Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:5265

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_04236
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1759, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een heldere en betrouwbare procedure ingericht voor het maken van bezwaar. Rechtsmiddelenclausule verwijst naar postbusnummer. Eiser heeft het bezwaarschrift willens en wetens verzonden aan antwoordnummer van verweerder. Geen sprake van een ingediend bezwaar als bedoeld in art. 6:4 Awb. Beroep op doorzendplicht baat eiser niet. Verweerder heeft het bezwaarschrift niet in behandeling genomen. Dit betreft een feitelijke handeling en geen besluit. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/717

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 13/4236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer,

en

de Korpschef van politie, de politiechef van de Landelijke Eenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W.L. van Limbeek.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder een besluit genomen ten aanzien van het verzoek van eiser om een appellabel schadebesluit te nemen.

Bij brief van 16 juni 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 19 juni 2013 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt de brief van
16 juni 2013 niet in behandeling te nemen.

Eiser heeft tegen de brief van 19 juni 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Op 21 maart 2013 heeft de rechtbank Rotterdam verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan eiser van in totaal € 1.572,- uit hoofde van een procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiser heeft het bedrag van € 1.572,- op 29 april 2013 ontvangen.

1.2. Bij brieven van 2 en 3 mei 2013 heeft eiser verweerder verzocht om een appellabel schadebesluit te nemen inzake mogelijke schade veroorzaakt door te late betaling van het bedrag van € 1.572,-. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. De rechtsmiddelenclausule onderaan het primaire besluit vermeldt dat bezwaar tegen het primaire besluit kan worden gemaakt. Dit bezwaar dient te worden verzonden aan het adres Postbus 100, 3970 AC Driebergen.

1.3. Bij brief van 16 juni 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaar is aangetekend verzonden aan het adres Antwoordnummer 1090, 3970 VB Driebergen-Rijsenburg.

2.1. Verweerder weigert de brief van 16 juni 2013 in behandeling te nemen omdat de brief naar een onjuist adres is toegezonden. Verweerder stelt dat een inhoudelijke beoordeling van de brief heeft niet plaatsgevonden. De brief van 19 juni 2013 van verweerder betreft een feitelijke mededeling en geen appellabel besluit.

2.2. Eiser stelt dat sprake is van een appellabel besluit, nu uit de brief van verweerder van 16 mei 2013 een rechtsgevolg blijkt strekkende een weigering dan wel een buiten behandelingstelling van het bezwaarschrift. Uit de stukken blijkt dat het bezwaarschrift feitelijk en fysiek aan het postadres van verweerder is bezorgd. Dat het bezwaarschrift initieel aan het antwoordnummer van verweerder was gericht, maakt dit niet anders.

3.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 6:4, eerste lid, van de Awb geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene, aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, bezwaar te maken alvorens beroep in te stellen.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de brief van 19 juni 2014 van verweerder een besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Om dit te kunnen beoordelen, dient eerst vast te staan dat eiser bezwaar heeft gemaakt, als bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Awb.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat een bezwaarschrift op grond van artikel 6:4, eerste lid, van de Awb niet alleen aan de juiste instantie moet worden gericht, maar dat dit ook bij de juiste instantie en op het juiste adres van deze instantie moet worden ingediend. Verweerder komt beoordelingsvrijheid toe bij de vraag op welk adres een aan hem gericht bezwaarschrift moet worden ingediend. Dit betekent dat verweerder niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om regels te stellen voor het indienen van bezwaar. Voorts betekent dit dat het ter vrije keuze aan verweerder is om alleen voor bepaalde doelen een antwoordnummer open te stellen, temeer nu de kosten van bezorging van de op een antwoordnummer ingediende poststukken geheel voor rekening van verweerder komen.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder invulling heeft gegeven aan het begrip “indienen” als bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Awb door openstelling van een speciaal postbusnummer bestemd voor verzending van bezwaarschriften. In de rechtsmiddelenclausule verwijst verweerder uitdrukkelijk naar dit postbusnummer.

Naast het postbusnummer beschikt verweerder over een antwoordnummer. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit antwoordnummer is bedoeld voor burgers om te reageren op verzoeken van de zijde van verweerder, bijvoorbeeld op een uitnodiging tot het invullen van een enquête. Verweerder heeft toegelicht dat de gemachtigde van eiser regelmatig brieven (met name Wob-verzoeken) naar het antwoordnummer van verweerder stuurt. Verweerder heeft de gemachtigde van eiser er in het verleden op gewezen dat hij dit niet wenselijk acht en heeft tevens aangekondigd dat er niet meer op brieven van de gemachtigde van eiser zal worden gereageerd indien deze naar het antwoordnummer worden verzonden.

4.4.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht waarom hij gebruik maakt van het antwoordnummer. Eén van de redenen hiervoor is dat het versturen van poststukken naar het antwoordnummer gratis is. Belangrijker is echter dat de gemachtigde van eiser niet alles wil doen wat een bestuursorgaan van hem vraagt. De gemachtigde van eiser stelt dat een bestuursorgaan niet van hem kan verlangen dat het bezwaarschrift naar een bepaald adres wordt gezonden en dat hij zelf mag bepalen waar en op welke wijze hij bezwaar maakt. De Awb bevat geen bepaling waaruit de verplichting volgt om het bezwaarschrift naar een specifiek adres te sturen. Volgens de gemachtigde van eiser geldt er een doorzendplicht voor bestuursorganen, zodat het niet uitmaakt aan welk adres hij zijn bezwaarschrift zendt.

4.5.

Geoordeeld wordt dat verweerder met inachtneming van het op hem rustende zorgvuldigheidsbeginsel een heldere en betrouwbare procedure heeft ingericht voor het maken van bezwaar. Deze procedure is voor iedereen toegankelijk en het hanteren van een dergelijke procedure is bovendien niet ongebruikelijk voor bestuursorganen. Daar komt bij dat verweerder duidelijk communiceert over de procedure die hij hanteert. Verweerder is daarmee binnen de grenzen van zijn bevoegdheden gebleven.

De rechtbank volgt verweerder in zijn stellingen dat hij, mede gelet op het grote aantal Wob-verzoeken en daarmee samenhangende bezwaarschriften die hij jaarlijks ontvangt, een groot belang heeft bij het handhaven van een goed gestroomlijnde (post)procedure en dat eiser een professionele gemachtigde heeft die wordt geacht bekend te zijn met deze procedure en de voorschriften daarvan.

De gemachtigde van eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het gebruik van het antwoordnummer, in weerwil van het vorenstaande, rechtvaardigen. Uit de verklaring van de gemachtigde van eiser ter zitting leidt de rechtbank af dat hij het bezwaarschrift willens en wetens, in afwijking van de door verweerder ingerichte procedure, aan het antwoordnummer van verweerder heeft gezonden, omdat de Awb hem dit niet belet.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een ingediend bezwaar als bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Awb waarop verweerder diende te beslissen.

4.6.

Dat de brief van 16 juni 2013 van eiser uiteindelijk, al dan niet door tussenkomst van PostNL, alsnog op het postbusadres van verweerder is bezorgd, maakt dit niet anders. Deze stelling miskent namelijk dat het door verweerder ongewenste gebruik van het antwoordnummer en de afwijking van de door verweerder ingerichte bezwaarprocedure toch heeft plaatsgevonden. Voorts verwerpt de rechtbank het beroep van eiser op de doorzendplicht als bedoeld in artikel 6:15 van de Awb. De doorzendplicht waakt ervoor dat burgers het slachtoffer worden van ingewikkelde bevoegdheidsregelingen op het terrein van de rechtsbescherming. Het artikel is niet in het leven geroepen voor personen die om door hen moverende redenen geen gebruik maken van een helder ingerichte bezwaarprocedure. Artikel 6:15 van de Awb kan eiser dan ook niet baten.

4.7.

Dat er geen sprake is van een ingediend bezwaar als bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Awb leidt ertoe dat de brief van 19 juni 2013 van verweerder geen besluit kan zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het is niet de bedoeling van verweerder geweest om een besluit te nemen. Met de brief van 19 juni 2013 heeft verweerder enkel laten weten dat hij, conform zijn eerdere aankondiging aan de gemachtigde van eiser, geen correspondentie van de gemachtigde van eiser meer in behandeling zou nemen, indien dit aan het antwoordnummer wordt gezonden.

De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de brief van 19 juni 2013 een feitelijke handeling betreft en geen schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling bevat waartegen beroep openstaat. In dat verband acht de rechtbank van zwaarwegend belang dat de brief van verweerder op of omstreeks 20 juni 2013 door de gemachtigde van eiser moet zijn ontvangen. Op dat moment was de termijn om bezwaar in te stellen tegen het primaire besluit nog niet verstreken. Eiser had dus alsnog tijdig zijn bezwaar naar het juiste adres kunnen sturen en had zichzelf en verweerder de kosten van een beroepsprocedure kunnen besparen. Eiser heeft er evenwel voor gekozen om de bezwaartermijn te laten verstrijken en direct beroep in te stellen bij de rechtbank. Dit is in strijd met het in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb opgenomen uitgangspunt, namelijk dat een besluit niet rauwelijks aan de bestuursrechter wordt voorgelegd. Hetgeen de gemachtigde van eiser ter zitting hieromtrent heeft aangevoerd, rechtvaardigt dit niet. Het beroep van eiser wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.