Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6019

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
C/10/281166 / HA ZA 07-834
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In Duitsland gestolen autokraan, in Denemarken opgedoken, door Deense ondernemer aan Nederlandse koper, gedaagde, verkocht en geleverd, bevindt zich in Nederland. Bestolene, althans diens verzekeraar, vorderde aanvankelijk afgifte op grond van eigendom maar heeft haar (primaire) eis nu gewijzigd in een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad wegens de weigering van gedaagde om de kraan af te geven vanaf het moment dat gelegen is vlak vóór de onderhavige procedure, inmiddels ruim zeven jaar geleden, gedurende welke periode de kraan vrijwel waardeloos is geworden. Ter beoordeling van deze vordering dient allereerst aan de hand van het daarop toepasselijke Deense recht te worden bekeken of de Nederlandse koper inderdaad geen eigenaar is geworden. Dit is het geval, zodat genoemde onrechtmatige-daadvordering, de naar Nederlands recht moet worden beoordeeld, slaagt. Dat de kraan, waarop voorafgaande aan deze procedure conservatoir beslag is gelegd door eiseressen, thans niets meer waard is, komt voor rekening van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/281166 / HA ZA 07-834

Vonnis van 18 juni 2014

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

NHA HAMBURGER ASSEKURANZ AGENTUR GMBH,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

2. de rechtspersoon naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

PILLAT BAU GMBH,

gevestigd te Kropp, Duitsland,

eiseressen,

advocaat mr. N. Lagerweij,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.D. Bol.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Hamburger c.s. en afzonderlijk Hamburger en Pillat Bau genoemd worden, gedaagde [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 september 2011 (hierna: het tussenvonnis), alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) van 13 maart 2012;

  • -

    de akte van Hamburger c.s. van 8 mei 2013 houdende primair wijziging van - de grondslag van eis - en subsidiair reactie op de inhoud van het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut, met één productie;

  • -

    de akte van [gedaagde] van 17 juli 2013;

  • -

    de akte van depot van 20 februari 2014 van het originele exemplaar van de ‘Fahrzeugbrief voor vrachtauto met kenteken RE-VK183’;

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 12 maart 2014 en de daaraan gehechte processtukken;

  • -

    de pleitnotities van de advocaten van Hamburger c.s. en van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

het tussenvonnis

2.1.

In het tussenvonnis is het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) verzocht gemotiveerd en schriftelijk de in rov. 2.8 van het tussenvonnis genoemde vragen te beantwoorden en het rapport dienaangaande aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank heeft dit rapport van het IJI bij brief van 13 maart 2012 ontvangen.

de eiswijziging

2.2.

Tijdens de pleidooizitting heeft [gedaagde] haar verzet tegen genoemde eiswijziging ingetrokken. De gewijzigde eis luidt als volgt:

Hamburger, subsidiair Pillat Bau, vordert primair van [gedaagde] betaling van € 245.000,-, althans € 242.500,- te vermeerderen met rente vanaf primair 14 juli 2003 (de datum waarop Hamburger het bedrag aan ATS Hamburg Versicherungsmakler GmbH ter doorbetaling aan Pillat Bau uitbetaalde), subsidiair vanaf het schrijven van mr. H. Hampe aan [gedaagde] d.d. 12 februari 2007 (Prod. V bij dagvaarding), meer subsidiair vanaf 22 februari 2007 (de dag van dagvaarding) en uiterst subsidiair vanaf de dag van vermeerdering c.q. wijziging van eis in deze akte, alles tot aan de dag der algehele voldoening tegen ontvangst waarvan Hamburger en Pillat Bau afstand doen van hun aanspraken op de eigendom van de kraan en subsidiair teruggave van de kraan op straffe van een dwangsom zoals in het oorspronkelijk petitum vermeld, met dien verstande dat daarnaast Hamburger, zoals in het oorspronkelijke petitum vermeld, vergoeding van de door haar geleden schade op grond van onrechtmatige daad van [gedaagde] vordert als gevolg van de waardevermindering van de kraan sedert 2003 althans sedert 2007, welke schade vastgesteld dient te worden op € 245.000,- onder aftrek van de waarde van de kraan ten tijde van het te wijzen vonnis, en voorts met handhaving van het petitum van Hamburger, subsidiair Pillat Bau, voor het overige.

de primaire vordering (betaling van € 245.000,--, althans € 242.500,--)

2.3.

Aan deze vordering leggen Hamburger c.s. het volgende (- samengevat -) ten grondslag (in navolging van de advocaat van Hamburger c.s. zal de rechtbank [gedaagde], dat wil zeggen: [gedaagde], met het mannelijke geslacht aanduiden):

[gedaagde] was te kwader trouw bij de verwerving van de kraan, omdat [gedaagde] de kraan heeft gekregen zonder de daarbij behorende originele geldige identiteitspapieren. Bovendien wist [gedaagde], althans behoorde hij te weten, dat hij geen kranen behoorde te accepteren waarbij geen geldige papieren aanwezig waren. Zodoende heeft [gedaagde] jegens Hamburger en Pillat Bau onrechtmatig gehandeld en is hij jegens hen aansprakelijk voor de schade die zij door dit onrechtmatig handelen hebben geleden. Had [gedaagde] destijds - begin 2007 - voldaan aan de vordering van Hamburger tot onmiddellijke teruggave van de kraan, dan zou de schade in redelijke mate beperkt zijn gebleven. [gedaagde] heeft echter aan deze vordering op geen enkel moment gevolg gegeven en is inmiddels al gedurende zes jaar weigerachtig gebleven de kraan af te geven. De kraan is inmiddels (vrijwel) niets meer waard. Dit resulteert in een schade voor Hamburger van
€ 242.500,--, exclusief rente, welke bedrag overeenkomt met de door Hamburger aan Pillat Bau uitgekeerde schadepenningen. De uiteindelijke schade van Pillat Bau bedraagt
€ 2.500,--, het bedrag van haar eigen risico.

2.4.

Op het door [gedaagde] tegen deze primaire vordering gevoerde verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

2.5.

In de kern genomen, zo valt af te leiden uit de hierboven in rov. 2.3 genoemde stellingen van Hamburger c.s., bestaat de gestelde onrechtmatige daad waarop deze vordering is gebaseerd uit de weigering van [gedaagde] gevolg te geven aan de dringende verzoeken van Hamburger vanaf “begin 2007” de kraan aan haar terug te geven. Voor toewijzing van deze vordering is derhalve noodzakelijk dat vast komt te staan dat deze weigering van [gedaagde] onrechtmatig is. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

2.6.

Vraag is eerst welk recht toepasselijk is op deze vordering.

Aangezien de schadeveroorzakende gebeurtenis, namelijk het begin 2007 weigeren de kraan af te geven, zich heeft voorgedaan vóór 11 januari 2009, de inwerkingtredingsdatum van EU-verordening nr. 864/2007, oftewel de “Rome II-Verordening” (hierna ook: Rome II-Vo), mist Rome II-Vo ingevolge artikel 31 daarvan temporeel gezien toepassing. Bij gebreke van andere toepasselijke, voor Nederland bindende, internationale en communautaire regelingen inzake het toepasselijk recht op een onrechtmatige daad, dient het toepasselijk recht te worden aangewezen door de verwijzingsregels van het commune Nederlandse internationale privaatrecht. Dit betekent dat de rechtbank de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Stb. 2001, 190) (hierna: WCOD) moet toepassen. Zie artikel 10:159 BW, welke conflictregel geen betrekking heeft op het geval waarin Rome II-Vo (ook) temporeel toepassing mist.

2.7.

De hoofdregel(s) van de WCOD is(zijn) neergelegd in artikel 3, dat als volgt luidt:

  1. Verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt, wanneer een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijke milieu elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.

  3. Indien dader en benadeelde in dezelfde staat hun gewone verblijfplaats onderscheidenlijk plaats van vestiging hebben, is in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van toepassing.

Onder “goed” in de zin van het tweede lid van artikel 3 WCOD moet mede worden verstaan een vermogensrecht.

In het onderhavige geval is een rechtskeuze die voldoet aan de vereisten van artikel 6 WCOD gesteld noch gebleken. Datzelfde geldt voor een rechtsverhouding tussen dader en benadeelde waaraan in voorkomende gevallen op grond van artikel 5 WCOD accessoir kan worden aangeknoopt. Het toepasselijke recht dient dan ook te worden gevonden aan de hand van artikel 3 WCOD.

Het land waar de gestelde onrechtmatige daad, de weigering om de kraan af te geven, heeft plaatsgevonden is Nederland. De in lid 3 van artikel 3 WCOD geformuleerde uitzondering op de hoofdregel van lid 1 van dit artikel mist in het onderhavige geval toepassing, aangezien de ‘dader’, [gedaagde], en benadeelde(n), Hamburger en Pillat Bau, niet in hetzelfde land hun gewone verblijfplaats hebben. Vervolgens rijst de vraag of wél van toepassing is de andere in artikel 3 WCOD geformuleerde uitzondering, namelijk die van lid 2 van dit artikel. Op die vraag luidt het antwoord ontkennend. Aangezien de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd bestaat uit de waardevermindering van de kraan, een “goed”, derhalve geen letselschade (“schade aan een persoon”) of schade aan “het natuurlijk milieu”, is van belang de vraag waar deze waardevermindering van de kraan heeft plaatsgehad. Vanaf het moment dat [gedaagde] heeft geweigerd, begin 2007, bevond de kraan zich in Nederland, op het bedrijfsterrein van [gedaagde]. Aldaar, derhalve in Nederland, vond de schade, de waardevermindering van de kraan als gevolg van slijtage, plaats. Hier doet zich derhalve niet de situatie van lid 3 van artikel 3 WCOD voor waarin de schade optreedt in een ander land dan het land van de onrechtmatige daad. Op grond van artikel 3 (lid 1) WCOD is dus Nederlands recht van toepassing.

2.8.

Het antwoord op de vraag of [gedaagde] door zijn weigering de kraan af te geven onrechtmatig heeft gehandeld hangt af van het antwoord op de vraag of [gedaagde] eigenaar was geworden van de kraan dan wel de eigendom nog berustte bij Hamburger c.s. Was dat eerste het geval, dan heeft hij door zijn weigering niet onrechtmatig jegens Hamburger c.s. gehandeld; was, daarentegen, dat tweede het geval, dan heeft hij door zijn weigering de kraan af te geven onrechtmatig gehandeld jegens Hamburger c.s.

2.9.

Ten aanzien van deze (internationaalprivaatrechtelijke) ‘voorvraag’ inzake de eigendom van de kraan overweegt de rechtbank thans als volgt.


2.10. Zoals de rechtbank reeds heeft geoordeeld in rov. 5.1 van haar tussenvonnis van 31 december 2008 en zoals overigens ook volgt uit genoemd IJI-rapport, is Deens recht van toepassing op de vraag of [gedaagde] de eigendom van de kraan heeft verkregen.

2.11.

Uit het IJI-rapport volgt, en de rechtbank sluit zich hierbij aan, (a) dat op grond van een hoofdregel van het Deense goederenrecht de oorspronkelijk rechthebbende in beginsel een in de tijd onbegrensde mogelijkheid heeft tot revindicatie van zijn gestolen roerende zaken en (b) dat slechts onder stringente voorwaarden van dit uitgangspunt mag worden afgeweken, waarbij goede trouw van de koper op zichzelf genomen niet voldoende is voor afwijking van deze hoofdregel. Ter onderbouwing hiervan wordt in het IJI-rapport eerst gewezen op de volgende passage uit het rapport van de Global Legal Group, The International Comparative Legal Guide to Commodities and Trade Law, 2006, Chapter 9: Denmark, p. 54:

“Danish law contains no general statutory rule on the subject. However, the general clause 5-1-2 in the Danish Law of 1683 stipulates that contracts should be in compliance with the law and in honour of the agreement. Thus, Danish courts would not contribute to the enforcement of a sales contract concerning illegal goods.

In relation to stolen goods, the main rule in the Danish Law of 1683 is restitution. Thus, if stolen assets are sold, the true owner recovers his assets under the rule in Danish Law 6-17-5, even though the buyer was in good faith. In some special circumstances the new owner will be able to extinct the true owner’s right, but this is quite a rare situation, which only applies if certain conditions are fulfilled"

en vervolgens op de volgende passage uit Rose, The transfer of property rights by theft: an economic analysis, 2006, p. 13:

“In Danish law, the situation is determined by case law, which gives the initial owner the property rights to the good regardless of a buyer’s good faith. However, under very special circumstances, a buyer is entitled to keep the good provided that four conditions are all satisfied. First, the good must be in the buyer’s possession and second, it must have been in the possession of the thief. Third, the buyer must not have been negligent about the fact that the good was stolen (simple negligence precludes the buyer’s rights). It is up to a buyer to prove he was in good faith, for instance, by demanding an original sales contract from the thief [cursivering IJI] The fourth requirement can be interpreted as “something supplementary”, as it is not enough that the previous conditions are satisfied; something more is needed to extinguish the property rights of an initial owner. According to Danish case law, only when the goods are bought from merchants or when the initial owner stands by and does not act to pursue his rights (denoted as passivity), is the buyer able to keep the goods [cursivering IJI}.”

Aan genoemd eerste, tweede en vierde vereiste uit de passage van Rose is voldaan. [gedaagde], de koper, is thans in het bezit van de kraan (het eerste vereiste), zo is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat ten tijde van de diefstal van de kraan, in de nacht van 1 op 2 juni 2003, de kraan in het bezit is gekomen van de dief (het tweede vereiste). Ook niet in geschil is, tot slot, dat [gedaagde] de kraan heeft gekocht van een koopman in vorenbedoelde zin (het vierde vereiste). Waar partijen wél van mening over verschillen, is of voldaan is aan genoemd derde vereiste, het vereiste dat de koper zorgvuldig heeft vastgesteld of de zaak niet van diefstal afkomstig is. Het is aan [gedaagde] te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

2.12.

Volgens [gedaagde] is het bedrijf waarvan hij de kraan gekocht heeft, BMT, in de persoon van [persoon 1], een bedrijf met een goede naam in de markt en had hij voorafgaande aan de onderhavige transactie al regelmatig eerder zaken gedaan met deze persoon van dit bedrijf, steeds geheel naar tevredenheid van beide kanten, zodat hij geen enkele reden had te vermoeden dat er dit keer iets niet in de haak was. Deze gestelde feiten en omstandigheden kunnen, indien al juist, [gedaagde] evenwel niet baten, aangezien zij niet in de weg staan aan zijn genoemde verplichting naar Deens recht om met de nodige zorgvuldigheid vast te stellen of de verkochte zaak niet van diefstal afkomstig is. Door af te gaan op de goede naam van de contractuele wederpartij en op eerdere positieve ervaringen met deze partij heeft [gedaagde] nog niet aan deze verplichting voldaan; hiervoor is meer nodig. Dat [gedaagde] meer heeft gedaan dan ervan uit te gaan en erop te vertrouwen dat aan zijn koop van de kraan geen bezwaren kleefden blijkt ook niet uit zijn overige stellingen.

2.13.

Naar Hamburger c.s. hebben gesteld en [gedaagde] niet heeft betwist, is aan hem tijdens de koop en levering van de kraan geen zogeheten ‘Fahrzeugbrief’ van deze kraan overhandigd maar uitsluitend een zogeheten ‘Fahrzeugschein’, die te naam was gesteld van Pillat Bau.

2.14.

[gedaagde] heeft - naar Deens recht - niet te goeder trouw het bezit van de kraan gekregen omdat niet is voldaan aan het derde vereiste. De omstandigheid dat [persoon 1] niet de Fahrzeugbrief heeft verschaft, terwijl de wel verstrekte Fahrzeugschein op naam van Pillat Bau stond, had bij [gedaagde] argwaan kunnen en moeten wekken. De Farhzeugbrief is nodig is om de registratie van het voertuig te kunnen overzetten bij verkoop. Juist bij het kopen van een tweedehands kraan in het buitenland had [gedaagde] extra oplettend moeten zijn. Hij had op zijn minst navraag moeten doen naar de reden van het ontbreken van de Fahrzeugbrief, zonodig gevolgd door nader onderzoek. Gesteld noch gebleken is dat hij dat heeft gedaan. Enkel het feit dat [gedaagde] heeft gekocht van een ‘merchant’ in de zin van het vierde vereiste naar Deens recht is niet voldoende voor het aannemen van goede trouw. Ook de stelling dat de door [gedaagde] betaalde koopprijs niet bijzonder laag zou zijn geweest doet er niet aan af dat het ontbreken van de Fahrzeugbrief en tenaamstelling van de Fahrzeugschein op Pillat Bau, en niet op [persoon 1]/BMT, argwaan had moeten wekken.

2.15.

Het ontbreken van goede trouw bij [gedaagde] leidt tot de conclusie dat [gedaagde] geen eigenaar is geworden van de kraan maar deze eigendom is gebleven van Hamburger c.s. Door zijn weigering de kraan (vanaf) begin 2007 af te geven heeft [gedaagde] derhalve onrechtmatig gehandeld jegens Hamburger c.s. Daarmee heeft [gedaagde] immers een toerekenbare inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Hamburger c.s. Dat [gedaagde] (vanaf) begin 2007 de kraan niet heeft afgegeven, al dan niet in de veronderstelling dat hij daartoe (nog) niet was gehouden, komt voor zijn risico.

2.16.

Vervolgens is de vraag aan de orde of wegens deze onrechtmatige daad van [gedaagde] de waardevermindering van de kraan vanaf begin 2007 tot heden, waarvan Hamburger c.s. vergoeding vorderen, voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komt (art. 6:98 BW). In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.


2.17. Het gaat hierbij allereerst om een vergelijking van (a) de situatie waarin Hamburger c.s. zouden verkeren wanneer zij thans weer de beschikking zouden hebben over de kraan met (b) de situatie waarin zij zouden hebben verkeerd wanneer [gedaagde] terstond na het eerste verzoek om afgifte begin 2007 de kraan aan hen had afgegeven.

2.18.

Allereerst situatie (a). Als onbetwist is komen vast te staan dat de kraan thans nog slechts schrootwaarde heeft. Welk bedrag aan zulk een waarde moet worden gehangen is niet iets waarover partijen het eens zijn geworden, maar dat het om een uiterst gering bedrag gaat in verhouding tot de nieuwwaarde is, uiteraard, niet in geschil. De rechtbank zal aan de schrootwaarde van de kraan mede gelet hierop een bedrag van € 8.000,-- toekennen.

2.19.

Vervolgens situatie (b). Gebleken is dat Pillat Bau de kraan in 1997 heeft gekocht voor een prijs van (omgerekend) € 363.000,--. In 2003 heeft Pillat Bau van haar verzekeraar Hamburger wegens de diefstal van de kraan een bedrag van € 242.500,-- uitgekeerd gekregen na aftrek van het eigen risico van € 2.500,--. Van de gedingstukken maakt deel uit een door [gedaagde] tijdens de pleidooizitting van 12 maart 2014 in het geding gebracht concept-taxatierapport van [bedrijf 1]. Dit rapport betreft een inspectie van de kraan op 24 juli 2013 en vermeldt een inschatting van de waarde die de kraan zou hebben gehad ten tijde van de aankoop door [gedaagde] in 2006. Volgens het rapport bedroeg de verkoopwaarde toen € 140.000,-- en de executiewaarde € 100.000,--. Hamburger c.s. betwisten deze waarden, waartoe zij - samengevat - aanvoeren dat dit rapport eenzijdig is omdat het tot stand is gekomen na een opdracht van [gedaagde]. Afgezien van hun aanmerkingen op het rapport hebben Hamburger c.s., hoewel dat op hun weg als de met de stelplicht belaste partij had gelegen, ook thans nagelaten zelf met een deugdelijke onderbouwing te komen van de waarde die de kraan ten tijde van de aankoop door [gedaagde] in 2006 zou hebben gehad, althans van de waarde van de kraan begin 2007, toen [gedaagde] deze weigerde af te geven.

Gelet op een en ander zal de rechtbank ervan uitgaan dat de waarde van de kraan begin 2007
€ 120.000,-- bedroeg.

2.20.

Het verschil tussen bovengenoemde situatie (a) en bovengenoemde situatie (b) bedraagt derhalve € 112.000,-- (= € 120.000,-- minus € 8.000,--).

2.21.

[gedaagde] heeft bij pleidooi nog aangevoerd dat Hamburger c.s. niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsverplichting door geen kort geding tot afgifte te beginnen of een bankgarantie te stellen waarna afgifte had kunnen volgen.

2.22.

De rechtbank stelt voorop dat een “schadebeperkingsverplichting” niet bestaat. Niemand is verplicht de door hem te lijden schade te beperken. Echter, degene die schade lijdt die hij betrekkelijk eenvoudig had kunnen vermijden door voor de hand liggende schadebeperkende maatregelen te treffen, zal het achterwege gelaten hebben van die maatregelen tegengeworpen kunnen krijgen. Dat betekent dat schade die vermeden had kunnen worden mogelijk niet of niet geheel op de aansprakelijke partij zal kunnen worden verhaald.

2.23.

Allereerst is de vraag of Hamburger c.s. een verwijt kunnen worden gemaakt van het achterwege laten van een kort geding tot afgifte of het stellen van een bankgarantie. De rechtbank meent dat dit niet het geval is.

Zoals hiervoor in rov. 2.15 is overwogen, komt het niet afgeven van de kraan voor risico van [gedaagde]. Hamburger c.s. zijn deze procedure begonnen en hebben [gedaagde] gesommeerd de kraan terug te geven. Dat de procedure - mede als gevolg van het inwinnen van advies bij het IJI met betrekking tot toepassing van het Deens recht maar ook vanwege het stilliggen van de procedure gedurende drie jaar vanwege het voeren van minnelijk overleg - zeven jaar zou duren was bij aanvang van deze procedure niet bekend. [gedaagde] kan niet aan Hamburger c.s. tegenwerpen dat zij ook een kortgedingprocedure hadden moeten voeren, nu hij zelf weigerde tot afgifte over te gaan. Voor zover [gedaagde] meende dat de schade kon worden beperkt door de kraan tegen een bankgarantie af te geven lag het op zijn weg dit aan te bieden. Dat dit is gebeurd is gesteld noch gebleken.

Op de hiervoor weergegeven gronden komt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde] Hamburger niet kan verwijten dat hij heeft nagelaten voor de hand liggende schadebeperkende maatregelen te treffen. Er is derhalve geen aanleiding om een deel van de schade voor rekening van Hambuger c.s. te laten. De rechtbank zal dan ook het gehele schadebedrag van € 112.000,-- toewijzen. Van dit bedrag zal € 110.880,-- (= 99%) aan Hamburger worden toegewezen en € 1.120,-- (= 1%) aan Pillat Bau.

2.24.

Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum is bepaald. Verschuldigd is de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013, toen de eis is gewijzigd.

de subsidiaire vorderingen ((1) teruggave van de kraan en (2) vergoeding van de geleden schade op grond van een onrechtmatige daad van [gedaagde] als gevolg van de waardevermindering van de kraan)

2.25.

Aangezien de primaire vordering niet is afgewezen, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder deze subsidiaire vorderingen zijn ingesteld, zodat zij verder niet behandeld hoeven te worden.

proceskosten

2.26.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze proceskosten aan de zijde van Hamburger c.s. worden begroot op:

- explootkosten dagvaarding € 70,85

  • -

    beslagkosten € 215,--

  • -

    vastrecht € 251,--

  • -

    salaris advocaat € 7.105,-- (5 punten x tarief € 1.421,--)

totaal € 7.641,85.

3. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Hamburger van € 110.880,-- en aan Pillat Bau van € 1.120,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten ten bedrage van € 7.641,85;

verstaat dat Hamburger en Pillat Bau afstand doen van hun aanspraken op de eigendom van de kraan zodra [gedaagde] aan deze veroordelingen heeft voldaan;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014.
901/1573/32