Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6015

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
C/10/392172 / HA ZA 11-2168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zeevervoer van uien van Nieuw-Zeeland naar West-Europa. Zeeschip heeft onderweg motorproblemen en komt met flinke vertraging in Antwerpen aan, alwaar bederfschade wordt geconstateerd. Vervoersgeschiktheid uien staat nog niet vast. Gebondenheid ontvanger(-s) van de uien aan door althans namens feitelijk vervoerder afgegeven seawaybills, waarin aansprakelijkheid voor deklading is uitgesloten ook in geval van onzeewaardigheid van het schip. Beroep daarop niet in strijd met redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 271
S&S 2014/131

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/392172 / HA ZA 11-2168

Vonnis van 30 april 2014

in de zaak van

de vennootschap en/of rechtspersoon naar buitenlands recht

EXPLORER MARINE S.A.,

gevestigd te Panama City, Panama,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Verhagen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Baarn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. V.R. Pool,

2. de vennootschap en/of rechtspersoon naar buitenlands recht

[gedaagde 2] ,

gevestigd te Clermont-Ferrand (Frankrijk),

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna Explorer, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 oktober 2012;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2013, ter gelegenheid waarvan de volgende stukken zijn genomen:

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie (met producties);

  • -

    de akte houdende wijziging van eis in reconventie alsmede overlegging stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechter voor wie de comparitie van partijen plaatsvond maakt geen deel meer uit van de afdeling privaatrecht van deze rechtbank.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft van New Zealand Onion Company (hierna: NZOC) een zending van 432.000 kg (360 big bags) uien gekocht. NZOC heeft het vervoer van de containers met uien van Auckland naar Rotterdam via Antwerpen geboekt bij Seatrade.

2.2.

Het zeetransport heeft plaatsgevonden aan boord van het ms. “Frio Hellenic” (hierna: Frio Hellenic) dat aan Explorer in eigendom toebehoort. Tussen Seatrade en Explorer was een zogenaamde “poolagreement” gesloten.

2.3.

De uien zijn op of omstreeks 26 maart 2011 in 18 zogenaamde 40` High Cube containers aan dek van de Frio Hellenic geladen.

2.4.

Door Conway Shipping Ltd (hierna: Conway) zijn op 26 maart 2011 2 non-negiotiable Sea Waybills afgegeven op papier van Seatrade. In het daarvoor bestemde vakje op het formulier staat voorgedrukt “Signature for/by the Master:” waarnaast gestempeld staat “Conway Shipping Ltd As Agents to Carrier”. Onder of boven het stempel staat een handtekening. NZOC staat op de Sea Waybills vermeld als “shipper” en [gedaagde 1] op het ene en [gedaagde 2] op het andere exemplaar als “consignee”; de vakjes “Port of Discharge” en “Place of Delivery after Oncarriage” zijn oningevuld gelaten en bij “Free Storage” staat op het [gedaagde 1]-exemplaar ingevuld: “Antwerpen” en op die van [gedaagde 2]: “Radicatel”.

2.5.

Op de voorzijde van de beide Sea Waybills staat voorts o.a. de volgende tekst getypt:

“FCL/FCL, Shippers Load Stow and Count.

(..)

Carried on deck at Shipper`s risk and expense without any liability to the vessel for any loss/or damage howsoever caused (shippers owned fans/bulkheads, vessel not responsible for malfunction. Door ajar at shipper`s risk.”

Onderaan de voorzijde van de Sea Waybills staat “FOR CONDITIONS OF CARRIAGE SEE OVERLEAF”. Op de achterkant staan de “CONDITIONS OF CARRIAGE” afgedrukt.

2.6.

Tijdens de reis heeft de Frio Hellenic vanaf 12 april 2011 motorproblemen gehad (“a main engine turbo charge breakdown”) als gevolg waarvan het met gereduceerde snelheid naar Panama is gevaren alwaar het schip van 25 april tot en met 4 mei 2011 is gerepareerd.

2.7.

Op 16 mei 2011 is de Frio Hellenic aangekomen in Antwerpen, alwaar (bederf-) schade aan de uien werd geconstateerd.

2.8.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben Explorer aansprakelijk gesteld voor de schade en hebben beslag op het schip gelegd. Namens Explorer zijn garanties afgegeven.

2.9.

Verzekeraars hebben de door [gedaagde 1] geleden schade vergoed en zijn krachtens subrogatie in haar rechten getreden. [gedaagde 1] is door de verzekeraars gemachtigd de vordering in eigen naam ten behoeve van hen in te stellen en te verhalen.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

Explorer vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat Explorer niet aansprakelijk is jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de schade aan respectievelijk het verlies van de uien vervoerd onder de Waybills die als productie 1 bij dagvaarding zijn overgelegd, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Explorer baseert deze vordering, kort gezegd, op de stelling dat zij - voor zover Explorer überhaupt heeft te gelden als contractueel vervoerder en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] partij zijn bij de Waybills - niet aansprakelijk is voor de gepretendeerde schade omdat deze in (clausule 3 sub 3 van) de “conditions of carriage” rechtsgeldig is uitgesloten. Hoewel condensatie op een reis van een warm (tropisch en vochtig) gebied naar een koud gebied onvermijdelijk is hebben ladingbelanghebbenden er voor gekozen om geen speciale “dry cargo containers” of “reefer containers” te gebruiken.

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer en stelt onder andere:

- dat de containers zijn vervoerd in zogenaamde fancontainers, die speciaal ontworpen zijn voor het vervoer van uien;

- dat als gevolg van de defecte motor en de reparaties van de Frio Hellenic de reis een vertraging heeft opgelopen van 3 weken;

- dat de uien bij belading aan boord in goede staat verkeerden en dat de schade het gevolg is van bewuste nalatigheid in het onderhoud van de hoofdmotor door Explorer;

- dat Explorer niet aan de op haar rustende zorgverplichting voor het schip voor en bij aanvang van de reis heeft voldaan, zodat zij zich niet kan beroepen op een van aansprakelijkheid bevrijdende omstandigheid.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Na wijziging van eis vordert [gedaagde 1] in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Explorer zal veroordelen tot vergoeding van:

1. de door [gedaagde 1] geleden ladingschade ter hoogte van € 221.176,82,

2. de door [gedaagde 1] gemaakte expertisekosten ter hoogte van € 23.800,= ,

3. de door [gedaagde 1] gemaakte kosten van de Belgische Nautische Commissie ter hoogte van € 9.290,34,

4. de door [gedaagde 1] gemaakte kosten van haar Panamese advocaat met betrekking tot het beslag ter hoogte van € 12.934,72,

5. de door [gedaagde 1] gemaakte kosten van haar Belgische advocaat met betrekking tot de gerechtsexpertise, ter hoogte van € 19.955,74,

6. de buitengerechtelijke kosten,

alle kosten te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Explorer in de kosten van deze procedure.

3.6.

Onder verwijzing naar haar stellingen in conventie baseert [gedaagde 1] deze vorderingen op de volgende stellingen:

  • -

    [gedaagde 1] is vorderingsgerechtigd nu zij eigenaar is van de uien en zij bovendien vermeld staat op de Sea Waybill als de met name genoemde ontvanger;

  • -

    Explorer is passief gelegitimeerd als vervoerder;

  • -

    Explorer heeft zich schuldig gemaakt aan wanprestatie en subsidiair aan onrechtmatige daad en dient de daardoor ontstane ladingschade ad € 221.176,82 te vergoeden;

  • -

    de andere gevorderde posten zijn gegrond op artt. 6:96 lid 2 sub b en 8:496 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.7.

Door Explorer worden deze stellingen gemotiveerd betwist. Daarnaast beroept zij zich op uitsluiting van aansprakelijkheid op grond van de overeengekomen deklading-clausule en/of komt haar een beroep toe op Rule 4, lid 2 onder i althans Rule 4, lid 2 onder n respectievelijk q van de Hague Rules. In ieder geval is haar aansprakelijkheid beperkt tot GPB 36.000,-

3.8.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

bevoegdheid

4.1.

Aangezien het hier geschillen betreft tussen een Panamese vennootschap enerzijds en een Nederlandse en een Franse vennootschap anderzijds betreffende het vervoer van goederen van Nieuw-Zeeland via België naar Nederland respectievelijk Frankrijk is sprake van een internationaal geval. Explorer heeft onweersproken gesteld dat op grond van de vervoersvoorwaarden deze rechtbank bij uitsluiting bevoegd is. De rechtbank leidt hieruit af dat Explorer zichzelf in zoverre aan deze voorwaarden gebonden acht. Zoals hierna zal blijken zijn ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan deze voorwaarden gebonden, zodat de rechtbank zich bevoegd acht op grond van art. 23 Verordening (EG) nr. 44/2001.

wijziging van eis

4.2.

Nu Explorer zich in reconventie niet heeft verzet tegen de wijziging van de grondslag van de eis door [gedaagde 1], zal de rechtbank uitgaan van die gewijzigde grondslag.

toepasselijk recht

4.3.

Explorer heeft gesteld dat in de vervoersvoorwaarden een rechtskeuze is gedaan voor Nederlands recht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dat niet betwist. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1. werd overwogen over de gebondenheid van partijen aan deze voorwaarden, zal de rechtbank in conventie en in reconventie op grond van art. 3 Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) Nederlands recht toepassen op de contractuele vordering(-en) van Explorer en [gedaagde 1].

4.4.

Voor zover de vordering van [gedaagde 1] in reconventie is gebaseerd op onrechtmatige daad zal de rechtbank op grond van art. 4 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) eveneens Nederlands recht toepassen, nu dat het recht is van het land waar de schade zich beweerdelijk voordoet en de andere leden van dat artikel niet tot een andere uitkomst leiden.

vervoersgeschiktheid

4.5.

De centrale vraag in conventie en in reconventie is of Explorer aansprakelijk is voor het bij aankomst in Antwerpen geconstateerde bederf aan de door de Frio Hellenic vervoerde uien.

Feitelijk is tussen partijen allereerst in geschil of de bederfschade tijdens het zeevervoer is opgetreden. Explorer heeft o.a. gesteld dat de kwaliteit van uien uit Nieuw-Zeeland van dat jaar minder was dan andere jaren en dat waarschijnlijk ook de onderhavige lading onvoldoende gedroogd en “gecured” is. Ten bewijze van de gezonde staat van de uien bij inlading te Auckland heeft [gedaagde 1] kwaliteitsrapporten in het geding gebracht. De rechtbank is het echter met Explorer eens dat uit die rapporten, die overigens door NZOC zelf zijn opgesteld, niet is op te maken dat deze betrekking hebben op de onderhavige lading. De vakjes met order- en containernummer(-s) zijn immers oningevuld gelaten. Ook is de rechtbank niet duidelijk welke kwaliteitsstandaard door NZOC in acht is genomen. Hieraan doet niet af dat in het overgelegde expertiserapport van [bedrijf 1] kennelijk op grond van diezelfde rapporten wordt geconcludeerd dat de partijen uien vervoersgeschikt waren. Hoewel [gedaagde 1] bewijs van haar stelling heeft aangeboden zal de rechtbank dit passeren als niet ter zake doende om redenen die hierna zullen blijken.

gebondenheid [gedaagde 1] (en [gedaagde 2]) aan de Sea Waybill

4.6.

De volgende vraag is of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gebonden zijn aan de bepalingen van de op haar betrekking hebbende Sea Waybill en de op de achterzijde daarvan afgedrukte vervoersvoorwaarden. Zoals [gedaagde 1] terecht zelf stelt is zij door inontvangstname van de goederen toegetreden tot de tussen NZOC en Seatrade gesloten vervoerovereenkomst. Uit de definitiebepalingen van art. 1 van de “Conditions of Carriage” blijkt immers dat onder “Merchant” mede wordt verstaan “The Consignee”. In combinatie met o.a. de tekst van de “Identity of Carrier”-clausule (The contract evidenced hereby is between the Merchant and the owner of the Vessel named herein ..) kan geconcludeerd worden dat tussen NZOC en Seatrade op de voet van art. 6:253 BW is afgesproken dat een derde, namelijk de “consignee”, rechten kan ontlenen aan die overeenkomst. Een derde kan echter niet meer rechten aan de overeenkomst ontlenen dan de afzender van de goederen zelf en dat betekent in dit geval dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in beginsel ook gebonden zijn aan de tussen NZOC en Seatrade overeengekomen uitsluitingen van aansprakelijkheid. Of die voorwaarden tevoren aan [gedaagde 1] ter hand zijn gesteld is dus niet van belang. Gesteld noch gebleken is dat die voorwaarden niet gelden in de rechtsverhouding tussen NZOC en Seatrade.

4.7.

Dit betekent dat [gedaagde 1] (en [gedaagde 2]) gebonden is aan zowel de op de voorzijde van de Sea Waybill afgedrukte deklading-clausule (zie hiervoor onder 2.5.) als aan de bepalingen van de Hague (Visby) Rules. Deze laatste zijn weliswaar niet dwingendrechtelijk van toepassing omdat het hier niet om cognossementsvervoer gaat maar in artikel 3 van de “Conditions of Carriage” worden ze van toepassing verklaard. Nu echter de Hague (Visby) Rules blijkens de definitie van “Goods” niet zien op bij de vervoer-overeenkomst als deklading opgegeven en ook feitelijk aan dek vervoerde goederen, mist die toepasselijkverklaring in dit geval betekenis.

aansprakelijkheid Explorer

4.8.

Explorer betwist dat zij onder de beide Sea Waybills als vervoerder heeft te gelden. Desalniettemin zal de rechtbank er in het navolgende veronderstellenderwijs van uitgaan dat Explorer vervoerder is onder de beide Sea Waybills. In dat geval zijn voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van Explorer derhalve de Sea Waybills en de daarbij behorende “Conditions of Carriage” en het daarin toepasselijk verklaarde Nederlands recht bepalend.

4.9.

De meest vergaande uitsluitingsgrond is het beroep op de dekladingclausule omdat deze blijkens de tekst op de voorzijde van de Sea Waybills geldt ongeacht de oorzaak van de schade.

Van belang daarbij is ook artikel 12 lid 1 van deze voorwaarden, luidend:

DECK GOODS AND LIVE STOCK

(1) Goods (not being stowed in Containers) carried or to be carried on deck and stated herein to be so carried (..) are received, stowed, carried, kept, discharged, delivered and otherwise handled at the Merchant`s risk and the Carrier shall not be liable for any loss, damage, injury, illness, death and/or delay of whatever nature and howsoever caused, even if due to unseaworthiness or unfitness of the Vessel (..) or to negligence on the part of the Carrier, its employees, Agents, or sub-contractors or in the case of deviation.”

4.10.

In dit artikel wordt derhalve aansprakelijkheid van de vervoerder voor deklading uitgesloten, zelfs als de schade het gevolg is van onzeewaardigheid of nalatigheid aan de kant van de vervoerder. Dat hier tussen haakjes staat goederen “not being stowed in Containers” acht de rechtbank overigens niet van belang nu op de voorzijde van de Sea Waybills onmiskenbaar staat vermeld dat partijen de 18 containers (FCL) als deklading hebben aangemerkt. De rechtbank hecht meer waarde aan een specifiek voor deze goederen gedane vermelding op de voorzijde dan aan de algemene tekst van een standaardbepaling op de achterkant.

4.11.

Voor zover [gedaagde 1] als derde al een beroep op partiële vernietiging van dit gedeelte van de vervoersvoorwaarden zou kunnen doen omdat haar geen gelegenheid tot kennisneming daarvan is geboden, faalt het omdat artikel 6:247 lid 2 BW de afdeling over algemene voorwaarden niet van toepassing verklaart op – kort gezegd - internationale overeenkomsten.

4.12.

Naar Nederlands recht kan Explorer zich in beginsel op uitsluiting van haar aansprakelijkheid beroepen. Dat zou alleen anders zijn voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 248 lid 2 BW). Volgens [gedaagde 1] is dit het geval omdat Explorer wist dat het schip niet in goede conditie was. Meer concreet stelt zij dat de schade het gevolg is van bewuste nalatigheid in het onderhoud van de hoofdmotor door Explorer. Onder verwijzing naar het rapport van de Belgische Nautische Commissie stelt zij dat uit de onderhoudsfiches van de turbolader van de hoofdmotor blijkt dat eerder door zowel de chief engineer alsmede door een onderhoudsbedrijf melding is gemaakt van kapotte platen die niet alle zijn vervangen.

Als de aanbevelingen wel zouden zijn opgevolgd, dan zou de motor niet zijn stukgedraaid, zouden de uien niet 3 weken langer in tropisch klimaat zijn geweest en zouden ze niet beschadigd zijn aangekomen. Explorer heeft bewust het risico genomen dat de motor tijdens de reis kapot zou gaan, hetgeen te meer klemt nu het schip vaart in de “pool” van Seatrade, waarbinnen steeds bederfelijke goederen worden vervoerd, aldus [gedaagde 1].

4.13.

Door Explorer wordt onvoldoende gemotiveerd betwist dat de aanbevelingen om tot vervanging van de platen over te gaan niet zijn opgevolgd. Wel betwist zij dat de Frio Hellenic onzeewaardig was en dat de schade is veroorzaakt door gebrek aan zorg voor de zeewaardigheid voor en bij aanvang van de reis. In dat verband wijst Explorer er op dat in het rapport van de Nautische Commissie staat dat de waarschijnlijke oorzaak van de schade door de eerste werktuigkundige toegeschreven wordt aan losgekomen klinknagels van de geluiddempende platen.

4.14.

Wat hiervan ook zij, de rechtbank leest in de stellingen van [gedaagde 1] geen beroep op opzet of bewuste roekeloosheid van Explorer en evenmin op andere feiten en/of omstandigheden die, indien bewezen, maken dat een beroep op uitsluiting van aansprake-lijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat betekent dat er geen reden is om de contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid buiten toepassing te laten, voor zover Explorer als vervoerder onder de Sea Waybills heeft te gelden.

4.15.

Het subsidiair gedane beroep op onrechtmatig handelen van Explorer heeft [gedaagde 1] gebaseerd op dezelfde stellingen als hierboven bij het bespreken van de contractuele aansprakelijkheid weergegeven. Voor zover Explorer niet al een beroep toekomt op de bepaling van art. 8:363 BW faalt het omdat [gedaagde 1] geen schuld en onrechtmatig gedrag van Explorer stelt, anders dan het niet behoorlijk nakomen van verbintenissen als vervoerder. Die hoedanigheid weggedacht, heeft [gedaagde 1] geen schuld en onrechtmatig gedrag gesteld en dus niet aan haar stelplicht voldaan. Ook het beroep op onrechtmatig handelen van Explorer faalt.

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat de overige stellingen van partijen geen bespreking meer behoeven en dat de vordering in conventie kan worden toegewezen. Dat geldt ook voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 2], nu deze vordering niet weersproken en op de wet gegrond is. De vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.17.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in (de helft van) de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Explorer worden in conventie ten laste van [gedaagde 1] begroot op:

- explootkosten € 90,81

- vast recht 280,- (helft van € 560)

- salaris advocaat 452,- (helft van 2 punten x € 452)

Totaal € 822,81

en in reconventie op:

salaris advocaat € 2.000,- (1 punt x € 2.000)

De kosten aan de zijde van Explorer worden in conventie ten laste van [gedaagde 2] begroot op:

- explootkosten € 50,-

- vast recht 280,- (helft van € 560)

- salaris advocaat 452,- (helft van 2 punten x € 452)

Totaal € 782,-

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat Explorer niet aansprakelijk is jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de schade aan respectievelijk het verlies van de uien vervoerd onder de Waybills die als productie 1 bij dagvaarding zijn overgelegd,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van Explorer tot op heden begroot op € 822,81,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van Explorer tot op heden begroot op € 782,-,

in reconventie

5.3.

wijst de vorderingen af,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van Explorer tot op heden begroot op € 2.000,-.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.C. Santema, W.P. Sprenger en C. Sikkel en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014.

32/1928/1573