Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:576

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
KTN-2571342_28012014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Van onrechtmatige c.q. ongeoorloofde concurrentie is volgens vaste rechtspraak eerst dan sprake wanneer de ex-werknemer met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige werkgever duurzame relaties van die werkgever benadert op een wijze die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever. In casu is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden dat gedaagde zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie jegens eiseres, zodat de vordering wordt afgewezen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2571342 / VV EXPL 13-707

uitspraak: 28 januari 2014

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Taheri te Capelle aan den IJssel,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.M.A. Oud te Capelle aan den IJssel.

Partijen worden hierna “[eiseres]” respectievelijk “[gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zaak zijn de volgende stukken ter

griffie ontvangen:

  • -

    het exploot van dagvaarding in kort geding, met producties, van 9 december 2013;

  • -

    het herstelexploot van 18 december 2013;

  • -

    de brief van de gemachtigde van [gedaagde] d.d. 18 december 2013, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2013. Namens [eiseres] is de heer [A] (directeur) verschenen, bijgestaan door mr. M. Taheri. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.M.A. Oud. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarbij zijdens [eiseres] een aanvullende productie is overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. Aan het einde van de zitting is de procedure aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om te praten over een minnelijke regeling.

1.3

Bij brief van 9 januari 2014 heeft de gemachtigde van [eiseres] een nadere productie overgelegd en de eis gewijzigd.

1.4

Bij brief van 9 januari 2014 heeft de gemachtigde van [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen zowel de eiswijziging als de laatste productie van [eiseres].

1.5

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als gesteld door de ene partij en niet, dan wel onvoldoende, betwist door de andere partij en op grond van de niet weersproken inhoud van de producties wordt uitgegaan van het volgende.

2.1

[gedaagde] is op 20 januari 2013 bij [eiseres] in dienst getreden als operationeel medewerker. Artikel 11 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“Artikel 11: bedrijfsmiddelen

Bedrijfsmiddelen, alsmede alle correspondentie, aantekeningen, tekeningen enz. betrekking hebbende op bedrijfsaangelegenheden zullen bij het einde van de arbeidsovereenkomst onverwijld door de werknemer bij de werkgever worden ingeleverd.”

2.2

Op 8 augustus 2013 zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 20 juli 2013 is geëindigd.

2.3

Op 12 augustus 2013 is [X Shipping en Trading] opgericht door [gedaagde].

3 De vordering en de stellingen van partijen

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding, uitvoerbaar bij voorraad en bij wege van voorlopige voorziening, gevorderd:

primair:

I. [gedaagde] te gebieden zich te onthouden van iedere vorm – direct en/of indirect – van werving van en contact met de klanten van [eiseres] op straffe van een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 2.500,-- per overtreding met een maximum van € 100.000,--;

II. [gedaagde] te gebieden zich te onthouden van iedere vorm van – direct en/of indirect – uitlating en/of publicatie en/of berichtgeving waarmee beoogd en/of getracht wordt om een samenwerking aan te gaan met de klanten van [eiseres] dan wel de samenwerking van die klanten met [eiseres] te beëindigen dan wel over te nemen;

III. [gedaagde] te gebieden zich te onthouden van iedere vorm van – direct en/of indirect – gebruik van de informatie en/of gegevens en/of kennis welke [gedaagde] tijdens en/of door haar dienstverband bij [eiseres] heeft opgedaan dan wel anderszins aan [eiseres] toebehoort;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding;

subsidiair:

V. een andere vordering te treffen zoals dat de kantonrechter in goede justitie betaamt;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

Aan haar vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] in strijd met goed werknemerschap in de zin van artikel 7:611 BW en daarmee tevens onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en nog steeds handelt door zich na het einde van de arbeidsovereenkomst stelselmatig te wenden tot verschillende klanten van [eiseres] alsmede de transportbedrijven die door [eiseres] worden ingeschakeld met het oogmerk hen te bewegen om hun samenwerking met [eiseres] te beëindigen en met [gedaagde] samen te gaan werken tegen een betere prijs. Bovendien heeft [gedaagde] bij het winnen van klanten gebruik gemaakt van vertrouwelijke kennis en gegevens die zij tijdens haar dienstbetrekking heeft verkregen van [eiseres] – waaronder het klantenbestand en de tarievenlijst van [eiseres] –, hetgeen in strijd is met artikel 11 van de arbeidsovereenkomst. De handelwijze van [gedaagde] beoogt het bedrijfsdebiet van [eiseres] stelselmatig en substantieel af te breken en [eiseres] loopt hierdoor enorme schade op. Zo heeft zij inmiddels een aantal klanten van [eiseres] gestolen, waaronder de grootste klant ([B]) die zorgde voor ruim 80% van de omzet van [eiseres].

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, doordat haar voortbestaan met het verlies van haar grootste klant thans in het geding is.

3.3

[gedaagde] heeft betwist dat zij stelselmatig klanten van [eiseres] heeft benaderd. Ook betwist zij klanten- en tarievengegevens van [eiseres] te hebben gekopieerd en mee naar huis te hebben genomen ten behoeve van haar eigen bedrijf.

3.4

De overige stellingen van partijen komen – voor zover relevant – hierna bij de beoordeling aan de orde.

4 De beoordeling van het geschil

4.1

De spoedeisendheid van de zaak vloeit uit het gestelde voort en is ook niet wezenlijk bestreden door [gedaagde].

4.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.3

Na de mondelinge behandeling heeft [eiseres] haar eis gewijzigd. Nog daargelaten dat [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen deze eiswijziging, wordt opgemerkt dat de kantonrechter reeds ter zitting, nadat [eiseres] had aangegeven haar eis te willen wijzigen naar aanleiding van het voorlopig oordeel van de kantonrechter, aan [eiseres] heeft medegedeeld

– onder verwijzing naar (artikel 11.1 van) het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector kanton – dat een eiswijziging na de zitting niet meer mogelijk wordt geacht. Op grond van de eisen van een goede procesorde wordt de eiswijziging dan ook niet toegelaten.

4.4

De door [eiseres] na de zitting overgelegde productie, zijnde een vliegticket van [gedaagde] naar Griekenland, zal wel worden meegenomen bij de beoordeling, nu deze vliegticket op de zitting ter sprake is gekomen en [gedaagde] bij brief van 9 januari 2014 inhoudelijk heeft gereageerd op de productie.

4.5

Tussen partijen is in geschil de vraag of [gedaagde] zich schuldig maakt dan wel heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie jegens [eiseres] en of zij daarbij in strijd heeft gehandeld met artikel 11 van de arbeidsovereenkomst.

4.6

Vooropgesteld wordt dat het een ex-werknemer die niet gebonden is aan een concurrentie- of een relatiebeding, zoals hier het geval is, vrij staat om met de voormalige werkgever in concurrentie te treden. In dat kader heeft de voormalige werkgever ook te dulden dat zijn ex-werknemer relaties van hem benadert. Van een ongeoorloofde concurrentie is volgens vaste rechtspraak eerst dan sprake wanneer de ex-werknemer met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige werkgever duurzame relaties van die werkgever benadert op een wijze die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever.

4.7

Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] contacten van haar heeft benaderd, heeft [eiseres] allereerst e-mailberichten van twee van haar klanten overgelegd.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de tekst van deze e-mails voldoende aannemelijk wordt dat [gedaagde] heeft gepoogd deze bedrijven binnen te halen als klant, hetgeen op zichzelf ook niet door [gedaagde] is weersproken.

Daarnaast heeft [eiseres] aangevoerd dat [gedaagde] haar grootste klant, [B], heeft benaderd en weggekaapt. Deze stelling is door [gedaagde] ten stelligste betwist. Overwogen wordt dat de door [eiseres] overgelegde stukken onvoldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is van het stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet van [eiseres] door [gedaagde]. Niet alleen is onvoldoende gebleken dat [B] verantwoordelijk was voor 80% van de omzet van [eiseres] – dit is door [gedaagde] betwist en door [eiseres] niet onderbouwd – ook heeft [gedaagde], onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van de heer [C] namens [B], gesteld dat het juist [B] is geweest die haar heeft benaderd om een samenwerking aan te gaan.

Aldus blijkt uit de producties vooralsnog niet meer dan dat [gedaagde] twee klanten van [eiseres] actief heeft benaderd. Dit kan niet worden aangemerkt als het stelselmatig benaderen van klanten zoals door [eiseres] wordt gesteld.

4.8

Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] haar klantenbestand en tarievenlijst mee naar huis heeft genomen dan wel heeft gebruikt ten behoeve van haar eigen bedrijf, heeft [eiseres] een schriftelijke verklaring van een oud-werkneemster overgelegd. Daarin is het volgende verklaard:

“(…)

31 july 2013 toen ik nog bij [eiseres] Shipping werkzaam was, mijn collega [gedaagde] had mij om de volgende informatie gevraagd:

de gegevens van onze klant [D], onder andere de tarieven ook, de boekingen en de leveranciers (afladers) namen uit te printen en aan haar overhandellen. Ik heb de laatste 3 boekingen uitgeprint en aan haar gegeven.”

Nu [gedaagde] echter heeft betwist dat zij de klant- en tarievengegevens van [eiseres] mee naar huis heeft genomen en daarbij heeft aangevoerd dat zij op 31 juli 2013 niet eens aanwezig was op kantoor, is enkel de schriftelijke verklaring van de oud-werkneemster van [eiseres] onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] bij het benaderen van klanten gebruik heeft gemaakt van vertrouwelijke informatie van [eiseres]. De door [eiseres] overgelegde vliegticket van [gedaagde] maakt dat niet anders, aangezien het feit dat [gedaagde] op 26 juli 2013 reeds terug was in Nederland (en [gedaagde] dus op 31 juli 2013 niet meer in Griekenland was zoals zij aanvankelijk stelde) nog niet betekent dat zij op 31 juli 2013 op kantoor was om gegevens van [eiseres] in haar bezit te krijgen.

4.9

Aldus is met de thans voorliggende stukken onvoldoende gebleken dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie jegens [eiseres] dan wel in strijd heeft gehandeld met artikel 11 van de arbeidsovereenkomst. Daarvoor is nadere bewijslevering aan de kant van [eiseres] vereist, doch een procedure in kort geding leent zich daar niet voor. Er bestaat daarom onvoldoende grond om, vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure, de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.

4.10

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.11

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres] veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende bij wege van voorlopige voorziening,

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

635