Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6021

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
C/10/414540 / HA ZA 12-1089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur van aannemersmateriaal op bouwplaats. Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/414540 / HA ZA 12-1089 van

de naamloze vennootschap naar Italiaans recht

TANKO S.P.A.,

gevestigd te Siracusa, Italië,

eiseres,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. A.M. Dumoulin-Siemens te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1],

gevestigd te Gorinchem,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. G.P. Lobé te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Tanko”, “[gedaagde 1]” en “[gedaagde 2]”.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 27 februari 2013.

1.2.

Ingevolge dat tussenvonnis heeft op 16 mei 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden, die op 9 oktober 2013 is voortgezet. Van beide zittingen is proces-verbaal opgemaakt. In de processen-verbaal is opgenomen welke processtukken tussen partijen zijn gewisseld. De rechtbank verwijst naar die processen-verbaal.

1.3.

In de zaak van Tanko tegen [gedaagde 2] is bij vonnis van 6 november 2013 einduitspraak gedaan.

1.4.

Op de comparitie van 9 oktober 2013 is de zaak van Tanko tegen [gedaagde 1] naar de rol verwezen voor aktewisseling.

Tanko heeft een Akte uitlaten na comparitie tevens houdende akte overlegging producties genomen en daarbij producties 41 tot en met 44 in het geding gebracht.

[gedaagde 1] heeft een Akte uitlating tevens overlegging van producties tevens wijziging van eis in reconventie genomen en daarbij producties 18 tot en met 20 in het geding gebracht.

Tanko heeft gereageerd met een Antwoord akte.

1.5.

Daarna hebben Tanko en [gedaagde 1] wederom vonnis gevraagd.

2 De vorderingen en het verweer

2.1.

Tanko vordert in conventie, na vermeerderingen en verminderingen van eis, laatstelijk bij Akte wijziging/vermeerdering van eis en ter comparitie van 9 oktober 2013, dat de rechtbank [gedaagde 1] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zal veroordelen om aan haar elf bedragen te betalen, met nevenvorderingen. Het gaat om de volgende hoofdvorderingen:

  1. ter zake van factuur 198/2012 US$ 222.686,40;

  2. ter zake van factuur 228/2012 US$ 222.686,40;

  3. ter zake van factuur 273/2012 US$ 94.885,00;

  4. ter zake van factuur 290/2012 US$ 84.925,80;

  5. ter zake van factuur 316/2012 US$ 81.780,40;

  6. ter zake van factuur 352/2012 US$ 78.635,00;

  7. ter zake van factuur 5/2013 US$ 68.530,00;

  8. ter zake van factuur 7/2013 US$ 373.363,54;

  9. ter zake van factuur 23/2013 US$ 12.358,06;

  10. ter zake van een incident met een kraan € 84.530,00

  11. ter zake van kosten van herstel van materieel € 96.140,00.

Voorts vordert Tanko dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [gedaagde 1] zal gebieden om binnen vijf dagen na de uitspraak het rapport van Terex Italia S.r.l. met betrekking tot het incident met de mobiele kraan van 28 september 2012 bij de verzekeraar van [gedaagde 1] in te dienen en de verzekeraar te verzoeken de vastgestelde schade van € 84.530,00 ten behoeve van Tanko uit te keren.

Daartoe stelt Tanko het volgende.

2.1.1.

Partijen hebben begin februari 2012 een huurovereenkomst gesloten en deze vastgelegd in een stuk getiteld “Master Contract concerning to rent equipment to [gedaagde 1] by Tanko S.P.A. for Nustar Petrobras Project (St. Eustatius)” (hierna: Huurovereenkomst). In artikel 6 Huurovereenkomst is bepaald dat de huur voor het materieel maandelijks verschuldigd is op basis van vaste tarieven per onderdeel, op de site op St. Eustatius door Tanko op te stellen en door [gedaagde 1] goed te keuren materieellijsten (“Daily & Monthly Rates”) en op die materieellijsten te baseren facturen. Tanko heeft telkens van dat soort lijsten opgesteld en aan [gedaagde 1] ter goedkeuring voorgelegd. [gedaagde 1] heeft diverse materieellijsten goedgekeurd en de betreffende facturen betaald, maar geweigerd om een aantal materieellijsten goed te keuren en om een aantal facturen te betalen.

2.1.2.

[gedaagde 1] heeft het bij factuur 198/2012 in rekening gebrachte materieel gebruikt, maar nagelaten om de betreffende materieellijst goed te keuren. [gedaagde 1] betwist in deze procedure, echter, niet dat zij het bedrag van US$ 222.686,40 verschuldigd is. Daarom dient [gedaagde 1] dat bedrag te betalen.

2.1.3.

[gedaagde 1] heeft het bij factuur 228/2012 in rekening gebrachte materieel gebuikt, maar nagelaten om de betreffende materieellijst goed te keuren. [gedaagde 1] betwist in deze procedure echter niet dat zij het bedrag van US$ 222.686,40 verschuldigd is. Daarom dient [gedaagde 1] dat bedrag te betalen.

2.1.4.

[gedaagde 1] heeft de materieellijst waarop factuur 273/2012 is gebaseerd ondertekend en dient daarom het bedrag van die factuur van US$ 94.885,00 te betalen.

2.1.5.

[gedaagde 1] heeft de materieellijst waarop factuur 290/2012 is gebaseerd ondertekend en dient daarom het bedrag van die factuur van US$ 84.925,80 te betalen.

2.1.6.

[gedaagde 1] heeft de materieellijst waarop factuur 316/2012 is gebaseerd ondertekend en dient daarom het bedrag van die factuur van US$ 81.780,40 te betalen.

2.1.7.

[gedaagde 1] heeft de materieellijst waarop factuur 352/2012 is gebaseerd ondertekend en dient daarom het bedrag van die factuur van US$ 78.635,00 te betalen.

2.1.8.

[gedaagde 1] heeft de materieellijst waarop factuur 5/2013 is gebaseerd ondertekend en dient daarom het bedrag van die factuur van US$ 68.530,00 te betalen.

2.1.9.

Ingevolge artikel 5.1 Huurovereenkomst dient [gedaagde 1] ook de kosten van “demobilization” of “demob”, te weten de kosten van het terugbrengen van het materieel van St. Eustatius naar het bedrijf van Tanko in Italië te betalen. Dat is ook afgesproken bij de totstandkoming van de Huurovereenkomst tussen de heren [persoon 1] en [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] en [persoon 2] namens Tanko. Tanko heeft die kosten bij facturen 7/2013 en 23/2013 ten bedrage van in totaal US$ 385.721,60 in rekening gebracht.

2.1.10.

Tot het gehuurde materieel behoorde een mobiele kraan. Op 28 september 2012, tijdens gebruik door [gedaagde 1], is die kraan gekanteld en daardoor beschadigd. Ingevolge artikel 5 Huurovereenkomst komen de kosten van herstel van de kraan voor rekening van [gedaagde 1]. [gedaagde 1] aanvaardt die kostenverdeling, getuige haar mededeling aan Tanko van 22 oktober 2012 dat Tanko de fabriek van de kraan een opstelling van de herstelkosten dient te laten maken en dat [gedaagde 1] die opstelling aan haar verzekeraar zal sturen ter afwikkeling. Tanko heeft de schade laten onderzoeken door Terex Italia s.r.l. (hierna: Terex). In het rapport van Terex is de ongevalsschade begroot op € 84.530,00. [gedaagde 1] heeft nagelaten het rapport van Terex bij haar verzekeraar in te dienen. Daarom vordert Tanko primair dat [gedaagde 1] dat alsnog zal doen. Subsidiair vordert Tanko dat, nu [gedaagde 1] er niet voor heeft gezorgd dat haar verzekeraars die herstelkosten vergoeden, zij deze zelf vergoedt.

2.1.11.

Toen het materieel op het bedrijf van Tanko in Italië terugkwam, bleken onderdelen ervan in deplorabele staat te verkeren. Tanko heeft Det Norske Veritas Italia s.r.l. (hierna: DNV) onderzoek laten doen naar het materieel. DNV heeft geconcludeerd dat diverse onderdelen schade vertoonden en klaarblijkelijk niet goed waren onderhouden. [gedaagde 1] heeft haar verbintenis onder artikel 5 Huurovereenkomst niet nagekomen en is daarom verplicht de kosten van herstel van het materieel ten bedrage van € 96.140,00 aan Tanko te vergoeden.

2.2.

De conclusie van [gedaagde 1] strekt tot afwijzing van de vorderingen, subsidiair tot afwijzing van de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad zodanig dat [gedaagde 1] niet eerder tot betaling aan Tanko verplicht zal zijn dan dat op de vorderingen van [gedaagde 1] in reconventie zal zijn beslist, met veroordeling van Tanko in de proceskosten met inbegrip van nakosten. Daartoe voert [gedaagde 1] het volgende aan.

2.2.1.

Op grond van het systeem van de Huurovereenkomst is [gedaagde 1] slechts verplicht huur te betalen voor zover zij de betreffende materieellijsten heeft goedgekeurd. [gedaagde 1] heeft diverse materieellijst niet goedgekeurd omdat daarop onjuiste posten en onjuiste huurperiodes stonden.

2.2.2.

[gedaagde 1] betwist de posten van factuur 198/2012 tot een bedrag van US$ 214.122,50 niet, maar het meerdere wel. Bovendien is [gedaagde 1] het bedrag van US$ 214.122,50 pas verschuldigd wanneer zij de betreffende materieellijst heeft goedgekeurd. Voorts beroept [gedaagde 1] zich op verrekening, althans op opschorting van haar betalingsverbintenis.

2.2.3.

[gedaagde 1] betwist de posten van factuur 228/2012 tot een bedrag van US$ 127.065,00 niet, maar het meerdere wel. Bovendien is [gedaagde 1] het bedrag van US$ 127.065,00 pas verschuldigd wanneer [gedaagde 1] de betreffende materieellijst zal hebben goedgekeurd. Voorts beroept [gedaagde 1] zich op verrekening, althans op opschorting van haar betalingsverbintenis.

2.2.4.

[gedaagde 1] betwist niet dat zij de materieellijsten waarop facturen 273/2012, 290/2012, 316/2012, 352/2012 en 5/2013 zijn gebaseerd heeft ondertekend, maar beroept zich op verrekening met haar tegenvorderingen, subsidiair op opschorting van haar betalingsverbintenis.

2.2.5.

[gedaagde 1] betwist de kosten van “demobilization” of “demob” van het materieel verschuldigd te zijn. Voordat partijen de Huurovereenkomst aangingen hadden zij een overeenkomst van onderaanneming gesloten. Tanko is haar verbintenissen onder die overeenkomst niet nagekomen om welke reden [gedaagde 1] die overeenkomst voortijdig heeft beëindigd. Partijen hebben toen een schikking (“resolution of dispute”; hierna: schikkingsovereenkomst) getroffen en die vastgelegd in een akte van 23 maart 2012 (productie 1 bij dagvaarding). Omdat Tanko haar materieel naar St. Eustatius had gebracht ter uitvoering van die overeenkomst van onderaanneming, maar het werk niet meer zou uitvoeren, is bij die schikking overeengekomen dat [gedaagde 1] het materieel van Tanko zou gaan huren. In de akte van 23 maart 2012 is overeengekomen “Tanko [..] shall demobilize, remove and transport all equipment, which is not certified, and/or not listed in de List of Equipment, from the site for its own risk and costs”. [gedaagde 1] betwist dat uit artikel 5.1 Huurovereenkomst volgt dat de kosten van “demobilization” of “demob” voor rekening van [gedaagde 1] komen; de omstandigheid dat de kosten van “mobilization” voor rekening van [gedaagde 1] komen brengt niet mee dat daarom ook die van “demobilization” voor haar rekening komen.

2.2.6.

[gedaagde 1] betwist dat zij verplicht is tot vergoeding van de bij het ongeval van 28 september 2012 ontstane schade aan de mobiele kraan. Op grond van het bepaalde in artikel 5.1 Huurovereenkomst “All prices are including insurance” diende Tanko voor cascoverzekering van de kraan zorg te dragen. Dat heeft Tanko kennelijk niet gedaan. De kosten voortvloeiende uit het niet hebben gezorgd voor een cascoverzekering dienen voor rekening van Tanko te blijven. [gedaagde 1] betwist dat zij heeft toegezegd betaling van haar verzekeraars te vragen en de uitkering door te betalen. [gedaagde 1] heeft geen cascoverzekering waaronder deze kraan was verzekerd.

2.2.7.

[gedaagde 1] betwist verplicht te zijn tot betaling van herstelkosten. [gedaagde 1] betwist dat zij het materieel niet op behoorlijke wijze heeft gebruikt. De Huurovereenkomst voorziet niet in de door Tanko gestelde betalingsverplichting. Tanko baseert haar vordering niet op de toestand van het materieel bij teruggave door [gedaagde 1] op St. Eustatius, maar na terugkomst in Italië, na de terugreis uit St. Eustatius. Gedurende die terugreis die voor rekening en risico van Tanko plaats vond kan van alles met het materieel zijn voorgevallen.

2.3.

[gedaagde 1] vordert in reconventie na wijzigingen van eis, laatstelijk bij Akte uitlating tevens overlegging van producties tevens wijziging van eis, dat de rechtbank Tanko zal veroordelen om aan haar te betalen:

  1. US$ 800.487,76 wegens onverschuldigde betaling, subsidiair ongerechtvaardigde verrijking;

  2. € 92.500,00 op grond van cessie van een vordering van PCC Conserveringswerken B.V. (hierna: PCC);

  3. US$ 174.152,99 en US$ 374.446,00, subsidiair US$ 284.109,94 wegens door of voor rekening van [gedaagde 1] gedaan onderhoud en service van het van Tanko gehuurde materieel;

een en ander met nevenvorderingen.

Daartoe stelt [gedaagde 1] het volgende.

2.3.1.

Tanko heeft zich niet aan haar verbintenissen onder artikel 5 van de schikking en artikel 6.2 Huurovereenkomst gehouden en van [gedaagde 1] betaling van in totaal US$ 800.487,76 op haar facturen verlangd en (door dreiging het materieel terug te nemen en beslagleggingen) verkregen, zonder dat zij die facturen kon onderbouwen met door [gedaagde 1] goedgekeurde en ondertekende materieellijsten. Omdat wegens de wanprestatie van Tanko onder de overeenkomst van onderaanneming al vertraging van het project op St. Eustatius was ontstaan en [gedaagde 1] zelf op dat eiland niet beschikte over het benodigde materieel, zou [gedaagde 1] bij verdere vertraging wegens het terugnemen van het materieel door Tanko aanzienlijke claims van haar opdrachtgever oplopen, zodat [gedaagde 1] zich gedwongen zag om op de niet behoorlijk onderbouwde facturen van Tanko te betalen. Die betalingen was [gedaagde 1], echter, niet verschuldigd. Voorts werd Tanko zonder rechtsgrond door die betalingen verrijkt. Derhalve dient Tanko dat bedrag terug te betalen.

2.3.2.

PCC had in april 2011 € 400.000,00 te vermeerderen met BTW van Tanko te vorderen. Tanko heeft die vordering bij brief van 11 april 2011 erkend. Bij akte van 13 augustus 2012 heeft PCC haar vordering overgedragen aan [gedaagde 1]. Ter zake van die vordering heeft [gedaagde 1] nog € 92.500,00 van Tanko te vorderen.

2.3.3.

Ingevolge artikel 1.4 Huurovereenkomst en artikel 9.7 van de daarbij horende algemene voorwaarden diende Tanko ervoor zorg te dragen dat het materieel voor zover van toepassing (zoals bij kranen, grondverzet machines, lasapparatuur, slijptollen, kabels) gedurende het gebruik gecertificeerd zou zijn. Wanneer een certificaat afliep, diende het verlengd te worden. Omdat Tanko niet voor certificering zorgde en daartoe geen personeel op St. Eustatius had achtergelaten, heeft [gedaagde 1] de certificering waar nodig door derden laten uitvoeren en waar mogelijk door eigen daartoe gekwalificeerd personeel (in dienst van de met haar in een groep verbonden [bedrijf 1] – hierna: [bedrijf 1]).

Om het materieel bruikbaar te houden diende daarop service en onderhoud te worden gepleegd. In artikel 5.1 Huurovereenkomst is geregeld dat de kosten van service en onderhoud in de huur zijn begrepen, waaruit blijkt dat Tanko voor service en onderhoud verantwoordelijk is. Omdat Tanko niet was uitgerust om service en onderhoud op St. Eustatius uit te voeren, is in artikel 5.2 Huurovereenkomst bepaald dat [gedaagde 1] dat kan doen en de kosten daarvan kan doorberekenen aan Tanko.

Net als het certificeringswerk, is het service- en onderhoudswerk verricht door [bedrijf 1]. De door [bedrijf 1] voor service en onderhoud van het materieel gemaakte kosten dient Tanko te vergoeden. Maar Tanko weigert dat te doen. Voor zover vereist heeft [bedrijf 1] haar vordering bij akte van cessie van 15 februari 2013 overgedragen aan [gedaagde 1].

Ter zake van certificering, onderhoud en service van het materieel heeft [gedaagde 1] € 374.446,00 en US$ 174.152,99 te vorderen.

Subsidiair vordert [gedaagde 1] ter zake van service en onderhoud van het materieel een bedrag van 20% van de aan Tanko verschuldigde huur. Professionele verhuurders van soortgelijk materieel als het door Tanko aan [gedaagde 1] ter beschikking gestelde materieel berekenen in de huur gemiddeld omstreeks 20% van de huurprijs als dekking voor de kosten van service en onderhoud daarvan. Indien de rechter niet komt tot een veroordeling van Tanko tot vergoeding van de – primair gevorderde – werkelijke kosten, dan dient Tanko in ieder geval 20% van de huur, dat komt neer op US$ 284.109,94 aan service- en onderhoudskosten te vergoeden.

2.4.

De conclusie van Tanko strekt tot afwijzing van de vorderingen in reconventie met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten en in nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.

Daartoe voert Tanko het volgende aan.

2.4.1.

Tanko betwist dat [gedaagde 1] enig bedrag onverschuldigd heeft betaald. Tanko heeft materieel aan [gedaagde 1] ter beschikking gesteld en de huurprijzen daarvan aan [gedaagde 1] in rekening gebracht. Betaling door [gedaagde 1] op de facturen van Tanko is daarom niet onverschuldigd. De omstandigheid dat [gedaagde 1] nalatig is om de materieellijsten van Tanko goed te keuren en deze te ondertekenen maakt de bedragen van die facturen nog niet onverschuldigd.

2.4.2.

De vordering van PCC op Tanko is een voorwaardelijke. De voorwaarden, het geven van een opdracht door een derde aan Tanko en het inzetten van telkens 30 man personeel van Tanko door PCC, zijn niet vervuld. Daarom is Tanko niets aan PCC verschuldigd en evenmin aan [gedaagde 1] als cessionaris van PCC.

2.4.3.

[bedrijf 1] stelt een vordering ter zake van certificerings-, service- en onderhoudskosten onder de Huurovereenkomst te hebben op Tanko. [gedaagde 1] heeft die vordering van [bedrijf 1] overgenomen. Echter, [bedrijf 1] is geen partij bij de Huurovereenkomst en heeft uit dien hoofde niets van Tanko te vorderen.

Tanko is op grond van artikel 5.2 Huurovereenkomst slechts kosten voor certificering, service en onderhoud verschuldigd indien en voor zover Tanko die kosten op voorhand heeft goedgekeurd. Tanko heeft geen van de kostenposten goedgekeurd.

Tanko betwist dat professionele verhuurders van soortgelijk materieel omstreeks 20% van de huur berekenen voor service en onderhoud. De door [gedaagde 1] genoemde bronnen tonen dat niet aan.

Uit coulance is Tanko bereid US$ 158.000,00 aan kosten voor haar rekening te nemen. Dat bedrag correspondeert min of meer met de 10% aan kosten voor certificering, service en onderhoud die Tanko in de huur aan [gedaagde 1] heeft berekend.

3 De beoordeling

In conventie en reconventie

3.1.

Partijen zijn het erover eens dat hun rechtsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht.

Voorts in conventie

Huurvorderingen

3.2.

Tanko heeft haar vordering ter zake van huur over juli 2012, die zij bij factuur 228/2012 in rekening heeft gebracht, ter comparitie van 9 oktober 2013 verminderd tot US$ 222.686,40 (punt 3 proces-verbaal).

In haar Akte uitlaten na comparitie tevens houdende akte overlegging producties stelt Tanko niet dat het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2013 niet correct is. Zij voert in hoofdstuk 3 van die Akte aan dat zij ter zake van de huur over juli 2012 aanspraak heeft op US$ 269.851,40. Subsidiair maakt Tanko aanspraak op US$ 222.686,40, zo stelt zij in die Akte.

In (de punten 6 en 7 van) haar Akte uitlating tevens overlegging van producties tevens wijziging van eis in reconventie gaat [gedaagde 1] in op factuur 228/2012, maar geeft daarbij niet aan dat zij de betreffende vordering van Tanko beschouwt als vermeerderd tot US$ 269.851,40.

Tanko heeft in haar Akte uitlaten na comparitie tevens houdende akte overlegging producties haar eis niet (formeel) vermeerderd tot US$ 269.851,40. Evenmin bevat de aanhef of het slot van die Akte een aanduiding dat sprake is van een vermeerdering van eis. Nu [gedaagde 1] het gestelde in die Akte van Tanko kennelijk ook niet als een eisvermeerdering heeft opgevat, dient de rechtbank derhalve uit te gaan van de vordering van US$ 222.686,40, zoals verminderd bij comparitie van 9 oktober 2013.

3.3.

Tanko baseert haar zeven vorderingen tot betaling van huurfacturen op de Huurovereenkomst, stellende dat [gedaagde 1] het elke factuur betreffende materieel in de betreffende periode van haar ter beschikking heeft gehad.

[gedaagde 1] betwist niet de Huurovereenkomst, evenmin dat Tanko daaronder materieel aan haar ter beschikking stelde, maar voert aan – kort gezegd – dat zij slechts huur verschuldigd is voor zover de factuur van Tanko onderbouwd is door een door [gedaagde 1] goedgekeurde en ondertekende materieellijst en dat Tanko onder die facturen huur van materieel in rekening heeft gebracht dat zij niet ter beschikking heeft gehad.

3.4.

Partijen verschillen klaarblijkelijk van mening over de uitleg van de Huurovereenkomst, met name de artikelen 5.3, 6.1 en 6.2 daarvan. De voor de beoordeling relevante bepalingen van de Huurovereenkomst luiden als volgt:

“5. Conditions

5.1

The conditions agreed for the delivery of the Tanko equipment are shown in the price lists in Annexes 2. [..]

5.3

[gedaagde 2] will administer the rented equipment with due care.

[..]

6. Payment conditions and invoicing

6.1

The following invoicing schedule shall apply:

Invoicing will be handled based om a monthly basis based on site by timesheets (annex 4) which have been approved by [gedaagde 2]’s site representative.

6.2

Payments will be made within 30 days of the invoice date, provided that the agreed invoice complies with all the requirements (incl. the timesheet signed by [gedaagde 2]) of this contract [..]”.

3.5.

Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld.

Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (artikel 3:33 en 3:35 BW; HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 – Haviltex; HR 7 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind; HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 – Lundiform/Mexx).

Dat is niet zonder meer anders waar een beding verstrekkende gevolgen heeft, of waar het een overeenkomst tussen professionele partijen betreft die zich hebben laten bijstaan door ter zake kundige juridische adviseurs (HR 7 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 – Gemeente Rotterdam/Eneco).

Bij de uitleg van een geschrift zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door ter zake kundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan.

Weliswaar is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van belang (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 – DSM/Fox), maar ook dan kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht (HR 5 april 2013, ECLI: NL:HR:2013:BY8101 – Lundiform/Mexx; HR 7 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind).

De rechter kan, zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, groot gewicht toekennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van het geschrift en aldus komen tot een voorshands oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Maar vervolgens zal de rechter dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van het geschrift verdedigt voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 – Lundiform/Mexx; HR 19 januari 2007, ECLI:NL: HR:2007:AZ3178 – Meyer/Pont Meyer; HR 29 juni 2007, ECLI: NL:HR:2007:BA4909 – Uni-Invest).

3.6.

Partijen zijn internationaal opererende professionele partijen, die ieder de beschikking hebben over (interne en externe) juridisch adviseurs.

Kennelijk is de Huurovereenkomst gesloten omdat de overeenkomst van onderaanneming tussen partijen, in het kader waarvan Tanko haar materieel naar St. Eustatius had gebracht, voortijdig werd beëindigd en [gedaagde 1] voor de uitvoering van haar opdracht behoefte had aan het materieel van Tanko. Dat blijkt ook uit de schikkingsovereenkomst tussen partijen (productie 1 van Tanko), die op dezelfde datum is tot stand gekomen. In de artikelen 2 en 5 van de schikkingsovereenkomst wordt de basis gelegd voor de huurovereenkomst tussen partijen. De schikkingsovereenkomst vormt derhalve de context van de Huurovereenkomst, zodat laatstgenoemde mede in het licht van de eerstgenoemde dient te worden uitgelegd.

Uit (artikel 5 van) de schikkingsovereenkomst blijkt dat [gedaagde 1] niet al het materieel dat Tanko ter plaatse had ging huren.

De Huurovereenkomst is in concept opgesteld door [gedaagde 2]. Partijen hebben over de tekst onderhandeld.

Partijen zijn het erover eens dat hun overeenkomst een huurovereenkomst is en dat die de huur en verhuur van roerende lichamelijke zaken, namelijk het materieel, betreft, dat onder de Huurovereenkomst door Tanko aan [gedaagde 1] ter beschikking werd gesteld.

3.7.

Omdat sprake is van een huurovereenkomst, is [gedaagde 1] in beginsel huur (als overeengekomen tegenprestatie) verschuldigd voor het gebruik van het door Tanko ter beschikking gestelde materieel (artikel 7:201 lid 1 en 7:212 BW).

Voor zover [gedaagde 1] betoogt dat van die regel is afgeweken in de in 3.4 aangehaalde bepalingen van de Huurovereenkomst, treft dat betoog geen doel. Immers, in geen van die bepalingen en evenmin in enige andere bepaling van de Huurovereenkomst of de schikkingsovereenkomst wordt gesteld dat [gedaagde 1] geen huur is verschuldigd behoudens voor zover [gedaagde 1] een “timesheet” (materiaallijst) heeft goedgekeurd en ondertekend.

3.8.

De artikelen 5 en 6 Huurovereenkomst hebben de strekking nader te bepalen welk materieel Tanko gedurende welke periode aan [gedaagde 1] ter beschikking stelt, respectievelijk over welk materieel [gedaagde 1] huur verschuldigd is. Uit de bewoordingen blijkt dat zowel Tanko als [gedaagde 1] (zie artikel 5.3) zorgvuldig bijhielden welk materieel [gedaagde 1] in welke periode van Tanko in gebruik kreeg.

Artikelen 6.1 en 6.2 geven administratieve voorschriften om een factuur van Tanko betaalbaar te doen zijn: de factuur dient onderbouwd te zijn met een door de vertegenwoordiger van [gedaagde 1] op de bouwplaats op St. Eustatius goedgekeurde en ondertekende materieellijst. Of die materieellijsten per dag, dan wel per maand moeten worden opgemaakt is niet gespecificeerd in de Huurovereenkomst en daarover hebben partijen zich niet specifiek uitgelaten. Echter, in artikel 5 van de schikkingsovereenkomst wordt gesproken over “agreed, confirmed and duly signed daily time-sheets for Equipment Unit Rates”, zodat de materieellijsten in beginsel per dag dienden te worden bijgehouden. Een zodanig onderbouwde factuur dient door het (hoofd)kantoor van [gedaagde 1] (in Rotterdam) betaald te worden en is in beginsel niet voor betwisting vatbaar.

De artikelen 6.1 en 6.2 vormen daarom niet alleen een administratieve, maar ook een bewijsrechtelijke regeling. Voor zover Tanko de voorschriften van de artikelen 6.1 en 6.2 in acht heeft genomen, komt haar het betreffende factuurbedrag in beginsel toe, behoudens tegenbewijs door [gedaagde 1] mits deze voldoende gesteld heeft om tot tegenbewijs te kunnen worden toegelaten.

Zoals gezegd, brengen de artikelen 5 en 6 Huurovereenkomst niet mee dat [gedaagde 1] niets verschuldigd is wegens door haar gebruikt materieel op de enkele grond dat [gedaagde 1] geen materieellijsten heeft goedgekeurd en ondertekend. [gedaagde 1] heeft geen voldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die zodanige uitleg ondersteunen, zodat de rechtbank niet toekomt aan een bewijsopdracht van die feiten of omstandigheden.

3.9.

Vorenstaande uitleg brengt mee dat de vorderingen van Tanko voor zover deze gebaseerd zijn op door [gedaagde 1] ondertekende materieellijsten in beginsel toewijsbaar zijn, behoudens de beroepen van [gedaagde 1] op verrekening en opschorting.

Anderzijds brengt vorenstaande uitleg mee dat voor zover Tanko haar vorderingen niet heeft onderbouwd met door [gedaagde 1] ondertekende materieellijsten en [gedaagde 1] die vorderingen bestrijdt met als argument dat Tanko het betreffende in rekening gebrachte materieel niet aan haar ter beschikking had gesteld, Tanko per stuk materieel en per dag zal dienen te bewijzen dat [gedaagde 1] het betreffende materieel daadwerkelijk ter beschikking heeft gehad.

3.10.

Vorenstaande uitleg en het bepaalde in artikel 149 Rv brengen verder mee dat voor zover [gedaagde 1] een huurvordering in deze procedure niet betwist, het gevorderde bedrag in beginsel toewijsbaar is, behoudens de beroepen van [gedaagde 1] op verrekening en opschorting.

3.11.

[gedaagde 1] betwist de posten van factuur 198/2012 tot een bedrag van US$ 214.122,50 niet, maar het meerdere wel. Die vordering is derhalve in beginsel tot het beloop van US$ 214.122,50 toewijsbaar, behoudens de beroepen van [gedaagde 1] op verrekening en opschorting. Anderzijds zal de rechtbank Tanko opdragen het in 3.9 bedoelde bewijs dat [gedaagde 1] tot het beloop van het meerdere tot US$ 222.686,40 aan huur verschuldigd is geworden.

[gedaagde 1] betwist de posten van factuur 228/2012 tot een bedrag van US$ 127.065,00 niet, maar het meerdere wel. Die vordering is derhalve in beginsel tot het beloop van US$ 127.065,00 toewijsbaar, behoudens de beroepen van [gedaagde 1] op verrekening en opschorting. Anderzijds zal de rechtbank Tanko opdragen het in 3.9 bedoelde bewijs dat [gedaagde 1] tot het beloop van het meerdere tot US$ 222.686,40 aan huur verschuldigd is geworden.

De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten waarbij Tanko bewijsstukken in het geding kan brengen en zich dient uit te laten over de verdere wijze waarop zij dat bewijs zal leveren.

[gedaagde 1] betwist niet dat zij de materieellijsten waarop facturen 273/2012, 290/2012, 316/2012, 352/2012 en 5/2013 zijn gebaseerd heeft ondertekend. [gedaagde 1] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij niet langer aan die goedkeuringen is gehouden. Derhalve zijn de op die facturen gebaseerde vorderingen in beginsel toewijsbaar, behoudens de beroepen van [gedaagde 1] op verrekening en opschorting.

3.12.

Tanko vordert kosten van “demobilization” of “demob”, te weten de kosten van het terugbrengen van het materieel van St. Eustatius naar het bedrijf van Tanko in Italië, stellende dat tussen partijen is afgesproken dat die kosten voor rekening van [gedaagde 1] komen.

[gedaagde 1] betwist die afspraak en die verschuldigdheid gemotiveerd.

Voor zover Tanko betoogt dat in de schikkingsovereenkomst of de Huurovereenkomst is vastgelegd dat de kosten van het terugbrengen van het materieel van St. Eustatius naar het bedrijf van Tanko in Italië voor rekening van [gedaagde 1] komen, treft dat betoog geen doel. Immers, in artikel 5 van de schikkingsovereenkomst is bepaald dat Tanko het materieel dat [gedaagde 1] niet zou huren voor eigen rekening zou afvoeren. Enige contractuele bepaling over kosten van afvoer van het materieel dat [gedaagde 1] wel huurde, is door geen van partijen genoemd.

In artikel 5.1 Huurovereenkomst is een regeling opgenomen over kosten van aanvoer (“mobilization”), maar dat wil niet zeggen dat daarom ook de kosten van afvoer voor rekening van [gedaagde 1] komen.

Waar de contracten zwijgen, ligt een a contrario redenering niet voor de hand, omdat tussen partijen ook iets anders dan het tegendeel kan zijn bedoeld.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] enige kostenpost voor afvoer van het materieel heeft goedgekeurd.

De wet biedt onvoldoende grondslag voor deze vordering van Tanko.

Tanko stelt dat bij de totstandkoming van de Huurovereenkomst tussen de heren [persoon 2] namens Tanko en [persoon 1] en [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] de gestelde afspraak is gemaakt. De Huurovereenkomst is in de periode februari tot 23 maart 2012 tot stand gekomen. Derhalve zal de rechtbank Tanko het bewijs opdragen dat de gestelde afspraak in die periode tussen de genoemde personen is gemaakt.

3.13.

Over de vordering tot het bewerkstelligen dat de verzekeraar van [gedaagde 1] overgaat tot vergoeding van schade aan de mobiele kraan, althans om zelf die schade te vergoeden, overweegt de rechtbank het volgende.

Partijen twisten over de uitleg van de artikelen 5.1 en 5.4 Huurovereenkomst. Die bepalingen luiden als volgt:

“5.1 The conditions agreed for the delivery of the Tanko equipment are shown in the price lists in Annexes 2. [..] All prices are including insurance [..]

5.4

The use of the rented equipment by [gedaagde 2] is for the sole risk and account of [gedaagde 2]. [..] Damages to the rented equipment occuring while being used by [gedaagde 2] will be repaired by [gedaagde 2]”.

Voor de uitleg van deze bepaling verwijst de Rechtbank naar hetgeen zij in 3.5 en 3.6 heeft overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat Tanko de betreffende mobiele kraan – al dan niet na certificering, service of onderhoud vanwege [gedaagde 1] – gebruiksgeschikt aan [gedaagde 1] ter beschikking heeft gesteld. Evenmin is gesteld of gebleken dat de kraan is beschadigd door een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 e.v. BW.

Met de hiervoor aangehaalde bepalingen van artikel 5.4 hebben partijen vastgelegd dat het gebruik van het gehuurde materieel voor risico en rekening van [gedaagde 1] komt en dat [gedaagde 1] schade die tijdens het gebruik ontstaat voor haar rekening dient te herstellen. Een en ander betekent dat [gedaagde 1] ook de onderhavige schade voor haar rekening zal dienen te herstellen.

Een uitzondering op de regel van artikel 5.4 zou gelden voor schade die onder een verzekering van Tanko als bedoeld in artikel 5.1 is gedekt. Echter, gesteld noch gebleken is dat de schade aan de kraan onder enige verzekering van Tanko is gedekt.

Het betoog van [gedaagde 1] dat uit artikel 5.1 volgt dat Tanko verplicht is om het risico van schade aan de kraan die ontstaat bij het gebruik ervan verzekerd te houden, overtuigt niet. Immers, in dat geval zou het risico van zodanige schade bij [gedaagde 1] liggen (artikel 5.4), maar zou Tanko dat risico moeten verzekeren. Zonder nadere toelichting, die [gedaagde 1] niet heeft gegeven, is zodanige tegenstrijdige uitleg niet plausibel.

Meer voor de hand ligt de uitleg dat in artikel 5.1 gedoeld is op een WAM-verzekering voor de mobiele kraan, maar die verzekering biedt geen dekking voor de onderhavige schade aan de kraan.

Tegen de omvang van de schade aan de kraan heeft [gedaagde 1] geen verweer gevoerd.

Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat het subsidiair gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt, ook weer behoudens de beroepen op verrekening en opschorting van [gedaagde 1].

De rechtbank vraagt zich af welk belang Tanko nog heeft bij het primair gevorderde. Daarover zal Tanko zich op de comparitie dienen uit te laten.

3.14.

Over de vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van het materieel na aankomst op het bedrijf van Tanko in Italië, overweegt de rechtbank het volgende.

Tanko verwijt [gedaagde 1] haar verbintenissen onder artikel 5 Huurovereenkomst ten aanzien van het in behoorlijke staat houden van het materieel niet heeft voldaan en vordert terzake schadevergoeding.

Gesteld noch gebleken is dat in de Huurovereenkomst is bepaald aan welke vereisten het materieel ten tijde van teruglevering aan Tanko diende te voldoen.

Artikel 5.2 Huurovereenkomst luidt als volgt: “[gedaagde 2] shall perform all necessary technical services to maintain the equipment in proper condition during the agreed rental period. These costs on open book principle have to be agreed by Tanko S.p.A., (such as filters, etc) and will then be deducted from the Monthly agreed rental price to save costs for both parties”. In artikel 5.2 Huurovereenkomst wordt slechts een regeling gegeven voor het door [gedaagde 1] “in proper condition” houden van het materieel gedurende de looptijd van de huurovereenkomst. Gelet op de tweede zin van artikel 5.2, die inhoudt dat de kosten daarvan voor rekening van Tanko komen, vormt die bepaling onvoldoende grond voor de vordering van Tanko.

Evenmin is gesteld of gebleken dat tussen partijen bij aanvang van de huur een beschrijving van het verhuurde materieel is gemaakt als bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW. Derhalve wordt in beginsel verondersteld dat [gedaagde 1] het gehuurde materieel heeft ontvangen in de staat waarin zij het aan het einde van de huur aan Tanko heeft teruggeleverd. In beginsel is een huurder niet verantwoordelijk voor de gevolgen van ouderdom of slijtage van het gehuurde.

Kennelijk heeft Tanko het materieel niet geïnspecteerd toen [gedaagde 1] het aan het einde van de huur op St. Eustatius aan haar terugleverde, maar pas toen zij het naar Italië had terugverscheept. Het relevante moment om vast te stellen of [gedaagde 1] aan haar verbintenissen ten aanzien van het materieel had voldaan was het moment van teruglevering ervan op St. Eustatius.

Nu Tanko niet behoorlijk onderbouwd heeft gesteld dat en waarom [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de door haar gestelde schade aan het materieel, heeft zij ten aanzien van deze vordering niet aan haar stelplicht voldaan. Daarom zal de rechtbank deze vordering bij het eindvonnis afwijzen.

Voorts in reconventie

Onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking?

3.15.

Over de vordering tot terugbetaling wegens onverschuldigde betaling, subsidiair ongerechtvaardigde verrijking, overweegt de rechtbank het volgende.

3.15.1.

Gesteld dat komt vast te staan dat Tanko – zoals [gedaagde 1] stelt, maar Tanko betwist – tot een beloop van in totaal US$ 800.487,76 betaling op haar facturen wegens huur van materieel heeft verlangd en verkregen, zonder dat zij die facturen kon onderbouwen met door [gedaagde 1] goedgekeurde en ondertekende materieellijsten, dan betekent dat nog niet dat [gedaagde 1] dat bedrag onverschuldigd heeft betaald of dat Tanko tot dat beloop ongerechtvaardigd is verrijkt.

Immers, [gedaagde 1] erkent dat zij ter zake van het gebruik van het materieel met Tanko de Huurovereenkomst heeft gesloten en dat zij onder die overeenkomst materieel van Tanko in gebruik heeft gekregen. Voor zover de facturen van Tanko het gebruik door [gedaagde 1] van gehuurd materieel betreffen, zijn de betalingen van [gedaagde 1] op die facturen niet onverschuldigd en wordt Tanko door die betalingen niet ongerechtvaardigd verrijkt. De omstandigheid dat Tanko zich niet aan de voorschriften van de artikelen 6.1 en 6.2 Huurovereenkomst heeft gehouden – voor de uitleg van die artikelen verwijst de rechtbank naar rov. 3.8 – maakt de betalingen op facturen nog niet onverschuldigd of de ontvangst daarvan ongerechtvaardigd.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] heeft betaald op enige factuur van Tanko waarop geen enkel verschuldigd bedrag voorkomt.

3.15.2.

Slechts indien en voor zover Tanko op haar facturen betaling heeft verkregen zonder dat daar de terbeschikkingstelling van materieel tegenover stond, kan sprake zijn van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Dat kan betreffen het in rekening brengen van materieel dat niet verhuurd (of teruggeleverd) was, of het toepassen van onjuiste tarieven of een onjuiste periode voor wel verhuurd materieel. Stelplicht – en gelet op de gemotiveerde betwisting door Tanko: bewijslast – ten aanzien van zodanige ten onrechte in rekening gebrachte bedragen ligt bij [gedaagde 1] die het rechtsgevolg inroept.

3.15.3.

Het vorenstaande is niet anders voor zover [gedaagde 1] “onder protest” op facturen van Tanko heeft betaald.

3.15.4.

Anders dan derhalve van haar verwacht mocht worden, heeft [gedaagde 1] niet per – in haar visie: - ten onrechte betaalde factuur gesteld welke posten daarop wel en welke niet juist waren. [gedaagde 1] heeft zich beperkt tot een beroep op de niet naleving door Tanko van de voorschriften van de artikelen 6.1 en 6.2 Huurovereenkomst, hetgeen – zoals hiervoor gezegd – onvoldoende is.

3.15.5.

Op het vorenstaande stuit deze vordering af.

Vordering PCC

3.16.

Over de door PCC aan [gedaagde 1] overgedragen vordering van € 92.500,00 overweegt de rechtbank het volgende.

3.16.1.

Kennelijk had PCC in februari/april 2011 een vordering op Tanko van € 400.000,00 te vermeerderen met BTW, derhalve in totaal € 476.000,00. PCC heeft dat bedrag bij factuur van 23 februari 2011 aan Tanko in rekening gebracht.

Partijen zijn het er over eens dat die vordering uit twee helften bestond van elk € 200.000,00 te vermeerderen met BTW. De ene helft van de vordering was voorwaardelijk en betrof een mogelijk project voor een derde; dat blijkt uit de – onweersproken – brief van Tanko aan PCC of een ander binnen de [gedaagde 2]-groep van vennootschappen (hierna: [gedaagde 2]-groep) van 11 april 2011 (productie 14 van [gedaagde 1]). Gesteld nog gebleken is dat die voorwaarde is vervuld.

De andere helft zou in tien termijnen van € 20.000,00 door Tanko worden betaald ter zake van het inzetten van personeel, zoals beschreven in de e-mailcorrespondentie tussen Tanko en PCC of een ander binnen de [gedaagde 2]-groep van 19 tot en met 24 augustus 2011 (productie 39 van Tanko). Tanko had zes van die termijnen betaald toen tussen PCC en [gedaagde 1] de akte van cessie van 13 augustus 2012 werd opgemaakt.

Afgezien van de eerst besproken voorwaardelijke vordering van € 200.000,00, resteerde dus een overgedragen vordering van (inmiddels niet meer dan) € 80.000,00, te vermeerderen met BTW, derhalve in totaal € 92.500,00.

3.16.2.

[gedaagde 1] stelt dat die vordering van € 92.500,00 onvoorwaardelijk is. Tanko voert aan dat die vordering afhankelijk is van het inzetten door PCC of de [gedaagde 2]-groep van telkens dertig medewerkers van Tanko op projecten van PCC/[gedaagde 2].

Uit de genoemde e-mailcorrespondentie tussen Tanko en PCC/[gedaagde 2]-groep van 19 tot en met 24 augustus 2011 blijkt van het gelijk van Tanko. Tanko schreef op 19 augustus 2011: “€ 200.000 + VAT, in ten months, from the monthly payments for the services in holland of our manpower, about 30 people”. PCC/[gedaagde 2]-groep schreef terug: “[gedaagde 2] is entitled to a minimum 6 months of euro 20.000 (excl. VAT) – we will deduct this amount from [..]”. Tanko reageerde daarop met: “As in our previous telecon, we can accept the deduction of 6 months of euro 20.000 (excl. VAT) [..]. Starting from September 2011, about 30 people will continue to work for you on your job sites in The Netherlands at the agreed hourly rates. Waiting for your kind confirmation [..]”. Daarop antwoordde PCC/[gedaagde 2]-groep: “We herewith confirm that we’ll agree the statements as mentioned below. [..]”. Derhalve is Tanko slechts € 20.000,00 verschuldigd voor elke maand dat PCC/[gedaagde 2]-groep “about 30 people” van Tanko op karweien van PCC/[gedaagde 2]-groep in Nederland inzet.

Voorwaarde voor opeisbaarheid van de vordering van vier maal € 20.000,00, te vermeerderen met BTW tot in totaal € 92.500,00, is derhalve dat PCC/[gedaagde 2]-groep omstreeks 30 medewerkers van Tanko gedurende vier maanden op haar karweien in Nederland heeft ingezet.

3.16.3.

Echter, gesteld noch gebleken is dat die voorwaarde is vervuld.

3.16.4.

Op het vorenstaande stuit deze vordering af.

Kosten van certificering, service en onderhoud

3.17.

Over de vordering tot betaling van primair de kosten, subsidiair een bedrag ter grootte van 20% van de door Tanko in rekening gebrachte huur, ter zake van certificering, service en onderhoud van het materieel, overweegt de rechtbank het volgende.

3.17.1.

[gedaagde 1], dan wel [bedrijf 1] heeft kosten van certificering, service en onderhoud bij vijf facturen gedateerd op 28 augustus 2012, 18 oktober 2012 en 5 december 2012 bij Tanko in rekening gebracht. Die facturen belopen de primair door [gedaagde 1] gevorderde bedragen van US$ 374.446,00 en US$ 174.152,99.

Tanko erkent uit coulance een bedrag verschuldigd te zijn van US$158.000,00. Het verschil tussen dat bedrag en de optelsom van de gevorderde bedragen staat ter discussie.

3.17.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de door Tanko onder de Huurovereenkomst in rekening te brengen huurprijzen de kosten van “all technical services and maintenance” inbegrepen zijn (artikel 5.1, tweede volzin Huurovereenkomst), maar dat [gedaagde 1] service en onderhoud zou uitvoeren en dat de kosten daarvan in beginsel met de huur verrekenbaar zijn (artikel 5.2 Huurovereenkomst).

Tanko maakt daarbij de kanttekening dat verrekening slechts kan plaats vinden indien en voor zover [gedaagde 1] de betreffende voorwaarden van de Huurovereenkomst naleeft. Dat element speelt geen rol van betekenis meer, nu partijen in een gerechtelijke procedure zijn verzeild waarin partijen over en weer vorderingen hebben ingesteld. Vorderingen van [gedaagde 1] die in deze reconventie worden vastgesteld zijn verrekenbaar met in conventie vastgestelde vorderingen van Tanko. Nu partijen kennelijk niet eerder verrekening hebben toegepast, of verrekeningsverklaringen hebben gedaan – daarover is immers niets gesteld of gebleken – spelen rente-effecten geen rol en komt verrekening pas aan de orde wanneer de vorderingen over en weer zijn vastgesteld.

Ingevolge de Huurovereenkomst heeft [gedaagde 1] derhalve in beginsel aanspraak op vergoeding van de kosten van service en onderhoud van het materieel, nodig om het materieel gedurende de huurperiode in voor het gebruik geschikte staat te houden. [gedaagde 1] kan op grond van artikel 5.2 Huurovereenkomst die kosten in eigen naam van Tanko terugvorderen. Dat kan [gedaagde 1] ook, indien zij die kosten niet zelf heeft gemaakt, maar service en onderhoud door een ander, in dit geval [bedrijf 1], heeft laten uitvoeren; vgl.: HR 11 maart 1977, LJN AC1877 – kribbebijter. Bovendien is in artikel 4 Huurovereenkomst voorzien dat ook andere tot de [gedaagde 2]-groep behorende vennootschappen bij de Huurovereenkomst betrokken kunnen zijn.

Daarom komt de rechtbank niet toe aan het debat tussen partijen over de cessie van de vordering van [bedrijf 1] aan [gedaagde 1].

3.17.3.

Zoals gezegd, heeft [gedaagde 1] op grond van artikel 5.2 Huurovereenkomst in beginsel aanspraak op vergoeding van de kosten van service en onderhoud van het materieel, nodig om het materieel gedurende de huurperiode in voor het gebruik geschikte staat te houden. Partijen strijden over de vraag welke kosten voor rekening van Tanko komen en of [gedaagde 1] aanspraak heeft op vergoeding waar zij niet de procedure van de tweede zin van artikel 5.2 Huurovereenkomst heeft gevolgd.

De tweede zin van artikel 5.2 Huurovereenkomst bepaalt: “These costs on open book principle have to be agreed by Tanko [..], (such as filters, etc) and will then be deducted from the Monthly agreed rental price to save costs for both parties”.

Voor de uitleg van deze bepaling verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft overwogen in 3.5, 3.6 en 3.14.

De tweede zin van artikel 5.2 bevat administratieve en bewijsrechtelijke voorschriften. Om de kosten van service en onderhoud te kunnen verrekenen met de maandelijks verschuldigde huur dient Tanko daaraan haar goedkeuring te geven. Daartoe dient Tanko zich via de open boeken van [gedaagde 1] een oordeel over de kosten te kunnen vormen. Uit deze bepaling volgt dat, indien Tanko de kostenopgave van [gedaagde 1] goedkeurt, de kosten tussen partijen vaststaan en kunnen worden verrekend met de maandelijkse huur.

Echter, [gedaagde 1] heeft de kosten van service en onderhoud niet maandelijks ter goedkeuring aan Tanko voorgelegd om deze vervolgens met de maandelijkse huur te kunnen verrekenen en [gedaagde 1] is pas vanaf 28 augustus 2012 met facturen voor die kosten gekomen. Onder die omstandigheden is voorafgaande goedkeuring door Tanko niet vereist, maar dat wil niet zeggen dat [gedaagde 1] aanspraak heeft op vergoeding van meer dan de kosten van service en onderhoud van het materieel, nodig om het materieel gedurende de huurperiode in voor het gebruik geschikte staat te houden als bedoeld in de eerste zin van artikel 5.2. Door, echter, Tanko niet van meet af aan en steeds via de open boek methode te laten meekijken naar de noodzaak van de service of het onderhoud, de wijze van uitvoering en de aan te wenden kosten, heeft [gedaagde 1] thans niet het voordeel dat Tanko haar service en onderhoud heeft goedgekeurd.

3.17.4.

In deze procedure betwist Tanko diverse posten van de gevorderde kosten van service en onderhoud gemotiveerd. [gedaagde 1] zal daarom haar vorderingen voor zover het beloop van US$ 158.000,00 te boven gaande, post voor post moeten bewijzen, zowel ten aanzien van de noodzaak van uitgevoerde service en onderhoud als ten aanzien van de uitvoering en de kosten daarvan.

Op de te gelasten comparitie zal [gedaagde 1] bewijs bij geschift kunnen bijbrengen en zal zij zich moeten uitlaten over de wijze waarop zij verder aan die bewijsopdracht zal voldoen.

3.17.5.

Gesteld noch gebleken is dat in de Huurovereenkomst specifiek is bepaald dat Tanko bij ingang van de huur zorg diende te dragen voor het gecertificeerd zijn van het te verhuren materieel. [gedaagde 1] beroept zich op in meer algemene termen gestelde verplichtingen van Tanko onder artikel 1.4 Huurovereenkomst en artikel 9.7 van de algemene voorwaarden, maar die bepalingen bevatten geen zodanige specifieke verplichting voor Tanko.

Tanko voert aan dat zij ingevolge artikel 5 van de schikkingsovereenkomst het niet-gecertificeerde materieel heeft afgevoerd en dat het op St. Eustatius achtergebleven en aan [gedaagde 1] verhuurde materieel gecertificeerd was. Inderdaad bepaalt artikel 5 van de schikkingsovereenkomst “Tanko S.p.A. shall demobilize, remove and transport all equipment, which is not certified [..]”. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat het op St. Eustatius achtergebleven en door [gedaagde 1] gehuurde materieel, waar van toepassing, bij ingang van de Huurovereenkomst wel gecertificeerd was. Zonder nadere toelichting, die [gedaagde 1] niet heeft gegeven, bestaat dus geen aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde 1] materieel bij ingang van de Huurovereenkomst heeft moeten laten certificeren.

Daarop stuit af het gedeelte van de vordering dat de kosten van het certificeren bij ingang van de Huurovereenkomst betreft. De omvang van dat gedeelte is gesteld noch gebleken. [gedaagde 1] zal zich daarover moeten uitlaten op de te gelasten comparitie.

3.17.6.

Zoals in het voorgaande is overwogen, was het partijen bij aanvang van de Huurovereenkomst bekend dat bepaalde onderdelen van het materieel gecertificeerd dienden te zijn. Hiervoor is ook overwogen dat in de huurprijzen de kosten van “all technical services and maintenance” inbegrepen zijn en dat daaruit voortvloeit dat Tanko voor service en onderhoud verantwoordelijk is. Daarmee spoort de regeling van de tweede zin van artikel 5.2 Huurovereenkomst, die inhoudt dat [gedaagde 1] de door haar gemaakte kosten van service en onderhoud met de huur kan verrekenen. Waar het om materieel gaat dat slechts gebruikt kan worden mits het door een instantie is gecertificeerd, komen de werkzaamheden, bemoeienissen en keuring benodigd voor het in stand houden van de certificering ook voor verantwoordelijkheid en rekening van Tanko.

Indien en voor zover [gedaagde 1] (of [bedrijf 1]) kosten heeft gemaakt om de certificering van gehuurd materieel in stand te houden, komen die kosten derhalve voor rekening van Tanko.

Tanko betwist diverse posten van de gevorderde kosten van certificering gemotiveerd. [gedaagde 1] zal daarom haar betreffende vorderingen voor zover het beloop van US$ 158.000,00 te boven gaande, post voor post moeten bewijzen, zowel ten aanzien van de noodzaak van uitgevoerde certificering als ten aanzien van de uitvoering en de kosten daarvan.

Voorts in conventie en in reconventie

3.18.

Op de te gelasten comparitie van partijen zal tevens worden onderzocht of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden.

3.19.

Partijen dienen ter comparitie te verschijnen deugdelijk vertegenwoordigd door een of meer personen die van de zaak op de hoogte en zonder beperking bevoegd tot het treffen van een schikking is c.q. zijn;

3.20.

Alle bescheiden waarop een partij zich ter comparitie wenst te beroepen dienen ten minste twee weken vóór de comparitie bij de rechtbank en de wederpartij te zijn ontvangen. Ten aanzien van bescheiden die na die datum worden ingediend bestaat het risico dat daarmee geen rekening gehouden zal worden.

3.21.

Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis schriftelijk mede te delen aan de griffie van de rechtbank – afdeling privaatrecht, planningsadministratie, kamer E 12.43, postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 297 2518 – en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden voor de komende drie maanden.

3.22.

Hangende de comparitie zal de rechtbank elke verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

draagt Tanko op het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde 1] onder factuur 198/2012 het gevorderde meerdere boven het bedrag van US$ 214.122,50 ter zake van huur verschuldigd is (rov. 3.9 en 3.11);

4.2.

draagt Tanko op het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde 1] onder factuur 228/2012 het gevorderde meerdere boven het bedrag van US$ 127.065,00 ter zake van huur verschuldigd is (rov. 3.9 en 3.11);

4.3.

draagt Tanko op het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat tussen de heren [persoon 2] namens Tanko en [persoon 1] en [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] in de periode februari 2012 tot 23 maart 2012 is afgesproken dat [gedaagde 1] de kosten van het terugbrengen van het materieel van St. Eustatius naar het bedrijf van Tanko in Italië voor haar rekening zou nemen (rov. 3.12);

4.4.

draagt [gedaagde 1] op het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat Tanko ter zake van certificering, service en onderhoud het gevorderde meerdere boven het bedrag van US$ 158.000,00 verschuldigd is (rov. 3.17.4 en 3.17.6);

4.5.

gelast een comparitie van partijen te houden op donderdag 21 augustus 2014 om 13:00 uur waarbij ieder van partijen bewijs bij geschrift in het geding kan brengen en waarbij:

( a) Tanko zich dient uit te laten uit te laten over

(i) de wijze waarop zij verder het haar opgedragen bewijs zal leveren;

(ii) het belang bij haar primaire vordering dat [gedaagde 1] dient te bewerkstelligen dat de verzekeraar van [gedaagde 1] overgaat tot vergoeding van schade aan de mobiele kraan (rov. 3.13);

( b) [gedaagde 1] zich dient uit te laten over

(i) de wijze waarop zij verder het haar opgedragen bewijs zal leveren;

(ii) het door haar gevorderde bedrag ter zake van certificering van gehuurd materieel aan het begin van de huurperiode (rov.3.17.5);

4.6.

bepaalt dat ter comparitie tevens zal worden beproefd op partijen het over een of meer punten eens kunnen worden;

4.7.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014. 1928/32