Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5669

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
11/860346-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van een poging tot mensenhandel ten aanzien van haar achtjarige dochter, koppelarij en betrokkenheid bij kinderporno.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 273f, 240b, 250, geldigheid: 2011-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 11/860346-11

Datum uitspraak: 10 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres]

raadsman mr. J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 01 juli 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 900 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 565 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van het Leger des Heils, afdeling reclassering, conform de voorwaarden als vermeld in de reclasseringsrapportage.

GELDIGHEID DAGVAARDING

De verdediging heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1497) aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde nietig is, nu zonder feitelijke omschrijving van een afbeelding in de tenlastelegging de dagvaarding niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eis van opgave van het feit.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Naar vaste rechtspraak moet de begrijpelijkheid van een tenlastelegging worden bezien tegen de achtergrond van het dossier. In het arrest van 24 juni 2014 heeft de Hoge Raad zijn eerder gegeven oordeel herhaald:

“3.4.2 Aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ in de zin van art. 240b, eerste lid, Sr komt op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toe. Zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging voldoet de dagvaarding niet aan de in art. 261, eerste lid, Sv gestelde eis van opgave van het feit (vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3710, NJ 2004/684).”

In de dagvaarding is echter niet volstaan met de omschrijving “afbeelding van een seksuele gedraging”. Onder de aanhef “welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:” zijn immers zes omschrijvingen opgenomen van de afgebeelde seksuele gedragingen. De eerste vier beschrijvingen zijn terug te voeren op de zogenoemde collectiescan op pagina 502 van het einddossier. De vijfde beschrijving ziet onmiskenbaar op de naaktfoto’s van de dochter van de verdachte en de zesde omschrijving ziet op een van de foto’s die de verdachte zou hebben ontvangen van een derde. Het lijdt geen twijfel dat de verdachte wist dat deze foto’s bedoeld werden en dus wist waartegen zij zich diende te verweren.

Wat er op de foto’s te zien is, is voldoende feitelijk omschreven. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 juni 2014 ook niet geoordeeld dat de daar gebruikte beschrijvingen, die in dezelfde stijl zijn opgebouwd als de beschrijvingen in deze zaak, een nietige dagvaarding opleveren. Het arrest geeft slechts “enkele uitgangspunten” voor het ten laste leggen van grote hoeveelheden kinderporno.

De conclusie is dan ook, dat de afbeeldingen voldoende feitelijk zijn omschreven in de tenlastelegging en de dagvaarding derhalve voldoet aan de eis gesteld in artikel 261 Sv, betreffende de opgave van het feit.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij in de periode van 01 december 2010 tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk voordeel te trekken uit seksuele handelingen van haar dochter [slachtoffer] ([geboortedatum slachtoffer]), met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

- op internet advertenties heeft geplaatst en (vervolgens) via internet contacten heeft gelegd waarbij seksuele handelingen tegen betaling werden aangeboden en waarbij werd vermeld dat verdachte moeder is van een achtjarige dochter en

- ( via internet) heeft gecommuniceerd met volwassen mannen die interesse hadden getoond in seksueel contact met verdachte en/of haar dochter en

- naaktfotos van hun achtjarige dochter aan deze (volwassen) mannen heeft verstuurd en

- met deze volwassen mannen heeft gesproken over de prijs die betaald zou moeten worden om seks te mogen hebben met hun achtjarige dochter

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in de periode van 01 december 2010 tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, tezamen en in vereniging met één ander,

meermalen een afbeelding heeft verspreid, en

een afbeelding heeft vervaardigd, en

meermalen een afbeelding heeft verworven, en

meermalen een afbeelding in bezit heeft gehad,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een persoon

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een (ander)

persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken (met (een) vinger(s)/hand) van de geslachtsdelen

van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon

(met (een) vinger(s)/hand) door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18

jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het naakt (laten) poseren van een persoon (te weten hun dochter[slachtoffer]) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, waarbij door

het camerastandpunt en de pose nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in

beeld gebracht worden en waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar

seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het houden van een penis bij/naast het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt terwijl op dat lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is;

3.

zij op tijdstippen in de periode van 01 december 2010 tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, tezamen en in vereniging met een ander,

het plegen van ontucht, te weten het laten wassen van de rug van een volwassen man en het hebben van geslachtsgemeenschap met volwassen mannen door haar minderjarig kind ([slachtoffer], [geboortedatum slachtoffer]) met (een) derde(n) opzettelijk heeft bevorderd,

- door op internet advertenties te plaatsen en (vervolgens)

contacten te leggen waarbij verdachte en/of haar mededader, betaalde

seks aanbiedt/aanbieden en waarbij zij vermeldt/vermelden een achtjarige dochter te

hebben en

- door met volwassen mannen af te spreken en daarbij de

mogelijkheid open te laten dat die mannen (ook) seks zouden kunnen hebben

met hun achtjarige dochter en

- door met die volwassen mannen te spreken over de prijs die door die

mannen betaald zou moeten worden om seks te mogen hebben met hun achtjarige dochter.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Rechtmatigheid van de doorzoeking

De verdediging heeft aangevoerd dat de doorzoeking van de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest. De doorzoeking vond immers niet plaats door de rechter-commissaris, terwijl zijn optreden wel had kunnen worden afgewacht dan wel de situatie had kunnen worden bevroren in afwachting van zijn komst. De door de rechter-commissaris afgegeven machtiging wordt onvoldoende gedragen door de daarin opgenomen motivering.

De rechtbank passeert dit verweer.

De verdediging heeft erkend, en ook de rechtbank is van oordeel, dat er voldoende aanleiding was de woning van de verdachte te doorzoeken. Vast staat voorts dat de doorzoeking niet heeft plaatsgevonden dan nadat de autoriteit die bevoegd is tot het doorzoeken van een woning, of daartoe een machtiging af te geven, toestemming had verleend. De rechter-commissaris heeft immers voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging afgegeven, welke later op schrift is gesteld.

De verdediging heeft, ook na daartoe uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd, geen concreet belang gesteld waarin de verdachte is geschaad door de lijflijke afwezigheid van de rechter-commissaris, anders dan dat dit een vorm is die zou moeten worden nageleefd. Voor zover het tijdens de doorzoeking naar het politiebureau overbrengen van haar echtgenoot die zich tegen de doorzoeking verzette al zou kunnen worden gezien als een bijzonderheid die zich niet zou hebben voorgedaan wanneer de rechter-commissaris in persoon aanwezig was geweest, is dit een omstandigheid die niet de verdachte betreft. Andere bijzonderheden zijn gesteld noch gebleken. Aan het einde van de doorzoeking heeft de officier van justitie telefonisch toestemming verkregen van de rechter-commissaris voor inbeslagneming van de gevonden zaken.

Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank dat het in deze zaak in feite niets heeft uitgemaakt dat de rechter-commissaris niet bij de doorzoeking aanwezig was. Mogelijk verdient de afwezigheid van de rechter-commissaris niet de schoonheidsprijs de rechtbank laat dit in het midden , in elk geval is geen sprake van een zodanig vormverzuim dat het tot bewijsuitsluiting kan leiden, zodat nadere bespreking van het verweer achterwege kan blijven.

De verklaring van de verdachte, als getuige afgelegd

In zijn arrest van 12 maart 2014 heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat het horen van de verdachte als getuige, op 13 mei 2011, een onherstelbaar vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verhoor is onrechtmatig geweest, maar het gevolg daarvan moet niet zijn de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Het gerechtshof heeft de rechtbank opgedragen recht te doen met inachtneming van zijn oordeel.

De onrechtmatigheid van het verhoor van 13 mei 2011 is daarmee een vaststaand gegeven; aan de rechtbank is slechts de beoordeling van de vraag welk gevolg hieraan moet worden verbonden.

De raadsman heeft strafvermindering als gevolg bepleit, gelet op de ernst van het verzuim en de nadelige gevolgen die het voor de verdachte heeft gehad. Bovendien zou bewijsuitsluiting in feite tot niets leiden, gelet op de overeenkomstige verklaringen die de verdachte later heeft afgelegd, nadat zij wel rechtsbijstand had genoten en op haar zwijgrecht was gewezen.

De rechtbank verwerpt dit standpunt.

Nu het gerechtshof heeft geoordeeld dat geen sprake is van doelbewuste of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekortdoen aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak, is er in wezen geen verschil tussen deze zaak en menig andere in de jurisprudentie bekende zaak, waarin een verdachte niet is gewezen op zijn zwijgrecht of consultatiebijstand is onthouden. Het gevolg daarvan is naar vaste lijn van zowel de Hoge Raad als lagere rechters bewijsuitsluiting, ook als dat in feite geen verschil uitmaakt omdat er voldoende ander bewijs voorhanden is. Het standpunt dat er een voor de verdachte merkbaar verschil moet zijn, vindt geen steun in het recht. De vergelijking met het eerdere oordeel van deze rechtbank gaat bovendien niet op. Nu het gerechtshof heeft bepaald dat dat oordeel onjuist was, kan het niet als baken dienen voor de beslissing die thans voorligt.

De rechtbank zal dan ook overgaan tot bewijsuitsluiting. De verklaring van de verdachte van 13 mei 2011 zal niet voor het bewijs worden gebezigd. Voor strafmatiging op deze grond is geen plaats.

De bruikbaarheid van de overig door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de bruikbaarheid van de andere verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd, is niet specifiek genoeg om van de rechtbank een concrete reactie uit te lokken. Het had op de weg van de raadsman gelegen om nader aan te geven welke onderdelen van de verklaringen niet voor het bewijs gebezigd mogen worden.

Poging (feit 1)

Met betrekking tot het tenlastegelegde onder feit 1 (poging tot mensenhandel) heeft de verdediging betoogd dat vrijspraak moet volgen, omdat geen sprake is van een strafbare poging. De verdediging heeft daartoe betoogd dat uit de tekst van de advertentie niet de criminele intentie van verdachte kan worden afgeleid, omdat zij daarin slechts zichzelf voor seksuele handelingen tegen betaling aanbiedt en voorts de inhoud van het daaropvolgende e‑mailverkeer en/of MSN gesprekken niet expliciet gericht was op het maken van een concrete seksafspraak met [slachtoffer].

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en haar echtgenoot onder de rubriek ‘erotiek’ advertenties op internet hebben geplaatst, omdat zij geldgebrek hadden. In deze advertenties stond onder meer vermeld dat zij iemand zochten die hen geld zou kunnen lenen, waarbij de terugbetaling eventueel in natura zou plaatsvinden.

Via het internet is de verdachte in contact gekomen met [Naam A] die aangaf wel te willen helpen met een lening en liet weten dat hij op kleine meisjes viel. Verdachte en haar echtgenoot hebben [Naam A] vervolgens bericht dat zij een dochter hadden. Het zou volgens de verdachte misschien wel tot een date met haar, haar dochter en [Naam A] zijn gekomen als hij daar geld voor zou over hebben. De verdachte heeft verklaard dat zij en haar echtgenoot hun dochter zijn gaan “inzetten” toen zij hoorden dat sommige mensen daar “best veel” geld voor wilden betalen.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat verdachte via het internet in contact is gekomen met [Naam B], die hen ook wilde helpen met hun financiële problemen, indien hij contact mocht hebben met hun dochter. De verdachte en haar echtgenoot hebben naaktfoto’s van hun dochter aan [Naam B] gestuurd. Volgens verdachte wilde zij dat [Naam B] haar dochter zou ontmoeten, omdat hij iets met haar wilde doen op porno gebied, hetgeen - voor zover de verdachte wist - “alles, vaginaal en oraal” inhield.

De verdachte en haar echtgenoot hebben - naast bovengenoemde [Naam B] en [Naam A] – met nog vijf mannen contact gehad omtrent seksuele contacten met hun dochter waarbij prijsvoorstellen werden gedaan met betrekking tot de te verrichten handelingen. Aan één van hen zijn ook naaktfoto’s van [slachtoffer] gestuurd.

De laatste contacten met [Naam B] hebben plaatsgevonden op 6 mei 2011 waarbij [Naam B] een voorstel heeft gedaan tot betaling van een bedrag van 15.000 euro en een VW Golf en verdachte een aantal uren daarna heeft geïnformeerd of [Naam B] nog van plan was om langs te komen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de handelingen zoals die ten laste zijn gelegd en bewezen worden verklaard, bezien in de context zoals die blijkt uit de verklaringen van verdachte en haar echtgenoot, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op voltooiing van het misdrijf dat sprake is van een strafbare poging.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Ontbreken van opzet; alternatief scenario (feiten 1 en 3)

De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten de verdachte nooit het opzet heeft gehad om haar dochter daadwerkelijk bij seksuele activiteiten te betrekken. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat het doel was om de mannen die seks wilden met haar dochter in de val te laten lopen en hen uit te leveren aan de politie.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat, uit de feiten het opzet van de verdachte kan worden afgeleid. De alternatieve lezing die verdachte daar tegenover stelt, is volstrekt ongeloofwaardig.

Tijdens haar uitgebreide verhoren bij de politie heeft de verdachte nooit verklaard dat zij tot doel had anderen in de val te laten lopen. Zij heeft telkens verklaard dat zij en haar echtgenoot in geldnood verkeerden en dat dat het motief was voor hun handelen. Behalve door de verklaringen van haar echtgenoot wordt de alternatieve lezing van de verdachte op geen enkele wijze ondersteund door ander bewijs. Deze verklaring strookt bovendien niet met het feit dat de verdachte en haar echtgenoot gedurende vijfenhalve maand zijn doorgegaan met het onderhouden van contacten met diverse mannen over de mogelijkheid om tegen betaling seks te hebben met hun dochter, het verspreiden van naaktfoto’s van hun dochter en het verkopen van gebruikte slipjes van hun dochter. Niet gebleken is dat de verdachte of haar echtgenoot gedurende deze periode op enige wijze actie heeft ondernomen om de mannen in de val te laten lopen, noch dat zij hier op enigerlei wijze melding van heeft gemaakt (bij de politie of andere instanties). Dit is zelfs niet gebeurd nadat haar zwager “erg tegen haar tekeer was gegaan”, omdat hij dacht dat zij en haar echtgenoot hun dochter wilden gebruiken voor een lening en evenmin nadat ze van een van de mannen kinderpornografische afbeeldingen had ontvangen.

Vrijwillige terugtred (feit 1)

Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging betoogd dat de tenlastegelegde poging niet bewezen kan worden, omdat verdachte vrijwillig is teruggetreden.

In artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat sprake is van vrijwillig terugtreden indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is de rechtbank gebleken dat het tenlastegelegde niet is voltooid, niet doordat verdachte en haar echtgenoot zijn teruggetreden, maar doordat verschillende mannen die via internet hadden gereageerd, op een bepaald moment zijn afgehaakt en niets meer van zich hebben laten horen.

Uit de omstandigheid dat verdachte en haar echtgenote de chat- en emailcontacten met de desbetreffende mannen (die afhaakten) dus ook hebben gestaakt volgt anders dan door de verdediging betoogd niet dat verdachte en haar echtgenoot vrijwillig zijn teruggetreden. Zij reageerden immers vervolgens weer op andere mannen die interesse toonden naar aanleiding van de door hen geplaatste advertenties. De rechtbank wijst bovendien op het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:232), waarin het oordeel van het gerechtshof dat geen sprake was van vrijwillige terugtred, omdat het beoogd slachtoffer niet op kwam dagen, standhield.

Met betrekking tot [Naam B] geldt ten slotte dat, gelet op de relatief korte tijd tussen het laatste bekende bericht aan [Naam B] (verzonden 6 mei 2011, 9.26 uur) en de aanhouding van de verdachte, moeilijk kan worden gesproken van een staking van het contact en daarmee vrijwillige beëindiging van de poging.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Omvang van de bewezenverklaring (feit 2)

De raadsman heeft betoogd dat de foto’s die van [slachtoffer] zijn genomen, niet kinderpornografisch van aard zijn.

Onder feit 2, vijfde feitelijke omschrijving, zijn afbeeldingen ten laste gelegd “waarbij door het camerastandpunt en/of de pose nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld worden gebracht (en) waarbij de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling”. De rechtbank heeft ter terechtzitting twee afbeeldingen, die zijn beschreven in het dossier, bekeken. Dit betrof afbeeldingen van [slachtoffer], gemaakt terwijl zij naakt in en voor de douchecabine stond. Op deze foto’s is het camerastandpunt niet zodanig dat de geslachtsdelen nadrukkelijk in beeld worden gebracht, noch is een dergelijke pose aangenomen. Derhalve vallen deze foto’s niet binnen de omschrijving van de tenlastelegging.

Een derde foto, weliswaar niet op de terechtzitting getoond, maar wel omschreven in het proces-verbaal, toont [slachtoffer] in de badkamer, voorovergebogen, terwijl haar billen en vagina duidelijk in beeld worden gebracht. Deze foto valt wel binnen de omschrijving van de tenlastelegging en is, zoals blijkt uit de omschrijving, kinderpornografisch van aard.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

en 3.,

eendaadse samenloop van:

poging tot mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind met een derde opzettelijk bevorderen, meermalen gepleegd

2

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd

en

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind

en

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met haar echtgenoot meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot mensenhandel. Er werden advertenties geplaatst waarin de verdachte zich aanbood voor betaalde seks. In daarop volgende contacten bood de verdachte ook haar zeven-/achtjarige dochtertje diverse malen aan. Er werden contacten onderhouden met geïnteresseerden, waarbij naaktfoto’s van [slachtoffer] werden verzonden, en met hen werd gesproken/onderhandeld over de prijs van de seksuele contacten.

De verdachte heeft hiermee bijzonder ernstige, schokkende en verwerpelijke misdrijven gepleegd. De ophef en de verontwaardiging die in de samenleving zijn ontstaan toen deze zaak aan het licht kwam zijn daarvan een duidelijke illustratie en spreken wat dat betreft voor zich. Ook nu, inmiddels drie jaar nadat de verdachte is aangehouden, is er nog steeds belangstelling voor de zaak.

Daarnaast hebben de verdachte en haar echtgenoot een aantal kinderpornografische foto’s verspreid, vervaardigd, verworven en in bezit gehad. Weliswaar heeft de verdachte niet grootschalig kinderporno verzameld, zij heeft wel zelf kinderporno vervaardigd en nog wel van haar dochter. Doordat zij die foto aan anderen heeft gestuurd, is zij de controle over de verspreiding ervan verloren en moet er rekening mee worden gehouden dat deze inmiddels verder verspreid is.

Kinderporno is bijzonder schadelijk voor de betrokken kinderen, omdat zij voor de vervaardiging ervan veelal seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno (verder) verspreiden. De rechtbank acht deze feiten verwerpelijk en rekent deze de verdachte zwaar aan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 juni 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van het Leger des Heils, afdeling reclassering van 21 februari 2014 alsmede hetgeen ter terechtzitting door de verdachte en haar raadsman in toelichting en aanvulling op het rapport naar voren is gebracht.

De verdachte woont thans weer samen met haar echtgenoot, die inmiddels zijn straf heeft uitgezeten, in een door de woningstichting en het Leger des Heils aangeboden woning. De verdachte wordt intensief begeleid door een ambulant begeleider van het Leger des Heils, welke begeleiding door haar wordt geaccepteerd. De verdachte verricht twee dagen per week vrijwilligerswerk, heeft daarmee nieuwe contacten opgedaan en een hulpnetwerk om zich heen gecreëerd. Eens in de twee weken is er belcontact met dochter [slachtoffer] (die in een pleeggezin verblijft) en eens per twee weken een begeleid contact. Onder begeleiding van het Leger des Heils heeft de verdachte haar financiële situatie aangepakt hetgeen ertoe heeft geleid dat de verdachte en haar echtgenoot sedert februari 2014 onder bewind staan en een traject richting de schuldhulpverlening zijn ingeslagen. De reclassering schat het recidiverisico in als laag/gemiddeld, waarbij wordt opgemerkt dat de verdachte het belang van haar kind in het oog houdt. Een en ander zou wel worden beïnvloed door de beperkte cognitieve vaardigheden en de (eventuele) terugkeer van [slachtoffer] in de thuissituatie.

De rechtbank heeft de echtgenoot van de verdachte destijds veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De samenwerking tussen de verdachte en haar echtgenoot was gelijkwaardig; zij hebben beiden een even groot aandeel gehad in de feiten. Waren beide verdachten gelijktijdig bestraft, dan hadden beiden dezelfde straf gekregen. Het uitgangspunt van de rechtbank is dan ook de straf die destijds aan de echtgenoot van de verdachte is opgelegd.

Echter, twee jaar geleden heeft deze zaak een andere wending genomen dan de zaak van verdachtes echtgenoot. De rechtbank moet bij de bestraffing dan ook rekening houden met de huidige situatie van de verdachte en hetgeen zich in de afgelopen jaren heeft afgespeeld. De verdachte heeft haar leven na haar vrijlating weer opgepakt en de positieve ontwikkelingen zouden worden doorkruist wanneer een straf wordt opgelegd die de eerder ondergane voorlopige hechtenis overstijgt.

[slachtoffer]’s leven heeft ook niet stil gestaan. Zij heeft inmiddels al in verschillende pleeggezinnen verbleven. [slachtoffer] is nu al een paar jaar ongeveer een kwart van haar leven verstoken van haar ouders. [slachtoffer] mag slechts beperkt contact met haar ouders hebben, terwijl zij wel weer bij hen wil wonen. Er vindt, buiten de kaders van deze strafzaak, ook onderzoek plaats naar die mogelijkheid. Als haar moeder opnieuw de gevangenis in moet, is dat ook een verdere verstoring van [slachtoffer]’s leven. En hoewel de daden van haar ouders verwerpelijk zijn en er een groot gevaar is ontstaan, moet toch ook worden opgemerkt dat het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt. Immers, het is niet gekomen tot ontmoetingen of seks tussen [slachtoffer] en op haar beluste mannen.

Ten slotte is het tijdsverloop sinds het voorjaar van 2012, toen de verdachte in vrijheid werd gesteld, niet aan haar te wijten.

Het is tegen de achtergrond van deze omstandigheden, dat de rechtbank de eis van de officier van justitie zal overnemen. De verdachte wordt tot dezelfde dertig maanden gevangenisstraf veroordeeld als destijds haar echtgenoot, maar het onvoorwaardelijk deel daarvan wordt beperkt tot de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel worden de voorwaarden verbonden zoals in het reclasseringsrapport geadviseerd. De proeftijd wordt op twee jaar bepaald; dezelfde proeftijd die aan verdachtes echtgenoot is opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 57, 240b, 248, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 565 (vijfhonderdvijfenzestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op twee jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft; zij zal zich na uitnodiging daartoe melden bij het Leger des Heils, afdeling reclassering, en zal zich nadien blijven melden bij die reclasseringsinstelling zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie: GI-LdH Covaplus (IQ 70-90), en deze met succes afronden, zulks ter beoordeling van de reclasseringsinstelling;

- de veroordeelde zal meewerken aan budgetbeheer/ schuldsanering en/of beschermingsbewind, zolang de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht, zodat geen onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel gevangenisstraf resteert.



Dit vonnis is gewezen door:

mr.drs. J. van den Bos, voorzitter,

mr. M.A.J.M. Jansen en mr.drs. D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juli 2014.

Bijlage I bij vonnis van: 10 juli 2014

TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij en/of haar mededader(s) in of omstreeks de periode van 01 december 2010

tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

opzettelijk voordeel te trekken uit één of meer seksuele handeling(en) van

haar dochter [slachtoffer] [geboortedatum slachtoffer], met of voor een

derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

- op internet (een) advertentie(s) heeft/hebben geplaatst en/of (vervolgens)

via internet contacten heeft/hebben gelegd waarbij seksuele handelingen

tegen betaling werden aangeboden en waarbij werd vermeld dat verdachte

moeder is van een achtjarige dochter en/of

- ( via internet) heeft/hebben gecommuniceerd met (een) volwassen man(nen) die

interesse had(den) getoond in seksueel contact met verdachte en/of haar

dochter en/of

- ( een) naaktfoto(s) van haar/hun achtjarige dochter aan deze (volwassen)

man(nen) heeft/hebben verstuurd en/of

- met deze (volwassen) man(nen) heeft/hebben gesproken over de prijs die

betaald zou moeten worden om seks te mogen hebben met haar/hun achtjarige

dochter

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 13 mei 2011

te Hardinxveld-Giessendam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

één of meermalen (telkens) (een) afbeelding(en), te weten 12 (twaalf)

althans één of meer foto's en/of (een) gegevensdrager(s) te weten één of meer

computers bevattende afbeeldingen

heeft verspreid en/of aangeboden en/of vervaardigd en/of verworven en/of in

bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of

met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een persoon

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een (ander)

persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken (met (een) vinger(s)/hand) van de geslachtsdelen

van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon

(met (een) vinger(s)/hand) door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18

jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) (te

weten haar/hun dochter[slachtoffer]) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij door

het camerastandpunt en/of de pose nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in

beeld gebracht worden (en) waarbij de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar

seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het lichaam van (een)

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt terwijl op dat lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is;

3.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 2010 tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, in elk

geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

het plegen van ontucht, te weten het laten wassen van de rug van een of

meerdere volwassen man(nen) en/of het hebben van geslachtsgemeenschap met een

of meerdere volwassen man(nen) door haar minderjarig kind ([slachtoffer], [geboortedatum slachtoffer]) met (een) derde(n) opzettelijk heeft teweeggebracht

en/of bevorderd,

- door op internet (een) advertentie(s) te plaatsen en/of (vervolgens)

contacten te leggen waarbij verdachte en/of haar mededader(s), betaalde

seks aanbiedt/aanbieden en waarbij zij vermeld(en) een achtjarige dochter te

hebben en/of (vervolgens)

- door met (een) volwassen man(nen) af te spreken en/of daarbij de

mogelijkheid open te laten dat die mannen (ook) seks zouden kunnen hebben

met haar/hun achtjarige dochter en/of

- door met die volwassen man(nen) te spreken over de prijs die door die

man(nen) betaald zou moeten om seks te mogen hebben met haar/hun achtjarige dochter.