij namelijk niets ondernomen tegen de loonsanctie, zoals bezwaar en/of beroep en overleg met [gedaagden], dit terwijl de loonsanctie ten onrechte is opgelegd; de prognose was namelijk dat [persoon 1] weer aan het werk kon, reden waarom er geen ‘tweede spoor’ hoefde te worden opgestart;

- Daarnaast heeft [eiseres], althans Niecom Installatie, onnodig laat de WIA-uitkering aangevraagd; er lag immers de brief van de bedrijfsarts van 19 november 2010, waardoor het einde van de wachttijd vooruit is geschoven en de feitelijke loondoorbetaling is verlengd;

- [eiseres] heeft nagelaten de door haar gestelde schade van € 50.591,26 inzichtelijk te maken; uit niets blijkt dat zij daadwerkelijk deze kosten heeft moeten maken.

4 De beoordeling

4.1.

De meest verstrekkende verweren van [gedaagden] gaan over de vraag of [eiseres] aan artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst het recht kan ontlenen van [gedaagden] te verlangen dat de koopprijs van de aandelen wordt verlaagd vanwege de onderhavige loonsanctie van het UWV. Op deze vraag hebben in ieder geval de hieronder genoemde onderdelen (a), (b) en (c) betrekking.

(a) de loonsanctie is opgelegd aan [bedrijf 2], niet aan [bedrijf 1], de moedermaatschappij van [bedrijf 2]

4.2.

In de overwegingen aan het begin van de Koopovereenkomst is aangegeven dat met het begrip “de vennootschap” in deze overeenkomst bedoeld is [bedrijf 1]
(“ ”[bedrijf 1] […], hierna ook te noemen: “de vennootschap” ”), derhalve de vennootschap waarvan de aandelen in de Koopovereenkomst zijn verkocht. In geschil is nu of het begrip “de vennootschap” in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst (“de vennootschap alsnog wordt aangesproken voor verplichtingen die hun oorzaak vinden in de periode vóór de datum van overdracht van de aandelen”) uitsluitend betrekking heeft op [bedrijf 1], zoals [gedaagden] menen, dan wel tevens op haar “werkmaatschappijen”, namelijk haar dochtervennootschappen Niecom Constructie B.V. en Niecom Installatie, wat de mening is van [eiseres].

Bij deze vraag hoe het begrip “de vennootschap” in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst verstaan moet worden gaat het om een vraag van uitleg van een contractuele bepaling. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.

Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, zoals tot uitgangspunt kan worden genomen als het om een commerciële overeenkomst gaat als de onderhavige, die is gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zgn. ‘Haviltex-criterium’). Zie HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101.

De uitleg die [eiseres] geeft aan het begrip “de vennootschap” in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst wijkt af van de in de overwegingen van de Koopovereenkomst neergelegde hoofdregel dat onder “de vennootschap” uitsluitend verstaan mag worden [bedrijf 1] [eiseres] beroept zich derhalve, als het ware, op een uitleg die afwijkt van de taalkundige betekenis van het begrip “de vennootschap”. Ingevolge genoemd arrest van de Hoge Raad rust op [eiseres] dan ook de stel- en bewijsplicht van deze uitleg.

4.4.

Gebleken is dat [bedrijf 1] een holdingmaatschappij is die geen eigen activiteiten verricht; zij houdt de aandelen in de andere maatschappijen van het concern waartoe zij behoort en haar bestuur treedt op als de gezamenlijke leiding van de groep. Zij produceert zelf niets en haalt haar winst uit de opbrengsten van de aandelenparticipaties.

Tegen deze achtergrond legt [eiseres] aan de door haar bepleite uitleg van het begrip “de vennootschap” in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst ten grondslag dat zonder de werkmaatschappijen [bedrijf 1], de holding, een “lege huls” is, zodat een redelijke uitleg van het begrip “de vennootschap” in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst inhoudt dat daaronder wordt begrepen het gehele gekochte, dus de holding en de werkmaatschappijen. De rechtbank volgt [eiseres] in deze uitleg. Indien het begrip “de vennootschap” in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst uitsluitend mag worden opgevat als betrekking hebbend op [bedrijf 1], de holding, dan zou dat namelijk betekenen dat deze bepaling (vrijwel) zinledig is, iets waar [eiseres], vanzelfsprekend, niet van uit hoefde te gaan. Immers, zo’n uitleg zou betekenen dat aanspraken van derden op de werkmaatschappijen, hoe uiteenlopend van aard en financiële omvang zulke aanspraken ook kunnen zijn, nooit kunnen leiden tot een verplichting tot verlaging of verhoging van de koopprijs van de aandelen in de holding, hoezeer ook zulke aanspraken zouden kunnen leiden tot substantiële verslechtering of verbetering van de financiële positie van de werkmaatschappijen en derhalve van de waarde van het aandeelhouderschap van de holding in deze werkmaatschappijen. Niet valt in te zien hoe aan het gelijk dat [eiseres] heeft op dit punt het gegeven af zou kunnen doen dat artikel 5 lid 4 van de Koopovereenkomst een (algemene) bepaling is voor uitsluitend onverwachte claims en hieraan dus slechts een beperkte uitleg mag worden gegeven, zoals [gedaagden] betogen.

(b) er is geen sprake van een verplichting die haar oorzaak vindt in de periode voorafgaand aan de aandelenoverdracht als bedoeld in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst

4.5.

Ook hier slaagt [eiseres] in haar redenering. Een noodzakelijke voorwaarde voor de verplichting tot verlaging of verhoging van de koopprijs van de aandelen in [bedrijf 1] op grond van artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst is dat deze holding of haar werkmaatschappijen - zie voor dat laatste hierboven onder (a) - wordt aangesproken voor een verplichting die haar oorzaak vindt in de periode voorafgaand aan de onderhavige aandelenoverdracht, derhalve vóór 1 december 2010.

Niet in geschil is dat de onderhavige loonsanctie van het UWV op zichzelf genomen een verplichting behelst voor Niecom Installatie tot doorbetaling van het loon van [persoon 1] gedurende een bepaalde periode, namelijk een jaar.

4.6.

Vraag is vervolgens om welke reden het UWV deze sanctie aan Niecom Installatie heeft opgelegd, anders gezegd: wat is de “oorzaak” als bedoeld in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst geweest van deze verplichting ?

Uit bovengenoemde beslissing van het UWV van 22 juni 2011 en bovengenoemd rapport van 15 juni 2011 - in onderling verband en samenhang beschouwd - volgt dat de reden waarom het UWV deze sanctie heeft opgelegd is geweest dat Niecom Installatie, de werkgever van [persoon 1], te lang heeft gewacht met het opzetten van een re-integratie van [persoon 1] bij een andere werkgever, het zgn. ‘tweede spoor’. Dit is derhalve de “oorzaak” geweest van deze aan Niecom Installatie opgelegde sanctie.

4.7.

Daarmee rijst de vraag vanaf welk moment Niecom Installatie in strijd heeft gehandeld met haar genoemde verplichting tot het opstarten van het ‘tweede spoor’ voor [persoon 1], meer concreet gezegd: was daarvan al sprake voorafgaande aan de aandelenoverdracht of eerst daarna?

Vast is komen te staan, als gezegd, dat [persoon 1] zich voor het eerst ziek heeft gemeld op 27 januari 2009. [gedaagden] menen dat er geen sprake is van een verplichting die haar oorzaak vindt in de periode voorafgaande aan de aandelenoverdracht, omdat [persoon 1] eerst na de aandelenoverdracht, namelijk in februari 2011, weer is uitgevallen nadat hij al op 23 november 2010, derhalve voorafgaande aan de aandelenoverdracht, weer aan het werk is gegaan bij Niecom Installatie. Dit argument kan [gedaagden] echter niet baten. Uit hetgeen hierboven is overwogen in rov. 4.6 volgt immers dat de loonsanctie van het UWV onlosmakelijk is verbonden met de door het UWV vastgestelde situatie dat Niecom Installatie op 27 april 2010, derhalve voorafgaande aan de aandelenoverdracht, tekort was geschoten in haar verplichting om binnen vijftien maanden na de ziekmelding van [persoon 1] het ‘tweede spoor’ op te starten. Dat [persoon 1] gedurende enige tijd na de aandelenoverdracht weer (op therapeutische basis) aan de slag is gegaan bij Niecom Installatie is derhalve niet van belang, niet alleen omdat op dat moment deze vijftienmaandentermijn al was verstreken maar eigenlijk ook omdat deze ontijdige wedertewerkstelling van [persoon 1] bij zijn eigen werkgever niet kan worden opgevat als (vervanging van) het opstarten van het ‘tweede spoor’.

(c) [eiseres] heeft afgezien van het maken van een voorbehoud in de Koopovereenkomst met betrekking tot [persoon 1]

4.8.

Een andere reden waarom volgens [gedaagden] het bepaalde in artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst toepassing mist, is dat [eiseres] zou hebben afgezien van het maken van een voorbehoud in de Koopovereenkomst met betrekking tot [persoon 1]. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals volgt uit hetgeen hierboven is overwogen, is artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst zodanig ruim geformuleerd dat de onderhavige loonsanctie door die bepaling wordt bestreken. Het ligt derhalve op de weg van [gedaagden] feiten en omstandigheden te stellen waaruit zou moeten volgen dat deze bepaling niettemin toepassing mist omdat [eiseres] ervan heeft afgezien met betrekking tot [persoon 1] een voorbehoud te maken. Aan deze stelplicht hebben [gedaagden] evenwel niet voldaan, zodat ook dit argument van hen faalt.

(d) de overige stellingen van [gedaagden]

4.9.

Ook hun stelling dat [eiseres] al voorafgaande aan de Koopovereenkomst en de aandelenoverdracht op de hoogte zou zijn geweest van de situatie omtrent [persoon 1], althans dat had behoren te zijn, kan [gedaagden] niet baten. Zij hebben namelijk niet (voldoende concreet) gesteld dat [eiseres] vóór het einde van genoemde vijftienmaandentermijn, op 27 april 2010, al wist of had behoren te weten dat [persoon 1] naar alle waarschijnlijkheid langdurig arbeidsongeschikt was geraakt én dat [bedrijf 2] desondanks geen enkele poging had ondernomen tot het opstarten van het ‘tweede spoor’.

4.10.

Niet valt verder in te zien waarom op zichzelf genomen de door [gedaagden] aangevoerde onjuistheid van het oordeel van het UWV dat er op 27 april 2010 een ‘tweede spoor’ had moeten zijn opgestart iets af zou kunnen doen aan de toepasselijkheid van artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst. De “oorzaak” van de loonsanctie van het UWV heeft zich immers, zoals hierboven is overwogen, voorgedaan voorafgaande aan de onderhavige aandelenoverdracht.

4.11.

Naar niet in geschil is, komt het bedrag waarmee ex artikel 5 lid 4 onder c van de Koopovereenkomst de koopprijs van de aandelen dient te worden verlaagd overeen met het bedrag tot betaling waarvan “de vennootschap” wordt aangesproken als bedoeld in deze bepaling, mits deze aanspraken een bedrag van € 50.000,-- niet te boven gaan. Voor zover het instellen van een rechtsmiddel tegen de onderhavige loonsanctie van het UWV ad
€ 50.591,26 had kunnen leiden tot verlaging van deze sanctie tot een bedrag beneden
€ 50.000,--, zou dan ook gezegd kunnen worden dat beperking van de schade die [gedaagden] lijden als gevolg van deze sanctie mogelijk was. Dat is evenwel niet voldoende voor het slagen van dit verweer van [gedaagden] Zij dienen namelijk ook, als de partij op wie de stelplicht hiervan berust, voldoende concreet te stellen dat de loonsanctie op een kennelijke (gedeeltelijke) omissie van het UWV berust, zodat het alleszins waarschijnlijk is dat een tijdig ingesteld rechtsmiddel geleid zou hebben tot een substantiële verlaging van deze sanctie, in ieder geval tot een bedrag beneden € 50.000,--. Aan deze stelplicht hebben [gedaagden] evenwel in het geheel niet voldaan met hun zeer algemene stelling dat de kans op een succesvolle bezwaarprocedure groot was omdat de loonsanctie op onjuiste gronden is gegeven en evenmin met hun stelling dat Niecom Installatie geen ‘tweede spoor’ had hoeven opstarten omdat gedurende de arbeidsongeschiktheidsperiode van [persoon 1] steeds de prognose was dat hij zijn eigen werk weer volledig zou kunnen hervatten na zijn laatste operatie.

4.12.

Niet valt in te zien waarom bovengenoemd argument van [gedaagden] dat [eiseres], althans Niecom Installatie, onnodig laat de WIA-uitkering heeft aangevraagd in de weg zou moeten staan aan toewijzing van de vorderingen van [eiseres]. Uit het rapport van het UWV van 15 juni 2011 volgt immers dat de WIA-uitkering niet kan worden aangevraagd omdat ten onrechte het ‘tweede spoor’ niet is opgestart.

4.13.

Niet in geschil is dat [eiseres], althans Niecom Installatie, op grond van voornoemde beslissing van het UWV van 22 juli 2011 gehouden is tot doorbetaling van het loon van [persoon 1] gedurende een jaar ten bedrage van in totaal € 50.591,26. Niet valt dan ook in te zien waarom [eiseres] zou hebben nagelaten de door haar gestelde schade van
€ 50.591,26 inzichtelijk te maken.

4.14.

Dat [gedaagden] tijdig zijn gesommeerd tot betaling maar daaraan geen gevolg hebben gegeven is door hen niet betwist, zodat dit is komen vast te staan.

4.15.

Tegen de gevorderde contractuele rente van 4% per jaar is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat ook deze rente zal worden toegewezen.

4.16.

[eiseres] stelt niet op grond waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn, zodat de gevorderde hoofdelijke veroordeling wordt afgewezen.

4.17.

Het bovenstaande betekent dat de vordering tot betaling van de hoofdsom van
€ 50.000,--, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% per jaar, zal worden toegewezen. Nu gesteld noch gebleken is wat daarnaast de betekenis is van de gevorderde verklaring voor recht, zal de rechtbank die vordering afwijzen wegens gebrek aan belang.

(e) de proceskosten

4.18.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagden] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- exploitkosten € 86,71

- vastrecht € 1.836,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten x tarief € 894,--)

€ 3.710,71.

4.19.

Tegen de door [eiseres] gevorderde nakosten, waaronder de wettelijke rente hierover, hebben [gedaagden] geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze op de wet gebaseerde vordering zal worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van in totaal € 50.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% per jaar vanaf 1 december 2010 tot de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten ten bedrage van in totaal € 3.710,71;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van de nakosten van in totaal € 131,-- zonder betekening, dan wel in totaal € 199,-- in het geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.

901/2309