Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
ROT 13/6055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terechte weigering van verzoek om opschorting van invordering boete. Procedure bij EHRM is geen reden voor opschorting. ACM mag accountantsverklaring over eisers financiële situatie verlangen.

Wetsverwijzingen
Telecommunicatiewet, geldigheid: 2014-07-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/6055

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te [adres], eiser,

gemachtigde: mr. E.F.J. Goossens,

en

de Autoriteit Consument & Markt (ACM, voorheen: het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit), verweerster,

gemachtigden: mr. J.P.C. van der Weegen en mr. I.S. Post.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2013 (het primaire besluit) heeft ACM eiser medegedeeld dat geweigerd wordt de invordering van de boete op te schorten en dat gedurende het jaar 2013 het bedrag waarmee maandelijks dient te worden afgelost op de vordering tijdelijk wordt verlaagd tot € 700,-.

Bij besluit van 15 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft ACM het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 4 mei 2007 heeft ACM aan eiser een boete opgelegd van € 55.000,- wegens overtreding van de Telecommunicatiewet (Tw). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft, na bezwaar en beroep, in hoger beroep bij uitspraak van 7 december 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BU9170) het bedrag van de boete in stand gelaten.

2.

Eiser heeft in verband met deze procedure een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Deze klacht is nog niet afgehandeld.

3.

In de periode van 29 december 2011 tot en met 20 februari 2013 is tussen ACM en eiser diverse malen gecorrespondeerd over de betaling van de boete. ACM heeft diverse malen een betalingsregeling voorgesteld. Eiser heeft in de periode van oktober 2012 tot en met januari 2013 conform de betalingsregeling vier maal € 900,- betaald. Daarna heeft eiser niet meer betaald. Bij brief van 20 februari 2013 heeft eiser verzocht de invordering van de boete op te schorten, waarna ACM het primaire besluit heeft genomen.

4.

Eiser heeft aangevoerd dat de invordering moet worden opgeschort tot het EHRM heeft beslist over zijn klacht. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij na januari 2013 niet langer in staat is om de betalingsregeling na te komen. Eiser stelt voldoende informatie aan ACM te hebben overgelegd waaruit zijn betalingsonmacht ten aanzien van het resterende bedrag van de boete blijkt. Hij zou niet in de gelegenheid zijn gesteld de verklaringen en de stukken die hij heeft overgelegd toe te lichten. Voorts zou ACM onvoldoende hebben gemotiveerd waarom de verstrekte informatie ontoereikend is geweest om de betalingsonmacht van eiser aan te tonen. Daardoor vindt eiser het in beroep moeilijk om zijn betalingsonmacht te bewijzen.

5.

Bij brief van 14 mei 2014 heeft eiser nog aanvullende stukken overgelegd waarmee hij zijn betalingsonmacht wil aantonen.

6.

Ter zitting heeft eiser opgemerkt dat ACM ten onrechte voor wat betreft de brutowinst vermeld op zijn belastingaanslag een accountantsverklaring van hem verlangt. Eiser is van mening dat de verklaring van de boekhouder die hij heeft overgelegd voldoende moet zijn. Een boekhouder in België is voldoende geëquipeerd om een verklaring af te geven, aldus eiser.

7.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de uitspraak van het CBb, de hoogte van de boete vast staat.

8.

In artikel 15.12 van de Tw is bepaald dat de werking van een beschikking waarmee een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Gelet daarop hoefde ACM geen uitstel van betaling meer te verlenen. Eiser stelt weliswaar dat de invordering van de boete moet worden opgeschort totdat op de klacht bij het EHRM is beslist, maar daarvoor is geen wettelijke grondslag.

9.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om stukken met een toelichting aan te leveren.

9.1

Uit de stukken komt naar voren dat ACM voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit eiser reeds diverse malen een betalingsregeling heeft aangeboden. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft ACM eiser in de gelegenheid gesteld stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij niet in staat is af te lossen. Vervolgens heeft ACM bij brief van 20 juni 2013 aangegeven over welke onderwerpen zij een nadere onderbouwing en toelichting vraagt.

9.2

Gelet hierop is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om de gevraagde stukken in te leveren en te onderbouwen dat hij over geen enkele betalingscapaciteit beschikt om de boete te voldoen. Daarbij merkt de rechtbank op dat ACM steeds duidelijk heeft aangegeven welke stukken eiser ten minste moest overleggen. Uit de stukken blijkt dat eiser niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd, en dat ten aanzien van een aantal overgelegde stukken de gevraagde toelichting ontbreekt. Bovendien komt uit de overgelegde documenten niet ondubbelzinnig naar voren dat eisers financiële situatie zodanig is dat hij niet in staat is af te lossen. Ook de informatie die bij de brief van 14 mei 2014 is overgelegd is niet voldoende. Eiser heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet over betalingscapaciteit beschikt om de boete te voldoen.

9.3

Ten aanzien van eisers stelling over de betrouwbaarheid van de verklaring van zijn boekhouder overweegt de rechtbank dat ACM een accountantsverklaring mag verlangen, nu een accountant, anders dan een boekhouder, een officiële accountantsverklaring kan afgeven over de financiële situatie van eiser.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.