Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:520

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
C/10/442705 / KG ZA 14-41
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3928, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eisers hebben negen kinderen. Zij vorderen in kort geding dat hun zevende kind, een dochter, wordt toegelaten tot de plaatselijke gereformeerde basisschool waar de eerste zes kinderen van eisers ook onderwijs volgen of hebben gevolgd. De school weigert de dochter van eisers toe te laten, omdat de geloofsopvatting van eisers, die zich onder meer uit in het houden van de sabbat en het vieren van Joodse (althans oudtestamentische) feestdagen, niet zou overeenstemmen met de grondslag van de school. Geoordeeld wordt dat geen sprake is van bestendig beleid aan de zijde van de school of van een zodanige situatie dat nieuw beleid kan worden geaccepteerd om tot een afwijzing van het inschrijvingsverzoek te komen. Er is bovendien niet aannemelijk geworden dat eisers de grondslag van de school niet onderschrijven. Een kortgedingprocedure leent zich niet voor de beoordeling van de theologische stellingen van partijen. De vordering van eisers wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/442705 / KG ZA 14-41

Vonnis in kort geding van 30 januari 2014

in de zaak van

1 [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te Alblasserdam,

eisers,

advocaat mr. J.J. Blanken,

tegen

de stichting

STICHTING TOT HET VERSTREKKEN VAN CHRISTELIJK ONDERWIJS OP GEREFORMEERDE GRONDSLAG,

gevestigd te Alblasserdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.J.C. van Bemmel.

Partijen zullen hierna ‘[eisers]’ en ‘de Stichting’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 20 januari 2014 met producties 1 t/m 12;

  • -

    de brief van [eisers] d.d. 21 januari 2014 met productie 13;

  • -

    de fax van de Stichting d.d. 21 januari 2014 met producties 1 t/m 5;

  • -

    de fax van de Stichting d.d. 21 januari 2014 met productie 6;

  • -

    de fax van de Stichting d.d. 22 januari 2014 met producties 7 t/m 9;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 22 januari 2014;

  • -

    de pleitnota van [eisers];

  • -

    de pleitnota van de Stichting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] hebben negen kinderen. De eerste zes kinderen van [eisers] volgen of volgden allen basisonderwijs op de ds. Joannes Beukelmanschool te Alblasserdam (hierna: de school). Thans volgen drie kinderen van [eisers] basisonderwijs op de school. De Stichting is beheerder van de school.

2.2.

Bij e-mail van 10 oktober 2011 hebben [eisers] het volgende aan de school bericht:

“Hierbij dien ik een aanvraag in voor vrijstelling van onderwijs voor [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4] op 13 oktober 2011 DV ivm de bijbelse feestdagen beschreven in Numeri 29: 12 t/m 16 en Leviticus 23:33 t/m 35.”

2.3.

Het zevende kind van [eisers] is [kind 7] (hierna: [kind 7]). [kind 7] heeft op 21 januari 2014 de leeftijd van vijf jaar bereikt en dient ingevolge de Leerplichtwet 1969 uiterlijk op 3 februari 2014 als leerling bij een basisschool te zijn ingeschreven. [eisers] wensen [kind 7], evenals [eisers] zelf alsmede hun zes oudere kinderen doen althans hebben gedaan, basisonderwijs te laten volgen op de school.

2.4.

Blijkens artikel 2.1 van de schoolgids is de grondslag van de school:

“Onze school heeft als grondslag de Heilige Schrift “als onfeilbaar Woord van God, zoals daarvan belijdenis wordt gedaan in de artikelen 2 tot en met 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis”. We onderschrijven geheel en onvoorwaardelijk de Drie Formulieren van Enigheid, zoals deze zijn vastgelegd door de Nationale Synode te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619. Op onze scholen hanteren we de Bijbel in de Statenvertaling zoals die volgens het besluit van de Nationale Synode van 1618/1619 uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandse taal is overgezet, met uitsluiting van elke andere vertaling, en de onverkorte Formulieren van Enigheid, allen in de originele formulering. Daarnaast gebruiken we de psalmberijming van 1773, met uitsluiting van elke latere psalmberijming. Aan de onveranderlijke waarheden in Gods Woord ontlenen wij de beginselen voor de opvoeding van en het onderwijs aan de kinderen die aan ons zijn toevertrouwd.”

2.5.

De Stichting heeft, blijkens artikel 2 van haar statuten, een identieke grondslag als de school.

2.6.

Blijkens artikel 6.14 van de schoolgids worden de volgende regels voor toelating tot de school gesteld:

“(…) Om als leerling te worden toegelaten moet het kind de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt. De officiële inschrijfdatum kan daarom op zijn vroegst de dag zijn waarop het kind 4 jaar wordt. Om kinderen in de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot de dag dat zij vier jaar worden, de gelegenheid te geven wat aan school te wennen, kunnen zij in overleg met de school voor ten hoogste 5 dagen (halve dagen gelden in dit verband als een hele dag) als gast op school worden toegelaten. (…) De school stelt tevens als toelatingscriterium dat alleen de ouders die de grondslag van de school onderschrijven, hun kinderen kunnen laten inschrijven. Daarnaast dienen zij te verklaren dat zij zich m.b.t. hun kinderen zullen houden aan de regels zoals die in hoofdstuk 2.4 van deze schoolgids zijn beschreven.”

2.7.

[eisers] hebben begin 2012 een inschrijfformulier ingediend om [kind 7] in te schrijven op de school. Door ondertekening van het inschrijfformulier hebben [eisers] (onder meer) verklaard:

“- Dat zij de grondslag (de identiteit) van onze scholen onderschrijven zoals beschreven in het 2e hoofdstuk van de schoolgids; (…)

- Dat zij zich volledig zullen aanpassen en houden aan de regels van de school en de voorschriften aangaande onder andere kleding en haardracht en verdere levensuiting van hun schoolgaande kinderen, zoals deze in de schoolgids beschreven staan. (…)”

2.8.

Bij e-mail van 17 januari 2012 heeft de school aan [eisers] bericht:

“Naar aanleiding van uw verzoek tot vrijstelling van het onderwijs voor het vieren van joodse feestdagen, hebben wij een gesprek met de schoolinspectie gehad. De inspecteur heeft vervolgens de juridische afdeling van de inspectie gevraagd naar haar mening over de vraag of een basisschool van de reformatorische denominatie een verzoek als het uwe toe zou moeten staan, dit afwegend tegen geldende wet- en regelgeving. De inspectie heeft ons naar aanleiding van dit onderzoek van de juridische afdeling van de inspectie het volgende bericht. Wanneer ouders een keuze voor een school maken van een bepaalde denominatie kunnen hun kinderen vervolgens niet verzuimen vanwege andere religieuze feestdagen, behorend bij een andere denominatie, dan wel godsdienst, dan die van die school. Anders gezegd: ouders dienen de religieuze feestdagen van de school van hun keuze te volgen. Buiten die geregelde en ingeplande religieuze feestdagen is er geen mogelijkheid om voor nog andere dan genoemde feestdagen vrijstelling van onderwijs te ontvangen. Zijn zij het daar niet mee eens, dan dienen zij voor een andere school voor hun kinderen te kiezen. Daarnaast dient de school haar eigen beleid vast te houden. Aanvragen voor verlof vanwege religieuze feestdagen die niet passen bij de denominatie van de school dienen geweigerd te worden. Wanneer de kinderen ondanks deze weigering niet op school verschijnen, dient dit als ongeoorloofd verzuim hij het leerplichtbureau gemeld te worden.

Dit alles overwegend, kom ik terug op mijn mail van 11 oktober jl. en kunnen wij dus geen toestemming geven tot verlof voor uw kinderen voor het vieren van joodse feestdagen. De reeds door uw kinderen verzuimde schooldagen, te weten 29-09-2011, 30-09-2011 en 13-10-2011 zuilen wij dan ook bij het leerplichtbureau als ongeoorloofd verzuim aanmelden. We hebben het Bureau Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten regio ZHZ van dit standpunt van de inspectie in kennis gesteld. (…)”

2.9.

Bij e-mail van 7 februari 2012 heeft de school aan [eisers] bericht:

“In aansluiting op ons prettig onderhoud van afgelopen maandag wil ik u opnieuw verzoeken met ons in gesprek te gaan over deze kwestie. U wilt uw kind aanmelden maar daar is geen opening voor voordat dit gesprek er geweest is. Doel van het gesprek is dat wij als school duidelijk willen maken waarom wij nu niet tot inschrijving kunnen overgaan en wat de weg is waardoor dat eventueel wel zou kunnen. (…)”

2.10.

Bij e-mail van 11 april 2012 hebben [eisers] aan de school bericht:

“Wij willen u en uw school nogmaals dankzeggen voor het prettige en orthodoxe onderwijs dat onze kinderen op uw school mogen ontvangen. Wij zijn ook heel blij dat u onze kinderen leert God meer gehoorzaam te zijn dan de mensen. En in dat licht schromen wij niet u ten andere malen mede te delen dat onze kinderen a.s. vrijdag 13 april 2012 geen deel zullen nemen aan de lessen i.v.m. de laatste dag van het Bijbelse feest Pesach waarop een werkverbod geldt.”

2.11.

Bij e-mail van 11 april 2012 heeft de school aan [eisers] bericht:

“Dank voor uw waarderende woorden. Ik kan uw aanvraag plaatsen in het licht waarin u uw kinderen wilt opvoeden. Toch zie ik mij genoodzaakt om uw aanvraag tot verlof niet te honoreren. De reden daarvan is al eerder aangegeven en u dus bekend. Het verzuim op genoemde dag van uw kinderen anders dan door ziekte zal dan ook als ongeoorloofd verzuim worden gezien en aan de leerplichtambtenaar worden gemeld. Wij vertrouwen op uw begrip.”

2.12.

Bij e-mail van 11 april 2012 heeft de school aan [eisers] bericht:

“Naar aanleiding van uw aanvraag tot verlof i.v.m. de Joodse feestdag van a.s. 13 april doen we tevens een nieuwe poging om met u een afspraak te maken. Zoals u weet, wil het bestuur van onze school graag met u in gesprek over deze aangelegenheid.”

2.13.

Bij brief van 11 juni 2012 heeft de Stichting aan [eisers] bericht:

“In het achterliggende schooljaar heeft u een aantal malen aangegeven dat u verlof wenst voor uw kinderen vanwege het vieren van enkele joodse feestdagen. Dat verlof is u om bekende redenen door de school geweigerd, hoewel u uw kinderen op de betreffende dagen toch van school thuis gehouden hebt. Verschillende malen hebben wij u gevraagd om een gesprek hierover. Tot op heden heeft dat echter niet plaats gevonden. U gaf als reden op geen tijd te hebben voor een dergelijk gesprek, of reageerde in het geheel niet op verzoeken van ons hierom via de mail. Wij betreuren het uitblijven van een gesprek. Wij ervaren door uw herhaalde aanvragen van verlof voor joodse feestdagen dat u blijkbaar de grondslag van onze school niet meer onderschrijft en kennelijk bent overgegaan tot de joodse godsdienst. Helaas heeft tot nu toe een reactie van u op onze mening of onderbouwing hoe u t.o.v. de grondslag van de school staat, niet plaats gehad. Er is nu een spanning ontstaan tussen de school en u die niet wenselijk is, voor de school niet, maar toch ook niet voor u, zo lijkt ons. Is het nu echt zo dat u consequent een gesprek hierover weigert, en in feite de mogelijkheid om uw zienswijze en handelen uit te leggen, afwijst ? Zo kennen wij u toch ook niet?! Graag willen wij met u over het bovenstaande van gedachten wisselen. Nogmaals verzoeken we u om hiervoor open te staan en met ons een afspraak voor een uitwisseling van gedachten te maken. We hopen hierop een positieve reactie van u te krijgen. Bij geen reactie voor DV 1 juli a.s. moeten wij er helaas van uitgaan dat u geen gesprek wenst aan te gaan.”

2.14.

Bij brief van 29 juni 2012 hebben [eisers] aan de Stichting bericht:

“(…) Het moet ons van het hart dat het ons zwaar valt om met u inhoudelijk van gedachten te wisselen omtrent feestdagen in relatie tot de grondslag van de school. Helaas dwingt u ons om onze beschroomdheid in deze opzij te zetten. Met leedwezen en tot grote droefenis zien we al geruime tijd dat er op de school allerhande onbijbelse feestdagen worden gevierd van heidense en vooral roomse oorsprong, die onverenigbaar zijn met de grondslag. Hoever zijn we afgeweken van de oude paden, is het fijne goud van Ofir dan verduisterd? Is het u bekend dat op 4 oktober, naar de roomse heiligenkalender de feestdag van de “Heilige Franciscus”, jaar in jaar uit op school zo uitbundig gevierd wordt, dat op die dag (voor de onnozelen onder ons “dierendag” genaamd) de school de ark van Noach gelijk is? Is het u bekend dat er kinderen in hun prille wasdom op school gedwongen worden om in de meimaand mee te doen aan een verborgen Mariaverering? Voor de zogenaamde Moederdag, een feest dag van heidense en o gruwel, ook roomse oorsprong wordt schooltijd gebruikt om offerandes te maken voor de “Moeder”. Is het u bekend dat er op school alle jaren weder een kerstviering plaatsheeft, een feestdag van romeinse, germaanse en roomse oorsprong? Zijn dan de vermaningen en waarschuwingen van vele grote reformatoren en oudvaders, vanwege het onbijbelse karakter van dit feest tevergeefs geweest? Worden hun werken onder ons alleen geprezen of ook nog gelezen, en hun wandel nagevolgd? Dit alles doet ons met grote vreze vrezen dat de school haar eigen grondslag niet meer onderschrijft. Dit geeft ons als gezin inderdaad onwenselijke spanning, wij hebben immers uit volle overtuiging voor uw school gekozen vanwege de grondslag. Het ware te wensen dat de school voor het vieren van feestdagen weer terug zou keren tot Gods Woord en Getuigenis en niet ons opkomend geslacht in de armen van de roomse Moloch drijft. Daarentegen vieren wij uitsluitend die feestdagen die in de Bijbel als feestdag vermeld worden.
Vertrouwende op de goede bedoelingen van het bestuur, leiding en personeel, beschouwen wij hierbij tevens ons zevende kind [kind 7] als zijnde aangemeld op Uw school per januari 2013.”

2.15.

Bij brief van 8 september 2012 heeft de Stichting aan [eisers] bericht:

“Dank voor uw schriftelijke reactie naar aanleiding van onze brief d.d. 11 juni 2012. De inhoud hebben wij ter kennisgeving aangenomen. Met betrekking tot de laatste alinea merkt het schoolbestuur op, dat met betrekking tot uw kind [kind 7] geen aanmeldingsgesprek heeft plaatsgevonden en dat zij derhalve ook niet aangemeld kan zijn. Ten overvloede vermelden we nogmaals dat er pas van inschrijving sprake is, als er een gesprek is gevoerd tussen u en de school en het inschrijfformulier door u en door ons als school is getekend. (…)”

2.16.

Bij brief van 14 juni 2013 hebben [eisers] aan de Stichting bericht:

“In uw laatste schrijven, van 8 september 2012, negeert u tot onze grote teleurstelling een serieuze gesprekspoging, terwijl wij meenden per brief in gesprek te zijn. Bij ons is dus twijfel gerezen over uw intentie m.b.t. het voeren van een gesprek. Tevens eist u in deze brief een aanmeldingsgesprek voor de toelating van ons zevende kind, [kind 7], geboren 21 januari 2009. Wellicht is het u niet bekend dat geruime tijd geleden, in januari 2012, het aanmeldingsformulier is opgehaald, ingevuld en persoonlijk door ondergetekende aan de locatiedirecteur is overhandigd. Wij hebben exact dezelfde procedure gevolgd als bij de aanmelding van onze kinderen [kind 6], [kind 5], [kind 1], [kind 2] en [kind 4]. Er heeft één zogenaamd aanmeldingsgesprek plaatsgevonden, te weten bij [kind 3], ons vijfde kind. Het verplichte aanmeldingsgesprek is dus een farce. (…) Gezien het feit dat het aanmeldingsgesprek dus geen halszaak is voor de toelating van het kind en u sowieso onze gesprekspoging per brief afwijst sommeren wij u nogmaals onze dochter die allang vier jaar is zo snel mogelijk deel te laten nemen aan de lessen op uw school, waar onze zes oudere kinderen naar ieders tevredenheid de lessen volgen of hebben gevolgd. Als wij niet op korte termijn een bevestigend antwoord hier op krijgen zien wij ons genoodzaakt het aan de leerplichtambtenaar te melden en vervolgens deze kwestie voor te leggen aan de rechter, die zich dan tevens kan buigen over het feit dat er een personeelslid regelmatig kinderen slaat en andere met enige regelmaat zeer denigrerende en antisemitische uitlatingen doen over onze Joodse broeders en zusters waar in het verleden mensen voor veroordeeld zijn. Onder verwijzing naar onze laatste brief willen we u erop wijzen dat wij bereid zijn het feit dat er op de Ds. J. Beukelmanschool roomse en heidense feesten worden gevierd door de vingers te zien daar wij terdege begrijpen dat het voortkomt uit domheid en onnozelheid (bijv. de dood van de zgn. heilige Nikolaas bisschop van Mira wordt gelukkig genegeerd, daarentegen wordt de dood van de zgn. heilige Franciscus van Assisi groots gevierd, het getuigt van weinig historische kennis dat het bestuur dit verschil niet eens opmerkt) maar dat u als bestuur meent een moeder die haar negende! kind verwacht gek te moeten maken doormiddel van laffe schriftelijke aanvallen en aantijgingen zullen wij u niet snel vergeven. Bovendien wachten wij nog steeds op excuses van de heer [betrokkene 1]die deze trend ingeluid heeft. Overigens zijn wij van mening dat het bestuur en personeel van de Ds. J. Beukelmanschool erg blij en dankbaar moeten zijn, dat wij bereid zijn onze kinderen erheen te sturen. Mocht het tot een rechtszaak komen dan houden we u ten volle verantwoordelijk voor deze onverkwikkelijke gang van zaken. Met de wens en bede dat het niet zover hoeft te komen verblijven wij vriendelijk groetend.”

2.17.

Bij brief van 31 augustus 2013 heeft de Stichting aan [eisers] bericht:

“Uw brief gedateerd 14 juni 2013, waarin ii verwijst naar onze brief van 5 september 2012, hebben wij in goede orde ontvangen. Met betrekking tot de inschrijving van uw kind [kind 7] geeft het schoolbestuur nogmaals aan dat er geen aanmeldingsgesprek heeft plaatsgevonden en [kind 7] derhalve ook niet aangemeld kan zijn. Als gemeld in onze brief gedateerd 5 september 2012 en ook in eerdere brieven is aangegeven zou het schoolbestuur graag met u in gesprek gaan. Via het bestuurssecretariaat kan een afspraak voor een dergelijk gesprek gemaakt worden. In dit gesprek kunnen tevens de andere aspecten die u aangeeft in uw brief doorgesproken worden. Wat u noemt inzake gedragingen van een personeelslid is bij bestuur en directie onbekend; gezien de ernst van deze zaken is er reden te meer om met elkaar in gesprek te gaan.”

2.18.

De Stichting heeft [eisers] bij brief van 11 november 2013 bericht dat tot inschrijving van [kind 7] zal worden overgegaan onder de navolgende voorwaarden:

1. Het onvoorwaardelijk onderschrijven van de grondslag van de school zoals verwoord op het inschrijfformulier en in het 2e hoofdstuk van de schoolgids en wij vragen u hierbij te bevestigen dat de Heilige doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen en het Heilig Avondmaal in de plaats van het Pascha, waardoor de Joodse betekenis van de besnijdenis en het Pascha in de Nieuwtestamentische bedeling heeft afgedaan.

2. De toezegging dat er geen enkele vorm van verlof tijdens schooltijd wordt gevraagd met als reden het houden van Joodse feestdagen.

2.19.

[eisers] zijn niet akkoord gegaan met de door de Stichting gestelde voorwaarden.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

te bevelen aan de Stichting dat [kind 7] per 3 februari 2014, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, wordt toegelaten als leerling op de school en haar aldaar ongestoord onderwijs te laten volgen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de Stichting in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

Subsidiair

te bevelen aan de Stichting dat [kind 7], direct na ontvangst van een schriftelijke verklaring van [eisers] waarin zij de grondslag van de school zoals verwoord op het inschrijfformulier en in het 1e hoofdstuk van de schoolgids onvoorwaardelijk onderschrijven en bevestigen dat de Heilige doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen en het Heilig Avondmaal in de plaats van het Pascha, waardoor de Joodse betekenis van de besnijdenis en het Pascha in de Nieuwtestamentische bedeling heeft afgedaan, doch uiterlijk per 3 februari 2014, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, wordt toegelaten als leerling op de school en haar aldaar ongestoord onderwijs te laten volgen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de Stichting in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

Zowel primair als subsidiair

  1. vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.609,30 inclusief btw;

  2. de Stichting te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief nakosten, nog te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] stellen hiertoe dat de Stichting de toelating van [kind 7] tot de school niet mag weigeren. [eisers] onderschrijft de grondslag van de school, hetgeen zij hebben bevestigd door ondertekening van het inschrijfformulier. De aanvullende eisen die bij brief van 11 november 2013 door de Stichting zijn gesteld voor toelating zijn willekeurig en bovendien niet kenbaar en consistent.

3.3.

De Stichting voert verweer. Zij stelt dat de geloofsopvatting van [eisers], die zich onder meer uit in het houden van de sabbat en het vieren van Joodse (althans oudtestamentische) feestdagen, niet overeenkomt met de grondslag van de school. De Stichting meent op grond daarvan dat zij de toelating van [kind 7] tot de school mag weigeren.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

[eisers] hebben aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vordering, gelet op het feit dat [kind 7] thans de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt en ingevolge de Leerplichtwet 1969 uiterlijk op 3 februari 2014 bij een basisschool dient te zijn ingeschreven.

Vordering

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de Stichting gehouden is om [kind 7] toe te laten tot de school.

4.3.

Het uitgangspunt is dat de school beslist over de toelating van leerlingen. Daarbij prevaleert het in artikel 23 Grondwet aan het bijzonder onderwijs gewaarborgde beginsel van ‘vrijheid van richting’, mede gelet op de artikelen 6 Grondwet en 9 EVRM, in beginsel boven de eveneens aan artikel 23 Grondwet ten grondslag liggende ‘vrijheid van schoolkeuze’ van degene die onderwijs wenst te ontvangen. Een weigering een leerling toe te laten dient evenwel in overeenstemming te zijn met een vast toelatingsbeleid van de school, dat steunt op haar uitleg van in haar statuten neergelegde toelatingsnormen van religieuze aard die ertoe strekken de religieuze identiteit van de school te handhaven. De rechter dient terughoudendheid toe te passen bij de beoordeling van de vraag of een leerling beantwoordt aan de religieuze grondslag van de school (vlg. HR 22 januari 1988, NJ 1988, 891 en Hof Amsterdam 24 juli 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB0057).

4.4.

Gelet op het voorgaande dient beoordeeld te worden of sprake is van een bestendig toelatingsbeleid, op grond waarvan [eisers] mochten verwachten dat er aanvullende voorwaarden werden gesteld, zoals bij brief van 11 november 2013 is gedaan.

4.5.

De Stichting stelt dat zich in de geschiedenis van de school nooit eerder een situatie heeft voorgedaan waarin ouders van kinderen van de school elementen uit de Joodse godsdienst implementeerden in hun leven. Dit is door [eisers] niet weersproken.
Nu zich nog geen soortgelijke situaties hebben voorgedaan waartegen de school heeft kunnen ageren, kan hier van een bestendig beleid geen sprake zijn. Bestendig beleid ontstaat immers pas nadat nieuw beleid meerdere malen consequent wordt toegepast.

4.6.

Dat sprake is van nieuw beleid aan de zijde van de school, leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de toelating van [kind 7] niet mocht worden geweigerd. Indien nieuw beleid is ingevoerd als gevolg van (onvoorziene) omstandigheden die het bestaande beleid diep raken, kan niet worden gevergd dat men toepassing ervan achterwege laat, omdat het nog niet bestendig zou zijn. Of zich zo'n situatie voordoet hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de motieven van de betrokken personen en de wijze waarop zij met elkaar hebben gecommuniceerd.

4.7.

Blijkens de overgelegde correspondentie hebben [eisers] sinds oktober 2011 verschillende aanvragen gedaan voor verlof op oudtestamentische feestdagen, onder meer bij e-mails van 10 oktober 2011 en 11 april 2012. In reactie hierop heeft de school bij
e-mails van 17 januari 2012 en 11 april 2012 laten weten de verlofaanvragen van [eisers] niet te honoreren. Naar aanleiding van de inschrijving van [kind 7] in januari 2012 heeft de school (althans de Stichting als beheerder van de school) voorts, onder meer bij e-mails van 7 februari 2012 en 11 april 2012 en bij brieven van 11 juni 2012, 8 september 2012 en 31 augustus 2013, laten weten graag met [eisers] in gesprek te willen gaan, opdat duidelijk gemaakt kan worden “waarom wij nu niet tot inschrijving kunnen overgaan en wat de weg is waardoor dat eventueel wel zou kunnen” en om [eisers] de mogelijkheid te bieden om hun “zienswijze en handelen uit te leggen”. Behalve het versturen van deze
e-mails en brieven en het aandringen op een gesprek met [eisers], is niet gebleken van enige actie van de zijde van de school. Blijkens de hiervoor aangehaalde correspondentie heeft de school uitsluitend kenbaar gemaakt haar vraagtekens te plaatsen bij het handelen van [eisers] in het licht van de grondslag van de school, hetgeen door de school in januari 2012 klaarblijkelijk is aangegrepen om niet (direct) tot inschrijving van [kind 7] over te gaan en daarmee een overleg met [eisers] af te dwingen. Over de andere drie kinderen van [eisers] die thans basisonderwijs volgen op de school, is echter in de hiervoor geciteerde correspondentie in het geheel niet gesproken, laat staan dat de school toen heeft aangedrongen op, althans actie heeft ondernomen om betreffende kinderen van de school te (laten) verwijderen omdat [eisers] niet achter de grondslag van de school zouden staan. Voorts hield de school de mogelijkheid om [kind 7] alsnog in te schrijven, nadat een gesprek met [eisers] heeft plaatsgevonden, uitdrukkelijk open. Nu [eisers] reeds sinds oktober 2011 verlofaanvragen hebben gedaan voor oudtestamentische feestdagen en er sindsdien ruim twee jaren zijn verstreken zonder enige concrete actie van de school jegens de andere drie kinderen op de school, kan in het geval van [kind 7] dan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van een zodanige situatie dat nieuw beleid kan worden geaccepteerd om tot een afwijzing van het inschrijvingsverzoek van [eisers] te komen.

4.8.

Bovendien is niet aannemelijk geworden, dat [eisers] de grondslag van de school niet onderschrijven. [eisers] hebben het inschrijfformulier van de school ingevuld en ondertekend. Daarmee hebben zij erkend dat ze de grondslag van de school onderschrijven en dat ze zich volledig zullen aanpassen en houden aan de regels van de school. Ter zitting hebben [eisers] nogmaals uitdrukkelijk verklaard achter de school en haar grondslag te staan. Daarmee hebben [eisers] voldaan aan de vereisten voor toelating van [kind 7] tot de school, zoals die voortvloeien uit artikel 6.14 van de schoolgids van de school.

4.9.

Dat [eisers] althans enkele kinderen sabbat houden, zoals [eisers] ter zitting hebben verklaard, en voor hun kinderen die reeds basisonderwijs aan de school volgen verlof vragen (of hebben gevraagd) op oudtestamentische feestdagen die niet door de school worden gevierd, leidt in de onderhavige procedure niet tot een andere conclusie. De Stichting stelt dat deze gedragingen zich niet verenigen met de religieuze grondslag van de school. Dit wordt door [eisers] gemotiveerd betwist. Een kortgedingprocedure leent zich evenwel niet voor de beoordeling van deze (theologische) stellingen van partijen, zodat dit aspect in de beoordeling buiten beschouwing wordt gelaten.

4.10.

Ten slotte is van belang dat de discussie over de toelaatbaarheid van het vragen van verlof op oudtestamentische feestdagen gevoerd moet worden op het moment dat [eisers] een dergelijke verlofaanvraag doen, en niet ten tijde van de inschrijving van hun dochter (of enig ander kind). Indien de school van mening is dat er geen gegronde redenen zijn voor het honoreren van een verlofaanvraag (van welke aard dan ook), dient zij dit verlof te weigeren. Wanneer [eisers] hun kinderen ondanks deze weigering toch van school weg houden, dient de school, zoals zij al eerder deed, dit te melden bij de leerplicht-ambtenaar van de gemeente. Het is alsdan aan de leerplichtambtenaar (en niet aan de school of de Stichting) om actie jegens [eisers] te ondernemen, hetgeen ook blijkt uit de
e-mail van 17 januari 2012 van de school. [eisers] hebben overigens niet de indruk gewekt zich aan het oordeel van de leerplichtambtenaar te zullen onttrekken.

4.11.

Uit al het voorgaande volgt dat de Stichting niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om toelating van [kind 7] tot de school te weigeren en evenmin tot het besluit dat toelating slechts mogelijk is, wanneer [eisers] akkoord gaan met de bij brief van
11 november 2013 nog nooit eerder gestelde nadere voorwaarden. Een belangenafweging maakt dit niet anders. In het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen heeft de Stichting geen, althans onvoldoende belang om toelating van [kind 7] tot de school te weigeren, met name niet nu er momenteel nog drie andere kinderen van [eisers] op de school zitten, jegens wie de Stichting vooralsnog geen enkele actie heeft ondernomen. Daartegenover staat het zwaarwegende belang van [kind 7] om op zeer korte termijn naar school te kunnen en, in navolging van haar zes oudere broers en zussen en in navolging van haar ouders, onderwijs te volgen op de school, in een vertrouwde omgeving. Voorts wordt meegewogen dat [eisers] er praktisch gezien een groot belang bij hebben om [kind 7] naar dezelfde school in Alblasserdam te kunnen brengen als de school waar drie van hun andere kinderen thans basisonderwijs volgen.

4.12.

De primaire vordering van [eisers] zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat de door [eisers] gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd op de wijze als hierna vermeld.

4.13.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding €  93,80

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal €  1.191,80

4.14.

De door [eisers] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.15.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Uit de door [eisers] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eisers] vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt aan de Stichting dat [kind 7] per 3 februari 2014 wordt toegelaten als leerling op de school en haar aldaar ongestoord onderwijs te laten volgen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de Stichting in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 30.000,00,

5.2.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.191,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt de Stichting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Stichting niet binnen
14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op
30 januari 2014.1

1 type: 2544 coll: 2477