Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5366

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
10/811025-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

moord wettig en overtuigend bewezen, volledig toerekeningsvatbaar, meerdere deskundigen benoemd

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht, geldigheid: 2014-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811025-13

Datum uitspraak: 3 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwersluis,

raadsvrouw H. Yilmaz-Altindag, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2013 en 12 juni 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Vreugdenhil heeft ter zitting van 12 juni 2014 gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij

op of omstreeks 01 februari 2013 te Vlaardingen opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Dissociatieve stoornis en vijfde deskundige

Voor de terechtzitting van 27 november 2013 zijn door twee ambulante deskundigen rapporten opgemaakt. Deze rapporten zijn besproken met de deskundigen ter terechtzitting van 27 november 2013. Echter bij de beraadslaging in raadkamer bleken bij de rechtbank nog vragen te rijzen ten aanzien van de conclusie, dat de verdachte in een dusdanige dissociatieve toestand was geraakt, dat ze volledig ontoerekeningsvatbaar moest worden geacht.

Bij tussenvonnis van 19 december 2013 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend. De verdachte is vervolgens onderzocht in het Pieter Baan Centrum. De conclusies van de deskundigen in het Pieter Baan Centrum waren tegengesteld aan die van de ambulante deskundigen. Er was bij de verdachte geen sprake van een dissociatieve toestand. De verdachte moet volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Rapporten ambulante deskundigen

Door de psychiater, drs. P.C.A. van der Graaff, is omtrent de verdachte rapport opgemaakt d.d. 1 juli 2013 en 3 november 2013. Dit houdt onder meer het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een cognitieve stoornis Niet Anderszins Omschreven (hierna NAO) met daarnaast een intelligentie op zwakbegaafd niveau. Tevens is er sprake van een kwetsbare persoonlijkheid met afhankelijke en ontwijkende trekken. Ten tijde van het delict was sprake van een dissociatieve stoornis NAO met depressieve stemming, depersonalisatie en derealisatie die ontstaan is doordat de verdachte is onderworpen aan de geestelijke en fysieke mishandeling en indoctrinatie door de medeverdachte gedurende de aan het delict voorafgaande weken. Zij kreeg vanuit deze bijzondere omstandigheden een grote psychische drang om het delict te plegen. Er was voor haar geen andere mogelijkheid dan het delict te plegen. De verdachte moet als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwd worden. De omstandigheden waren dermate uitzonderlijk dat de kans op recidive als laag moet worden ingeschat.

Door de psycholoog, drs. B.Y. van Toorn is rapport opgemaakt d.d. 12 juni 2013 en 15 november 2013. Dit houdt onder meer het volgende in:

Bij de totstandkoming van het ten laste gelegde is sprake geweest van een combinatie van

structurele kwetsbaarheid, beperkte weerbaarheid, afhankelijkheid en de neiging om op spanningen te reageren met dissociatieve symptomen en met toenemende cognitieve desorganisatie. In combinatie met de wekenlange mishandelingen, intimidaties, bedreigingen en zeer ernstig seksueel geweld heeft dit uiteindelijk geleid tot een dissociatief toestandsbeeld waarbij de verdachte de grip op de werkelijkheid en haar handelen kwijt raakte en volledig verloor toen de medeverdachte dreigde haar kinderen te zullen vermoorden. Het dissociatief toestandsbeeld ten tijde van het ten laste gelegde heeft er toe geleid dat zij niet meer in staat was zelfstandig afwegingen te maken en haar handelen dienovereenkomstig te sturen, waardoor zij op dat moment vanuit de beschreven pathologie, geen andere keuze meer had dan te gehoorzamen aan de opdracht van de medeverdachte. Op basis hiervan is het advies om de verdachte als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive is laag.

Rapport Pieter Baan Centrum

De psychiater M.J. van Haaren heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 23 mei 2014. Dit houdt onder meer het volgende in:

In diagnostische zin is er bij de verdachte geen sprake van een psychotische, een stemmings of angststoornis. Op basis van het relaas van de verdachte ten aanzien van de periode

voorafgaand aan het ten laste gelegde, zou zij wekenlang ernstig (fysiek, geestelijk en

seksueel) zijn mishandeld, hetgeen zij als traumatisch ervoer. Op basis van de onderzoeksgesprekken komen echter geen aanwijzingen naar voren voor de actuele aanwezigheid van een depressieve stoornis of posttraumatische stoornis, noch voor het bestaan van deze stoornissen in de aanloop tot én ten tijde van het ten laste gelegde. Afgaande op verdachtes laatste verklaring was het bewustzijn van de verdachte in de aanloop tot het ten laste gelegde wel vernauwd; zij kon slechts denken aan haar kinderen, die zij moest beschermen door het latere slachtoffer te vermoorden.

Deze bewustzijnsvernauwing zou verklaard kunnen worden vanuit de grote psychische druk die de verdachte door de dreigementen ervoer, maar heeft als zodanig geen pathologisch karakter. Bij de verdachte kan niet worden gesproken van een ziekelijke stoornis of een

gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens.

De psycholoog P.A.E.M.T. Cremers heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d.

23 mei 2014. Dit houdt onder meer het volgende in:

Uit uitgebreid intelligentieonderzoek en neuropsychologisch onderzoek zijn geen beperkingen naar voren gekomen. De in het ambulante onderzoek gestelde diagnose 'zwakbegaafdheid' (hoewel Van Toorn die diagnose in haar aanvullend onderzoek heeft laten vallen) kan dan ook niet worden bevestigd. Dat geldt ook voor de cognitieve stoornis NAO. Er konden geen cognitieve functiestoornissen worden vastgesteld en er zijn evenmin aanwijzingen voor dissociatieve stoornissen. Vanuit het persoonlijkheidsbeeld

is de verdachte niet verhoogd gevoelig voor dissociatieve toestanden of stoornissen.

Ook van een posttraumatische stressstoornis is niets gebleken. Het ten laste gelegde lijkt dan ook niet door een dissociatieve stoornis veroorzaakt. Dat de verdachte in angst was, zich klein voelde en dat geluiden harder klonken, is vanuit de optiek van grote angst en hetgeen zij van plan was te gaan doen te begrijpen. Hoewel er mogelijk sprake is geweest van een verkokering van het denken, lijkt het niet waarschijnlijk dat ze vanuit haar angst is gedissocieerd.

De psycholoog en psychiater komen gezamenlijk tot de volgende conclusie:

Op basis van het onderhavige onderzoek kan bij de verdachte niet worden gesproken van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in engere zin. Er bestaan geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis of voor pathologische persoonlijkheidstrekken. Evenmin zijn er stoornissen in de gewetensontwikkeling, impulscontrole, agressieregulatie en frustratietolerantie gevonden. Er is evenmin sprake van een dissociatieve stoornis. Geadviseerd wordt de verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. De verdachte moet ten tijde van het delict in staat worden geacht de wederrechtelijkheid van haar gedrag in te zien en daarnaar te handelen.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat niet bepaald kan worden op basis waarvan aan het ene persoonlijkheidsonderzoek meer waarde zou moeten worden toegekend dan aan het andere. Alle deskundigen zijn door justitie benoemd. Bovendien is het onderzoek van het Pieter Baan Centrum gebrekkig, nu daar niet de SCID-D test is afgenomen.

De verdediging heeft primair verzocht de behandeling aan te houden en een vijfde deskundige te benoemen die gespecialiseerd is in dissociatieve stoornissen.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit om de conclusies van de eerste deskundigen over te nemen, de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten en derhalve te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen een aanhouding.

De verdachte is uitgebreid onderzocht en geobserveerd. Het benoemen van een vijfde deskundige heeft geen meerwaarde. Alle onderzoekers zijn bevraagd en hebben ter terechtzitting uitgebreid een toelichting kunnen geven. De SCID-D test meet slechts het bestaan van een dissociatieve stoornis op het moment van het onderzoek. Echter alle deskundigen zijn het met elkaar eens dat er ten tijde van hun onderzoek en ook thans geen sprake is van een dissociatieve toestand of stoornis bij de verdachte.

Nu duidelijk is dat er geen sprake was en is van een dissociatieve of enige andere stoornis moet de verdachte volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Oordeel van de rechtbank

De SCID-D test, zo heeft de rechtbank ter zitting van de deskundigen begrepen, voor zover deze al met die test bekend waren, zal alleen als diagnosemiddel kunnen dienen wanneer een dissociatieve stoornis actueel is. Alle deskundigen zijn het met elkaar eens dat in de huidige situatie geen sprake is van een dissociatieve toestand of stoornis bij de verdachte. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat het afnemen van de SCID-D test standaard is bij het vaststellen van een dissociatieve stoornis merkt de rechtbank op, dat geen van de deskundigen die de verdachte hebben onderzocht de betreffende test ooit heeft gebruikt.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben niet alleen een nieuw onderzoek verricht en op basis daarvan een rapport opgesteld, maar ook hebben zij kennis genomen van de uitkomsten van het eerste onderzoek. De resultaten daarvan zijn betrokken bij het door hen uitgevoerde onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusies. Zij hebben de verdachte bevraagd op symptomen van een dissociatieve stoornis in het verleden en ten tijde van het delict en hebben daarvoor geen aanwijzingen gevonden. Desondanks hebben zij de screeningstesten DisQ en DES uitgevoerd. Uit deze testen zijn evenmin uitkomsten gekomen die zouden wijzen op een dissociatieve stoornis op een eerder moment.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum beschrijven dezelfde omstandigheden als de eerdere deskundigen, waarin de verdachte ten tijde van het plegen van het delict verkeerde, maar labelen dat niet als een dissociatieve toestand. Ter zitting hebben zij toegelicht dat het eventueel verkeren in een dissociatieve toestand, bovendien niet betekent dat er bij iemand sprake is van een stoornis.

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de vakbekwaamheid van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, hun wijze van onderzoek en de juistheid van hun toelichting en ziet derhalve geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het benoemen van een vijfde deskundige. Alle deskundigen zijn ter terechtzitting uitvoerig bevraagd naar hun onderzoek, hun bevindingen en conclusies.

De rechtbank wijst het primaire verzoek van de verdediging af, neemt de gezamenlijke conclusie van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum over dat bij de verdachte geen sprake was van een dissociatieve toestand op basis waarvan de strafbaarheid zou komen te vervallen en acht de verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor het door haar gepleegde feit.

Psychische overmacht

standpunt verdediging

Meer subsidiair is door de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is geweest van psychische overmacht en dat om die reden ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte weliswaar een van buiten komende drang heeft ervaren, maar dat zij daartegen redelijkerwijze weerstand had kunnen en moeten bieden.

Oordeel rechtbank

Van psychische overmacht kan worden gesproken indien de verdachte in een zodanige toestand van psychische drang verkeerde dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij heeft gedaan. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen de mate van drang, de vraag of weerstand tegen die drang redelijkerwijs kon worden gevergd en of anders handelen redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoorde.

De aard van het delict, waar de medeverdachte op heeft aangestuurd, is dermate ernstig dat van de verdachte verwacht mocht worden dat zij er alles aan gedaan zou hebben om te voorkomen dat het tot het plegen daarvan zou komen. De rechtbank is van oordeel dat er verschillende momenten zijn geweest waarop de verdachte aan de druk van de medeverdachte had kunnen en ook had moeten ontsnappen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte, toen in december 2012 de eerste frictie tussen de verdachte en de medeverdachte ontstond over een vermeende relatie, meermalen zelfstandig de keuze heeft gemaakt om de echtelijke woning te verlaten en in staat was zich voor hulp en onderdak te wenden tot het Leger des Heils, of haar nicht in Zaandam. Zij liet haar vier kinderen dan achter bij de medeverdachte.

Maar ook nadat zij op 11 januari 2013 naar huis was teruggekeerd is de verdachte een paar keer in de gelegenheid is geweest de woning te verlaten en hulp in te schakelen. Bijvoorbeeld op het moment dat voornoemde nicht, als zij van de medeverdachte hoort dat hij de verdachte mishandelt, haar tijdens een telefoongesprek vraagt of zij hulp nodig heeft. De verdachte had daarop toen slechts met ja hoeven te antwoorden.

Daarnaast is er het moment waarop de verdachte het slachtoffer twee dagen voor het delict bij zijn huis opzoekt - naar eigen zeggen reeds met de opdracht hem te doden - maar dit dan toch niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit dat de verdachte, in elk geval op dat moment nog in staat was weerstand te bieden aan de druk. Bovendien was zij toen alleen en buitenshuis en had niet alleen de kans om naar de politie te gaan of het slachtoffer te waarschuwen, maar ook de mogelijkheid om zich aan de situatie thuis te onttrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank kon en behoorde de verdachte anders te handelen dan zij gedaan heeft. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft van dichtbij een man doodgeschoten op klaarlichte dag. Meerdere mensen zijn hier getuige van geweest. De verdachte heeft door haar handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk dat op leven, ontnomen. Bovendien heeft de verdachte hierdoor veel verdriet en leed veroorzaakt bij de familie en nabestaanden van het slachtoffer. Zij heeft dit gedaan daartoe uitgelokt door haar echtgenoot. Dat zij zich niet heeft onttrokken aan het gruwelijke voornemen om het slachtoffer te vermoorden, wordt haar zwaar aangerekend. Zij had de keuze haar echtgenoot te verlaten, had dat eerder ook gedaan, maar heeft uiteindelijk slechts oog gehad voor haar eigen belangen en zich niet bekommerd om de verschrikkelijke gevolgen van haar daad voor de naasten van het slachtoffer. Zijn echtgenote en kinderen hebben volslagen onverwacht hun man en vader op een gewelddadige wijze verloren. Naast het enorme verdriet heeft de dood van het slachtoffer met zich gebracht dat zijn bedrijf failliet is verklaard, waardoor zijn gezin in financiële nood is komen te verkeren.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 17 juli 2013. Tevens is er een rapport d.d. 5 november 2013 opgesteld door milieuonderzoeker, W.G. van Kooij. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

Zoals hiervoor gemotiveerd uiteengezet heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de rapporten, opgesteld door de psychologen en de psychiaters. De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog van het Pieter Baan Centrum over en maakt die tot de hare. De verdachte zal volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Alles afwegend is na te noemen straf passend en geboden .

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen pistool te onttrekken aan het verkeer.

Het in beslag genomen pistool zal worden onttrokken aan het verkeer, evenals de twee patroonhouders. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ EN SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

[benadeelde partij I]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij I], wonende te Rotterdam, ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 79.944,- aan materiële schade.

De gevorderde materiële schade bestaat uit gederfde inkomsten nu het bedrijf van haar man na zijn dood failliet is gegaan. Het gevorderde bedrag zal worden gebruikt om de schulden uit de failliete boedel af te lossen.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en om die reden niet ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank acht de vordering voldoende onderbouwd nu een financieel adviesbureau een stuk heeft opgemaakt met betrekking tot de jaarcijfers van de onderneming van [slachtoffer].

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[benadeelde partij II]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij II], wonende te Rotterdam, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.416,- aan materiële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel is gelet op artikelen 36b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: het wapen en twee patroonhouders;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij I], wonende te Vlaardingen toe tot een bedrag van 79.944,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 79.944,- (hoofdsom negenenzeventig duizend negenhonderd vierenveertig euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 79.944,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 365 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij II], wonende te Rotterdam toe tot een bedrag van € 1.416,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.416,- (hoofdsom veertienhonderd en zestien euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.416,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 24 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. H.J.M. van der Kaaij en A. Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.H. Eelderink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2014.

Bijlage I bij vonnis van 3 juli 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

op of omstreeks 01 februari 2013 te Vlaardingen opzettelijk en met

voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig

overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die

[slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(Art. 289 Wetboek van Strafrecht)