Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5267

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
10/660194-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Thuiszorgmedewerkster wordt veroordeeld als medeplichtige aan een diefstal vergezeld en gevolgd van geweld, met de dood van het slachtoffer tot gevolg. Het slachtoffer betrof een cliënt die de verdachte kende vanuit haar werk als thuiszorgmedewerkster. De verdachte heeft inlichtingen en middelen verschaft aan de medeverdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman: mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De rechtbank heeft de cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen, voorzien van de letters A en B. De rechtbank zal deze letters in dit vonnis en in de bijlagen aanhouden.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. H.H.A. Bijl heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder A ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder B ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder A ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman. Dit oordeel zal daarom niet nader worden gemotiveerd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder B ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

B.

[medeverdachte 1] op 09 april 2012 te Capelle aan den IJssel

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een kluis met inhoud en geld,

toebehorende aan [slachtoffer],

welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld

tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld bestond uit het

die [slachtoffer] in het gezicht

stompen en/of de ademhaling van die [slachtoffer] smoren,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte

in de periode van 01 december 2011 tot en met 09 april 2012 te

Capelle aan den IJssel en elders in Nederland

opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft door

aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inlichtingen te verstrekken en antwoord te

geven op door die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] gestelde vragen over

- de financiële situatie van die [slachtoffer], en

- hoe die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] bij zorginstelling [zorginstelling]

binnen zouden kunnen komen, en

- wat de alarmcode van zorginstelling [zorginstelling] was, en

- hoe het alarmsysteem bij zorginstelling [zorginstelling] werkte, en

- waar de sleutels van de cliënten van zorginstelling [zorginstelling] (waaronder

die van die [slachtoffer]) lagen en/of hingen;

- hoe die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] bij die [slachtoffer] binnen zouden

kunnen komen en

door vervolgens

- de sleutels van zorginstelling [zorginstelling] ter beschikking te stellen

aan die [medeverdachte 1] en

- nadat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] in het bezit waren gekomen van

de sleutels van zorginstelling [zorginstelling] daarvan geen melding te maken bij

voornoemde zorginstelling en/of de bevoegde autoriteiten, en

- ( vervolgens) aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inlichtingen te verstrekken

en uitleg te geven over de aan de sleutels van zorginstelling [zorginstelling]

bevestigde labelcodes.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

BEWIJSOVERWEGING

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[medeverdachte 1], de halfbroer van de verdachte, heeft samen met zijn toenmalige vriendin, [medeverdachte 2], begin 2012 het plan opgevat om te gaan inbreken bij het slachtoffer, de 81-jarige heer [slachtoffer], omdat zij van de verdachte hadden gehoord dat deze veel geld in huis had. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens meerdere malen desgevraagd van de verdachte informatie gekregen over onder meer de wijze waarop zij bij de thuiszorginstelling “[zorginstelling]” binnen konden komen teneinde de sleutel van de woning van het slachtoffer te bemachtigen. Tevens heeft de verdachte ervoor gezorgd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het bezit kwamen van de sleutels van [zorginstelling].

Op 9 april 2012 heeft [medeverdachte 1] zich in de vroege ochtend de toegang tot [zorginstelling] verschaft met behulp van de sleutels die hij had meegenomen uit de woning van de verdachte en gebruik makend van informatie over de alarmcode en het alarmsysteem van [zorginstelling], welke informatie hij van de verdachte had gekregen. De verdachte beschikte over de sleutel en de informatie omdat zij tot kort daarvoor bij [zorginstelling] had gewerkt. [medeverdachte 1] heeft vervolgens, eveneens met behulp van informatie die hij van de verdachte had gekregen, bij [zorginstelling] de sleutel van de woning van het slachtoffer gepakt uit een kastje, waarin de sleutels van de cliënten hingen. Vervolgens is hij naar de woning van het slachtoffer te Capelle aan den IJssel gegaan. Daar heeft hij de deur van de woning geopend met de ontvreemde sleutel en is naar binnen gegaan. Hierop heeft hij de woning doorzocht en een kluis aangetroffen in een kast. Hij heeft de kluis opgepakt en in een vuilniszak gedaan. Op enig moment heeft de verdachte het slachtoffer in de woning getroffen.

Omstreeks 9.15 uur kregen twee politieambtenaren de opdracht om naar de woning op het adres van het slachtoffer te gaan, naar aanleiding van een melding van een overlopen inbreker. Omstreeks 9:18 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. Zij troffen in de slaapkamer van de woning het slachtoffer liggend op zijn bed aan met een kussen op zijn hoofd. De verbalisanten zijn gestart met reanimeren. Na enige tijd zijn medewerkers van de GGD ter plaatse gekomen en zij hebben de reanimatie overgenomen. Omstreeks 10:00 uur is door het personeel van de GGD besloten te stoppen met de reanimatie van het slachtoffer. Bij een schouw van het lichaam van het slachtoffer is door een lijkschouwer de dood geconstateerd.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat bewezen kan worden dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het door [medeverdachte 1] gepleegde feit. De handelingen van de verdachte zijn aan te merken als het verlenen van hulp bij een misdrijf dat door een ander of anderen is begaan. En die hulp verleende de verdachte opzettelijk. Het opzet van de verdachte is daarbij, op zijn minst in voorwaardelijke zin, gericht geweest op het misdrijf dat zij met haar handelen heeft ondersteund alsmede op de ondersteuning zelf.

De omstandigheid dat de opzet van de verdachte was gericht op inbraak door insluiping en niet op het mishandelen of zelfs doden van het slachtoffer, staat niet in de weg aan bewezenverklaring van medeplichtigheid aan het uiteindelijk gepleegde ernstigere delict.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het opzet van de verdachte niet gericht is geweest op het toebrengen van enig letsel aan het slachtoffer noch (voorwaardelijk) op het risico van letsel. De door de verdachte verstrekte inlichtingen waren erop gericht dat bij afwezigheid van het slachtoffer een insluiping in de woning kon plaatsvinden.

Het oorspronkelijk beoogde gronddelict en de daartoe verstrekte inlichtingen en middelen liggen zover van het gekwalificeerde deel (geweld, de dood ten gevolge hebbend) af terwijl de verdachte dit geweld ook niet hoefde te verwachten, dat de jurisprudentie over de toereikendheid van opzet op het gronddelict voor het bestaan van opzet op het zwaardere delict in casu geen toepassing vindt.

Oordeel rechtbank

Gelet op de in de inleiding beschreven feiten en omstandigheden staat vast dat [medeverdachte 1] zich op 9 april 2012 schuldig heeft gemaakt aan een diefstal uit de woning van het slachtoffer. Tevens staat vast dat [medeverdachte 1] jegens het slachtoffer geweld heeft gebruikt, bestaande uit het geven van in ieder geval een stomp in het gezicht van het slachtoffer en het smoren van de ademhaling van de verdachte door het leggen van een kussen op zijn hoofd en/of het op de mond van het slachtoffer gaan liggen. Uit de rapportage van de patholoog blijkt dat het slachtoffer is komen te overlijden als gevolg van hetzij hartfalen, veroorzaakt door een ziekelijke afwijking van het hart van het slachtoffer in combinatie met de extra belasting die de door de diefstal met geweld teweeggebrachte geestelijke en/of lichamelijke stress (angst en pijn) heeft opgeleverd, hetzij door smoren en/of samendrukkend geweld op de borstkas, dan wel de samenloop van meerdere van deze factoren. Daarbij is opgemerkt dat de algemene lichamelijke conditie van het slachtoffer - gelet op zijn leeftijd - goed was en de geconstateerde afwijkingen aan zijn hart frequent voorkomen bij mensen op hoge leeftijd.

Het voorgaande in aanmerking nemende, moet de dood van het slachtoffer redelijkerwijs worden toegerekend aan de gedragingen van [medeverdachte 1].

Ten aanzien van het opzet en de rol van de verdachte wordt het volgende overwogen.

De verdachte heeft opzettelijk middelen en inlichtingen verstrekt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en daarmee opzettelijk de in artikel 48 Wetboek van Strafrecht bedoelde hulp geboden. Deze middelen en inlichtingen waren cruciaal. Immers, zonder de door de verdachte verstrekte informatie, zoals over de werking en de code van het alarmsysteem van [zorginstelling], en zonder het beschikbaar stellen door de verdachte van de sleutels van die instelling aan [medeverdachte 1], zou het delict in het geheel niet tot stand zijn gekomen of in ieder geval niet op de wijze waarop het zich heeft gemanifesteerd.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte (ook) opzet heeft gehad op het door [medeverdachte 1] gepleegde delict wordt voorop gesteld dat voldoende is dat komt vast te staan dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op het door [medeverdachte 1] gepleegde gronddelict, in casu de diefstal uit de woning van het slachtoffer.

De rechtbank gaat er vanuit dat bij de verdachte op dat punt sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte bij het verstrekken van de middelen en inlichtingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 1] het gronddelict zou gaan plegen met en dankzij de door haar verstrekte middelen en inlichtingen.

Verder wordt louter vereist dat het misdrijf waarop de geboden hulp zag, in dit geval de diefstal uit de woning, is gevolgd. Dat is hier het geval.

Aldus is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de diefstal uit de woning van het slachtoffer, welke diefstal gepaard ging met geweld en de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad.

Bij de bewezenverklaring en kwalificatie in het geval van medeplichtigheid, moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan en in dit geval alleen op het gronddelict van de insluiping in de woning. Het namens de verdachte gevoerde verweer dat haar opzet niet was gericht op het gebruik van geweld kan de verdachte ten aanzien van de bewijsvraag daarom niet baten.

Voorts geldt dat bij het plegen van een woninginbraak, een betrapping door een bewoner en het vervolgens komen tot een gewelddadig treffen tussen bewoner en inbreker, niet ondenkbeeldig te achten is. De verdachte moet zich gerealiseerd hebben dat dit één van de mogelijke gevolgen van de inbraak zou kunnen zijn. Er is dan ook geen aanleiding om in casu te oordelen dat de overwegingen van de Hoge Raad over de toereikendheid van opzet op het gronddelict voor het bestaan van opzet op het zwaardere delict buiten beschouwing moeten worden gelaten.

STRAFBAARHEID FEIT

Vrijwillige terugtred

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden, nu zij tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gezegd dat zij het feit niet moesten plegen en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volgens de verdachte daarmee instemden.

Oordeel rechtbank

Een vrijwillig terugtreden kan slechts invloed op de strafbaarheid van een verdachte hebben als het delict nog niet is voltooid. In het onderhavige geval is voltooide medeplichtigheid aan een voltooide diefstal met geweld uit een woning, met strafverzwarende gevolgen, ten laste gelegd en bewezen verklaard. Daarop stuit dit verweer reeds af.

Het bewezen feit levert op:

B

medeplichtigheid aan diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben op enig moment het plan opgevat om te gaan inbreken in de woning van een 81-jarige man. De verdachte kende dit slachtoffer daar zij als thuiszorgmedewerkster zorg had verleend aan hem. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de verdachte kenbaar gemaakt dat zij ‘iets van plan waren’ en zij hebben de verdachte specifieke vragen gesteld over dit slachtoffer, de woonsituatie van dit slachtoffer alsmede over hoe zij de sleutels van zijn woning zouden kunnen bemachtigen bij de thuiszorginstelling, waar de verdachte tot kort daarvoor werkzaam was geweest. De verdachte heeft deze vragen beantwoord en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in staat gesteld om te beschikken over de sleutels van de thuiszorginstelling. Aldus heeft de verdachte cruciale inlichtingen en middelen aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verstrekt. Met de door de verdachte verstrekte informatie en sleutel heeft [medeverdachte 1] het plan tot uitvoering gebracht. Voorafgaand aan de woninginbraak heeft hij de sleutel van de woning van het slachtoffer ontvreemd bij de thuiszorginstelling. Eenmaal in de woning van het slachtoffer heeft hij die woning doorzocht en is hij op enig moment betrapt door het slachtoffer. Daarna is het tot een worsteling gekomen en heeft hij het slachtoffer fors letsel toegebracht. Het slachtoffer is uiteindelijk ten gevolge van het handelen van [medeverdachte 1] overleden.

Dit is een zeer ernstig feit. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van afschuw en onveiligheid in de samenleving. Deze gevoelens zullen niet in de laatste plaats leven bij ouderen nu het slachtoffer behoorde tot deze kwetsbare groep die voor het dagelijks leven veelal afhankelijk zijn van de hulp van thuiszorgmedewerkers. De verdachte heeft met haar handelen de beroepsgroep in diskrediet gebracht en het vertrouwen dat (kwetsbare) hulpbehoevenden in thuiszorgmedewerkers moeten kunnen stellen, ernstig beschadigd.

Bij het bepalen van de aard en de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank naast het voorgaande de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Hoe afschuwelijk de gevolgen van het feit ook zijn, vaststaat wel dat deze gevolgen nooit de bedoeling zijn geweest van de verdachte. De verdachte had rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met behulp van de door haar verstrekte inlichtingen en sleutel een inbraak bij het slachtoffer zouden gaan plegen en heeft deze kans aanvaard, en in zoverre heeft zij voorwaardelijk opzet op de gepleegde diefstal. Dit voorwaardelijk opzet was niet gericht op het bij de inbraak gepleegde geweld dat heeft geleid tot de dood van het slachtoffer. Voorts lijkt het initiatief tot het verstrekken van de middelen en inlichtingen niet te zijn uitgegaan van de verdachte en heeft de verdachte, nadat zij haar strafbare handelingen had verricht, pogingen ondernomen om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te stoppen en de uitvoering van het plan te voorkomen, zij het dat de verdachte hiertoe niet de meest efficiënte middelen heeft aangewend.

Voorts heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte acht geslagen op de volgende persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte is blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juni 2014 niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De verdachte draagt als alleenstaande moeder de zorg voor haar twee jonge kinderen en werkt daarnaast als zelfstandige. Alhoewel een psychiatrisch en psychologisch rapport, alsmede een recent reclasseringsrapport in het dossier ontbreken, houdt de rechtbank rekening met de mogelijkheid dat het geestelijk welzijn van de verdachte in wankel evenwicht is. De verdachte heeft in 2009 haar 3-jarige zoontje verloren en heeft de persoonlijke gevolgen hiervan voor haar zelf (zoals onder meer medicijngebruik) ter zitting toegelicht. De verdachte heeft verder ter zitting verteld dat zij zich met moeite ‘staande’ kan houden. Door de raadsman zijn in dit kader stukken overgelegd. Deze omstandigheden in aanmerkingen nemend, maakt dat de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte zal opleggen, met uitzondering van de tijd die door de verdachte reeds in voorarrest doorgebracht.

Vastgesteld wordt dat het in artikel 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van haar strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De verdachte is op 21 mei 2012 in verzekering gesteld en het onderzoek op de terechtzitting is op 17 juni 2014 gesloten. Hieruit volgt dat de redelijke termijn van twee jaren met één maand is overschreden. Gelet op de geringe mate van overschrijding van de termijn wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 48, en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder B ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 96 (zesennegentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. M.V. Scheffers en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 1 juli 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

A.

[medeverdachte 1] op of omstreeks 09 april 2012 te Capelle aan den IJssel

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft die [medeverdachte 1] opzettelijk

die [slachtoffer] meermalen op/tegen het hoofd en/of in het gezicht

gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt en/of door middel van een kussen, in

elk geval enig voorwerp de ademhaling van die [slachtoffer] gesmoord, in elk

geval (heftig) uitwendig mechanisch botsend en/of smorend geweld op (het hoofd

van) die [slachtoffer] toegepast,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan

van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld in vereniging (van een

kluis met inhoud en/of geld), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk

om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het

bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of

omstreeks de periode van 01 december 2011 tot en met 09 april 2012 te Capelle

aan den IJssel en/of Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk

behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft door

aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] inlichtingen te verstrekken en/of

antwoord te geven op door die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] gestelde vragen over

(onder andere)

- ( de financiële situatie) van die [slachtoffer], en/of

- hoe die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] bij zorginstelling [zorginstelling]

binnen zouden kunnen komen, en/of

- wat de alarmcode van zorginstelling [zorginstelling] was, en/of

- hoe het alarmsysteem bij zorginstelling [zorginstelling] werkte, en/of

- waar de sleutels van de cliënten van zorginstelling [zorginstelling] (waaronder

die van die [slachtoffer]) lagen en/of hingen, en/of

- hoe die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] bij die [slachtoffer] binnen zouden

kunnen komen en/of (vervolgens) weer weg zouden kunnen gaan, en/of

(vervolgens)

- de sleutels van zorginstelling [zorginstelling] ter beschikking stellen

aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2], in ieder geval die sleutels

zichtbaar voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] laten liggen, en/of

- nadat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] in het bezit waren gekomen van

de sleutels van zorginstelling [zorginstelling] en/of wetende dat die [medeverdachte 1]

en/of die [medeverdachte 2] van plan waren met die sleutels een strafbaar feit te

plegen, daarvan geen melding maken bij voornoemde zorginstelling

en/of de bevoegde autoriteiten, en/of

- ( vervolgens) aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] inlichtingen verstrekken

en/of uitleg geven over de aan de sleutels van zorginstelling [zorginstelling]

bevestigde labelcodes;

(artikel 288/287 jo 48 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

B.

[medeverdachte 1] op of omstreeks 09 april 2012 te Capelle aan den IJssel

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een kluis met inhoud, in elk geval enig goed en/of geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

die [slachtoffer] meermalen op/tegen het hoofd en/of in het gezicht

stompen/slaan en/of schoppen/trappen en/of door middel van een kussen, in elk

geval enig voorwerp de ademhaling van die [slachtoffer] smoren, in elk geval

(heftig) uitwendig mechanisch botsend en/of smorend geweld op (het hoofd van)

die [slachtoffer] toepassen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 01 december 2011 tot en met 09 april 2012 te

Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam en/of elders in Nederland

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft door

aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] inlichtingen verstrekken en/of antwoord te geven op door die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] gestelde vragen over

(onder andere)

- ( de financiële situatie) van die [slachtoffer], en/of

- hoe die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] bij zorginstelling [zorginstelling]

binnen zouden kunnen komen, en/of

- wat de alarmcode van zorginstelling [zorginstelling] was, en/of

- hoe het alarmsysteem bij zorginstelling [zorginstelling] werkte, en/of

- waar de sleutels van de cliënten van zorginstelling [zorginstelling] (waaronder

die van die [slachtoffer]) lagen en/of hingen;

- hoe die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] bij die [slachtoffer] binnen zouden

kunnen komen en/of (vervolgens) weer weg zouden kunnen gaan, en/of

(vervolgens)

- de sleutels van zorginstelling [zorginstelling] ter beschikking stellen

aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2], in ieder geval die sleutels

zichtbaar voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] laten liggen, en/of

- nadat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] in het bezit waren gekomen van

de sleutels van zorginstelling [zorginstelling] en/of wetende dat die [medeverdachte 1]

en/of die [medeverdachte 2] van plan waren met die sleutels een strafbaar feit te

plegen, daarvan geen melding maken bij voornoemde zorginstelling

en/of de bevoegde autoriteiten, en/of

- ( vervolgens) aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] inlichtingen verstrekken

en/of uitleg geven over de aan de sleutels van zorginstelling [zorginstelling]

bevestigde labelcodes;

(artikel 312 jo 48 van het Wetboek van Strafrecht);