Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5931

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
10/750115-13, 10/750203-12, 10/750018-13, 10/750131-13 en 10/750190-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft haar regiefunctie middels een open verwijzing aan de rechter-commissaris gedelegeerd, alwaar een regiebijeenkomst heeft plaatsgevonden. Indien tijdens een regiebijeenkomst is geoordeeld over verzoeken - ook verzoeken van een medeverdachte en zijn raadsvrouw die zich bij deze regiebijeenkomst hebben aangesloten - dient, niet alleen bij een herhaald verzoek maar ook bij een nieuw verzoek, getoetst te worden aan het noodzakelijkheidscriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/230

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/750115-13, 10/750203-12, 10/750018-13, 10/750131-13 en 10/750190-12

Datum uitspraak: 11 juli 2014

Beslissingen van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam op 11 juli 2014 in de megazaak Paine, in de zaken tegen de verdachten:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres]

,

raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam;

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres]

,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam;

[verdachte 3],

geboren te [geboorteplaats] op 14 februari 1983,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Utrecht;

[verdachte 4],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres]

,

raadsman mr. K.R. Koopman, advocaat te Utrecht

en

[verdachte 5],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres]

,

raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

Beslissingen op de verzoeken

Op de zitting van 8 en 10 juli 2014 zijn door de raadslieden van [verdachte 2], [verdachte 4], [verdachte 3] en [verdachte 5] onderzoekswensen gedaan, zoals hierna nader aan te duiden.

Bij de beoordeling hiervan wordt het volgende vooropgesteld.

Op 29 november 2013 heeft een regiebijeenkomst plaatsgevonden bij de rechter-commissaris in deze zaak. In de zaken van [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 5] is de zaak daartoe verwezen door de rechtbank bij beslissing van 30 oktober 2013, als genoemd in het proces-verbaal van de zitting van die datum. Dit nadat door de rechtbank aan de raadslieden van de verdachten – met uitzondering van [verdachte 4] – de vraag was voorgelegd of er voorkeur bestond voor regie door de rechtbank zelve, dan wel een open verwijzing naar de rechter-commissaris. Geen van de raadslieden heeft een voorkeur uitgesproken voor een regie door de rechtbank.

De rechtbank heeft vervolgens haar regiefunctie middels een open verwijzing aan de rechter-commissaris gedelegeerd. [verdachte 4] en zijn raadsvrouw hebben zich – ofschoon van de Regiebijeenkomst, anders dan enkele e-mailberichten, geen proces-verbaal of anderszins een schriftelijke vastlegging in het dossier van de rechter-commissaris is opgenomen – hierbij aangesloten, hetgeen onder meer kan blijken uit de separate beslissingen die op verzoeken tot het horen van getuigen zijn genomen. Aan haar en de raadsman van [verdachte 2] zijn voorgenomen tenlasteleggingen uitgereikt op of omstreeks die regiebijeenkomst. De rechtbank constateert dat daarmede vaststaat wat de verwijten van het openbaar ministerie in ruime zin zijn geweest ten tijde van de regiebijeenkomst en dat deze sindsdien aan de raadslieden bekend zijn geweest.

Thans zijn er onderzoekswensen voorgelegd aan de rechtbank als ware daartoe geen eerdere gelegenheid gegeven.

De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

De Hoge Raad oordeelt in constante jurisprudentie – NJ 2007, 625 / 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2056 en Hoge Raad 1 juli 2014 idem 1496 r.o 2.32 jo 2.29 – dat indien tijdens pro formazittingen of regiebijeenkomsten is geoordeeld over verzoeken, niet alleen bij een herhaald verzoek, maar ook bij een nieuw verzoek, getoetst dient te worden aan het noodzakelijkheidscriterium. Ofschoon de regie strikt genomen niet heeft plaatsgevonden tijdens een zitting van de rechtbank, maar wel middels de open verwijzing naar de rechter-commissaris gedurende bijna negen maanden binnen welke periode verzoeken (kennelijk mede tijdens een regiebijeenkomst) aan de rechter-commissaris zijn gedaan, is daarmede naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van het geven van (een eerdere) gelegenheid tot het doen van verzoeken (vergelijk r.o. 2.29 van Hoge Raad 1 juli 2014) c.q. het nemen van beslissingen op eerdere verzoeken als bedoeld in voormelde jurisprudentie. Met andere woorden: er heeft regie plaatsgevonden, er zijn verzoeken gedaan en daarop is beslist. Vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige nieuwe verzoeken dienen te worden getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.

Niet onvermeld dient voorts te blijven hoe zich dit verhoudt tot het toetsingskader van artikel 6 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank kan in ieder geval worden vastgesteld dat de verdediging in ruime mate in de gelegenheid is gesteld onderzoekswensen te formuleren (waaronder het horen van getuigen) op basis van het dossier zoals dat is vertrekt gedurende de periode dat de rechter-commissaris met regie en onderzoek belast is geweest. Vergelijk daartoe Hoge Raad 11 maart 2014 ECLI:NL:HR:2014:537 en dan met name de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12.

Aldus komt de rechtbank tot de navolgende beslissingen.

In de zaak tegen [verdachte 4]

[getuige 1]

De aanvankelijk ten laste gelegde route via Duitsland en de betrokkenheid daarbij van [getuige 1] is geschrapt uit de tenlastelegging en de officier van justitie heeft aangegeven dat dit ook geen deel uitmaakt van de artikel 11a Opiumwet-verdenking. Aldus bestaat er geen noodzakelijkheid om deze getuige te horen. Het verzoek tot het horen van deze getuige wordt afgewezen.

[getuige 2]

De positie van [getuige 2] was bekend ten tijde van de regiobijeenkomst en heden ten dage is geen sprake van nova. Naar het oordeel van de rechtbank is het dossier vooralsnog duidelijk op dit punt en bestaat er, behoudens niet gebleken of gestelde nova, geen noodzakelijkheid deze getuige te horen. Het verzoek tot het horen van deze getuige wordt afgewezen.

Uitluisteren tapgesprekken (gesprekken bekend tijdens regie)

Heden ten dage is geen sprake van nova en er bestaat geen noodzakelijkheid de raadsvrouw thans de gelegenheid te bieden de tapgesprekken uit te luisteren en daarnaar desgewenst nader onderzoek te laten doen door een stemherkenningsdeskundige en door het horen van de verbalisant als getuige. Ook dit verzoek wordt afgewezen.

[getuige 3] en [getuige 4]

Het verzoek tot het horen van [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen is reeds door de rechter-commissaris toegewezen. Gelet op de informatie die het dossier thans biedt, kan in redelijkheid tot oordeel gekomen worden dat Helsloot niet bereikbaar lijkt te zijn en dat niet valt te verwachten dat hij binnen redelijke termijn gehoord kan worden. Het verzoek om een hernieuwde poging te doen deze getuige te doen horen, wordt afgewezen.

Dat is anders ten aanzien van [getuige 4], in wiens geval de rechtbank thans niet tot het oordeel kan komen dat een verhoor tot de onmogelijkheden behoort, zodat de zaken op dit punt naar de rechter-commissaris worden terugverwezen, opdat deze hernieuwde pogingen in het werk zal stellen om Dunne op de kortst mogelijke termijn te horen.

In de zaken [verdachte 3], [verdachte 5] en [verdachte 4]

Persoonsdossier [medeverdachte]

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 juli 2014 medegedeeld dat er geen persoonsdossier van de heer [medeverdachte] bestaat. De rechtbank heeft geen gronden om aan de juistheid van de mededeling te twijfelen. Het verzoek tot overlegging van een dossier wordt daarom afgewezen.

Uitluisteren alle tapgesprekken [medeverdachte]

Het verzoek tot het uitluisteren van alle tapgesprekken waaraan de medeverdachte [medeverdachte] heeft deelgenomen is onvoldoende gemotiveerd en ook onvoldoende concreet gemaakt. Het verzoek wordt afgewezen.

In de zaak tegen [verdachte 2]

[getuige 5] en [getuige 6]

De rechtbank vindt dat er voldoende gelegenheid is geweest om deze getuigen nader te horen. Thans dient het verzoek dan ook te worden getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. De rechtbank is van oordeel dat er geen noodzakelijkheid bestaat deze getuigen te horen. Gelet daarop wordt het verzoek afgewezen.

De rechtbank geeft het openbaar ministerie in overweging deze getuigen zo nodig te doen horen door de politie in aanwezigheid van de raadsman indien nadere, door de officier van justitie toegezegde, informatie over de bankrekeningen van de verdachte daartoe aanleiding geeft.

[getuige 7] en [getuige 8]

Het verzoek om het horen van deze getuigen wordt toegewezen. De rechtbank acht het, gelet op de inhoud van de door de getuige [getuige 9] ter terechtzitting afgelegde verklaring, noodzakelijk dat deze getuigen ter terechtzitting worden gehoord.

‘Neef [voornaam]’

Dit verzoek wordt toegewezen. De benodigde persoonsgegevens van ‘neef [voornaam]’ zijn door de verdediging inmiddels achterhaald en aan de rechtbank verstrekt. Het ter terechtzitting horen van deze neef [voornaam] – naar nu blijkt te zijn [getuige 10] – wordt, eveneens gelet op de inhoud van de door [getuige 9] voornoemd ter terechtzitting afgelegde verklaring, noodzakelijk geacht.

Verbalisanten[getuige 11] en [getuige 12]

Het verzoek tot het horen van deze getuigen wordt toegewezen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat deze verbalisanten worden gehoord omtrent de vraagstelling tijdens het verhoor van de verdachte [verdachte 5], op pagina 2203 van het dossier, alsmede de mededelingen van [medeverdachte] aangaande zijn zelfmoord.

CIE-verbalisant

De officier van justitie heeft aangegeven dat het team slechts heeft beschikt over de CIE-informatie bij het verrichten van het tactisch onderzoek. Gelet daarop heeft de politie niet meer geweten dan in het CIE-verbaal staat vermeld bij het trekken van conclusies en het stellen van vragen onder meer zoals bedoeld op pagina 2203 van het dossier. Gelet daarop bestaat er geen noodzakelijkheid om deze verbalisant te horen en wordt het verzoek aldus afgewezen.

In de zaken tegen [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5]

Bewijswijzer artikel 11a Opiumwet-verdenking

De officier van justitie wordt verzocht om ruim voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling een bewijswijzer met betrekking tot de artikel 11a Opiumwet-verdenking aan het dossier toe te voegen. Deze bewijswijzer dient te zijn gebaseerd op het dossier zoals dat thans beschikbaar is en zal mede dienen ter voorhouding van gegevens uit het dossier aan de betreffende verdachten nu een proces-verbaal terzake deze verdenking in het dossier ontbreekt.