Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:6007

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
AWB-10_05159
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Het primaire besluit wordt herroepen. De bouwvergunning wordt alsnog verleend tot 1 augustus 2010.

Wetsverwijzingen
Woningwet, geldigheid: 2014-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 10/5159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [vestigingsplaats], eiser 1,

Stichting Behoud Openbare Zeilschool Faciliteiten, te Rotterdam, eiseres 2,

Stichting City Sailing Rotterdam, te Rotterdam, eiseres 3,

gemachtigde:[gemachtigde],

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk thans het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde]

Procesverloop

Op 27 juli 1999 heeft eiser 1 verlenging aangevraagd van de op 29 juli 1997 aan hem verleende tijdelijke bouwvergunning.

Bij besluit van 26 juni 2000 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlenging van de tijdelijke bouwvergunning afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser 1 bij brief van 27 juli 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 juni 2001 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser 1 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

In haar uitspraak van 15 oktober 2002 (kenmerk BOUWB 01/1956 KRD) heeft de rechtbank Rotterdam het door eiser 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 juni 2001 vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 16 juli 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AH9881) deze uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 17 oktober 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanvraag om verlenging van de tijdelijke bouwvergunning afgewezen.

Op 9 december 2004 heeft de rechtbank Rotterdam het door eiser 1 ingestelde beroep tegen het besluit van 17 oktober 2003 gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2003 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 2 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard en de verlenging van de bouwvergunning geweigerd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2014. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een bouwvergunning en het verzoek om verlenging van die bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo zijn ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Op grond van artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft de Woningwet zoals die gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Op grond van artikel VII van de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht) is op een aanvraag om een bouwvergunning die is ingediend vóór 1 januari 2003 het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag is ingediend, tenzij artikel I, onderdeel N, ertoe leidt dat voor het bouwen geen bouwvergunning is vereist.

1.2 Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Op grond van artikel 44, van de Woningwet, zoals dat tot 1 januari 2003 luidde, de bouwvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in de artikelen 2 en 120 bedoelde algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschriften of, voor zover van toepassing, de voorschriften, bedoeld in artikel 7a;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b van de Woningwet wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte, niet zijnde bewoning, te voorzien, een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de termijn ten hoogste vijf jaren. Op grond van artikel 45, vijfde lid, van de Woningwet kan deze termijn worden verlengd.

2.1 Eisers stellen in beroep dat de gevolgde procedure onjuist is. Op de hoorzitting van 7 juni 2010 van de algemene bezwaarschriftencommissie van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (bezwarencommissie) is afgesproken dat eisers nog aanvullend mochten reageren. Eisers hebben dit gedaan bij brieven van 17 juni 2010 en 22 juli 2010. Het advies van de bezwaarschriftencommissie is echter uitgebracht naar aanleiding van een beraadslaging op 8 juni 2010. Eisers stellen dat de bezwaarschriftencommissie van hun reacties geen – in ieder geval niet in volledige bezetting – kennis heeft genomen en niet op basis daarvan heeft beraadslaagd. Het advies van de bezwaarschriftencommissie is daarom op onjuiste wijze tot stand gekomen, aldus eisers. Nu verweerder dat advies in zijn geheel heeft overgenomen en als motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, mist het bestreden besluit een rechtsgeldige grondslag.

2.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit behalve het advies van de bezwaarschriftencommissie ook nog een eigen motivering ten grondslag gelegd, die deels afwijkt van de motivering van de algemene bezwaarschriftencommissie. Het bestreden besluit is daarmee volgens eisers onbegrijpelijk gemotiveerd.

2.3 Daarnaast betogen eisers dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente niet bevoegd is, nu de bevoegdheden ter zake aan de gemeente Rotterdam zijn overgedragen.

2.4 Eisers bestrijden het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van een tijdelijke behoefte omdat de exploitatie van de zeilschool al vele jaren loopt. De behoefte tot verlenging van de tijdelijke bouwaanvraag blijft bestaan, zolang met de gemeente geen permanente oplossing is bereikt, aldus eisers. Verweerder overweegt volgens eisers ten onrechte dat de tijdelijke bouwaanvraag zou kunnen worden omgezet naar een bouwaanvraag voor een permanente bouwvergunning, omdat verweerder op de tijdelijke bouwaanvraag nog niet heeft beslist. Verweerder heeft reeds vele malen bestuursdwang aangezegd, zodat eisers ook om die reden belang hebben bij verlenging van de tijdelijke bouwvergunning.

2.5 Ten onrechte heeft verweerder overwogen dat eisers handelen in strijd met artikel 2.3a van de Wabo en uiterlijk op 1 januari 2011 een omgevingsvergunning hadden moeten aanvragen. Ten onrechte wordt een handhavingstraject in het vooruitzicht gesteld, aldus eisers, terwijl zij een sms-bericht hebben ontvangen waarin staat dat er niet tot handhaving zou worden overgegaan. Eisers zien niet in dat een omgevingsvergunning voor de zeilschool is vereist, althans voor welke onderdelen de vergunningplicht wel en niet zou gelden. Het bestreden besluit is volgens eisers op dit punt zodanig vaag, dat het bestreden besluit ook daarom niet in stand kan blijven. Ten slotte wijzen eisers er op dat verweerder niet heeft beslist op het verzoek om kostenvergoeding voor de bezwaarprocedure, zodat het bestreden besluit ook daarom niet in stand kan blijven.

3.1 Verweerder merkt op dat een groot deel van de zeilschool waarvoor destijds vergunning is aangevraagd er nu niet meer ligt. Met ingang van 1 maart 1996 is de huurovereenkomst tussen eiser 1 en de verhuurder opgezegd en diende eiser 1 de zeilschool te ontruimen. Verweerder achtte de aanwezigheid van de zeilschool van eiser 1 vanwege het recreatieve element, de scholings- en werkgelegenheidsaspecten van belang voor de deelgemeente en is daarom met eiser 1 op zoek gegaan naar een andere locatie voor de zeilschool en heeft toen voor een locatie aan de westzijde van de Kralingse Plas een tijdelijke vergunning verleend. Uiteindelijk is de civiele rechthebbende,[X], echter niet bereid geweest om een overeenkomst met eiser 1 te sluiten over het gebruik van de locatie aan de westzijde.
Op 14 februari 2008 is een nieuwe bestemmingsplan vastgesteld, het bestemmingsplan “Kralingse Bos”, waarbij een locatie aan de westzijde van de Kralingse Plas de bestemming “watersport, jachthaven I, II, en III” heeft gekregen. Dit bestemmingsplan is op 7 april 2010 onherroepelijk geworden. Met het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan is een einde gekomen aan de zoektocht van eisers voor een nieuwe locatie voor de zeilschool. De aanleiding voor een tijdelijke bouwvergunning is daarmee komen te vervallen, zodat er ook geen reden meer was om de tijdelijke bouwvergunning te verlengen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet bevoegd is een tijdelijke bouwvergunning voor langer dan een periode van tien (vijf + vijf) jaar te verlenen. Verweerder wijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT9695) waarin zij heeft geoordeeld (r.o. 2.3.1) dat een tijdelijke bouwvergunning slechts verleend kan worden indien aannemelijk is dat het tijdelijke bouwsel niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven. Uit die uitspraak volgt volgens verweerder ook dat er ten aanzien van dat tijdelijke bouwsel voldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden moeten zijn om aan te nemen dat een bouwwerk niet langer dan vijf jaar ter plaatse in stand zal blijven.

3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen belang meer hebben bij de verlenging van de tijdelijke bouwvergunning uit 1997. Nu het bestemmingsplan de definitieve locatie voor de zeilschool heeft geregeld, kunnen eisers een permanente bouwvergunning aanvragen, hetgeen zij ook hebben gedaan. Verweerder stelt dat hij zich uitermate heeft ingespannen om een definitieve oplossing voor de situatie van eisers te bereiken, waarbij aan eisers het aanbod is gedaan om een nieuw bouwwerk voor de zeilschool te financieren. Eiser 1 heeft dit aanbod als onvoldoende aangemerkt en er is geen overeenstemming tot stand gekomen.

3.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser 1 zijn schadevordering op de gemeente in het kader van deze procedure niet heeft geconcretiseerd noch van enige cijfermatige en logische onderbouwing heeft voorzien. Omdat onduidelijk is wat de grondslag en opbouw van de omvangrijke vordering is, betwist verweerder dat er causaal verband bestaat tussen die vordering en het bestreden besluit. In dit kader verwijst verweerder naar de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3260) en 6 december 2007 (ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0203).

4.1 De rechtbank stelt vast dat eiseres 2 en eiseres 3 geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit. Nu niet is gebleken dat zij daartoe redelijkerwijs niet in staat zijn geweest, is het beroep van eiseres 2 en eiseres 3 op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk.

4.2 Met ingang van 19 maart 2013 is de bevoegdheid van gemeentenbesturen om deelgemeenten in te stellen afgeschaft. Vanaf die datum is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam als rechtsopvolger van het dagelijkse bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk in de onderhavige procedure het bevoegde bestuursorgaan. Daarmee moeten de in deze procedure genomen besluiten worden geacht te zijn genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam. Van een bevoegdheidsgebrek, zoals eiser 1 stelt, is geen sprake.

4.3 De overweging in het bestreden besluit dat verweerder zich genoodzaakt ziet om een handhavingstraject in gang te zetten indien eiser 1 niet uiterlijk voor 1 januari 2011 een aanvraag voor een omgevingsvergunning indient ter legalisering van de opstallen van de zeilschool, is niet op rechtsgevolg gericht. De beroepsgrond van eiser 1 die op deze overweging ziet, is niet-ontvankelijk en behoeft om die reden geen bespreking.

4.4 Nu de overwegingen van het bestreden besluit die zien op het handhavingstraject en de noodzaak om een omgevingsvergunning aan te vragen niet op rechtsgevolg zijn gericht, is van een discrepantie tussen het advies van de algemene bezwarencommissie en de in het bestreden besluit gegeven aanvullende motivering geen sprake meer, zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

4.5 De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser 1 dat het advies van de bezwarencommissie op onjuiste wijze tot stand is gekomen, omdat geen kennis is genomen, althans niet door de volledige bezetting van de commissie, van de reacties die eiser 1 na afloop van de op 7 juni 2010 gehouden hoorzitting nog aan de commissie heeft toegestuurd. Weliswaar heeft dit advies als datum 7 juni 2010, en staat op bladzijde 2 van dit advies dat op 8 juni 2010 de volledige bezetting (voorzitter en twee leden) over het bezwaar heeft geraadpleegd en advies heeft uitgebracht, maar uit de opmerking op bladzijde 3 van het advies maakt de rechtbank op dat de commissie kennis heeft genomen van de brieven van eiser 1 van 17 juni en 22 juli 2010. Omdat deze brieven van eiser 1 van latere datum zijn en de commissie ook ingaat op de inhoud van deze brieven, kan het niet anders zijn dan dat de commissie na ontvangst van de laatste brief van 22 juli 2010 nog heeft beraadslaagd en dat de vermelding van 8 juni 2010 als datum van beraadslaging onjuist, althans niet volledig, is.

4.6 De op 29 juli 1997 verleende bouwvergunning is verleend voor een termijn van 3 jaar, ingaande op de verzenddatum van dit besluit, 1 augustus 1997. Dit betekent dat de vergunning op 1 augustus 2000 afliep. Uit de brief van 27 juli 1999 aan het dagelijks bestuur van de deelgemeente blijkt dat eiser 1 verlenging vraagt van de tijdelijke bouwvergunning voor een termijn van minimaal 5 jaar, maar beter nog 10 jaar. Uitgaande van de expiratiedatum van de tijdelijke vergunning en in aanmerking genomen dat niet meer vergund kan worden dan is aangevraagd, kon de instandhoudingstermijn van de bouwvergunning naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet langer verlengd worden dan tot 1 augustus 2005 of 1 augustus 2010. Dat, zoals verweerder stelt, een groot deel van de zeilschool waarvoor in 1997 vergunning is verleend niet meer aanwezig is, doet er niet toe, nu beoordeeld wordt wat is aangevraagd en niet wat aanwezig is.

4.7 Noch in de omstandigheid dat de maximale termijn waarvoor de vergunning verlengd kon worden inmiddels is verstreken, noch in de omstandigheid dat eiser 1 vanwege de wijziging van het bestemmingsplan in aanmerking kan komen voor een permanente omgevingsvergunning ziet de rechtbank reden aan te nemen dat, zoals verweerder heeft betoogd, het procesbelang van eiser 1 bij een beoordeling van het bestreden besluit is komen te vervallen. Eiser 1 heeft immers na 1 augustus 2000 niet meer over een bouwvergunning beschikt, terwijl hij daar mogelijk wel recht op had. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat eiser 1 schade heeft geleden. De vraag of verweerder al dan niet terecht geweigerd heeft de tijdelijke vergunning te verlengen zal de rechtbank hierna bespreken.


4.8 In de uitspraak van 9 december 2004 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat verweerder het verzoek om verlenging van de bouwvergunning niet heeft kunnen afwijzen, op de enkele grond dat het bouwwerk niet bestemd is om in een tijdelijke behoefte te voorzien. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat verweerder eiser 1 in 1997 juist – anders dan aanvankelijk door eiser 1 gewenst – op grond van artikel 45, eerste lid, onder b, van de Woningwet een bouwvergunning met een instandhoudingtermijn van drie jaar heeft verleend, omdat er onzekerheid bestond omtrent de verplaatsingsmogelijkheden. Het gaat dan niet aan om vervolgens het verzoek om verlenging van de instandhoudingtermijn af te wijzen, omdat het bouwwerk niet is bestemd om in een tijdelijke behoefte te voorzien. Verweerder heeft tegen de uitspraak van 9 december 2004 geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak onherroepelijk is geworden. Uitgangspunt is dat aan rechterlijke uitspraken uitvoering moet worden gegeven. Hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding daar in dit geval anders over te oordelen.

4.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zich sinds de uitspraak van de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Op 7 april 2010 is het bestemmingsplan Kralingse Bos onherroepelijk geworden. Volgens de plankaart en de planvoorschriften zijn de gronden waarop de zeilschool gevestigd is aangewezen als “Watersport en Jachthaven III”. Daarmee is voorzien in een permanente vestiging van een watersportfaciliteit op deze locatie. Nu ook eiser 1 heeft aangegeven dat hij op deze locatie een zeilschool wil blijven exploiteren, omdat de exploitatie op een andere locatie (financieel) niet haalbaar is, is geen sprake meer van een tijdelijke behoefte, zodat de tijdelijke bouwvergunning terecht, zij het op andere gronden, is geweigerd.

4.10 De rechtbank kan verweerder in zijn standpunt niet volgen. Op het moment van indiening van de aanvraag om verlenging van de bouwvergunning was op grond van het toen ter plaatse vigerende “Uitbreidingsplan Kralingsche Bosch” de zeilschool van eiser 1 op de huidige locatie ook al toegestaan. Het bestemmingsplan Kralingse Bos heeft wat betreft de mogelijkheden om op de betrokken locatie een zeilschool te vestigen geen wijzigingen tot gevolg gehad. De rechtbank stelt vast dat verweerder het verzoek om verlenging van de instandhoudingstermijn van de bouwvergunning wederom heeft afgewezen op de enkele grond dat het bouwwerk niet bestemd is om in een tijdelijke behoefte te voorzien en dat verweerder hiermee geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2004.

5.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

6.

Nu gesteld noch gebleken is dat zich andere weigeringsgronden voordoen, ziet rechtbank in het gebonden karakter van het vergunningenstelsel van artikel 44 van de Woningwet, de eerdere vergunningverlening in 1997 voor hetzelfde bouwplan en de lange tijd dat deze procedure zich al voortsleept aanleiding om, onder herroeping van het primaire besluit, de bouwvergunning te verlenen tot 1 augustus 2010 conform de aanvraag van 27 juli 1999 in samenhang bezien met op 29 juli 1997 verleende vergunning met bijbehorende aanvraag en bouwtekening.

7.

De rechtbank stelt vast dat hoewel verweerder in het verweerschrift in gaat op een schadevordering van eiser 1, uit het beroepschrift niet blijkt dat een (verzoek om) schadevergoeding is gedaan en dat dit onderdeel uitmaakt van deze procedure. De rechtbank laat dit aspect dan ook buiten bespreking.

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser 1 het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser 1 in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres 2 en eiseres 3 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepsgrond van eiser 1 die op het handhavingsaspect ziet niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiser 1 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit van 26 juni 2000 wordt herroepen en dat bouwvergunning wordt verleend tot 1 augustus 2010 conform de aanvraag van 27 juli 1999 in samenhang bezien met op 29 juli 1997 verleende vergunning met bijbehorende aanvraag en bouwtekening;

- bepaalt dat verweerder aan eiser 1 het betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1948,-, te betalen aan eiser 1.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Avdić, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.