Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4996

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
ROT 14/1302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het onderhavige verzoek ziet uitsluitend op het bestreden besluit tot intrekking van bijstand en tot terug- en invordering over een afgesloten periode in het verleden. Verzoekster heeft als schuldenaar bescherming, of kan deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over haar financiële omstandigheden kan daarom niet met zich brengen dat vanwege een spoedeisend belang een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder op 1 april 2014 een dwangbevel heeft uitgevaardigd. Tegen een dwangbevel staat – anders dan tegen een beschikking waaruit de betalingsplicht voortvloeit – geen bestuursrechtelijke rechtsgang open, doch staat verzet open bij de burgerlijke rechter (zie de artikelen 8:4, eerste lid, en onder b, en 4:123 van de Awb en artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In zoverre met het verzoek is beoogd om dwanginvordering te voorkomen, doch inmiddels een dwangbevel is genomen en bij de invordering rekening zal moeten worden gehouden met de beslagvrije voet, ziet de voorzieningenrechter ook in zoverre geen rol voor zich weggelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/1302

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam verzoekster], te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. S.C. van Paridon,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder,

gemachtigde: T. Baltus.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de (mede) aan verzoekster toegekende bijstandsuitkering uit hoofde van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 20 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013 ingetrokken, de ten onrechte toegekende bijstand over deze periode tot een bedrag van € 10.544,74 bruto van haar teruggevorderd en bepaald dat verzoekster dit bedrag binnen zes weken dient te voldoen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2014. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor verweerder is L.L. van der Linden verschenen.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de bijstandsuitkering van verzoekster en [partner] bij besluit van verweerder van 3 januari 2014 is ingetrokken met ingang van 1 september 2013, omdat het recht op bijstand ten gevolge van het niet nakomen van de inlichtingenplicht niet langer is vast te stellen. Tegen dit besluit heeft [partner] bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 7 maart 2014 (ROT 14/1211) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

3.

Het onderhavige verzoek ziet uitsluitend op het bestreden besluit tot intrekking van bijstand en tot terug- en invordering over een afgesloten periode in het verleden.

4.

Verzoekster heeft als schuldenaar bescherming, of kan deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over haar financiële omstandigheden kan daarom niet met zich brengen dat vanwege een spoedeisend belang een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

5.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder op 1 april 2014 een dwangbevel heeft uitgevaardigd. Tegen een dwangbevel staat – anders dan tegen een beschikking waaruit de betalingsplicht voortvloeit – geen bestuursrechtelijke rechtsgang open, doch staat verzet open bij de burgerlijke rechter (zie de artikelen 8:4, eerste lid, en onder b, en 4:123 van de Awb en artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In zoverre met het verzoek is beoogd om dwanginvordering te voorkomen, doch inmiddels een dwangbevel is genomen en bij de invordering rekening zal moeten worden gehouden met de beslagvrije voet, ziet de voorzieningenrechter ook in zoverre geen rol voor zich weggelegd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.