Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5445

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
AWB-13_04175
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2657, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslag. Kinderen stonden volgens de gba niet ingeschreven op het adres van eiser. Ouderschapsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 13/4175

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2011 heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2012 vastgesteld op € 16.308,-.

Bij besluit van 29 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2012 herzien naar € 0,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 januari 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Het onderzoek is na deze zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om op elkaars schriftelijke stukken te reageren.

Eiser heeft bij faxbericht van 5 mei 2014 aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft op 8 mei 2014 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij faxbericht van 14 mei 2014 aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 26 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn de zus van eiser en [kantoorgenoot van de gemachtigde] verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft op 19 juli 2007 kinderopvangtoeslag aangevraagd.

1.2.

Bij beschikking van 29 december 2011 is aan eiser een bedrag van € 16.308,- aan voorschot kinderopvangtoeslag ten behoeve van het berekeningsjaar 2012 toegekend.

1.3.

Op 3 november 2012 heeft verweerder aan eiser verzocht om de volgende stukken te overleggen: opvangcontract(en) met de kinderopvanginstelling voor het jaar 2012 voor uw kind(eren), ondertekend door u en de kinderopvanginstelling, een factuur kinderopvang voor de periode augustus 2012 tot en met december 2012 voor uw kind(eren), een echtscheidingsconvenant en een schriftelijke overeenkomst tussen beide ouders waaruit een omgangsregeling voor co-ouderschap blijkt.

1.4.

Bij beschikking van 29 december 2012 (het primaire besluit) is het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 gewijzigd en bepaald op € 0,-.

1.5.

Eiser heeft op 30 januari 2013 bezwaar gemaakt. Op 2 mei 2013 heeft eiser zijn gronden van bezwaar aangevuld.

1.6.

Bij beschikking van 20 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarbij verweerder als reden heeft aangegeven dat eiser geen bewijsstukken heeft ingeleverd ondanks dat verweerder hiertoe op 27 maart 2013 een telefonisch verzoek heeft ingediend bij de (toenmalige) gemachtigde [gemachtigde] .

1.7.

Op 30 juni 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 5 augustus 2013 heeft eiser de beroepsgronden ingediend. Eiser heeft een contract ‘Buitenschoolse opvang verlengd’, maandfacturen van de maanden januari, februari, april en juni 2012, twee uittreksels uit het gezagsregister, een concept van het ouderschapsplan en de jaaropgave van de kinderopvanginstelling meegezonden met zijn beroepsgronden.

1.8.

Verweerder heeft op 9 december 2013 een verweerschrift ingediend.

1.9.

Op 14 januari en 16 januari 2014 heeft eiser aanvullende stukken ingediend, waaronder een uittreksel van het overzicht van geboekte ouderbijdragen uit de administratie van [de kinderopvanginstelling] en het contract ‘Buitenschoolse Opvang verlengd’.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft op 22 januari 2014 plaatsgevonden. Na deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek in deze procedure geschorst.

1.11.

Op 16 mei 2014 heeft eiser dezelfde stukken ingediend als op 16 januari 2014.

1.12.

Op 6 mei 2014 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend met daarbij uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba).

1.13.

Op 14 mei 2014 heeft eiser aanvullende stukken ingediend, waaronder (wederom) een uittreksel uit het verkoopboek van [de kinderopvanginstelling] en een ouderschapsplan.

2.

De standpunten van partijen zijn als volgt.

2.1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen bewijsstukken heeft ingeleverd ondanks het verzoek dat hij op 27 maart 2013 telefonisch heeft gedaan bij de (toenmalige) gemachtigde van eiser, zodat het bezwaar kennelijk (overduidelijk) ongegrond is.

Ter zitting en in het (aanvullend) verweerschrift heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat hij eiser ook eerder om bewijsstukken heeft verzocht, te weten op 3 november 2012, zodat het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard toen verweerder concludeerde dat deze bewijsstukken niet toereikend waren. Ten aanzien van het recht op kinderopvangtoeslag stelt verweerder zich op het standpunt dat het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 terecht is herzien naar € 0,-. Verweerder heeft geconstateerd dat de kinderen van eiser in 2012 niet (meer) op hetzelfde adres als eiser in de gba ingeschreven stonden, maar waren ingeschreven op het adres van de moeder. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kinderen van eiser hierdoor in 2012 geen kinderen waren in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Awir. De uitzonderingsbepaling van artikel 4, tweede lid, van de Awir vindt ook geen toepassing nu eiser (weliswaar in de beroepsfase) een ouderschapsplan heeft overgelegd dat pas is ondertekend op 1 januari 2014. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiermee niet kan worden vastgesteld dat de situatie zoals omschreven in het ouderschapsplan zich reeds in het berekeningsjaar 2012 voordeed. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiser overgelegde schriftelijke overeenkomst met [de kinderopvanginstelling] niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 11 van de Regeling nu de dagtekening op de overeenkomst ontbreekt en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt in de zin van het voldoen van een eigen bijdrage in deze kosten.

2.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet heeft voldaan aan artikel 18, derde lid, van de Awir nu hij hem niet heeft aangemaand onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens te verstrekken toen een reactie van de kant van eiser op het verzoek van 3 november 2012 uitbleef. Eiser geeft aan dat hij op 2 mei 2013 een brief met bewijsstukken naar verweerder heeft verzonden, zodat de motivering in het bestreden besluit dat eiser geen bewijsstukken zou hebben ingeleverd kennelijk onjuist is, waardoor er een motiveringsgebrek bestaat. Tevens stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet van het horen in bezwaar had mogen af zien. Er was immers geen sprake van een kennelijke ongegrondheid van het bezwaarschrift van eiser. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het ouderschapsplan inmiddels is getekend door beide ouders zodat wordt voldaan aan artikel 4, tweede lid, van de Awir. Hetgeen verweerder zegt over het ontbreken van de dagtekening in de schriftelijke overeenkomst, is volgens eiser onjuist nu op het formulier vermeld staat wanneer de schriftelijke overeenkomst is opgemaakt. Daarnaast moge het zo zijn dat eiser de schriftelijke overeenkomst niet heeft ondertekend, het document is wel ondertekend door één van de ouders van de kinderen. Ten aanzien van de betaling van de eigen bijdrage stelt eiser zich op het standpunt dat niet hij, maar zijn ex-partner deze heeft voldaan aan [de kinderopvanginstelling] . Dit blijkt volgens eiser uit het uittreksel van het overzicht van geboekte ouderbijdragen uit de administratie van [de kinderopvanginstelling] , dat in verband met het faillissement van de kinderopvanginstelling is opgemaakt. Eiser stelt zich op het standpunt dat de eigen bijdrage is betaald door één van de ouders en is ontvangen door [de kinderopvanginstelling] . Eiser stelt zich op het standpunt dat aan alle voorwaarden voor het recht op kinderopvangtoeslag is voldaan zodat zijn beroep gegrond verklaard dient te worden.

3.1.

Op grond van artikel 1.1., eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), zoals deze wet gold in het onderhavige berekeningsjaar, is kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), in de kosten van kinderopvang.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Awir is het kind de bloedverwant of aanverwant in neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.

Op grond van het tweede lid geldt de in het eerste lid opgenomen voorwaarde van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet gedurende de periode waarin de aldaar bedoelde persoon tegelijkertijd tot de huishoudens van beide ouders behoort en hij op hetzelfde woonadres als een van die ouders staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing van de eerste volzin behoort iemand tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Op grond van het tweede worden de gegevens en inlichtingen verstrekt binnen een door de Belastingdienst/Toeslagen te stellen termijn.

Op grond van het derde lid maant de Belastingdienst/Toeslagen, indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt door de persoon aan wie is gevraagd, hem aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft gesteld dat verweerder heeft verzuimd om hem, op grond van artikel 18, tweede lid, van de Awir, een nadere termijn te geven om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken nadat eiser niet had gereageerd op het hiertoe dienende verzoek van verweerder van 3 november 2012.

Voorts is het de rechtbank gebleken dat eiser op 2 mei 2013 bewijsstukken heeft overgelegd. Dit maakt de motivering in het bestreden besluit onjuist, te meer omdat verweerder heeft afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase. Daarom komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Omdat in beroep een nadere motivering is gegeven, zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Zij overweegt daartoe het volgende.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat uit de gba volgt dat beide kinderen van eiser per 1 juli 2011 staan ingeschreven op het adres van de moeder, zodat niet wordt voldaan aan artikel 4, eerste lid, van de Awir. Dat de kinderen sindsdien op het adres van de moeder staan ingeschreven, is door eiser niet betwist.

4.3.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in de beroepsfase een getekend ouderschapsplan heeft overgelegd waaruit blijkt dat de kinderen om de tien dagen bij de moeder en bij eiser verblijven. Daarbij voert hij aan dat de uitzondering volgend uit artikel 4, tweede lid, van de Awir op hem van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat het ouderschapsplan door zowel eiser als de moeder is ondertekend op 1 januari 2014. De rechtbank is van oordeel dat hiermee niet is komen vast te staan dat de situatie zoals omschreven in het ouderschapsplan zich reeds in het berekeningsjaar 2012 voordeed. Nu eiser ook niet op een andere manier heeft aangetoond dat er in het berekeningsjaar 2012 sprake was van co-ouderschap, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012.

4.4.

Voorts overweegt de rechtbank ten overvloede dat de schriftelijke overeenkomst met [de kinderopvanginstelling] niet is ondertekend door eiser maar door de moeder van de kinderen, en dat is gebleken dat de moeder van de kinderen en niet eiser een eigen bijdrage heeft voldaan. Nu eiser de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, is hij degene die aan de wettelijk gestelde voorwaarden dient te voldoen, hetgeen dus niet het geval is.

5.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. Omdat in beroep alsnog een toereikende motivering is gegeven, zal de rechtbank echter bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, gelet op het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand blijven.

6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A.M. Cooijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Goedhart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.