Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
C/10/419755 / HA ZA 13-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Eiser is in 2005 in het gezicht getroffen door een noodseinpijl en heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Gedaagde is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Geoordeeld wordt dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden. Nu er onvoldoende duidelijkheid over de omvang van het letsel van eiser bestaat, zal er een deskundigenbericht worden ingewonnen. De vorderingen tegen de verzekeraar van gedaagde worden afgewezen. De verzekeraar beroept zich met recht op de wapenclausule in haar polisvoorwaarden, op grond waarvan aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met een wapen als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie niet is gedekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/419755 / HA ZA 13-267

Vonnis van 29 januari 2014

in de zaak van

[Eiser] ,

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. A.H. Blok,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M. Moszkowicz Jr.,

2 de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster onder algemene titel van de naamloze vennootschap RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procesadvocaat mr. D. Knottenbelt,

behandelend advocaat mr. S.E. Phoelich-Pontier.

Partijen zullen hierna ‘[Eiser]’, ‘[gedaagde] en ‘Nationale Nederlanden’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte overlegging producties (producties 1 t/m 20) van [Eiser];

  • -

    de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring
    van [gedaagde];

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring van [Eiser];

  • -

    het vonnis in het incident van 10 juli 2013;

  • -

    het tussenvonnis van 31 juli 2013;

  • -

    de brief van [Eiser] d.d. 25 september 2013 met producties 21 en 22;

  • -

    de brief van [Eiser] d.d. 1 oktober 2013 met producties 23 t/m 29;

  • -

    de conclusie van antwoord van Nationale Nederlanden,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. De zaak is door de enkelvoudige kamer verwezen naar deze meervoudige kamer, waarvan de rechter die de comparitie heeft geleid deel uitmaakt.

2 De feiten

2.1.

Op 17 april 2005 is [Eiser], toen hij onderweg was naar voetbalstadion De Kuip in Rotterdam om daar een voetbalwedstrijd bij te wonen, in het gezicht getroffen door een noodseinpijl. [Eiser] heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

2.2.

Bij brief van 12 april 2010 heeft de advocaat van [Eiser] aan [gedaagde] bericht:

“Zoals u bekend wendde zich tot mijn kantoor de heer[Eiser] in verband met het ongeval op 17 april 2005, waarbij hij werd geraakt door een door u afgeschoten zg. noodseinraket. Zoals u bekend heeft cliënt daardoor ernstig letsel opgelopen.

U bent terzake het betreffende voorval Strafrechtelijk vervolgd, waarbij u laatstelijk in cassatie bent gegaan bij de Hoge Raad. Cliënt behoudt zich alle rechten voor om nakoming te vorderen van uw verplichting tot vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade in de ruimste zin van het woord, zowel materieel als immaterieel. Cliënt wenst een eventuele verjaringstermijn, ook nu de strafzaak nog loopt, uitdrukkelijk te stuiten.”

2.3.

Bij het op tegenspraak gewezen arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van
8 december 2011 is bewezenverklaard dat [gedaagde] voornoemde noodseinpijl grovelijk onvoorzichtig heeft afgeschoten, althans afgevuurd, in de nabijheid van [Eiser], waardoor het aan de schuld van [gedaagde] te wijten is geweest dat [Eiser] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [gedaagde] is op grond daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf en een werkstraf. Het arrest van 8 december 2011 is in kracht van gewijsde gegaan.

2.4.

[Eiser] heeft zich in de strafprocedure tegen [gedaagde] gevoegd als benadeelde partij en een bedrag van € 7.500,00 gevorderd. Op het voegingsformulier benadeelde partij dat namens [Eiser] is ingediend, staat - voor zover relevant - vermeld:

“In bovenstaande zaak verzoekt [Eiser] u geen uitspraak te doen over de zaak inhoudelijk, maar slechts een voorschot te bepalen op zijn definitieve schade. (…)

Onderstaand treft u een opgave van de schade aan zoals op dit moment bekend. De kostenposten worden alleen omschreven ter onderbouwing van het door [Eiser] verzochte voorschot. [Eiser] vraagt u niet om inhoudelijk een uitspraak te doen over de posten.”

2.5.

[gedaagde] is bij het arrest van 8 december 2011 veroordeeld om een bedrag van
€ 7.500,00 aan [Eiser] te betalen, bestaande uit € 1.245,45 aan materiële schade en
€ 6.254,55 aan immateriële schade.

2.6.

[Eiser] heeft na het ongeval van 17 april 2005 meerdere aanvragen ingediend voor een uitkering bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: Schadefonds). Aan [Eiser] zijn de volgende uitkeringen toegekend:

een uitkering ad € 10.175,00 d.d. 18-01-2006;

een uitkering ad € 64,00 d.d. 01-03-2006;

een uitkering ad € 4.424,00 d.d. 21-11-2006;

een uitkering ad € 3.135,00 d.d. 06-10-2008.

2.7.

In de brieven van het Schadefonds, waarin de beslissingen om over te gaan tot uitbetaling van voornoemde uitkeringen kenbaar zijn gemaakt, is onder meer bepaald:

“Bijzondere bepaling

Ingevolge artikel 6 lid 1 van de Wet wordt geen uitkering toegekend voor schade waarin op andere wijze is of kan worden voorzien.

Indien u nog betalingen ontvangt of heeft ontvangen (bijvoorbeeld een verzekeringsuitkering of een betaling door de dader) dient u dit te melden. De Commissie zal in dat geval onderzoeken of u een bedrag aan het Schadefonds moet terugbetalen en zal hierover dan een nadere beslissing nemen.”

2.8.

[gedaagde] was ten tijde van het ongeval verzekerd voor aansprakelijkheid voor particulieren (hierna: AVP) bij RVS Schadeverzekering N.V., thans Nationale Nederlanden. Op deze AVP zijn de polisvoorwaarden met nummer 4909-97 van toepassing. Artikel 4.8 van deze polisvoorwaarden (hierna: de wapenclausule) luidt:

“Niet gedekt is de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt in verband met het bezit en/of het gebruik van een wapen als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie, waarvoor een verzekerde geen vergunning heeft.”

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert, samengevat, dat het de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, behaagt om:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het [Eiser] op zondag
    17 april 2005 overkomen letsel als gevolg van het feit dat hij is getroffen door een door [gedaagde] afgeschoten noodseinpijl;

  2. Nationale Nederlanden te veroordelen tot nakoming van de uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding en het regelen van de schade, waaronder en met name het vergoeden in geld en zo nodig in natura van de door [Eiser] als gevolg van het ongeval op 17 april 2005 geleden en nog te lijden schade, zulks op straffe van een dwangsom;

  3. Primair:

[gedaagde] te veroordelen aan [Eiser] te voldoen een bedrag van € 372.857,74;

Subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen om als voorschot op de schadevergoeding te voldoen een bedrag van € 300.000,00 en de schade als zodanig nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4. Nationale Nederlanden te veroordelen om al hetgeen zij bij wege van uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst aan [gedaagde] verschuldigd is, rechtstreeks aan [Eiser] te betalen, zulks op straffe van een dwangsom;

5. met rente en kosten.

3.2.

[Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. In de strafrechtelijke procedure is bewezen verklaard dat [gedaagde] op
17 april 2005 door zijn schuld zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [Eiser], hetgeen op grond van artikel 161 Rv een onrechtmatige daad oplevert. De onrechtmatigheid is mede gegeven met het feit dat [gedaagde] nooit op deze plek, op deze wijze, met zoveel omstanders een noodseinpijl had mogen afsteken. [gedaagde] heeft de noodseinpijl niet loodrecht, maar schuin omhoog afgestoken. Dit was in strijd met de instructies van de fabrikant. Daarmee staat het onzorgvuldig handelen van [gedaagde] vast, aldus [Eiser].
Ten gevolge van het ongeval heeft [Eiser] zwaar lichamelijk en psychisch letsel opgelopen. Hij lijdt aan doofheid en een ernstige vorm van tinnitus. [Eiser] slaapt hierdoor slecht en heeft ernstige vermoeidheidsklachten. Zijn linkeroog is blijvend aangetast.

[Eiser] werkt thans fulltime. Zijn huidige verdiensten zijn echter lager dan bij het fulltime dienstverband dat hij vóór het ongeval had. [Eiser] verwacht bovendien op de (middel)lange termijn geen fulltime dienstverband vol te zullen houden.
[gedaagde] is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die [Eiser] heeft geleden. [Eiser] vordert zowel materiële als immateriële schadevergoeding. Naast de kosten die [Eiser] heeft moeten maken en de schade die hij in financiële zin heeft geleden als gevolg van het letsel (en nog zal lijden als gevolg van verlies van zijn verdienvermogen en zelfwerkzaamheid), heeft [Eiser] blijvend zichtbaar letsel opgelopen. Voor het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft [Eiser] recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De totale schade van [Eiser] is - blijkens de door hem overgelegde schadestaat - voorlopig becijferd op € 373.622,74. Overigens correspondeert dit niet met het bedrag dat [Eiser] in het petitum heeft opgenomen (€ 372.857,74).

[Eiser] stelt voorts dat Nationale Nederlanden als verzekeraar van [gedaagde] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is de schade, die [gedaagde] aan [Eiser] dient te vergoeden, aan [Eiser] te voldoen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt ten eerste dat [Eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat hij in de strafprocedure al een volledige schadevergoeding ad
€ 7.500,00 heeft gekregen voor de door hem gestelde schadeposten. Daarnaast heeft [Eiser] meerdere uitkeringen ontvangen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en van zijn verzekeraar. Nu [Eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer schade heeft geleden dan al aan hem is vergoed, heeft hij geen belang bij zijn vordering. Ter onderbouwing van zijn stelling dat [Eiser] niet-ontvankelijk is, stelt [gedaagde] voorts dat de laatste brief van [Eiser] aan [gedaagde] dateert van 12 april 2010. Deze brief bevat geen aansprakelijkstelling maar vermeldt enkel dat [Eiser] zijn rechten voorbehoudt tot het vorderen van nakoming. Pas bij dagvaarding heeft [Eiser] gemeld welke schade hij meent te hebben geleden.

[gedaagde] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [Eiser]. Hij betwist hiertoe dat hij onder de gegeven omstandigheden geen noodseinpijl had mogen afschieten en dat hij in strijd met de productinstructies heeft gehandeld. Voorts is niet komen vaststaan welk type noodseinpijl [gedaagde] heeft afgestoken. Ten slotte stelt [gedaagde], dat het feit dat [Eiser] is geraakt door de noodseinpijl een ongelukkige samenloop van omstandigheden is. Hiermee staat niet vast dat [gedaagde] dusdanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [Eiser] dat sprake is van een onrechtmatige daad.

[gedaagde] betwist de (hoogte van de) schade alsmede het causaal verband tussen het ongeval en de schade. Volgens [gedaagde] heeft [Eiser] niet voldaan aan zijn stelplicht, door enkel te verwijzen naar de schadestaat die is overgelegd bij dagvaarding en door deze schadestaat op geen enkele wijze te onderbouwen. Voorts stelt [gedaagde] dat [Eiser] geen inzicht geeft in zijn huidige gezondheidstoestand.
Ten slotte stelt [gedaagde] dat matiging van de schade moet plaatsvinden. Volgens [gedaagde] moet tevens rekening worden gehouden met de gedragingen van [Eiser] zelf. [Eiser] was geen toevallig passerende passant, maar heeft zich bewust begeven in de richting van ongeregeldheden voorafgaand aan de voetbalwedstrijd in voetbalstadion De Kuip. Bovendien was [Eiser] destijds onder invloed van drugs en heeft hij ook na het ongeval nog drugs gebruikt, hetgeen van invloed kan zijn geweest op zijn herstel, aldus [gedaagde]. Verder dient de schade op grond van de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] te worden gematigd.

3.4.

Nationale Nederlanden betwist op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden te zijn tot vergoeding van de door [Eiser] geleden schade. Zij beroept zich op de wapenclausule in de polisvoorwaarden van de AVP en stelt dat de door [gedaagde] gebruikte noodseinpijl is aan te merken als een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM). [gedaagde] had voor dit wapen geen vergunning, zodat de verzekering op grond van de wapenclausule geen dekking biedt.
Nationale Nederlanden gaat in haar conclusie van antwoord - uit proceseconomisch oogpunt - niet in op de (hoogte van de) schade van [Eiser]. Zij heeft de rechtbank verzocht een oordeel over de omvang van de schade aan te houden en heeft zich daarbij uitdrukkelijk het recht voorbehouden om de omvang van de schade in een later stadium te betwisten.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

[gedaagde] stelt dat [Eiser] niet-ontvankelijk is, onder meer omdat [Eiser] zich in de strafprocedure heeft gevoegd als benadeelde partij en de strafrechter reeds een definitieve uitspraak heeft gedaan over (de hoogte van) zijn schade.

4.2.

Op grond van artikel 51f lid 3 Sv kan de benadeelde partij zich in de strafprocedure ook voor een deel van zijn vordering voegen. Hij kan zijn vordering splitsen en zich ter zake van het eenvoudig te bewijzen deel van zijn vordering voegen, terwijl hij zich het recht voorbehoudt het restant van zijn vordering aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

4.3.

[Eiser] heeft in de strafprocedure een vordering van € 7.500,00 als benadeelde partij ingediend. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partij heeft [Eiser] de strafrechter expliciet verzocht “geen uitspraak te doen over de zaak inhoudelijk, maar slechts een voorschot te bepalen op zijn definitieve schade”. Hieruit volgt dat [Eiser] heeft beoogd slechts een deel van zijn vordering, zoals bedoeld in artikel 51f lid 3 Sv, aan de strafrechter voor te leggen, hetgeen voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest. De strafrechter heeft het gevorderde bedrag van € 7.500,00 toegewezen en zich niet uitgelaten over het overige deel van de schade van [Eiser], zodat [Eiser] voor het overige ontvankelijk is in onderhavige procedure.

4.4.

Dat [Eiser] uitkeringen heeft ontvangen van het Schadefonds, leidt niet tot een ander oordeel. Blijkens de brieven van het Schadefonds kan er achteraf verrekening plaatsvinden van eventuele andere schadevergoedingen met de uitkeringen die [Eiser] heeft ontvangen van het Schadefonds (zulks ingevolge artikel 6 lid 3 van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven). Hieruit volgt dat de uitkeringen van het Schadefonds een voorwaardelijk karakter hebben, zodat deze uitkeringen niet in de weg staan aan de vorderingen van [Eiser] in onderhavige procedure.

4.5.

Niet onderbouwd gesteld of gebleken is dat [Eiser] ter zake van de onderhavige schadeposten vergoedingen heeft ontvangen van zijn verzekeraars, zodat dit verweer wordt verworpen.

4.6.

Voor zover [gedaagde] zich met zijn stellingen ten aanzien van de brief van
12 april 2010 heeft bedoeld een beroep te doen op verjaring ex artikel 3:310 lid 1 BW, wordt dit verweer verworpen. De brief van [Eiser] (althans zijn advocaat) van 12 april 2010 wordt beschouwd als een schriftelijke mededeling waarin [Eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden ex artikel 3:317 lid 1 BW. In die brief is immers duidelijk vermeld dat [Eiser] zich alle rechten voorbehoudt om nakoming te vorderen van de verplichting van [gedaagde] tot vergoeding van de door [Eiser] geleden schade, zowel materieel als immaterieel. Het moet voor [gedaagde] voldoende duidelijk zijn geweest waarvoor [Eiser] zich het recht op nakoming heeft voorbehouden, ook zonder vermelding van de concrete schadeposten van [Eiser]. Met deze brief is de lopende verjaring derhalve (tijdig) gestuit.

4.7.

Gelet op het voorgaande is [Eiser] ontvankelijk in zijn vorderingen.

Onrechtmatigheid en toerekening

4.8.

Tussen partijen is voorts in geschil of [gedaagde] onrechtmatig jegens [Eiser] heeft gehandeld. [Eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld naar de strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde].

4.9.

[gedaagde] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld bij het op tegenspraak gewezen arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 december 2011. Het hof heeft bewezenverklaard dat [gedaagde] grovelijk onvoorzichtig een noodseinpijl heeft afgevuurd in de nabijheid van [Eiser], waardoor het aan de schuld van [gedaagde] te wijten is geweest dat [Eiser] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

4.10.

Ingevolge artikel 161 Rv levert een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Dit betekent dat de rechter verplicht is de inhoud van het vonnis als waar aan te nemen, zodat de hierin genoemde feiten, behoudens tegenbewijs, vast staan (artikel 151 lid 2 Rv). In beginsel moet de rechtbank dus als vaststaand aannemen dat [gedaagde] de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd.

4.11.

Om toe te komen aan tegenbewijs zal [gedaagde] feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit blijkt dat hij niet degene is geweest die de noodseinpijl heeft afgestoken, waardoor [Eiser] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en waaruit blijkt dat hij niet grovelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Dit heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende, gedaan. Hij betwist slechts de stellingen van [Eiser] dat hij onder de gegeven omstandigheden geen noodseinpijl had mogen afschieten en dat hij in strijd met de productinstructies heeft gehandeld. Voorts stelt hij dat het feit dat [Eiser] is geraakt het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. [gedaagde] betwist niet dat hij de noodseinpijl heeft afgestoken en gaat niet in op het arrest van 8 december 2011.

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om toegelaten te worden tot het leveren van tegenbewijs. Vast staat dus dat hij grovelijk onvoorzichtig een noodseinpijl heeft afgestoken in de nabijheid van [Eiser], waardoor [Eiser] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarmee heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op een persoonlijkheidsrecht van [Eiser] (te weten het recht op lichamelijk integriteit), hetgeen een onrechtmatige daad oplevert. Van een ongelukkige samenloop van omstandigheden is derhalve geen sprake.

4.12.

Deze onrechtmatige daad kan [gedaagde] worden toegerekend, nu vast staat dat [gedaagde] de noodseinpijl ‘grovelijk onvoorzichtig’ heeft afgestoken. In het arrest van 8 december 2011 is hiertoe overwogen dat [gedaagde] zich niet ten volle bewust was van de risico’s die hij nam en dat het hem ernstig valt aan te rekenen dat hij zich niet op de hoogte heeft gesteld van de aard van die risico’s, en meer in het bijzonder van de werking van de noodseinpijl en de wijze waarop een noodseinpijl veilig kan worden afgevuurd. “Van een ieder die een dergelijk, bij onkundig gebruik zeer gevaarlijk noodsein afvuurt te midden van omstanders in een - vanwege de stilstaande trein en de op handen zijnde voetbalwedstrijd - onrustige situatie, mag en moet immers verwacht worden dat hij zich terdege op de hoogte heeft gesteld van de juiste wijze van afvuren”, aldus het hof. Voorts is door het hof overwogen dat [gedaagde] lichtzinnig is afgegaan op de mededeling van een ander met betrekking tot de wijze waarop de noodseinpijl moest worden afgevuurd en dat hij vervolgens, zonder voldoende stil te staan bij de risico’s die hij nam, te midden van omstanders de noodseinpijl heeft afgestoken. Ten gevolge daarvan heeft [Eiser] uiteindelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Onder deze omstandigheden wordt geoordeeld dat de onrechtmatige gedraging is te wijten aan de schuld van [gedaagde].

4.13.

Nu [gedaagde] onrechtmatig jegens [Eiser] heeft gehandeld en deze onrechtmatige gedraging hem kan worden toegerekend, is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [Eiser] door het onrechtmatig handelen heeft geleden.

4.14.

Alvorens in te gaan op de schade van [Eiser] wordt beoordeeld of de AVP van [gedaagde] dekking biedt voor deze schade en de vordering van [Eiser] op Nationale Nederlanden uit dien hoofde slaagt.

Dekking onder de AVP

4.15.

Tussen partijen is in geschil of Nationale Nederlanden zich terecht beroept op de wapenclausule in de polisvoorwaarden.

4.16.

Voor een beroep op de wapenclausule moet aan twee vereisten zijn voldaan. Ten eerste moet sprake zijn van schade veroorzaakt met een wapen in de zin van de WWM. Ten tweede moet sprake zijn van een wapen waarvoor de verzekerde geen vergunning had, hetgeen impliceert dat het om een vergunningplichtig wapen moet gaan.

4.17.

Op grond van artikel 1 sub 3 WWM wordt onder een vuurwapen verstaan “een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie”. Ingevolge artikel 2 lid 1 WWM zijn alle wapens in de zin van de WWM onderverdeeld in categorieën. Onder categorie III, sub 2 van de WWM vallen “toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten”. Beide artikelen zijn ongewijzigd van kracht sinds de inwerkingtreding van de WWM in 1997 (Stb. 1997, 292).

4.18.

Nationale Nederlanden stelt dat de noodseinpijl zoals in het onderhavige geval door [gedaagde] is gebruikt, is aan te merken als een vuurwapen in de zin van de WWM, categorie III, sub 2. Dit volgt uit de Deskundigenverklaring Noodseinmiddelen van het NFI alsmede uit het proces-verbaal van de politie.

Dit wordt door [Eiser] niet betwist. [Eiser] stelt dat een noodseinpijl gelet op de rapportage van de technische recherche in theorie zou kunnen worden aangemerkt als een vuurwapen in de zin van artikel 1 sub 3 WWM. Echter, volgens [Eiser] ziet de wapenclausule alleen op schietwapens (zoals pistolen) gelet op de wetsgeschiedenis van de WWM. De wapenclausule ziet niet op vrij verkrijgbare middelen, zoals noodseinpijlen, aldus [Eiser].

4.19.

In de Deskundigenverklaring Noodseinmiddelen van het NFI (versie 1, 12 oktober 2005) is - voor zover relevant - bepaald:

Toetsing Wet wapens en munitie

Noodseinraketten zijn bestemd om een projectiel (de koker met ladingen) door een loop

(het omhulsel) af te schieten. De werking berust op een scheikundige reactie, namelijk de

verbranding van de voortdrijvende lading. Dit maakt een noodseinraket een vuurwapen

in de zin van artikel 1, lid 3, van de Wet wapens en munitie (WWM).”

4.20.

In het proces-verbaal van de zaak ‘Vuurpijl’ van de politie Rotterdam Rijnmond (T.G.O. “Spoorzoekers”) is - voor zover relevant - opgenomen:

Opmerking verbalisant:

Ik, verbalisant, taakaccenthouder Wet wapens en munitie, verklaar dat gezien het door de Technische Recherche opgemaakte proces-verbaal onder nummer 05041 90000.TR, de verdachte vermoedelijk een noodseinmiddel had afgevuurd.

Een noodseinmiddel wordt genoemd in artikel 2, categorie III onder 2e.

(2°. toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten).”

4.21.

Geoordeeld wordt dat noodseinpijlen - ongeacht welk type - gelet op hun functie en werking moeten worden beschouwd als wapens in de zin van de (huidige) WWM, categorie III sub 2. Nu niet in geschil is dat [Eiser] een noodseinpijl heeft afgestoken (in geschil is slechts welk type dit betrof), is daarmee aan het eerste vereiste van de wapenclausule (schade veroorzaakt met een wapen in de zin van de WWM) voldaan.

De wetsgeschiedenis van de WWM doet, anders dan door [Eiser] (alsmede [gedaagde]) is bepleit, in deze niet ter zake. De wapenclausule vermeldt immers niet met welke type wapens de schade moet zijn veroorzaakt (en dat dit uitsluitend schietwapens zou betreffen, zoals door [Eiser] is betoogd), maar vermeldt slechts dat sprake moet zijn van schade veroorzaakt met een wapen in de zin van de WWM. Uitgegaan moet derhalve worden van de definitie zoals opgenomen in de wettekst die gold ten tijde van het gebruik van de noodseinpijl. Niet relevant is de vraag of er op dat moment meer wapens onder de wapenclausule vielen, dan onder oudere versies van de WWM (van vóór 1997).

4.22.

In de artikelen 26 en 27 WWM is bepaald dat het verboden is om wapens behorend tot categorie III (waaronder dus noodseinpijlen vallen) voorhanden te hebben respectievelijk te dragen, behoudens vrijstelling of verlof.

Een vrijstelling is blijkens de Circulaire Wapens en Munitie 2005 (hierna: CWM) een algemene uitzondering op een wettelijk verbod en hoeft niet te worden aangevraagd, dit in tegenstelling tot een vergunning.
In artikel 4 onder g van de WWM is bepaald dat door de Minister van Veiligheid en Justitie vrijstelling kan worden verleend voor bepaalde type noodsignaalmiddelen. De verschillende vrijstellingen voor noodsignaalmiddelen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 11 van de Regeling wapens en munitie (hierna: RWM), onder meer in artikel 22 RWM.

Blijkens de CWM kunnen er naast deze algemene vrijstellingen op grond van de WWM individuele vergunningen worden verleend voor het verrichten van specifieke verboden handelingen met wapens. Er bestaan verschillende soorten vergunningen. Eén daarvan is het verlof; dit is een vergunning voor een bepaalde handeling.
Op grond van de artikelen 28 en 29 WWM wordt door de korpschef verlof verleend voor het voorhanden of dragen hebben van een wapen behorend tot categorie III aan personen van achttien jaar of ouder die redelijkerwijs kunnen aantonen over een vaartuig te beschikken waarmee op ruim water wordt gevaren en die wensen te beschikken over noodsignaalmiddelen die niet onder de vrijstelling van artikel 22 RWM vallen.

4.23.

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld wordt dat noodseinpijlen, behoudens in het geval dat er een vrijstelling geldt, vergunningplichtige wapens zijn in de zin van de WWM. Niet gesteld of gebleken is dat voor [gedaagde] één van de vrijstellingen in hoofdstuk 11 van de RWM gold, met name niet nu het afsteken van de noodseinpijl door [gedaagde] niet in directe relatie stond tot het vergroten van de veiligheid aan boord van een vaartuig (zie artikel 22 lid 2 onder 2 RWM). Het was [gedaagde] dus enkel toegestaan een noodseinpijl voorhanden te hebben of te dragen indien hem hiervoor verlof was verleend door de korpschef. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] niet beschikte over een dergelijke vergunning. Daarmee is dus tevens aan het tweede vereiste van de wapenclausule is voldaan.

4.24.

Nu aan beide vereisten van de wapenclausule is voldaan, beroept Nationale Nederlanden zich met recht op deze clausule in de polisvoorwaarden. Daarbij is niet relevant welk type noodseinpijl [gedaagde] precies heeft afgestoken, noch is relevant of noodseinpijlen al dan niet vrij verkrijgbaar zijn. Zoals ook door Nationale Nederlanden is bepleit, is voor het beroep op de wapenclausule enkel relevant dat het om een vuurwapen in de zin van de WWM gaat en dat [gedaagde] daarvoor geen vergunning had.

4.25.

[Eiser] stelt zich op het standpunt dat onduidelijkheid van de wapenclausule op grond van artikel 6:238 lid 2 BW voor rekening van Nationale Nederlanden komt. Dit verweer wordt verworpen, nu van onduidelijkheid in de polisvoorwaarden geen sprake is. De tekst van de wapenclausule is helder. Een beroep op artikel 6:238 lid 2 BW is bovendien niet mogelijk, nu de wapenclausule moet worden gekwalificeerd als kernbeding als bedoeld in artikel 6:231 sub a BW, gelet op het feit dat deze clausule de omvang van de dekking onder de AVP bepaalt. Ook om die reden strandt het beroep op artikel 6:238 lid 2 BW.

Nu de tekst van de wapenclausule helder is, wordt tevens het beroep van [Eiser] op het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2012 (NJ 2012, 687) verworpen. In betreffend arrest speelde bovendien een geheel andere kwestie, zodat de door de Hoge Raad in die zaak geformuleerde rechtsregel niet op onderhavige casus van toepassing is.
Ten slotte wordt het beroep van [Eiser] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen. Dat [gedaagde] mogelijk geen verhaal biedt voor de door [Eiser] geleden schade, vormt geen aanleiding om het beroep van Nationale Nederlanden op de wapenclausule te passeren.

4.26.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [Eiser] tegen Nationale Nederlanden worden afgewezen. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu Nationale Nederlanden ervoor heeft gekozen om in haar conclusie van antwoord uitsluitend in te gaan op de dekking onder de AVP en niet op de (hoogte van de) schade van [Eiser], zal bij de berekening van het salaris advocaat worden uitgegaan van het tarief voor zaken van onbepaalde waarde (tarief II). Op basis daarvan worden de kosten aan de zijde van Nationale Nederlanden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 3.715,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief II € 452,00)

Totaal €  4.619,00

4.27.

Voorts zal [Eiser] worden veroordeeld in de door Nationale Nederlanden gevorderde nakosten op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

Schade en causaal verband

4.28.

[Eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding, voorlopig begroot op € 373.622,74 en bestaande uit verschillende schadeposten. Het merendeel van de schadeposten is gebaseerd op de stelling dat [Eiser], gelet op het letsel dat hij heeft opgelopen, op de (middel)lange termijn niet meer fulltime zal kunnen werken en de rest van zijn leven mantelzorg nodig heeft. [Eiser] vordert op basis daarvan onder meer schadevergoeding wegens verlies van zijn verdienvermogen, een vergoeding ter zake van economische kwetsbaarheid, een vergoeding voor mantelzorg en een vergoeding ter zake van verlies zelfwerkzaamheid. Ter onderbouwing van zijn letsel heeft [Eiser] verwezen naar enkele medische stukken, waarvan het meest recente document dateert van 2008.

[gedaagde] betwist het gestelde letsel van [Eiser] alsmede de stelling dat [Eiser] hierdoor op termijn niet meer in staat zal zijn om fulltime te werken. Volgens [gedaagde] is uit de overgelegde stukken niet gebleken van de actuele medische situatie van [Eiser]. Voorts heeft [gedaagde] de verschillende schadeposten van [Eiser] - voor zover mogelijk - gemotiveerd betwist.

4.29.

Er bestaat thans onvoldoende duidelijkheid over de omvang van het letsel van [Eiser] en de beperkingen die [Eiser] ten gevolge van zijn letsel ondervindt. Nu het merendeel van de schadeposten in verband staan met het door [Eiser] gestelde letsel en de daarmee samenhangende beperkingen en [gedaagde] het bestaan alsmede de ernst daarvan gemotiveerd heeft betwist, zal het debat over de omvang van de schade en over het causaal verband eerst gevoerd kunnen worden nadat op dit punt een deskundigenbericht is ingewonnen.

4.30.

Als eerste zal/zullen één of meer deskundige(n) (medici) dienen te rapporteren over de medische situatie van [Eiser]. Voordat tot het gelasten van een deskundigenbericht wordt overgegaan, zullen [Eiser] en [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld zich - bij voorkeur na overleg en eenparig - uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien [Eiser] en [gedaagde] zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.31.

De rechtbank is voornemens om aan de te benoemen deskundige(n) de vraagstelling causaal verband (versie 2010), ontwikkeld door de Projectgroep Medische deskundigen in de rechtspleging van de Vrije Universiteit in samenwerking met de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen (IWMD), voor te leggen:

VRAAGSTELLING CAUSAAL VERBAND (versie 2010)

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens

Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek

Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie

Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose

Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen

Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie

Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

  1. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

  2. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3. OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

4.32.

Voorts zullen in vervolg op het deskundigenbericht over de medische toestand van [Eiser] achtereenvolgens deskundigenberichten worden ingewonnen bij een verzekeringsarts, opdat een belastbaarheids- en beperkingenprofiel kan worden vastgesteld, en bij een arbeidsdeskundige, opdat beoordeeld kan worden wat de gevolgen zijn van de vastgestelde medische beperkingen voor de arbeidscapaciteit en de zelfwerkzaamheid van [Eiser]. [Eiser] en [gedaagde] worden reeds nu in de gelegenheid gesteld zich - opnieuw bij voorkeur na overleg en eenparig - bij akte uit te laten over de persoon van de verzekeringsarts, over de persoon van de arbeidsdeskundige en over de aan deze deskundigen voor te leggen vragen.

4.33.

Aan het verrichten van een deskundigenonderzoek zijn kosten verbonden. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding - in het bijzonder in het feit dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] reeds is vastgesteld en de deskundigenonderzoeken slechts strekken tot het vaststellen van de omvang van het letsel en de (hoogte van de) schade van [Eiser] - aanleiding om af te wijken van de hoofdregel in artikel 195 Rv en te bepalen dat het voorschot op de kosten van de te benoemen deskundige(n) door [gedaagde] moet worden gedeponeerd.

Beroep op matiging schade en eigen schuld

4.34.

Ten slotte wordt overwogen dat het beroep van [gedaagde] op matiging van de schade, ongeacht de uitkomst van de deskundigenberichten, wordt verworpen. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid van [gedaagde] en de aard van de schade van [Eiser] (letselschade), bestaat er geen aanleiding om de schade ex artikel 6:109 BW te matigen. Het belang van [Eiser] bij vergoeding van zijn schade weegt in deze zwaarder dan de nadelige gevolgen die [gedaagde] ondervindt bij een veroordeling tot betaling van schadevergoeding.

4.35.

Voor zover [gedaagde] zich met zijn stellingen heeft willen beroepen op eigen schuld aan de zijde van [Eiser] ex artikel 6:101 BW, wordt dit verweer verworpen. Door [gedaagde] is geen enkel deugdelijk argument aangevoerd dat tot dit oordeel kan leiden. Het enkele feit dat [Eiser] op 17 april 2005 aanwezig was bij, althans in de buurt was van, de ongeregeldheden voorafgaand aan de voetbalwedstrijd in voetbalstadion De Kuip, maakt niet dat hij eigen schuld heeft aan de schade die hij heeft geleden (en nog zal lijden) door de noodseinpijl die [gedaagde] heeft afgestoken. [Eiser] hoefde niet te verwachten dat hij aldaar een noodseinpijl in het gezicht zou krijgen. [gedaagde] heeft bovendien geen gedragingen van [Eiser] gesteld ten opzichte van [gedaagde], die een beroep op eigen schuld rechtvaardigen.

4.36.

De stelling dat het herstel van [Eiser] is beïnvloed doordat [Eiser] zowel voorafgaand als na het ongeval drugs heeft gebruikt, wordt door [Eiser] betwist. Indien en voor zover echter uit de deskundigenberichten blijkt dat [Eiser] op enig moment drugs heeft gebruikt, zal dit niet leiden tot het oordeel dat de schade (deels) voor rekening van [Eiser] dient te blijven op grond van eigen schuld ex artikel 6:101 BW. Voor zover in deze al sprake is van eigen schuld, wordt geoordeeld dat – gelet op de ernst van de onrechtmatige handeling van [gedaagde] – de billijkheid eist dat de schade geheel voor rekening van [gedaagde] komt. Ook dit verweer wordt derhalve gepasseerd.

4.37.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen tegen Nationale Nederlanden af,

5.2.

veroordeelt [Eiser] in de proceskosten van Nationale Nederlanden, aan de zijde van Nationale Nederlanden tot op heden begroot op € 4.619,00,

5.3.

veroordeelt [Eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten van Nationale Nederlanden, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

verwijst de zaak naar de rol van 26 februari 2014 voor het nemen van een akte door [Eiser] en [gedaagde] waarin zij zich uitlaten uitsluitend ter zake van de aangekondigde deskundigenberichten (r.o. 4.30-32),

5.6.

houdt iedere nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.D. Rentema, A. Eerdhuijzen en K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014.1

1 type: 2544
coll: 2294 / 2477 / 2537