Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5517

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
11/993008-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Tipai. Witwassen van meer dan € 1.300.000,- door een rechtspersoon. Nadere bewijsoverweging met verwijzing naar HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 11/993008-11

Datum uitspraak: 9 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[verdachte 1],

gevestigd aan de [vestigingsplaats 1],

raadslieden [naam advocaat 1], advocaat te [adres advocaat 1], en mr. [naam advocaat 2], advocaat te [adres advocaat 2].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart, 13 maart en 9 april 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon (hierna ook genoemd [verdachte 1]) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. [officier van justitie 1] en[officier van justitie 2] hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot betaling van een geldboete van
€ 100.000,-.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte rechtspersoon het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Ten aanzien van het zo genoemdeVidgen-verweer” overweegt de rechtbank als volgt.

De verdediging heeft aangevoerd dat zij de personen[getuige 3],[getuige 2], [getuige 1] en de medeverdachte[verdachte 2] niet heeft kunnen bevragen.[getuige 3] was onvindbaar en[getuige 2],[verdachte 2] en [getuige 1] hebben zich bij het verhoor door de rechter-commissaris op hun verschoningsrecht beroepen. Omdat de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen en ander zwaarwegend bewijs voor het ten laste gelegde witwassen en valsheid in geschrift ontbreekt, dienen de verklaringen die eerder bij de politie door de voornoemde personen zijn afgelegd van het bewijs te worden uitgesloten, zo betoogt de verdediging.

Dit verweer wordt verworpen. Er is geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de zaak “Vidgen” waarin de verklaringen van getuigen worden gebruikt als ‘sole and decisive’ bewijs.

Zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, berust de bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen weliswaar mede, maar niet hoofdzakelijk of uitsluitend op de verklaringen van [getuige 1] en[getuige 2].

Ten aanzien van de verklaringen die[verdachte 2] heeft afgelegd geldt dat deze niet belastend zijn voor de verdachte en niet als bewijs worden gebezigd, terwijl[getuige 3] in het geheel geen verklaring heeft afgelegd. Reeds hierom kan het verweer niet slagen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen

Aan de verdachte rechtspersoon is - kort weergegeven - ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 november 2011, samen met een ander of anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geld tot een bedrag van € 1.356.840,00

Ten aanzien van dit verwijt is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende komen vast te staan.

Medeverdachte [verdachte 3]handelt onder meer in oliën en vetten. In dat kader kocht zij restladingen (slobs) op die al dan niet na bewerking en het laten aflopen van water, werden doorverkocht aan [rechtspersoon 1]. Blijkens de administratie van [verdachte 3]is in de tenlastegelegde periode totaal 9.752.072 kg product ingekocht. Hiervan is, volgens in de administratie aangetroffen begeleidingsbrieven, ongeveer 349.450 kg product geleverd door diverse schippers. De resterende 9.402.622 kg product is, volgens de in de administratie aanwezige facturen, afkomstig van de bedrijven [derdebedrijf 4], [derdebedrijf 3], [derdebedrijf 2] en [derdebedrijf 1] (hierna gezamenlijk te noemen: de derde bedrijven). Er is 9.636.978 kg product verkocht aan [rechtspersoon 1], waarvoor [verdachte 3]een bedrag heeft ontvangen van
€ 7.499.695,46 inclusief BTW. Van dit bedrag is € 3.543.331,24 rechtstreeks doorbetaald aan de derde bedrijven.

Gebleken is echter dat binnen de derde bedrijven geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden; door hen is geen product aan [verdachte 3]geleverd, en de onderliggende facturen op basis waarvan de betalingen zijn verricht, zijn vals. Deze valse facturen werden opgemaakt in opdracht van (een medewerker van) [verdachte 3]

Nu de levering van het op de valse facturen van de derde bedrijven vermelde vet niet heeft plaatsgevonden, kan evenmin doorlevering van dat vet aan [rechtspersoon 1] hebben plaatsgevonden. Wat er dan wel aan [rechtspersoon 1] is geleverd – naast het vet afkomstig van het door genoemde schippers geleverde product – en waar dit vandaan kwam is niet komen vast te staan. De enkele verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon ter zitting dat er vet is geleverd dat aan [rechtspersoon 1] is doorgeleverd, brengt de rechtbank, zonder nadere onderbouwing van die verklaring, niet tot een ander oordeel.

Op grond van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte 3]is betrokken bij illegale handelsactiviteiten, waarvan de aard en omvang zorgvuldig uit het zicht zijn gehouden. Evenmin is een volledig beeld verkregen van de inkomsten die [verdachte 3]uit deze illegale activiteiten heeft gegenereerd. Gelet echter op het feit dat, blijkens de analyse van de administratie van [verdachte 3], bijna de helft van haar inkomsten rechtstreeks werd doorbetaald aan de derde bedrijven, zonder dat daar een vetlevering tegenover stond, kan worden gesteld dat in ieder geval dat deel van het vermogen is voortgekomen uit misdrijf.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, kan in deze situatie het volledig vermogen van [verdachte 3]worden aangemerkt als “besmet” vermogen, en daarmee als vermogen dat geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – uit misdrijf afkomstig is, terwijl alle daaruit verrichtte betalingen zijn aan te merken als witwashandelingen. Blijkens de analyse van de bankrekening van [verdachte 3]met rekeningnummer 3153.84.905, over de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2011, is door [verdachte 3]aan de verdachte rechtspersoon een bedrag van totaal € 1.356.840,00 betaald. Haar enig bestuurder, medeverdachte [verdachte 4], tevens bestuurder en opdrachtgever van [verdachte 3], was in die hoedanigheid volledig op de hoogte van de (gedeeltelijke) criminele herkomst van dit geld. Gelet hierop kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte rechtspersoon, door de betaling van het bedrag van € 1.356.840,00 aan haar door [verdachte 3]te accepteren, zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van dit bedrag.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 november 2011 (telkens) te Dordrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van ongeveer Euro 1.356.840.-, (telkens) die voorwerpen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen ,

terwijl zij, verdachte, en haar mededaders (telkens) wisten dat bovenomschreven geldbedragen (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

hebbende zij, verdachte, en haar mededaders van het plegen van witwassen

een gewoonte gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte rechtspersoon moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluit.

De verdachte rechtspersoon is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte rechtspersoon wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De medeverdachte [verdachte 4] is bestuurder en enig aandeelhouder van de verdachte rechtspersoon en een andere medeverdachte, [verdachte 3]De verdachte rechtspersoon heeft samen met medeverdachte [verdachte 3]en medeverdachte [verdachte 4], in een periode van bijna 2 jaar een gewoonte gemaakt van het witwassen van uit misdrijf afkomstige geldbedragen. Een groot deel van de inkomsten van [verdachte 3]was afkomstig uit illegale handel, waarvan een bedrag van € 1.356.840,00 is doorbetaald aan de verdachte rechtspersoon. Van dit bedrag is weer € 450.000,-- als dividend uitgekeerd aan medeverdachte [verdachte 4].

Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit aan van het financiële en economische verkeer. De verdachte rechtspersoon heeft een fors deel van het door [verdachte 3]uit misdrijf verkregen geld witgewassen.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het op zijn plaats om een geldboete aan de verdachte rechtspersoon opleggen.

Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete is in het voordeel van de verdachte rechtspersoon in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 december 2013 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de bedrijfsomvang van de verdachte rechtspersoon en het nauwe (juridisch en financieel) verband dat bestaat tussen haar en de medeverdachten [verdachte 4], [verdachte 3] en [verdachte 5]. Medeverdachte [verdachte 4] is naast directeur ook (middellijk) enig aandeelhouder van de verdachte rechtspersoon en de twee hiervoor genoemde rechtspersonen. De aan de (mede)verdachte rechtspersonen op te leggen straffen in het kader van de onderhavige strafzaak zullen hem dan ook in hoge mate raken. Voor een evenwichtige straftoemeting in de onderhavige zaak is het derhalve noodzakelijk tevens acht te slaan op de aan de genoemde medeverdachten op te leggen straffen.

Tevens is acht geslagen op de aan de verdachte rechtspersoon en medeverdachte [verdachte 3]aangekondigde ontnemingsvordering. Gelet op het feit dat de inkomsten van de verdachte rechtspersoon volledig voortkomen uit doorbetalingen vanuit [verdachte 3], zullen financiële sancties ten aanzien van medeverdachte [verdachte 3] rechtstreeks doorwerken op de verdachte rechtspersoon.

Gelet op het vorenstaande zal de geldboete geheel voorwaardelijk worden opgelegd, als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat de verdachte rechtspersoon zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig zal maken.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen facturen, zoals vermeld op de beslaglijst van 11 maart 2014, verbeurd te verklaren.

De voorwerpen behoren aan de verdachte rechtspersoon toe. Het bewezen verklaarde feit is met betrekking tot de voorwerpen genoemd onder punt 4 (facturen van [derdebedrijf 4]), 5 (facturen van [derdebedrijf 3]), 6 (facturen van [derdebedrijf 1]) en 7 (facturen van [derdebedrijf 2]) begaan. Daarom zullen deze voorwerpen verbeurd worden verklaard.

Niet gebleken is dat de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen iets te maken hebben met het bewezen verklaarde feit. Daarom zal ten aanzien van die voorwerpen een last tot teruggave aan de verdachte rechtspersoon worden bevolen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 33, 33a, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 100.000, (honderdduizend euro);

bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde feit:
-facturen van [derdebedrijf 4];
-facturen van [derdebedrijf 3];
-facturen van [derdebedrijf 1];

-facturen van [derdebedrijf 2];

- gelast de teruggave aan verdachte van:

-facturen van [rechtspersoon 2];
-facturen van [rechtspersoon 3];
-facturen van [rechtspersoon 4];
-facturen van [rechtspersoon 5];

-alle begeleidingsbrieven.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. P. Volker en A.J.M. van Breevoort, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2014.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 9 april 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

op een of meerdere tiidstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 november 2011

(telkens) te Dordrecht en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) van een of meer voorwerp(en),

te weten een of meer (gira(a)l(e) en/of contant(e)) geldbedrag(en) tot een totaal van ongeveer Euro 1.356.840.-,

althans (telkens) een of meer geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

(telkens) die/dat voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en)

dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van witwassen

een gewoonte gemaakt.

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 42ftis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht